Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:7198

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-05-2015
Datum publicatie
24-06-2015
Zaaknummer
AWB 15/7915
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De asielaanvraag van verzoekster is afgewezen omdat haar bekering en de gestelde problemen hiermee verband houdende niet geloofwaardig worden geacht. Ze heeft geen documenten kunnen overleggen, haar verklaringen zijn bevreemdend, vaag en summier en intrinsieke verklaringen ontbreken. Daarbij heeft ze onvoldoende kennis van het christendom. Het weggooien van haar paspoort en vliegticket doen op voorhand afbreuk aan de oprechtheid van haar verhaal. Bovendien heeft ze te laat asiel aangevraagd. Volgens de voorzieningenrechter heeft ze voor dit laatste feit echter een plausibele verklaring gegeven en deze grond slaagt dus. Daarbij heeft verweerder verzoekster naar het oordeel van de voorzieningenrechter ten onrechte tegengeworpen dat zij geen documenten heeft overgelegd, nu zij reeds heeft verklaard dat ze niet is gedoopt. Ook deze grond slaagt. Deze twee gronden kunnen, gelet op het hierna overwogene niet leiden tot een geslaagd beroep. Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster met haar verklaringen onvoldoende inzicht heeft gegeven in het proces van bekering en haar motief om zich te bekeren tot het door haar genoemde geloof, gegeven de omstandigheid dat zij door die keuze en door de gestelde huiskerkbezoeken in haar land van herkomst een situatie heeft gecreëerd waarin ze zich blootstelt aan de mogelijkheid van vervolging. Verweerder heeft reeds op grond van het voorgaande het standpunt kunnen innemen dat de gestelde bekering ongeloofwaardig is, zodat niet geconcludeerd kan worden dat het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Hetgeen verzoekster heeft aangevoerd met betrekking tot het standpunt van verweerder over de overige beoordelingsaspecten van de gestelde bekering, zoals bijvoorbeeld de Bijbelkennis en de huisbijeenkomsten, leidt niet tot een ander oordeel. Nu uit het oordeel dat de bekering niet geloofwaardig is voortvloeit dat de daarmee verband houdende gebeurtenissen evenmin geloofd kunnen worden, heeft verweerder in het bestreden besluit mogen volstaan met het ingenomen standpunt. Het beroep slaagt niet.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/7915

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 mei 2015 in de zaak tussen

[verzoekster],

geboren op [geboortedatum], van Chinese nationaliteit,

verzoekster,

(gemachtigde: mr. C.G.J.M. Lucassen, advocaat te Utrecht),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoekt verweerder te verbieden haar uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2015. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Er bestaat doorgaans aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen indien geoordeeld moet worden dat het beroep een redelijke kans van slagen heeft.

  2. Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar aanvraag het volgende aangevoerd. Verzoekster heeft zich bekeerd tot het christendom. De Chinese overheid vervolgt christenen in China. Zij moeten naar een Sanzikerk, waar niet over God maar over vaderlandsliefde wordt gepredikt. Daarom ging verzoekster naar huiskerkbijeenkomsten. Tijdens een huiskerkbijeenkomst op 5 februari 2014, waar zij en haar zoon aanwezig waren, is er een inval geweest door de politie. Zij en haar zoon zijn toen via de achterdeur ontsnapt. De politie heeft foto’s genomen tijdens de inval.

  3. Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster afgewezen op de volgende gronden. Verzoekster heeft opzettelijk haar originele paspoort en vliegticket weggegooid, omdat zij niet naar China teruggestuurd wilde worden. Hierdoor maakt ze onderzoek onmogelijk en bestaat het ernstige vermoeden dat ze de juiste gegevens wil verzwijgen. Het doelbewust weggooien van documenten komt voor rekening van verzoekster en dit doet op voorhand al afbreuk aan de oprechtheid van verzoekster. Daarbij heeft ze zich pas vijf dagen na inreis gemeld bij de Nederlandse autoriteiten. Haar verklaring, dat ze nog niet hersteld was van haar verwondingen, is hierbij onvoldoende. Voorts worden haar verklaringen met betrekking tot haar bekering en de gestelde problemen die ze in het land van herkomst zou hebben ondervonden niet geloofwaardig geacht. Hierbij is het volgende van belang. Verzoekster heeft geen documenten overgelegd met betrekking tot de gestelde bekering. Voorts zijn haar verklaringen bevreemdend, vaag en summier. Ze kent de naam niet van de vrouw via wie zij tot het christendom is gekomen. Ook ontbreken intrinsieke verklaringen waarom zij zich tot het christendom heeft bekeerd. Een causaal verband tussen haar psychische en/of fysieke situatie en een onderdeel van haar geloof heeft ze niet aannemelijk gemaakt. Voorts beschikt verzoekster over onvoldoende kennis van het christendom om te kunnen concluderen dat ze is bekeerd. Nu ze zich reeds in 2013 heeft bekeerd, had van haar verwacht mogen worden dat ze meer gedetailleerde kennis zou hebben. Tot slot heeft zij ook over de huiskerkbijeenkomsten vaag en summier verklaard. Bovendien is het bevreemdend dat ze zich in Nederland nog niet tot een kerkgemeenschap heeft gewend.

4. Verzoekster voert aan dat haar echtgenoot alle paspoorten en vliegtickets heeft weggegooid uit angst dat het gezin, waaronder ook de zoon van verzoekster, meteen teruggestuurd zou worden naar China. Zij heeft niet geprobeerd om een eerder verblijf in een ander land te verzwijgen. Verzoekster heeft gedetailleerd verklaard over de datum en tijd waarop ze is gevlogen en met welke vliegtuigmaatschappij. In het kader hiervan verwijst ze naar pagina 95 van het rapport “Beyond Proof – Credibility Assessment in EU asylum systems” van de UNHCR. HierinHierin wordt gesteld dat de beslissende autoriteiten er ten onrechte vanuit gaan dat iemand die om internationale bescherming verzoekt zich niet van zijn documenten zal ontdoen tenzij hij hiertoe gedwongen wordt. Hierbij dienen ook de relevante individuele en contextuele omstandigheden te worden meegewogen. Verzoekster heeft later haar identiteitskaart alsnog overgelegd, nadat ze vertrouwen heeft gekregen in de Nederlandse autoriteiten. Het feit dat haar paspoort en de vliegtickets zijn weggegooid, mag dan ook niet tot de conclusie leiden dat er een ernstig vermoeden bestaat dat ze de juiste gegevens verzwijgt en dat dit op voorhand al afbreuk doet aan de oprechtheid van haar asielrelaas.

4.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat aan de identiteit en de Chinese nationaliteit van verzoekster niet wordt getwijfeld, maar dat onderzoek naar in- en uitreisstempels en visa in het paspoort van verzoekster niet mogelijk is, nu ze zich doelbewust van haar paspoort heeft ontdaan. Het is niet mogelijk geweest om aan de hand van het paspoort van verzoekster te onderzoeken of ze momenteel rechtmatig verblijf heeft in een derde land, dan wel dat ze mogelijk in een ander land heeft verbleven waarover ze geen verklaringen heeft afgelegd. Bovendien zijn de standpunten en visie van de UNHCR betrokken bij de totstandkoming van de geloofwaardigheidsbeoordeling, waarbij de richtlijn 2013/32/EU is geïmplementeerd en is neergelegd in de werkinstructie 2014/10 van 1 januari 2015. Nu de besluitvorming tot stand is gekomen volgens deze werkinstructie, leiden de verwijzingen naar het rapport van de UNHCR reeds daarom niet tot een ander oordeel.

4.2

De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder in zijn standpunt wordt gevolgd. De stelling van verweerder dat hij door het ontbreken van het paspoort van verzoekster geen onderzoek meer kan doen naar mogelijk rechtmatig verblijf van verzoekster in een derde land, is juist. Het is aan verzoekster om duidelijkheid te verschaffen over haar reisroute en een eventueel verblijf elders. Zij dient haar verklaringen hieromtrent te onderbouwen met documenten. De stelling van verzoekster dat verweerder andere mogelijkheden heeft om eerdergenoemd onderzoek uit te voeren, kan onder de gegeven omstandigheden dan ook niet worden gevolgd. De beroepsgrond slaagt niet.

5. Voorts stelt verzoekster zich op het standpunt dat het feit dat zij, haar echtgenoot en haar zoon zich pas na vijf dagen hebben gemeld bij de Nederlandse autoriteiten verschoonbaar is, nu verzoekster met veel moeite kon lopen en hierbij voortdurend ondersteund moest worden door haar echtgenoot en zoon en zij bovendien niet op de hoogte was van het feit dat ze zich onverwijld na aankomst in Nederland had moeten melden. In dit verband wordt verwezen naar pagina 201 van het rapport van de UNHCR. Dit feit kan evenmin op voorhand afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen.

5.1

Met betrekking tot de verklaringen inzake het niet onverwijld melden bij de Nederlandse autoriteiten volgt verweerder verzoekster in zoverre dat dit gegeven niet op voorhand al afbreuk doet aan alle verklaringen van verzoekster, maar wel doet deze omstandigheid mede afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaringen over de gestelde acute vluchtsituatie van verzoekster en haar gezin. Daarbij heeft ze ten overstaan van de Vreemdelingenpolitie op 10 maart 2015 verklaard dat het doel voor het aanvragen van het Nederlandse visum is om asiel aan te vragen. Van haar had dan ook verwacht kunnen worden dat ze bij aankomst in Nederland direct asiel zou hebben aangevraagd.

5.2

De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster een plausibele verklaring heeft gegeven voor het feit dat ze zich niet onverwijld na haar aankomst heeft gemeld bij de Nederlandse autoriteiten, te weten dat zij in China haar rug en haar schouder heeft gebroken en dat zij op 2 maart 2015 zelf het gips heeft verwijderd om te kunnen reizen. Haar conditie tijdens de reis was heel slecht en na de aankomst in Nederland was zij nog niet hersteld. Verzoekster en haar gezin hebben in Nederland eerst in een soort familiehotel verbleven totdat verzoekster voldoende was hersteld en zij hebben zich op 9 maart 2015 in Ter Apel gemeld, nadat zij het adres van een Chinese persoon hadden gekregen. Verweerder heeft de verklaring over de gezondheidstoestand van verzoekster niet betwist en heeft ondeugdelijk gemotiveerd waarom het niet onverwijld melden van verzoekster met deze verklaring niet verschoonbaar is. Dat deze verklaring door de UNHCR niet als voorbeeld wordt genoemd in eerdergenoemd rapport, kan niet als doorslaggevend argument worden gebruikt. Het gaat erom dat de verklaring die voor het niet onverwijld melden door de vreemdeling wordt gegeven, plausibel is en of deze gelet op alle omstandigheden van het geval voldoende reden geven om de late melding al dan niet verschoonbaar te achten. Nu verweerder het gestelde omtrent de gezondheidstoestand van verzoekster niet heeft weerlegd en sprake is van een relatief korte overschrijding van de gebruikelijke meldtermijn, is dit onderdeel van de bestreden beschikking ondeugdelijk gemotiveerd. De grond slaagt dus maar leidt op zich, gelet op het hiernavolgende, niet tot de conclusie dat het beroep een redelijke kans van slagen heeft.

6. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat verweerder haar ten onrechte heeft tegengeworpen dat ze geen documenten heeft kunnen overleggen aangaande de bekering, zoals bijvoorbeeld een doopakte. Verzoekster is immers niet gedoopt en kan derhalve niet beschikken over een doopakte. Daarbij heeft ze geen documenten als bewijs van haar deelname aan de huiskerkbijeenkomsten. Hierbij verwijst ze nogmaals naar het genoemde rapport van de UNHCR, pagina 91. Volgens het rapport dient onderkend te worden dat de verklaringen van de vreemdeling over zichzelf reeds ondersteunend bewijs kunnen vormen.

6.1

Verweerder volgt verzoekster in haar standpunt dat ze nog niet is gedoopt en derhalve niet over een doopakte kan beschikken. Dit enkele feit leidt echter niet tot een andere conclusie nu verzoekster geen enkel ander document heeft kunnen overleggen.

6.2

De voorzieningenrechter volgt verzoekster in haar standpunt dat haar ten onrechte is tegengeworpen dat ze geen documenten met betrekking tot de gestelde bekering heeft overgelegd. Niet in geschil is dat verzoekster niet is gedoopt en dat zij hiervan geen document heeft kunnen overleggen. Verweerder heeft op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt welke andere documenten verzoekster redelijkerwijs had moeten kunnen overleggen. Uit de verklaringen van verzoekster blijkt ook niet dat ze over enig document betreffende de gestelde bekering heeft beschikt. De beroepsgrond slaagt, maar kan met het oog op de volgende overwegingen op zich niet leiden tot de conclusie dat het beroep een redelijke kans van slagen heeft.

7. Verzoekster voert voorts aan dat zij de naam van de oudere vrouw, die haar in aanraking heeft gebracht met het christendom, wel wist maar niet eerder durfde te geven uit angst dat ze haar in gevaar zou brengen. In de beroepsgronden geeft ze alsnog de naam van de vrouw. Daarbij interpreteert verweerder de door hem aangevoerde uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2801) onjuist. Uit deze uitspraak volgt dat aan het onderdeel ‘motieven voor en het proces van bekering’ een doorslaggevend gewicht kan worden toegekend. Daarnaast heeft zij voldoende in detail verteld hoe een huiskerkbijeenkomst eruit zag. Voorts merkt zij op dat verweerder in het bestreden besluit niet meer heeft gereageerd op hetgeen is aangevoerd in de zienswijze over het causaal verband tussen de psychische en/of fysieke situatie van verzoekster en een onderdeel van haar geloof of op hetgeen is aangevoerd met betrekking tot haar favoriete Bijbelverhaal. Hieruit leidt zij af dat dit haar niet langer wordt tegengeworpen. Daarbij motiveert verweerder nog altijd niet op grond van welke informatie hij zich op het standpunt heeft gesteld dat verzoekster de positie van Yanli als Bijbelverteller had dienen toe te lichten.

7.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van verzoekster over haar motieven voor de bekering en het proces van bekering bevreemdend, vaag en weinig specifiek zijn. Ook ontbreken intrinsieke verklaringen waarom zij zich tot het christendom heeft bekeerd. Van iemand die een bewust, weloverwogen en oprechte keuze maakt om een geloof aan te nemen waartegen de overheid volgens haar streng optreedt, mag redelijkerwijs worden verwacht dat zij duidelijkere en meer gedetailleerde verklaringen kan afleggen over welke specifieke aspecten van haar nieuwe geloof haar hiertoe hebben bewogen. Verweerder heeft ter zitting opgemerkt dat het noemen van de naam van de vrouw via welke verzoekster stelt te zijn bekeerd, relevant is als onderdeel van het proces van de bekering, dus de tegenwerping op dit punt blijft bestaan. In de bestreden beschikking stelt verweerder dat verzoekster nog immer geen afdoende verklaring heeft kunnen geven voor de omstandigheid dat zij de naam van de oudere vrouw niet weet. De verwijzing naar cultuurverschillen leidt hierbij niet tot een ander oordeel nu verzoekster in de gehoren wel in staat is om andere namen van bezoekers van de huiskerk te noemen maar niet de naam van de persoon die de aanleiding is geweest voor haar bekering. Op grond van het voorgaande en de hiervoor onder 3. vermelde argumenten, heeft verweerder de door verzoekster gestelde bekering ongeloofwaardig bevonden.

7.2

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0955) verschilt de waardering van verklaringen van een vreemdeling die stelt te zijn bekeerd van die van een vreemdeling met ouders die zijn gestelde geloofsovertuiging ook hebben en deze aan hem hebben doorgegeven. Aan een bekering gaat immers steeds een welbewuste en weloverwogen keuze van een vreemdeling vooraf. Verweerder mag in het geval van bekering bijzondere waarde hechten aan de beantwoording door een vreemdeling van vragen over de motieven voor en het proces van bekering. Dit geldt temeer als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar men overwegend een andere geloofsovertuiging heeft, dan wel waar de eerdere geloofsovertuiging van een vreemdeling de enige maatschappelijk aanvaarde godsdienst of de staatsgodsdienst is en het zich bekeren tot een andere geloofsovertuiging maatschappelijk onacceptabel of strafbaar is.

7.3

Verzoekster is afkomstig uit China, waar de aansluiting bij niet-geregistreerde, onofficiële (protestantse) kerken volgens het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken over China van 2012 maatschappelijk onacceptabel is en als een wetsovertreding wordt beschouwd. Gelet hierop zijn de antwoorden van verzoekster op vragen over de motieven voor en het proces van haar gestelde bekering van relatief groot gewicht, aangezien zij daarmee haar welbewuste en weloverwogen keuze om zich te bekeren inzichtelijk maakt. De voorzieningenrechter volgt verzoekster dan ook niet in haar standpunt dat er niet van mag worden uitgegaan dat een bekering op een welbewuste en weloverwogen keuze dient te zijn gebaseerd.

7.4

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster, onder meer, heeft verklaard dat zij ongeveer in juli 2013 is bekeerd nadat zij met een oudere vrouw in aanraking was gekomen die haar het evangelie heeft verteld. Verzoekster had een slechte gezondheid en de oudere vrouw had dat ook gehad. Verzoekster ging bidden, liedjes zingen en de Bijbel lezen en zij kreeg meer kracht. Samen met de oudere vrouw ging zij naar huiskerkbijeenkomsten; eerst twee keer per week en later één keer per week. Verzoekster stelt dat zij zich veel beter ging voelen na de bekering en dat haar gezondheid beter werd. Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster met haar verklaringen onvoldoende inzicht heeft gegeven in het proces van bekering en haar motief om zich te bekeren tot het door haar genoemde geloof, gegeven de omstandigheid dat zij door die keuze en door de gestelde huiskerkbezoeken in haar land van herkomst een situatie heeft gecreëerd waarin ze zich blootstelt aan de mogelijkheid van vervolging. De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat de naam van de oudere vrouw relevant is voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van de gestelde bekering, nu verzoekster heeft verklaard dat zij via haar in aanraking is gekomen met het christendom en dat zij met haar regelmatig naar de huiskerkbijeenkomsten ging. Daarmee is de oudere vrouw dus de aanleiding voor de bekering geweest en maakt zij deel uit van het proces van bekering dat verzoekster stelt te hebben doorgemaakt. Onder die omstandigheden heeft verweerder mogen tegenwerpen dat het bevreemdt dat verzoekster tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat ze de naam van deze vrouw niet weet. De omstandigheid dat verzoekster in de beroepsfase heeft gesteld dat ze de naam wel weet, maar deze eerder niet durfde te noemen, geeft geen aanleiding om hierover anders te oordelen. Dit dient voor eigen rekening en risico van verzoekster te komen. Van iemand die in Nederland asiel vraagt, mag worden verwacht dat zij tijdens het nader gehoor alle feiten en omstandigheden vermeldt die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het asielrelaas. Dit geldt te meer nu de gehoorambtenaar voorafgaande aan het gehoor aan verzoekster heeft verteld dat zij in vrijheid kan spreken, dat alles wat wordt besproken vertrouwelijk wordt behandeld en dat dit betekent dat de Chinese autoriteiten nooit zal worden gemeld dat verzoekster in Nederland asiel heeft aangevraagd. De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder reeds op grond van het voorgaande het standpunt heeft kunnen innemen dat de gestelde bekering ongeloofwaardig is, zodat niet geconcludeerd kan worden dat het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Hetgeen verzoekster heeft aangevoerd met betrekking tot het standpunt van verweerder over de overige beoordelingsaspecten van de gestelde bekering, zoals de Bijbelkennis, de kennis over het christendom, de verklaringen over de positie van de Bijbelverteller en de kerkgang door middel van de huisbijeenkomsten, leidt niet tot een ander (voorlopig) oordeel.

8. Voorts stelt verzoekster zich op het standpunt dat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij aanwezig was in de huiskerk ten tijde van de inval door de Chinese autoriteiten op 5 februari 2014. Zij heeft hierover uitgebreid en gedetailleerd verklaard. Verweerder heeft dit relevante element in het relaas van verzoekster ten onrechte niet zelfstandig beoordeeld.

8.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat, nu de bekering niet geloofwaardig wordt geacht, alle overige verklaringen van verzoekster over de gebeurtenissen in China evenmin geloofwaardig worden geacht, aangezien die gebeurtenissen voortvloeien uit de gestelde bekering.

8.2

De voorzieningenrechter stelt met verweerder vast dat de verklaringen van verzoekster over [naam oudere vrouw] en over de inval tijdens de huiskerkbijeenkomst op 5 februari 2014 rechtstreeks verband houden met de verklaring van verzoekster dat zij tot het christendom is bekeerd. Nu uit het oordeel dat de bekering niet geloofwaardig is voortvloeit dat de daarmee verband houdende gebeurtenissen evenmin geloofd kunnen worden, heeft verweerder in het bestreden besluit mogen volstaan met dat standpunt en was verweerder niet gehouden om het derde relevante element zoals genoemd in het voornemen op bladzijde 3 zelfstandig op geloofwaardigheid te beoordelen.

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.O.P. Roché, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Peeters, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.