Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:7108

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-06-2015
Datum publicatie
07-08-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3798
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Opiumwet 13b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2015/2520
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/3798

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 juni 2015 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker] , te [plaats 1] , verzoeker

(gemachtigde: mr. R.D.A. van Boom),

tegen

de burgemeester van [plaats 1] , verweerder

(gemachtigden: mr. M. van Paassen en C.I. Moolenbroek).

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder heeft verweerder de sluiting bevolen van de door verzoeker geëxploiteerde horeca-inrichting “ [bedrijf] ”, gevestigd in het pand [adres] te [plaats 1] , voor de duur van 26 weken, ingaande op donderdag 14 mei 2015 om 10.00 uur en eindigend op 12 november 2015, om 10.00 uur.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te overleggen. Verweerder heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt op 11 juni 2015. Eiser heeft op 15 juni 2015 een nadere reactie aan de rechtbank doen toekomen.

Het onderzoek is vervolgens gesloten.

Overwegingen

1.1

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2 Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

Volgens de bijlagen bij de Opiumwet staan hennep en hasjiesj op lijst II.

In het door verweerder gevoerde beleid, neergelegd in de beleidsregels bestuurlijke handhaving Drank- en Horecawet, horeca en APV gemeente [plaats 1] , is bepaald dat bij de eerste constatering van drugshandel, dan wel het aantreffen van een handelshoeveelheid drugs een sluiting volgt van de inrichting voor een periode van 12, 26 of 52 weken. Tevens is bepaald dat een sluiting van een horeca-inrichting in beginsel geldt voor een periode van 26 weken.

Op basis van de aanwijzing Opiumwet wordt onder een geringe hoeveelheid voor eigen gebruik voor de middelen op lijst II verstaan een hoeveelheid van maximaal 5 gram.

De beleidsregels artikel 13b Opiumwet gemeente [plaats 1] geven een indicatorenlijst als hulpmiddel om te kunnen nagaan of het aannemelijk is dat de aangetroffen drugs voor drugshandel in georganiseerd verband bestemd zijn. De indicatoren hebben een alternatief karakter en zijn gerangschikt onder de letters a-m.

3 De onderneming van verzoeker, [bedrijf] , is gevestigd in het pand [adres] te [plaats 1] . Op 6 mei 2015 hebben opsporingsambtenaren tijdens een onderzoek op de begane grond van het pand in totaal bij de bezoekers 6,4 gram hasj en 1,3 gram hennep aangetroffen. Op de eerste verdieping van dit pand is een blok hasj aangetroffen met een gewicht van 17,8 gram. Daarnaast zijn een weegschaal met hasjresten en verpakkingsmateriaal aangetroffen.

4 Verweerder heeft aan het primaire besluit ten grondslag gelegd dat de aangetroffen hoeveelheid verdovende middelen is aan te merken als een handelshoeveelheid, zodat hem op grond van artikel 13b van de Opiumwet de bevoegdheid toekwam de sluiting van de inrichting te bevelen. Voor de duur van de sluiting heeft verweerder aansluiting gezocht bij zijn beleid.

5 Verzoeker ontkent dat er vanuit zijn onderneming gehandeld wordt in verdovende middelen. Voor zover bezoekers hennep of hasj bij zich hadden betreft dit typische gebruikershoeveelheden. Verder wijst verzoeker er op dat de boven de bedrijfsruimte gelegen woning geen onderdeel uitmaakt van de inrichting. De woning heeft een eigen deur, opgang, trap en daarachter nog een deur met slot. Deze woning is uitsluitend als woonruimte verhuurd. Wel staan soms voorraden van de onderneming in de gang naar het trappenhuis op de benedenverdieping. De bovenverdieping is daarmee echter geen onderdeel van de bedrijfsruimte. In het primaire besluit is ten onrechte vermeld dat zich achter de bar een inpandige deur naar het trappenhuis bevindt. De in de bovenwoning aangetroffen hasj kan dan ook niet ten grondslag liggen aan de sluiting van de onderneming.

Overigens meent verzoeker dat de in de bovenwoning aangetroffen hoeveelheid evenmin als handelshoeveelheid aangemerkt kan worden. De bewoner van die woning heeft chronische pijnklachten waarvoor hij al jaren, met medeweten van zijn huisarts, cannabis gebruikt. Waarschijnlijk omdat deze bewoner dagelijks cannabis gebruikt bezit hij een weegschaal om zijn individuele doses af te wegen.

Omdat verzoeker afhankelijk is van zijn onderneming, die hij al bijna 14 jaar drijft zonder dat er eerder problemen zijn geweest, wordt er geen redelijk belang gediend met de sluiting van zijn onderneming. Voor zover er al sprake is van één ruimte dient het beleid voor het aantreffen van cannabis in een woning toegepast te worden, aangezien de cannabis in het woninggedeelte is aangetroffen.

6 De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Verzoeker heeft allereerst betoogd dat de bovenwoning waar een hoeveelheid hasj van 17,8 gram is aangetroffen niet behoort tot het lokaal waarin hij zijn café exploiteert, zodat verweerder vanwege de daar aangetroffen verdovende middelen niet tot sluiting van zijn onderneming mocht overgaan. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet zijn betoog. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat de woning geen zelfstandige toegangsdeur heeft en uitsluitend via de horeca inrichting kan worden betreden. Voorts blijkt uit de op 6 mei 2015 op ambtseed danwel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de politie eenheid Den Haag, District Alphen aan den Rijn – [plaats 1] dat de woning gebruikt werd voor opslag van goederen die bij de exploitatie van het café gebruikt worden. Er werden diverse barkrukken en stoelen die opgestapeld langs de zijwanden stonden gezien. Ook zijn er diverse plasma tv-schermen al dan niet in dozen gezien, waarvan de broer van verzoeker aangaf dat ze voor het café beneden bestemd zijn. Op het moment van de controle was vanuit het café vrije toegang tot de woning.

Verweerder heeft voorts een op 10 juni 2015 op ambtsbelofte opgesteld proces-verbaal overgelegd waarin de verbalisanten die op 6 mei 2015 ter plaatse waren aangeven dat de deur naar de woonkamer vanaf de trap gezien op dat moment open stond.

De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. Zie onder meer de uitspraak van 30 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2871 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht, biedt geen grond voor het oordeel dat verweerder niet van de juistheid van de processen-verbaal mocht uitgaan. Verzoekers betoog dat de woning uitsluitend voor bewoning wordt gebruikt en dat niet duidelijk is wie de toegangsdeur heeft geopend, is hiervoor onvoldoende. Ook de omstandigheid dat de brandweer tijdens een brandveiligheidscontrole op een ander moment op 6 mei 2015 gezien heeft dat de deur dicht was, maakt niet dat getwijfeld moet worden aan de juistheid van de constatering van de verbalisanten dat de deur ten tijde van de controle open stond.

Gelet op al deze feiten en omstandigheden heeft verweerder op goede gronden de woning als onderdeel van de inrichting aangemerkt.

Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2365), kan de hoeveelheid van de in een pand aanwezige drugs indiceren dat deze voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn en derhalve dat artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet van toepassing is. De aangetroffen hoeveelheid hasj van 17,8 gram, overschrijdt de toegestane gebruikershoeveelheid van 5 gram ruimschoots.

Verzoeker is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de aangetroffen hoeveelheid drugs bestemd is voor eigen gebruik voor zijn broer, de bewoner van de woning boven de onderneming. Het betoog van eiser dat zijn broer vanwege zijn medische klachten verdovende middelen gebruikt, is onvoldoende om het vermoeden van verweerder dat de drugs, gelet op de hoeveelheid daarvan, bestemd is voor de handel te weerleggen.

Verweerder heeft zich derhalve terecht op grond van artikel 13b, eerste lid van de Opiumwet bevoegd geacht tot sluiting van de inrichting van verzoeker. Voor de duur van de sluiting heeft verweerder aangesloten bij zijn beleid, welk beleid de voorzieningenrechter niet onredelijk acht. Dat verzoeker wordt geschaad in zijn economische belangen kan niet als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt op grond waarvan verweerder van sluiting had moeten afzien of tot een kortere sluitingsduur had moeten besluiten.

7 Gelet op het voorgaande zal het bezwaar naar verwachting ongegrond worden verklaard. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt dan ook afgewezen.

8 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2015.

griffier voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.