Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:7071

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-06-2015
Datum publicatie
22-06-2015
Zaaknummer
AWB 15/2751 T
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Vo 604/2013, Hongarije, interstatelijk vertrouwensbeginsel, Hungarian Helsinki Committee, HHC, Hongaarse vreemdelingenwet, Act LXXX of 2007 on Asylum, paragraaf 54 (2), artikel 18, aanhef en onder b, al dan niet stilzwijgend ingetrokken, opvolgende asielaanvraag, Hongaarse immigratiedienst, Hongaarse asielwet, , Engelse vertaling, ceased, bij verstek, in absentia, OIN, terugkerende Dublinclaimanten, rechterlijke toetsing bij terugkeer in Hongarije, stilzwijgend intrekken van de asielaanvraag in Hongarije, shall discontinue, resolution, besluit tot stopzetting van de procedure, beroepstermijn van drie dagen, resolution to discontinue, shall be resumed, artikel 8:51a, Awb, artikel 8:80a, tussenuitspraak

De rechtbank overweegt dat verweerder zich – op grond van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland van 21 januari 2011, ECLI:NL:XX:2011:BP4356 – er bij overdracht van dient te vergewissen en garanties moet vragen dat de Hongaarse autoriteiten de eigen wetgeving inzake de (opvolgende) asielprocedure in de praktijk toepast op een wijze die geen strijd oplevert met het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Immers, in het geval van eiser is niet uit te sluiten dat hij na uitsluitend een eerste gehoor een (verstek)beslissing op zijn asielaanvraag heeft gehad waar geen rechtsmiddel meer tegen open staat en die hij nooit heeft kunnen laten toetsen door de rechter. Bij een opvolgende aanvraag zullen nieuwe feiten of omstandigheden moeten worden gesteld. Niet duidelijk is of en wanneer getoetst wordt aan artikel 3 EVRM als er, zoals de wet lijkt te verplichten, een besluit tot beëindiging van de procedure is geweest.

In deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding verweerder op te dragen expliciet bij de Hongaarse immigratie-autoriteiten navraag te doen naar de fase waarin de asielaanvraag van eiser zich bevindt en wat het vervolg van de procedure zal zijn als eiser zijn asielverzoek wil handhaven. Het bestreden besluit is op deze punten bij gebrek aan een deugdelijke motivering in strijd met artikel 3:2 en 3:46 Awb.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/2751 TUSSENUITSPRAAK

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 22 juni 2015 in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [geboortedag] 1990, van Afghaanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. P.A. Blaas),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2015, genomen in de algemene asielprocedure, heeft verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000. Tevens is bepaald dat het besluit wordt aangemerkt als overdrachtsbesluit en dat eiser Nederland binnen vier weken Nederland dient te verlaten.

Eiser heeft op 12 februari 2015 tegen dit besluit beroep ingesteld en tevens de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende het beroep een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 maart 2015 (AWB 15/2753) is het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen, in die zin dat het verweerder wordt verboden om eiser uit Nederland te verwijderen tot op het beroep is beslist.

Het beroep is behandeld op de zitting van 11 mei 2015, waar eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 9 september 2014 zijn de vingerafdrukken van eiser naar Eurodac (Europese Dactyloscopie) gezonden. Blijkens informatie uit deze Europese databank voor vingerafdrukken voor de identificatie van asielzoekers en illegale grensoverschrijders is gebleken dat eiser op 31 maart 2014 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Griekenland en op 14 juli 2014 in Hongarije. Eiser heeft de uitkomst van zijn asielaanvraag in Hongarije niet afgewacht en is naar Nederland gereisd, alwaar hij op 9 september 2014 is aangekomen. Eiser heeft op 11 september 2014 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

2. Op grond van artikel 2, aanhef en onder b, van Verordening (EU) Nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: Vo 604/2013), heeft verweerder geconcludeerd dat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming bij een ander land ligt, in dit geval Hongarije. Daarop heeft verweerder de Hongaarse autoriteiten op 11 september 2014 verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van Vo 604/2013. De autoriteiten van Hongarije hebben hiermee ingestemd op 25 september 2014. Gelet op deze omstandigheden heeft verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland afgewezen omdat Hongarije verantwoordelijk is voor de behandeling van dit verzoek om internationale bescherming.

3. Tussen partijen zijn het claimakkoord en de verantwoordelijkheid van Hongarije niet in geschil. Het houdt partijen verdeeld of er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag worden uitgegaan dat Hongarije bij de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming zijn internationale verplichtingen zal nakomen. Tevens is in geschil of in onderhavig geval sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die nopen tot het inhoudelijk in behandeling nemen door verweerder van de asielaanvraag, meer in het bijzonder de omstandigheid dat de broer en zus van eiser reeds langdurig in Nederland verblijven.

4. Verweerder heeft zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat Hongarije op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, Vo 604/2013 het terugnameverzoek ten aanzien van eiser heeft geaccordeerd en dat uit hetgeen is aangevoerd en uit de stukken waarnaar is verwezen niet kan worden afgeleid dat Hongarije zijn internationale verplichtingen niet zal nakomen, zodat verweerder hierin geen aanleiding heeft gezien het asielverzoek onverplicht aan zich te trekken.

5. Eiser meent daarentegen dat niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel omdat er concrete aanwijzingen zijn dat Hongarije zijn verdragsverplichtingen jegens hem niet zal nakomen. Ter onderbouwing heeft hij verwezen naar het artikel "Veelgestelde vragen Dublin Hongarije" van Vluchtelingenwerk Nederland van 21 juli 2014, de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 16 december 2014 (ECLI:NL:RBOBR:2014:7678) en het rapport van het Hungarian Helsinki Committee (hierna: HHC): "Information Note on asylum‑seekers in detention and in Dublin procedures in Hungary" van mei 2014, meer specifiek pagina 20 van dat rapport en de Hongaarse vreemdelingenwet (Act LXXX of 2007 on Asylum), meer specifiek paragraaf 54 (2), waaruit voortvloeit dat indien een eerder ingediende asielaanvraag in Hongarije, al dan niet stilzwijgend, als ingetrokken wordt beschouwd, de asielaanvraag niet inhoudelijk zal worden behandeld. Deze schending van de op de Hongaarse autoriteiten rustende verdragsverplichtingen heeft verweerder miskend, aldus eiser.

6. Artikel 3, eerste lid, Vo 604/2013 stipuleert als waarborg dat elk asielverzoek moet worden behandeld en ten gronde wordt onderzocht door de verantwoordelijke lidstaat. Derhalve dient de rechtbank te beoordelen of verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel er van uit mag gaan dat Hongarije zijn verdragsverplichtingen jegens eiser nakomt en dat hij niet wordt overgedragen zonder de zekerheid van een inhoudelijke behandeling van zijn asielverzoek bij terugkeer door de Hongaarse autoriteiten.

7. Verweerder heeft op 11 september 2014 een terugnameverzoek betreffende eiser ingediend bij Hongarije op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, Vo 604/2013. De Hongaarse autoriteiten hebben verweerder bij brief van 25 september 2014 een Vo 604/2013 transfer acceptance doen toekomen. Dit claimakkoord luidt als volgt:

"We kindly inform you that the above named person ([eiser], date of birth [geboortedag].1990 or (HU) [geboortedag].1990, Citizenship: Afghan) applied for asylum in Hungary on 10.07.2014. His procedure was ceased on 25.08.2014. Because of the above mentioned fact Hungary accepts responsibility for taking back the applicant".

8. Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, Vo 604/2013 is de verantwoordelijke lidstaat verplicht een verzoeker wiens verzoek in behandeling is en die een verzoek in een andere lidstaat heeft ingediend of die zich zonder verblijfstitel ophoudt in een andere lidstaat, volgens de in de artikelen 23, 24, 25 en 29 bepaalde voorwaarden terug te nemen.

Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, Vo 604/2013 is de verantwoordelijke lidstaat verplicht een onderdaan van een derde land of een staatloze die zijn verzoek tijdens de behandeling heeft ingetrokken en die in een andere lidstaat een verzoek heeft ingediend of die zich zonder verblijfstitel ophoudt in een andere lidstaat, volgens de in de artikelen 23, 24, 25 en 29 bepaalde voorwaarden terug te nemen.

9. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij in Hongarije een asielverzoek heeft ingediend, dat hij aldaar een eerste gehoor heeft gehad en dat hij de beslissing op de aanvraag vervolgens niet heeft afgewacht maar is uitgereisd en vertrokken naar Nederland. Naar de mening van eiser hebben de Hongaarse autoriteiten hierdoor zijn asielaanvraag als, al dan niet stilzwijgend, ingetrokken beschouwd en zal daarom een opvolgende aanvraag niet‑ontvankelijk of kennelijk ongegrond worden verklaard tenzij hij rechtens relevante nieuwe feiten en/of omstandigheden kan aanvoeren. Gelet hierop is een inhoudelijke behandeling van zijn asielaanvraag door de Hongaarse autoriteiten allerminst gewaarborgd, bij gebreke waarvan dient te worden afgezien van overdracht aan Hongarije, aldus eiser.

10. In het verweerschrift van 11 maart 2015 heeft verweerder aangegeven van mening te zijn dat, gelet op de verklaringen van eiser en de tekst van het claimakkoord, geen sprake is van de situatie waarbij eiser zijn asielverzoek in Hongarije heeft ingetrokken, zodat hij bij terugkeer naar dat land geen opvolgende aanvraag (subsequent asylum application) hoeven in te dienen, maar zijn lopende procedure opnieuw zal worden opgepakt. Daarbij verwijst verweerder naar pagina 19 van het HHC van mei 2014, waarin limitatief is opgesomd in welke gevallen slechts in Hongarije een opvolgende aanvraag moet worden ingediend. Volgens verweerder voldoet eiser niet aan één van de genoemde criteria.

11. Verweerder heeft niet weersproken dat eiser na het indienen van zijn asielaanvraag en een eerste gehoor Hongarije heeft verlaten zonder de beslissing op zijn aanvraag aldaar af te wachten. Vervolgens heeft eiser op 11 september 2014 in Nederland een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. In het licht van deze omstandigheden en de overgelegde producties ziet de rechtbank zich – hoewel de Hongaarse autoriteiten de claim op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, Vo 604/2013 hebben geaccepteerd, voor de vraag gesteld in welke fase het asielverzoek van eiser zich in de Hongaarse procedure bevindt. Omdat eiser niet kon verklaren of op zijn aanvraag in Hongarije is beslist, is verweerder er –kennelijk- vanuit gegaan dat diens procedure in Hongarije nog loopt en na overdracht continueert alsof er geen onderbreking is geweest met een uitreis en een aanvraag in een ander land. Deze vraag naar de juridische status van het asielverzoek in Hongarije is thans alsnog relevant. De rechtbank stelt overigens vast dat eiser geen enkele inspanning heeft geleverd om zijn asielverzoek in Nederland te onderbouwen met informatie over zijn procedure in Hongarije, anders dan te verklaren. Dit bevreemdt omdat het eenvoudig is om contact, bijvoorbeeld per email, op te nemen met de Hongaarse immigratie-autoriteiten. Ook de website van de Hongaarse immigratiedienst kent, zoals ter zitting voorgehouden, een online database waar eiser zijn gegevens kan invullen en zo kan achterhalen of er een besluit is genomen op zijn aanvraag. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat het in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van verweerder is om te bepalen of overdracht van de vreemdeling kan plaatsvinden. Nu zowel verweerder als eiser geen nadere onderbouwing leveren van hun stellingen op dit punt, zal de rechtbank thans uitgaan van de inhoud van het dossier en de relevante Hongaarse wetgeving.

12. Teneinde te kunnen beoordelen of, gelet op de door het HHC aangehaalde bepalingen in de Hongaarse asielwet, er een concrete aanwijzing bestaat dat de asielprocedure van eiser in Hongarije niet meer in behandeling maar definitief is stopgezet en bij terugkeer na de Dublin-overdracht een opvolgende asielaanvraag is geïndiceerd, heeft de rechtbank het Hongaarse Helsinki Comité per email verzocht een Engelse vertaling van de Hongaarse asielwet te verschaffen. Per email heeft het HHC daarop de rechtbank een onofficiële Engelse vertaling van de Hongaarse asielwet doen toekomen. Bij brief van de rechtbank van 9 april 2015 zijn partijen in de gelegenheid gesteld voorafgaand aan de zitting schriftelijk hierop te reageren en daarbij gemotiveerd kenbaar te maken indien zij voormelde vertaling van de Hongaarse asielwet in twijfel trekken. Partijen hebben in het verweerschrift en desgevraagd ter zitting aangegeven uit te zullen gaan van deze aan partijen verstrekte Engelse vertaling.

13. Bij beantwoording van de vraag of de asielaanvraag van eiser in Hongarije nog in behandeling is acht de rechtbank allereerst van belang dat de Hongaarse autoriteiten in het claimakkoord, ondanks dat zij het terugnameverzoek van Nederland hebben geaccordeerd op grond van artikel 18, aanhef en onder b, Vo 604/2013, de term ceased bezigen. Uit het Van Dale Onlinewoordenboek Engels (2014) blijkt dat uit het gebruik van het woord ceased in dit geval verstaan moet worden dat de (asiel)procedure van eiser tot een einde is gekomen. Dit laat zich niet rijmen met de juridische grondslag als neergelegd in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, Vo 604/2013 waarin sprake is van een lopende procedure, waarin het verzoek in behandeling is. Dat de procedure nog loopt of op enig moment van rechtswege herleeft acht de rechtbank niet onderbouwd anders dan dat de Hongaarse autoriteiten, tegenstrijdig aan de bewoordingen van het claimakkoord, de betreffende bepaling aanhalen. De rechtbank merkt in dit verband op dat de (vertaalde)term “ceased” in artikel 52(1) van de Hongaarse vreemdelingenwet ook wordt gebruikt voor het geval dat de procedure eindigt omdat de verzoeker is overleden.

14. Aan de orde is onder meer de vraag wat er met de procedure gebeurt als eiser met onbekende bestemming vertrekt en een nader gehoor of de beslissing niet afwacht.

Gelet op de verklaring van eiser dat hij eenmaal is gehoord naar aanleiding van zijn asielaanvraag, rijst de vraag of eiser een negatieve beslissing bij verstek (in absentia) heeft gehad en wat dan zijn mogelijkheden (nog) zijn om tegen die beslissing in rechte op te komen. De stelling van verweerder dat uit het claimakkoord blijkt dat de procedure van rechtswege herleeft volgt de rechtbank, zonder nadere onderbouwing, niet.

15. De relevante bepalingen van de Hongaarse vreemdelingenwet luiden als volgt:

52 (2a)

The refugee authority shall decide on the basis of information available or shall discontinue the preliminary assessment procedure if the applicant:

(c) has departed for an unknown destination.

52 (4)

The resolution discontinuing the preliminary assessment procedure shall be subject to court review in accordance with Section 53 (3)-(5).

53 (3)

The request for review shall be submitted to the refugee authority within three days of the communication of the decision/resolution (…).

54 (1)

If an applicant submits his/her second application after the final and absolute decision of discontinuation with respect to his/her previous application, the refugee authority shall examine whether new circumstances or facts relating to the recognition of the applicant as a refugee or beneficiary of subsidiairy protection have arisen since the previous decision was made.

66(2)

The refugee authority shall discontinue the detailed assessment procedure if the criteria set forth in 52(2) are met.

66 (3)

(3) The refugee authority shall decide on the basis of information available or shall discontinue the detailed procedure if

a. a) the criteria set forth in Section 52 (2a) b-e) are met,

(…)

66(5)

The resolution discontinuing the detailed assessment procedure shall be subject to court review on the basis of Section 53(3) –(5).

68 (2) The request for review shall be submitted to the refugee authority within eight days of the communication of the decision.)

16. Ten aanzien van uitleg die aan deze bepalingen moet worden gegeven acht de rechtbank de analyse van het HHC op pagina 19 van het rapport van mei 2014 van belang:

Asylum-seekers returned to Hungary from another EU Member State under the Dublin III Regulation (hereinafter: Dublin returnees) have to submit a subsequent asylum application upon return in the following cases:

• if the asylum-seeker withdrew his/her first application in writing;

• if the asylum-seeker received a negative decision either in the admissibility procedure or in the in-merit procedure and did not request judicial review;

• if the asylum-seeker received a negative decision from the court.

New circumstances or facts have to be submitted in order for a subsequent application to be admissible, except when the asylum-seeker withdrew his/her previous asylum application in writing before any decision was issued.

17. Voorts acht de rechtbank van belang dat ook het HHC op pagina 20 van het HHC‑rapport stelt dat ingevolge de artikelen 52 (2a)(c) en 66 (3) van de Hongaarse asielwet de Hongaarse immigratiedienst (OIN) in afwezigheid van de aanvrager bij verstek (in absentia) een negatief besluit kan nemen na de overweging dat er voldoende informatie is om een beslissing op het asielverzoek te kunnen nemen. In dat geval moet volgens het HHC ook een terugkerende Dublinclaimant een opvolgende aanvraag indienen en nieuwe feiten en bewijzen presenteren ter staving daarvan, aldus het HHC. Ook geeft het HHC aan dat de aanvrager volgens het OIN slechts het recht heeft te verzoeken om rechterlijke toetsing in het geval het besluit nog niet juridisch bindend is. Volgens het HHC wordt een afwijzend besluit bindend indien de 8 dagen termijn is verstreken zonder dat er is verzocht om rechterlijke toetsing. Naar de mening van het HHC is het in strijd met artikel 18, tweede lid, Vo 604/2013 dat terugkerende Dublinclaimanten in dergelijke gevallen (afwijzend besluit bij verstek) geen gelegenheid wordt geboden tot rechterlijke toetsing bij terugkeer in Hongarije als de termijn hiervoor inmiddels is verlopen. Immers, ingevolge artikel 18, tweede lid, Vo 604/2013 zorgt de verantwoordelijke lidstaat ervoor dat de asielzoeker, indien het verzoek alleen in eerste aanleg is afgewezen, een beroep kan doen of heeft kunnen doen op een daadwerkelijk rechtsmiddel. De rechtbank overweegt dat het HHC ook aangeeft dat er sprake kan zijn van het stilzwijgend intrekken van de aanvraag maar dat uit de wettekst niet blijkt dat dit is gedefinieerd. Niet onvoorstelbaar is dat het na indienen van een aanvraag vertrekken naar een andere lidstaat en daar een aanvraag indienen wordt beschouwd als het stilzwijgend intrekken van de asielaanvraag in Hongarije.

18. De rechtbank leidt gezien het voorgaande uit paragraaf 52 (2a), aanhef en onder c, in samenhang met paragraaf 52 (4) af dat als eiser in enig stadium in de procedure met onbekende bestemming vertrekt dwingendrechtelijk (“shall discontinue”) een besluit (“resolution”) tot stopzetting van de procedure volgt.

Niet duidelijk is hoe het besluit tot stopzetten van de procedure aan een verzoeker dient te worden kenbaar gemaakt. Nu in deze wet niet is opgenomen dat dit besluit in persoon moet worden uitgereikt, bestaat de mogelijkheid dat vanwege eisers uitreis in absentia een besluit tot stopzetting van de procedure is genomen en is verzonden naar de locatie waar eiser verbleef ten tijde van de aanvraag en dat de beroepstermijnen voor beide besluiten (ongebruikt) zijn verstreken.

19. De stelling van verweerder ter zitting dat de beroepstermijn van drie dagen tegen de “resolution to discontinue” pas begint te lopen als verzoeker op grond van de Dublin-overdracht is teruggekeerd naar Hongarije en heeft aangegeven asiel te willen aanvragen, volgt de rechtbank niet nu deze stelling niet volgt uit deze (Hongaarse) wet en overigens niet is onderbouwd. De ter zitting door verweerder overgelegde emailcorrespondentie met de Nederlandse liason in Neurenberg dhr. Dautzenberg kan op deze punten niet overtuigen nu het niet inzichtelijk is op welke bronnen deze zich heeft gebaseerd.

De stelling van verweerder dat de asielprocedure van eiser in Hongarije, ook al is er een (in rechte vaststaand) besluit tot stopzetten van de procedure, herleeft na de Dublin-overdracht volgt niet uit bovengenoemde bepalingen van de Hongaarse wetgeving en is ook niet anderszins onderbouwd. De stelling van verweerder dat dit volgt uit het feit dat het claimakkoord gebaseerd is op 18b Vo is, gelet op het bovenstaande, daartoe niet toereikend.

De rechtbank betrekt bij haar overwegingen verder nog dat de bovengenoemde wet wel bepalingen kent die zien op Dublin-overdrachten door Hongarije aan andere lidstaten. Deze artikelen kennen wel bepalingen die zien op het stopzetten en weer herleven van de procedure als bijvoorbeeld de andere lidstaat het claimverzoek niet accepteert. In dat geval, bepaalt artikel 50(3), herleeft (“shall be resumed”) de eerder stopgezette procedure. De rechtbank stelt vast dat er geen vergelijkbare bepalingen zijn voor de situatie van eiser. Gezien het gebruik van de term ‘ceased’ in het claimakkoord moet eiser dus ernstig rekening houden met de mogelijkheid dat de afwijzing van zijn asielverzoek in rechte vast staat.

20. De rechtbank overweegt dat verweerder zich – op grond van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland van 21 januari 2011, ECLI:NL:XX:2011:BP4356 – er bij overdracht van dient te vergewissen en garanties moet vragen dat de Hongaarse autoriteiten de eigen wetgeving inzake de (opvolgende) asielprocedure in de praktijk toepast op een wijze die geen strijd oplevert met het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Immers, in het geval van eiser is niet uit te sluiten dat hij na uitsluitend een eerste gehoor een (verstek)beslissing op zijn asielaanvraag heeft gehad waar geen rechtsmiddel meer tegen open staat en die hij nooit heeft kunnen laten toetsen door de rechter. Bij een opvolgende aanvraag zullen nieuwe feiten of omstandigheden moeten worden gesteld. Niet duidelijk is of en wanneer getoetst wordt aan artikel 3 EVRM als er, zoals de wet lijkt te verplichten, een besluit tot beëindiging van de procedure is geweest.

In deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding verweerder op te dragen expliciet bij de Hongaarse immigratie-autoriteiten navraag te doen naar de fase waarin de asielaanvraag van eiser zich bevindt en wat het vervolg van de procedure zal zijn als eiser zijn asielverzoek wil handhaven. Het bestreden besluit is op deze punten bij gebrek aan een deugdelijke motivering in strijd met artikel 3:2 en 3:46 Awb.

21. De rechtbank zal om redenen van opportuniteit de overige gronden van beroep thans niet beoordelen.

22. Ingevolge artikel 8:51a, eerste lid, Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a, eerste lid, Awb doet de rechtbank een tussenuitspraak als artikel 8:51a Awb wordt toegepast. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, Awb in de gelegenheid te stellen de hierboven geconstateerde gebreken in het besluit te herstellen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder de gebreken kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

23. Indien verweerder verklaart geen gebruik te maken van de gelegenheid om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen, moet hij dat, op grond van artikel 8:51b, eerste lid, Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen, zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen twee weken meedelen aan de rechtbank. Als verweerder wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877).

24. De rechtbank zal bij de einduitspraak beslissen over de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het geconstateerde gebrek te herstellen;

  • -

    stelt verweerder in de gelegenheid om, binnen zes weken na verzending van deze uitspraak, het gebrek te herstellen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze tussenuitspraak heeft overwogen;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. van Lokven, voorzitter, en

mr. A.F.C.J. Mosheuvel en mr. C.T.C. Wijsman, leden, in aanwezigheid van mr. B.J. Groothedde, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak kunnen partijen géén hoger beroep instellen. Hoger beroep is slechts mogelijk tegelijk met het hoger beroep tegen de nog (eventueel) te wijzen einduitspraak.