Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:708

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-01-2015
Datum publicatie
27-01-2015
Zaaknummer
478193 KG ZA 14-1431
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Samenloop van uitleveringsverzoeken van VS en Russische Federatie. Beslissing om uit te leveren aan VS gebaseerd op verplichtingen van Nederland op grond van tussen Nederland en VS geldend Uitleveringsverdrag. Geen aanleiding voor twijfel aan nakoming verdragsverplichtingen door VS. Beroep op het specialiteitsbeginsel kan daarom niet slagen. Daar komt bij dat VS als eerste om uitlevering van Drinkman hebben verzocht. Beslissing om verzoek van de VS in te willigen niet in strijd met art. 8 EVRM en getuigt niet van bijzondere hardheid. Geen rechtsgrond om VS te verzoeken om terugkeergarantie.

Wetsverwijzingen
Uitleveringswet
Uitleveringswet 4
Uitleveringswet 30
Uitleveringswet 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2015/54
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/478193 / KG ZA 14-1431

Vonnis in kort geding van 27 januari 2015

in de zaak van

[eiser] ,

thans verblijvende in

Penitentiaire Inrichting [P.I.], locatie [locatie], te [plaatsnaam],

eiser,

advocaat mr. B. Stapert te Amsterdam,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon,

de Staat der Nederlanden (ministerie van Veiligheid en Justitie,

Afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag,

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 13 januari 2015 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

[eiser] heeft de Russische nationaliteit.

1.2.

[eiser] is in Nederland op 28 juni 2012 aangehouden naar aanleiding van het verzoek van 27 juni 2012 van de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika (hierna: de VS) om hem te arresteren in het kader van een door de VS in te dienen uitleveringsverzoek.

1.3.

Op 23 augustus 2012 heeft de VS de minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de minister) verzocht om de uitlevering van [eiser] met het oog op zijn strafrechtelijke vervolging wegens - zakelijk weergegeven - computervredebreuk (hacks) en een aantal gerelateerde feiten, deelname aan een criminele organisatie, het vervalsen van betaalpassen, oplichting en witwassen.

1.4.

Met het oog op strafrechtelijk onderzoek naar min of meer hetzelfde feitencomplex als door de VS aan haar verzoek om uitlevering ten grondslag gelegd heeft medio 2013 ook de Russische Federatie (hierna: Rusland) om uitlevering van [eiser] verzocht.

1.5.

Bij uitspraak van 16 april 2014 (parketnr. 10/960132-12 (UTL-I-2012031777)) heeft de rechtbank Rotterdam de uitlevering van [eiser] aan de VS toelaatbaar verklaard.

1.6.

Bij advies van 16 april 2014 als bedoeld in artikel 30 lid 2 van de Uitleveringswet (hierna: Uw) heeft de rechtbank Rotterdam overwogen dat er geen feiten of omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan de uitlevering van [eiser] aan de VS ontraden zou moeten worden.

1.7.

Bij arrest van 26 augustus 2014 (kenmerk S 14/02443 U) heeft de Hoge Raad het door [eiser] tegen voormelde uitspraak van de rechtbank Rotterdam ingestelde cassatieberoep verworpen.

1.8.

Bij uitspraak van 16 april 2014 (parketnr. 10/960282-13 (UTL-I-2013052681)) heeft de rechtbank Rotterdam ook de uitlevering van [eiser] aan Rusland toelaatbaar verklaard.

1.9.

Bij beschikking van 28 oktober 2014 (hierna: de beschikking) heeft de minister de uitlevering van [eiser] aan de VS toegestaan en zijn uitlevering aan Rusland geweigerd. In de beschikking is onder meer het volgende opgenomen:

De Minister overweegt dat deze afweging met zich mee dient te brengen dat uitlevering aan de Verenigde Staten wordt toegestaan. Daartoe is het volgende doorslaggevend.

De Amerikaanse en Russische autoriteiten hebben de uitlevering gevraagd in verband met een vergelijkbaar feitencomplex. Beide verzoeken zijn door de rechtbank Rotterdam gekwalificeerd als computervredebreuk, het opzettelijk en wederrechtelijk met een technisch hulpmiddel gegevens aftappen of opnemen die niet voor hem bestemd zijn en die worden verwerkt of overgedragen door middel van telecommunicatie of door middel van een geautomatiseerd werk, deelnemen aan een criminele organisatie, gekwalificeerde diefstal, het opzettelijk en wederrechtelijk gegevens die door middel van een geautomatiseerd werk of door middel van telecommunicatie zijn opgeslagen, worden verwerkt of overgedragen en (gewoonte)witwassen.

Het Amerikaanse verzoek maakt daarnaast melding van het ‘opzettelijk een betaalpas, waardekaart, enige andere voor het publiek beschikbare kaart of een voor het publiek beschikbare drager van identiteitsgegevens, bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen of andere prestaties langs geautomatiseerde weg, valselijk opmaken of vervalsen, dan wel het opzettelijk gebruik maken van de valse of vervalste pas of kaart als ware deze echt en onvervalst, dan wel opzettelijk zodanige pas of kaart afleveren, voorhanden hebben, ontvangen, zich verschaffen, vervoeren, verkopen of overdragen’.

(…)

De Minister ziet (...) in de tijdstippen waarop de verzoeken zijn gedaan, in de eerste plaats aanleiding om het verzoek van de Amerikaanse autoriteiten voorrang te geven. Artikel 35 Uitleveringswet geeft verder als maatstaf ‘de nationaliteit van de opgeëiste persoon en de mogelijkheid dat de opgeëiste persoon na uitlevering aan de autoriteiten van de ene staat vervolgens ter beschikking wordt gesteld aan de autoriteiten van de andere verzoekende staat’.

De opgeëiste persoon heeft de Russische nationaliteit. De wetgeving van de Russische Federatie staat niet toe dat Russische staatsburgers worden uitgeleverd. Dit betekent dat het op voorhand uitgesloten is dat de opgeëiste persoon na een eventuele uitlevering aan Rusland ter beschikking zou kunnen worden gesteld van de Verenigde Staten. De Minister is van oordeel dat deze onmogelijkheid tot zogenaamde verderlevering een tweede door de Uitleveringswet voorgeschreven grond is om de uitlevering aan de Verenigde Staten toe te staan.

(…)

De Minister ziet geen reden om eraan te twijfelen of het specialiteitsbeginsel wordt nageleefd. De Minister sluit zich terzake aan bij het oordeel van de rechtbank. Dit luidt dat de scope van de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd duidelijk is afgebakend en dat er geen enkele aanleiding is om te veronderstellen dat de autoriteiten van de Verenigde Staten zich niet zullen houden aan hun verdragsverplichtingen. De Minister deelt de wens van de raadsman dan ook niet dat aanvullende informatie nodig is over de exacte inhoud van de beschuldigingen tegen de opgeëiste persoon. Het vertrouwensbeginsel tussen staten aangaande het nakomen van verdragsafspraken brengt mee dat er geen aanleiding is om de Amerikaanse autoriteiten een nader verzoek te doen met betrekking tot het respecteren van het specialiteitsbeginsel“.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert de Staat te bevelen (primair) hem niet uit te leveren aan de VS en (subsidiair) bij de VS een terugkeergarantie te bedingen zodat hij via Nederland kan worden doorgeleverd aan Rusland met het oog op vervolging en het uitzitten van het (eventuele) restant van de hem door de VS opgelegde straf, een en ander met veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure.

2.2.

Daartoe voert [eiser] aan dat de minister om de volgende redenen in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot de beslissing om hem uit te leveren aan de VS. In casu is sprake van concurrerende uitleveringsverzoeken. De minister is ten onrechte voorbij gegaan aan een aantal bij deze situatie spelende criteria, zoals opgenomen in artikel 35 Uw, meer in het bijzonder de ernst van de feiten waarvoor om uitlevering is verzocht en de nationaliteit van de uit te leveren persoon. Ook is niet gebleken dat de minister bij zijn beslissing heeft stilgestaan bij de belangen van de om uitlevering verzoekende Staten, zoals wordt voorgeschreven in artikel 14 lid 3 sub c van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: het Uitleveringsverdrag). Voorts is uitlevering aan de VS in strijd met het specialiteitsbeginsel, nu het uitleveringsverzoek van de VS de feiten waarvan hij wordt verdacht niet voldoende specifiek omschrijft en onduidelijkheid bestaat in welke jurisdicties binnen de VS hij na uitlevering vervolgd zal worden. Ook is de uitlevering in strijd met de goede rechtsbedeling, waarvan resocialisering van de veroordeelde persoon een belangrijk onderdeel is. Deze resocialisatie dient plaats te vinden in Rusland, zijnde de Staat waarin hij na de tenuitvoerlegging van zijn straf terugkeert. Voorts is uitlevering aan de VS in strijd met artikel 8 EVRM. De VS zal niet zal instemmen met tenuitvoerlegging van de eventueel in de VS op te leggen straf in Rusland, waardoor [eiser] lange tijd gescheiden zal zijn van zijn vrouw en hun minderjarige kind (hierna: de minderjarige). Het uitleveringsverzoek van de VS moet ook worden afgewezen omdat sprake is van bijzondere hardheid. Ook is de uitlevering onrechtmatig zolang de Staat bij de VS geen terugkeergarantie bedingt die hem in staat stelt verder te worden uitgeleverd naar Rusland om daar de door de VS op te leggen straf uit te zitten en zich voor de Russische verdenking te verantwoorden. Nu de minister de uitlevering heeft toegestaan, kan uitlevering aan de VS plaatsvinden. Hij heeft daarom spoedeisend belang bij de behandeling van zijn vorderingen.

2.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna - voor zover nodig - zal worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

[eiser] voert aan dat de minister op 28 oktober 2014 heeft beslist dat aan de uitlevering aan de VS gehoor zal worden gegeven. De voorgenomen uitlevering kan als gevolg daarvan worden geëffectueerd. Daarmee is het spoedeisend belang bij de behandeling van zijn vorderingen gegeven.

3.2.

Ten aanzien van de vordering de Staat te bevelen [eiser] niet uit te leveren aan de VS en de in dat verband aangevoerde gronden wordt als volgt overwogen.

A. het specialiteitsbeginsel

3.3.

Ten aanzien van het door [eiser] aangevoerde beroep op het specialiteitsbeginsel wordt als volgt overwogen. Ingeval een door een verzoekende Staat opgeëiste persoon meent dat zijn uitlevering zal leiden tot schending van fundamentele rechten kan hij het tot uitlevering strekkende besluit van de minister voorleggen aan de burgerlijke rechter. Gelet op de jurisprudentie terzake (vgl. Hoge Raad 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680) kan er dan slechts aanleiding bestaan om in een civiele procedure anders te oordelen dan de minister als - zakelijk weergegeven - de betreffende persoon zich beroept op feiten, omstandigheden en bewijsmateriaal die in de uitleveringsprocedure niet aan de orde zijn geweest.

3.4.

Bij uitspraak van 16 april 2014 heeft de rechtbank Rotterdam geoordeeld over de vraag of de uitlevering van [eiser] aan de VS toelaatbaar is. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat de uitleveringsstukken voldoende specifiek weergeven wat de rol van [eiser] bij de strafbare feiten is geweest en dat de stukken daarmee voldoen aan de eisen van genoegzaamheid zoals opgenomen in artikel 9 lid 2 en lid 3 van het Uitleveringsverdrag. [eiser] heeft de genoegzaamheid van de uitleveringsstukken vervolgens nog in cassatie aan de orde gesteld. Ook de Hoge Raad heeft [eiser] in dit verweer echter niet gevolgd. In hetgeen door [eiser] in de onderhavige procedure is aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om daarover thans anders te oordelen.

3.5.

Ten aanzien van de door [eiser] gestelde mogelijkheid van vervolging in andere districten dan New Jersey overweegt de voorzieningenrechter dat het specialiteitsbeginsel een interstatelijk beginsel is en dat op grond van het vertrouwensbeginsel moet worden aangenomen dat de VS dit beginsel zal eerbiedigen. Nu de uitleveringsbeschikking geen betrekking heeft op vervolging in andere federale districten dan New Jersey, dient erop te worden vertrouwd dat door de VS zal worden bewerkstelligd dat [eiser] na uitlevering alleen in het district New Jersey zal worden vervolgd. E. Lieberman, officier van Justitie in New Jersey, heeft voorts op 16 augustus 2013 (derhalve vóór de uitspraak van de rechtbank Rotterdam) verklaard dat er tegen [eiser] geen aanklachten van andere arrondissementen (districten) zijn te verwachten. Met die verklaring is het uitblijven van vervolging in andere districten dan New Jersey weliswaar niet gegarandeerd, maar daar tegenover staat dat het gestelde vermoeden van vervolging in andere districten slechts is gebaseerd op mondelinge uitlatingen, die oncontroleerbaar zijn zonder nader onderzoek, waarvoor in kort geding geen plaats is. Bovendien kan [eiser] zich, mocht hij toch in andere districten worden vervolgd, met de beschikking van de minister hiertegen verweren. Ook de rechtbank Rotterdam heeft geoordeeld dat er geen enkele aanleiding is om te veronderstellen dat de autoriteiten van de VS zich niet zouden houden aan hun verdragsverplichtingen. In de beschikking van 28 oktober 2014 heeft de minister zich terzake bij het oordeel van de rechtbank aangesloten.

3.6.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de door [eiser] aangevoerde verweren door de rechtbank Rotterdam reeds zijn besproken en verworpen en dat daarom verder aan die verweren wordt voorbijgegaan.

B. de goede rechtsbedeling / concurrerende uitleveringsverzoeken

3.7.

Ingevolge artikel 35 lid 1 Uw dient bij de beoordeling van samenlopende uitleveringsverzoeken rekening te worden gehouden met het belang van een goede rechtsbedeling en meer in het bijzonder met de meerdere of mindere ernst van de verschillende feiten waarvoor om uitlevering is gevraagd, de plaats of plaatsen waar de feiten zijn begaan, de tijdstippen waarop de verzoeken tot uitlevering zijn gedaan, de nationaliteit van de opgeëiste persoon en de mogelijkheid dat de opgeëiste persoon, als hij van het grondgebied van één van de verzoekende Staten is verwijderd, vervolgens door de autoriteiten van die Staat ter beschikking wordt gesteld van de autoriteiten van de andere verzoekende Staat.

3.8.

Voorop staat dat de minister bij de beoordeling van de vraag in welke van de om uitlevering verzoekende Staten vervolging van de opgeëiste persoon het meest aangewezen is beleidsvrijheid toekomt voor wat betreft de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het begrip ‘goede rechtsbedeling’ (vgl. gerechtshof ’s-Gravenhage 25 mei 2000, rolnr. 99/892 KG). Dat brengt mee dat het resultaat van deze beoordeling slechts marginaal kan worden getoetst en dat voor de voorzieningenrechter slechts ruimte is voor ingrijpen als de beslissing tot uitlevering (aan één van de verzoekende Staten) voor wat betreft een goede rechtsbedeling evident onredelijk of onbegrijpelijk is.

3.9.

De minister acht in de beschikking van 28 oktober 2014 vooraleerst van belang dat het uitleveringsverzoek van de VS dateert van ruim voor het Russische uitleveringsverzoek. Voorts acht de minister van belang dat Russische wetgeving er aan in de weg staat dat Russische staatsburgers worden uitgeleverd en dat daarmee vanwege zijn nationaliteit op voorhand uitgesloten is dat [eiser] na eventuele uitlevering aan Rusland nog ter beschikking kan worden gesteld aan de VS. Van verderlevering aan de VS kan in dat geval daarom geen sprake zijn. Afweging van de in artikel 35 Uw opgenomen criteria leidt de minister in de beschikking van 28 oktober 2014 tot de conclusie dat inwilliging van het uitleveringsverzoek van de VS het meest is aangewezen. Een en ander brengt mee dat niet gezegd kan worden dat de minister in redelijkheid niet aldus heeft kunnen besluiten of dat die beslissing onbegrijpelijk is.

3.10.

Het voorgaande brengt voorts mee dat het betoog van [eiser] dat de minister bij de besluitvorming voorbij is gegaan aan diens nationaliteit niet kan slagen. Ook het betoog dat de minister bij de besluitvorming voorbij is gegaan aan de ernst van de feiten waarvoor om uitlevering is verzocht kan niet slagen, nu de minister ook dit element in de beschikking van 28 oktober 2014 (onder 4.) in overweging heeft genomen. Ook het betoog van [eiser] dat zijn resocialisatie gebaat is bij uitlevering en vervolging in Rusland hoeft als zodanig voor de minister geen aanleiding te zijn om terzake de uitlevering anders te beslissen. Uitlevering op basis van verdragsbepalingen ziet, zoals onweersproken als verweer aangevoerd, immers op het voldoen aan interstatelijke verplichtingen, waarbij voor inspraak van de opgeëiste persoon aangaande de plaats van zijn vervolging en berechting in beginsel geen sprake is.

3.11.

[eiser] stelt zich voorts op het standpunt dat de minister in de beschikking van 28 oktober 2014 niet heeft stilgestaan bij het criterium van de onderscheiden belangen van de om uitlevering verzoekende Staten, nu de politieke context waarbinnen de zaak van [eiser] zich afspeelt niet is meegewogen. Het zijn in zaken als de onderhavige evenwel de verdragverplichtingen jegens de om uitlevering verzoekende Staat (zoals in dit geval de VS) die leidend zijn. Het is bij het voldoen aan die verplichtingen niet aan de minister om –

zoals [eiser] kennelijk voor ogen heeft - bij de beoordeling van de uitleveringsverzoeken de politieke verhoudingen tussen de verzoekende Staten in ogenschouw te nemen. Overigens heeft de minister de (strafrechtelijke) belangen van zowel de VS als Rusland bij de beoordeling (onder 4.1) van de uitleveringsverzoeken in de beschikking genoegzaam in acht genomen. Ook dit betoog van [eiser] kan daarom niet slagen.

C. strijd met artikel 8 EVRM

3.12.

Ingevolge artikel 8 lid 1 EVRM heeft een ieder recht op respect voor - voor zover hier van belang - zijn familie- en gezinsleven (hierna ook wel: family life). Op basis van artikel 8 lid 2 is inbreuk op de uitoefening van dit recht slechts toegestaan voor zover daarin bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het kader van de in deze bepaling genoemde belangen. Het enkele feit dat sprake is van inbreuk op dit recht is derhalve onvoldoende om schending van dit recht aan te nemen. Het gaat erom of die inbreuk kan worden gerechtvaardigd.

3.13.

Niet in geschil is dat de echtgenote van [eiser] en de minderjarige zich bevinden in Rusland en dat [eiser] na zijn vertrek uit Rusland sinds 2012 in Nederland in uitleveringsdetentie verblijft. Deze detentie brengt mee dat al langere tijd sprake is van een inmenging op het recht van [eiser] op family life, welke inmenging gezien de uitleveringsverzoeken de Staat niet is aan te rekenen. Dat wordt niet anders doordat de Staat gevolg zal geven aan het uitleveringsverzoek van de VS. Voorop staat immers dat de Staat een gerechtvaardigd belang heeft bij het nakomen van de verplichtingen uit hoofde van het Uitleveringsverdrag en dat dit belang valt onder de in artikel 8 lid 2 EVRM genoemde belangen (vgl. gerechtshof ’s-Gravenhage 6 december 2001, rolnr. 00/859 KG). Met het voldoen aan deze verplichting is derhalve sprake van een toelaatbare inbreuk op het recht op family life tussen [eiser] en de minderjarige. [eiser] heeft betreffende de situatie van de minderjarige geen feiten of omstandigheden aangevoerd die bij de afweging van de belangen van de Staat enerzijds en de minderjarige anderzijds aanleiding geven om over de toelaatbaarheid van de uitlevering aan de VS anders te oordelen. De door [eiser] aangevoerde omstandigheid dat de minderjarige hem tijdens het ondergaan van de hem in de VS (mogelijk) op te leggen gevangenisstraf niet geregeld zal kunnen bezoeken maakt dit niet anders, nu die inbreuk op het gezinsleven inherent is aan uitlevering en detentie en - als gezegd - wordt gerechtvaardigd door de belangen van de Staat (vgl. gerechtshof ’s-Gravenhage 5 juni 2003, rolnr. 02/1609 KG). Dat [eiser] mogelijk in de VS een zeer lange gevangenisstraf te wachten staat maakt dat niet anders, nu dat inherent is aan de ernst van de feiten waarvan hij wordt verdacht.

D. bijzondere hardheid

3.14.

Voor zijn stelling dat met zijn uitlevering aan de VS sprake zal zijn van bijzondere hardheid verwijst [eiser] naar artikel 10 lid 2 Uw, op grond waarvan de minister de uitlevering onder omstandigheden kan weigeren. In de jurisprudentie is de regel aanvaard dat van bijzondere hardheid geen sprake is, als de hardheid is gelegen in een gevolg dat inherent is aan de uitlevering zelf of aan de detentie die de uitlevering meebrengt (gerechtshof ’s-Gravenhage 4 februari 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:148).

3.15.

[eiser] voert als enige grond aan dat hij bij uitlevering aan de VS zijn gezin jarenlang niet zal kunnen zien en dat hij daardoor zijn minderjarige dochter (thans drie jaar oud) niet kan zien opgroeien. Dat is - hoezeer ook onwenselijk - echter een omstandigheid die inherent is aan de uitlevering en de daar mogelijk op volgende detentie. Vorenbedoelde jurisprudentie dient daarom tot de slotsom te leiden dat met de uitlevering aan de VS voor [eiser] geen sprake zal zijn van bijzondere hardheid en dat [eiser] terzake niet in zijn betoog wordt gevolgd.

E. terugkeergarantie

3.16.

Op basis van artikel 4 Uw kan - zakelijk weergegeven - de Staat ten aanzien van uitlevering van Nederlandse staatsburgers een terugkeergarantie bedingen met het oog op het ondergaan van de in de verzoekende Staat op te leggen vrijheidsstraf in Nederland. Ingevolge artikel 8 lid 1 van het Uitleveringsverdrag is het Nederland echter - kort gezegd - niet toegestaan om uitlevering van Nederlandse staatsburgers aan de VS te weigeren enkel op grond van hun nationaliteit. Het Uitleveringsverdrag biedt derhalve geen ruimte om bij uitlevering aan de VS voor Nederlandse staatsburgers een terugkeergarantie te bedingen. Daaruit volgt dat die ruimte ook niet bestaat voor Russische staatburgers en dat voor het bij de VS bedingen van een terugkeergarantie ook in het geval van [eiser] geen rechtsgrond bestaat. Voor zover [eiser] zich op het standpunt stelt dat die rechtsgrond gevonden kan worden in het Europees Verdrag betreffende uitlevering wordt hij daarin niet gevolgd, nu de voor Verdragsluitende partijen daarin opgenomen bevoegdheid om uitlevering te weigeren slechts de eigen onderdanen betreft. Bedoeld verdrag biedt de Staat voorts de ruimte om ook niet-Nederlanders onder de definitie “onderdaan” te brengen. Het is echter niet in geschil dat [eiser] niet aan de daartoe door de Staat gestelde voorwaarden voldoet. Ook in het kader van dat verdrag bestaat derhalve geen rechtsgrond om de uitlevering van [eiser] aan de VS te weigeren.

Slotsom

3.17.

Het bovenstaande brengt de voorzieningenrechter voorshands tot het oordeel dat de aangevoerde gronden onvoldoende zijn voor de conclusie dat de minister in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot de beslissing om [eiser] uit te leveren aan de VS. De vorderingen komen daarom niet voor toewijzing in aanmerking. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.101,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 285,-- aan griffierecht;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2015.

fl