Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:706

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-01-2015
Datum publicatie
27-01-2015
Zaaknummer
AWB 12/22706
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:3268, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hezbollah, 1(F) Vluchtelingenverdrag, 3 EVRM, uitlevering

Eiser was lid van de Turkse Hezbollah. Verweerder werpt eiser artikel 1 (F) Vluchtelingenverdrag tegen en heeft een inreisverbod voor de duur van tien jaar uitgevaardigd.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Turkije wordt vervolgd om politieke redenen, dan wel sprake is (geweest) van een oneerlijke rechtsgang. Verweerder heeft zich bij de beoordeling van eisers asielaanvraag (onder meer) kunnen baseren op de informatie neergelegd in de stukken afkomstig van Turkse rechterlijke- en opsporingsinstanties en er bestond geen aanleiding nader onderzoek te doen naar de juistheid van die informatie. Eisers stelling dat verweerder, onder verwijzing naar genoemde stukken afkomstig uit Turkije, ten onrechte zijn verklaringen over zijn beperkte rol en activiteiten bij Hezbollah ongeloofwaardig heeft geacht, wordt evenmin gevolgd. De beroepsgrond dat verweerder zijn conclusie dat sprake is van ‘knowing en personal participation’ ten onrechte baseert op voornoemde stukken, faalt dan ook.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM loopt. Verweerder heeft deugdelijk gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op marteling.

Het feit dat de uitlevering door de Nederlandse strafrechter ontoelaatbaar is geacht omdat het misdrijf waarvoor de uitlevering verzocht wordt, een politiek misdrijf betreft, brengt niet met zich mee dat eisers uitlevering een schending van artikel 3 EVRM oplevert. De rechtbank overweegt daartoe dat een dergelijke beoordeling geen deel uitmaakt van de vraag of de uitlevering niet moet worden toegestaan omdat eiser wordt beschuldigd van een politiek delict. De uitleveringsrechter heeft ook overigens niet geoordeeld dat bij uitlevering artikel 3 EVRM wordt geschonden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 / 22706

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 21 januari 2015 in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Turkse nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. M.M. Volwerk, advocaat te Leiden),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, voorheen de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

verweerder,

(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat, advocaat te ‘s-Gravenhage).

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen, eiser een termijn voor vrijwillig vertrek onthouden en hem een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Op 4 oktober 2012 heeft de minister van Buitenlandse Zaken op verzoek van de rechtbank de stukken die ten grondslag liggen aan het door hem opgestelde individueel ambtsbericht van 16 november 2011 (kenmerk DCM/AT-1110715.0055) aan de rechtbank gezonden en daarbij met een beroep op artikel 8:29 Algemene wet bestuursrecht (Awb) om beperking van de kennisneming van voornoemde stukken verzocht. Bij beslissing van 3 december 2012 heeft deze rechtbank en zittingsplaats, in een andere samenstelling, geoordeeld dat de verzochte beperking van de kennisneming van voornoemde onderliggende stukken gerechtvaardigd is. Eiser heeft bij brief van 9 oktober 2012 toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, Awb. Verweerder heeft bij brief van 18 december 2012 bedoelde toestemming verleend.

Verweerder heeft op 28 juni 2013 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2014. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

  1. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Eiser is van Koerdische afkomst. Eiser is in zijn jongere jaren betrokken geweest bij de Nur- en de Milliselatpartij. Mensen die bij deze partijen betrokken waren, worden nu in de hoek van de Hezbollah gesitueerd. Eiser bezocht ook de boekhandel van [naam 1], die als oprichter van de Hezbollah geldt. Eiser heeft hem zelf nooit ontmoet. Eiser raakte ook betrokken bij de Hezbollah en nam deel aan legale activiteiten, zoals culturele gesprekken, moskeeactiviteiten, toneelstukken en seminars. Verder heeft eiser koranlessen gekregen en later ook zelf gegeven. Later werd ook een militante groepering van de Hezbollah opgericht. Eiser heeft niet deelgenomen aan de activiteiten van deze groep. Tijdens zijn studie tandheelkunde is eiser op 28 mei 2001 opgepakt. Eiser is gedurende zijn voorarrest mishandeld en gemarteld. Op 30 december 2009 heeft de rechtbank besloten eiser in vrijheid te stellen, omdat hij al zo lang in voorarrest had gezeten. Eiser is enige tijd na zijn invrijheidsstelling met een visum naar Nederland gereisd om zijn zwager te bezoeken. Op 22 november 2010 is eiser teruggekeerd naar Turkije. Op 26 januari 2011 heeft de Turkse Hoge Raad besloten het vonnis van de rechtbank te vernietigen met de notitie dat aan eiser een levenslange gevangenisstraf zou moeten worden opgelegd. De zaak van eiser is teruggewezen naar de rechtbank. Eiser was bang dat hij opnieuw gevangen zou worden genomen. Omdat het visum nog geldig was, is eiser wederom naar Nederland gereisd. Eiser is gedagvaard te verschijnen ter zitting in Turkije op 7 april 2011. Eiser vreest dat hij bij terugkeer zal worden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf en dat voor hem in Turkije geen leven mogelijk is.

  2. Verweerder heeft naar aanleiding van de aanvraag van eiser de minister van Buitenlandse Zaken verzocht in Turkije onderzoek in te stellen naar eiser. Op 16 november 2011 heeft de minister van Buitenlandse Zaken een individueel ambtsbericht uitgebracht, waarin, voor zover hier van belang, het volgende is opgenomen:

Eiser is op 31 december 2009 door de Turkse rechtbank tot een gevangenisstraf van tien jaar veroordeeld op basis van drie artikelen:

- artikel 3.14, tweede lid, Turkse Wetboek van Strafrecht, dat het lidmaatschap van een illegale organisatie strafbaar stelt;

- artikel 5 van wet nummer 3713, dat de strafmaat van een veroordeelde met de helft verhoogt wanneer het een aan terrorisme gerelateerde daad betreft en

- artikel 62 van het Turkse Wetboek van Strafrecht, dat de strafmaat van een veroordeelde met 1/6 verlaagt in geval van goed gedrag van de veroordeelde.

Op dit moment wordt eiser gezocht door de Turkse autoriteiten.
Eiser is oprichter, leider noch bestuurslid van de Hizbullah/Vahdet (hierna: Hezbollah) organisatie in Turkije. De oprichter en eerste bestuurder van deze organisatie is een andere persoon met dezelfde voor- en achternaam als eiser.
Eiser wordt niet verantwoordelijk gehouden voor de moord op de politiechef van [plaats]. Eiser wordt verantwoordelijk gehouden voor de moord op [naam 2] op 2 augustus 1987 en [naam 3] in juli 1997 en betrokkenheid bij de moord op[namen 1] middels het doorgeleiden van een moordbevel van [naam 4]. [naam 4] zou leiding geven aan de militaire tak van de Hezbollah organisatie.
Eiser wordt niet verantwoordelijk gehouden voor de ontvoering van en moord op [namen 2].
Op 7 april 2011 is een arrestatiebevel tegen eiser uitgevaardigd en sindsdien wordt hij op grond van artikel 146, eerste lid, van het Turkse Wetboek van Strafrecht gezocht voor pogingen om de rechtsstaat omver te werpen en een autoritaire, religieuze staat op te richten op basis van sharia wetgeving, voor moord en persoonlijke betrokkenheid bij moord. Wanneer eiser terugkeert naar Turkije en schuldig wordt bevonden aan het gestelde in de tenlastelegging, zal eiser waarschijnlijk een levenslange gevangenisstraf opgelegd krijgen.

3. Verweerder heeft bij de beoordeling van de aanvraag artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) betrokken. Verweerder brengt eiser in verband met meervoudige moord, hetgeen ernstige niet-politieke misdrijven zijn, als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder b, Verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag). Uit het individueel ambtsbericht, het arrestatiebevel, het arrest van de Turkse Hoge Raad en eisers eigen verklaringen in samenhang met informatie uit openbare bronnen, wordt geconcludeerd dat eiser als lid van de Turkse Hezbollah moorden heeft begaan. Uit het individueel ambtsbericht blijkt dat eiser door de Turkse rechtbank is veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar en dat hij voorts in Turkije verantwoordelijk wordt gehouden voor de moord op [naam 2] op 2 augustus 1987, de moord op [naam 3] in juli 1997 en betrokkenheid bij de moord (door het doorgeleiden van een moordbevel van [naam 4] ) op [namen 1]. Ook blijkt uit het in het individueel ambtsbericht vermelde arrestatiebevel van 7 april 2011 dat eiser wordt gezocht voor pogingen om de rechtstaat omver te werpen en een autoritaire, religieuze staat op te richten op basis van de sharia wetgeving, moord en persoonlijke betrokkenheid bij moord. Verweerder acht de verklaringen van eiser deels geloofwaardig en deels ongeloofwaardig. Verweerder acht ongeloofwaardig dat eiser niet betrokken zou zijn bij de misdrijven waarvoor hij wordt gezocht en is veroordeeld. Uit hetgeen eiser heeft verklaard, komt naar voren dat hij lange tijd verbonden is (geweest) aan de Turkse Hezbollah. Ook heeft eiser verklaard dat hij contacten had met [naam 5] en [naam 4], beiden kopstukken van Hezbollah. Er is, gelet daarop, sprake van ‘knowing en personal participation’. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef, onder b en onder 2º, Vw.

4. De rechtbank stelt vast dat verweerder tegen eiser een inreisverbod heeft uitgevaardigd met de rechtsgevolgen bedoeld in artikel 66a, zevende lid, Vw. Eiser kan, gelet daarop, geen rechtmatig verblijf hebben. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:298) volgt dat eiser, zolang voornoemd inreisverbod voortduurt, geen belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Dat beroep kan immers niet leiden tot de door eiser beoogde verlening van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, nu eiser geen rechtmatig verblijf kan hebben zolang het inreisverbod voortduurt. Of de aanvraag terecht is afgewezen, kan ten volle in het kader van de toetsing van dat inreisverbod aan de orde worden gesteld.

4.1

De rechtbank zal hetgeen eiser aanvoert tegen de afwijzing van de aanvraag om verlening van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd daarom beoordelen alsof dit deel uitmaakt van zijn gronden gericht tegen het inreisverbod. De rechtbank begrijpt eisers gronden tegen de afwijzing van de aanvraag daarom aldus dat hij aanvoert dat verweerder tegen hem ten onrechte een inreisverbod heeft uitgevaardigd, omdat hij voldoet aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid aanhef en onder a of b, Vw. De rechtbank zal daarom eerst beoordelen of eisers gronden tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag slagen.

5. De rechtbank stelt voorts vast dat eiser geen gronden heeft gericht tegen de conclusie van verweerder opgenomen in het bestreden besluit dat (meervoudige) moord een ernstig, niet-politiek misdrijf is, als bedoeld in van artikel 1(F), aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag.

6. Eiser voert – samengevat – aan dat verweerder zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat, gelet op zijn veroordeling in Turkije, wordt voldaan aan het vereiste van personal en knowing participation en dat eisers verklaringen over zijn beperkte rol en activiteiten binnen Hezbollah niet geloofwaardig zijn. Verweerder baseert zich alleen op stukken van de Turkse autoriteiten zonder deze te onderzoeken en zonder zich te verdiepen in de rechtsgang in Turkije. Verweerder kan zijn conclusie niet baseren op deze stukken, omdat sprake is van een oneerlijke rechtsgang, politieke vervolging en eisers veroordeling tot stand is gekomen op basis van valse bekentenissen van derden, verkregen onder druk en marteling. Voorts is door de Turkse autoriteiten in het internationaal arrestatiebevel gebruik gemaakt van ondeugdelijke informatie om Nederland te bewegen eiser uit te leveren. Veel vermeende leden van Hezbollah zijn gevlucht en er ligt zware politieke druk op de autoriteiten in Turkije om mensen die in verband kunnen worden gebracht met Hezbollah te veroordelen. Eiser verwijst ter onderbouwing van het voorgaande naar een verklaring van zijn Turkse advocaat, een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) inzake [naam 6], berichten uit de Turkse pers en naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 12 februari 2013 (ECLI:NL:RBAMS:2013:577).

6.1

Verweerder stelt zich – samengevat – op het volgende standpunt, zoals nader toegelicht in het verweerschrift van 28 juni 2013 en ter zitting. Het arrest van de Turkse Hoge Raad, de eigen verklaringen van eiser, het individueel ambtsbericht, openbare informatie en de overige informatie uit het dossier, rechtvaardigen de conclusie dat ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat eiser (mede) verantwoordelijk is voor de genoemde moorden. Verweerder baseert zich dus niet alleen op informatie die verkregen is van de Turkse autoriteiten, maar ook op eisers eigen verklaringen dat hij lid was van Hezbollah, hij regelmatig bijeenkomsten van de militante tak van Hezbollah heeft bijgewoond in de boekhandel van de leider van de militante tak en hij een aantal hooggeplaatste Hezbollah leden persoonlijk kent. Voorts blijkt uit openbare bronnen dat Hezbollah verantwoordelijk is geweest voor veel gewelddadige acties, moorden en verdwijningen. Het arrest van de Turkse Hoge Raad en de overige informatie die verkregen is van de Turkse autoriteiten, waaruit volgt dat eiser (mede) verantwoordelijk is voor de genoemde moorden, passen in dat beeld en bevestigen dat. Het is daarbij niet aan verweerder om diepgaand onderzoek naar de juistheid van het oordeel van de Turkse rechter in te stellen. De stelling dat in Turkije sprake was van een oneerlijke rechtsgang, dient verworpen te worden. Eiser is immers bijgestaan door een advocaat en kon gebruik maken, en heeft gebruik gemaakt, van het recht om te klagen bij het EHRM. Ook wordt in het arrest van de Turkse Hoge Raad niet slechts verwezen naar verklaringen van derden die over eiser zijn afgelegd, maar ook naar andere bewijsmiddelen in het dossier. De stelling dat deze verklaringen van derden onder dwang tot stand zijn gekomen en vals zijn, is niet nader onderbouwd en dient daarom verworpen te worden. Voorts is de verklaring van de advocaat die eiser in de Turkse strafrechtelijke procedure heeft bijgestaan, niet afkomstig van een objectieve bron. Niet is gebleken dat eiser alleen is vervolgd om politieke redenen en de stelling dat het een politiek gemotiveerd arrest zou zijn, berust slechts op speculaties. Anders dan eiser stelt, volgt uit het arrest van de Turkse Hoge Raad ook niet dat hij door de rechtbank veroordeeld moet worden. De Hoge Raad wijst de zaak immers terug naar de rechtbank, die de zaak opnieuw moet beoordelen. Dat in het arrestatiebevel beduidend meer namen van slachtoffers en meer handelingen dan in het individueel ambtsbericht of in het arrest van de Turkse Hoge Raad worden genoemd, betekent niet dat een van de bronnen onjuist is. Immers, het feit dat de Turkse politie eiser zoekt voor acht misdrijven, dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat ten aanzien van een aantal van deze feiten een kans op een veroordeling bestaat en dat in het individueel ambtsbericht is geconcludeerd dat eiser voor de gevallen die door de Hoge Raad zijn genoemd, wordt gezocht, is niet strijdig met elkaar. Of eiser daadwerkelijk zal worden vervolgd voor de overige feiten, is aan de Turkse officier van Justitie en uitdrukkelijk de bevoegdheid van de Turkse autoriteiten. Aanvullend onderzoek naar de precieze bewijsmiddelen is gezien het bovenstaande niet geboden.

6.2

In paragraaf C4/3.11.3 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit, heeft verweerder een nadere uitwerking van de beoordeling van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag neergelegd. Hierin is, voor zover hier van belang, opgenomen dat de bewijslast voor het aantonen van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag een bijzondere is. De minister moet aantonen dat er ‘ernstige redenen’ zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag valt. De veronderstelling dat artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag van toepassing is hoeft niet bewezen te worden volgens de in het strafrecht gehanteerde bewijsmaatstaf, maar moet niettemin zorgvuldig worden gemotiveerd. Teneinde te kunnen bepalen of betrokkene individueel voor artikel 1(F)-handelingen verantwoordelijk dient te worden gehouden, wordt onderzocht of ten aanzien van hem kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf/de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’). Indien hiervan sprake is kan aan betrokkene artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag worden tegengeworpen. Hiertoe wordt gebruik gemaakt van de ‘personal and knowing participation test’ (artikel 25 en 27 tot en met 33 Statuut van Rome).
Er is sprake van ‘knowing participation’ wanneer:
(…)
c. een vreemdeling heeft deelgenomen aan handelingen waarvan hij wist of had behoren te weten dat het hier ging om misdrijven als bedoeld in artikel 1(F), zonder dat hij deel uitmaakte van een orgaan of organisatie als hierboven bedoeld.
Er is sprake van ‘personal participation’ wanneer:
a) blijkt dat de vreemdeling een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) persoonlijk heeft gepleegd;
(…)
c) de vreemdeling een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) heeft gefaciliteerd, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het misdrijf;
(…).

6.3

Verweerder heeft aan eiser tegengeworpen dat sprake is van ‘knowing participation’ omdat eiser heeft deelgenomen aan handelingen waarvan hij wist of had behoren te weten dat het hier gaat om misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag. Er is voorts sprake van ‘personal participation’ omdat eiser een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag persoonlijk heeft gepleegd en eiser een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag heeft gefaciliteerd, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het misdrijf.

6.4

Eisers stelling dat verweerder zich bij de vaststelling van de ‘knowing en personal participation’ alleen heeft gebaseerd op stukken van de Turkse autoriteiten, mist feitelijke grondslag. Uit het bestreden besluit blijkt immers dat verweerder zijn standpunt dat eiser (mede) verantwoordelijk wordt gehouden voor meervoudige moord en medeplichtigheid aan meervoudige moord, baseert op meerdere bronnen, waaronder het arrest van de Turkse Hoge Raad en eisers eigen verklaringen, bezien in samenhang met hetgeen uit algemene bronnen blijkt omtrent de Hezbollah. Verweerder heeft zich bij zijn standpunt omtrent de geloofwaardigheid van eisers verklaringen aldus evenmin alleen gebaseerd op stukken van de Turkse autoriteiten.

6.5

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Turkije is vervolgd om politieke redenen, dan wel dat de rechtsgang niet eerlijk is verlopen. Dat voor de strafzaak van eiser en zijn vertrek naar Nederland aandacht is geweest in de Turkse pers, is onvoldoende voor het oordeel dat de vervolging berust op politieke gronden. Voorts blijkt uit het door eiser overgelegde krantenartikel over de politieke druk op de Turkse Hoge Raad dat de Hoge Raad niet toegeeft aan de kritiek van de in het artikel genoemde parlementariër en zich dus juist niet laat leiden door de politiek. Voor zover eiser stelt dat de politieke vervolging, dan wel oneerlijke rechtsgang, blijkt uit de omstandigheid dat de bewoordingen van de Turkse Hoge Raad in het arrest een expliciete vingerwijziging naar de rechtbank bevatten over zijn veroordeling, volgt de rechtbank eiser evenmin. De omstandigheid dat de Turkse Hoge Raad de strafzaak van eiser terugwijst naar de rechtbank, brengt met zich dat de strafzaak opnieuw inhoudelijk zal worden behandeld. Ondanks de duidelijke overwegingen van de Hoge Raad in het arrest, kan hieruit niet worden afgeleid dat eiser reeds is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf en het voeren van een inhoudelijk verweer bij de rechtbank zinledig is. Voorts blijkt uit de door eiser zelf overgelegde stukken, bijvoorbeeld ten aanzien van [naam 5], dat de rechtbank tot een vrijspraak kan komen. De stelling van eiser dat het arrest politiek is gemotiveerd, de rechtsgang niet eerlijk is verlopen omdat het arrest van de Turkse Hoge Raad in een kort tijdsbestek is gewezen en in het arrest zonder nadere motivering wordt uitgegaan van bepaalde bewijsmiddelen die de rechtbank juist niet heeft gebruikt en er een heel dossier blijkt te zijn dat er eerder kennelijk niet was, is, zoals verweerder in het bestreden besluit terecht overweegt, niet onderbouwd, maar gebaseerd op veronderstellingen van eiser en zijn Turkse advocaat.
Voorts is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de belastende verklaringen van derden in de Turkse procedure zijn verkregen door druk of marteling. Eiser heeft deze stelling eveneens onvoldoende onderbouwd. Uit de vertaling van het arrest van het EHRM inzake [naam 6] blijkt dat Turkije in die zaak is veroordeeld omdat zijn familie hem niet kon bezoeken, hij niet in staat van beschuldiging werd gesteld en hij daartegen geen rechtsmiddel kon aanwenden of rechtsbijstand heeft ontvangen. Hieruit blijkt niet dat de Turkse autoriteiten [naam 6] hebben gemarteld, noch dat namens [naam 6] hierover is geklaagd bij het EHRM. Dat [naam 5] zou zijn vrijgesproken, omdat in zijn zaak het enige bewijsmiddel de verklaring van [naam 6] was en deze verklaring volgens de Turkse rechtbank door de zelfmoord van Uçar niet verder onderzocht kon worden, terwijl deze belastende verklaring wel in de zaak van eiser is gebruikt, leidt evenmin tot een ander oordeel. De Turkse Hoge Raad heeft immers in de uitspraak over eiser niet alleen de door meerdere personen, waaronder [naam 6], afgelegde belastende verklaringen meegewogen maar ook andere bewijsmiddelen. Ten slotte is de stelling van eiser dat [naam 7] aan hem heeft verteld dat hij gemarteld is, eveneens onvoldoende voor het oordeel dat in de procedure van eiser gebruik is gemaakt van verklaringen verkregen door marteling, omdat het gestelde verder niet is onderbouwd.
Eisers stelling dat door de Turkse autoriteiten in het internationaal arrestatiebevel gebruik is gemaakt van ondeugdelijke informatie om Nederland te bewegen eiser uit te leveren, volgt de rechtbank evenmin. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het feit dat de omschrijving in het arrestatiebevel van de feiten waarvoor eiser gezocht wordt ruimer is dan in het arrest van de Turkse Hoge Raad, niet betekent dat de informatie ondeugdelijk is. Niet ondenkbaar is immers dat eiser door de Turkse politie wordt gezocht voor feiten waarvoor hij niet eerder werd vervolgd. Of eiser daadwerkelijk voor de feiten die genoemd worden in het internationaal arrestatiebevel zal worden vervolgd, betreft een bevoegdheid van de Turkse autoriteiten, die los staat van de voorliggende procedure.
De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 12 februari 2013 treft evenmin doel, nu dat geen vergelijkbare zaak is. In die zaak werd immers geloofwaardig geacht dat de vreemdeling (mede) op basis van zijn door marteling afgelegde verklaringen is veroordeeld. Daarvan is in dit geval echter geen sprake. Eiser heeft in het nader gehoor (pagina 11) immers verklaard dat hij, ondanks dat hij tijdens zijn voorarrest in 2001 zou zijn gemarteld, geen bekennende verklaring heeft afgelegd. Eiser heeft, zoals uit het voorgaande blijkt, ook niet aannemelijk gemaakt dat hij is veroordeeld op basis van door marteling verkregen verklaringen van derden.

6.5.1

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat verweerder zich bij de beoordeling van eisers aanvraag (onder meer) kon baseren op de informatie neergelegd in de stukken afkomstig van Turkse rechterlijke- en opsporingsinstanties en dat geen aanleiding bestond nader onderzoek te doen naar de juistheid van die informatie. Eisers stelling dat verweerder, onder verwijzing naar genoemde stukken afkomstig uit Turkije, ten onrechte zijn verklaringen over zijn beperkte rol en activiteiten bij Hezbollah ongeloofwaardig heeft geacht, wordt gelet op het voorgaande evenmin gevolgd. De beroepsgrond dat verweerder zijn conclusie dat sprake is van ‘knowing en personal participation’ ten onrechte baseert op voornoemde stukken, faalt dan ook.

6.6

Nu eisers beroepsgrond tegen de tegenwerping van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag faalt, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw.

7. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als verboden door artikel 3 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser is eerder in Turkije gemarteld gedurende zijn voorarrest in 2001. Reeds ondergane schendingen zijn een belangrijke aanwijzing dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een nieuwe schending. Het enkele feit dat hij vanaf 2003 niet meer is blootgesteld aan marteling, doet geen afbreuk hieraan. In het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Turkije van februari 2012 (het algemeen ambtsbericht) is ook opgenomen dat het, vanwege het ontbreken van gegevens, moeilijk is inzicht te krijgen in welke mate in Turkse gevangenissen en daarbuiten wordt gemarteld, alsmede in het aantal gevallen van marteling. Ook is vermeld dat personen die veroordeeld zijn wegens of verdacht worden van, dan wel opgepakt zijn voor politieke en/of terreurmisdrijven, een hoger risico op marteling en een slechte behandeling lopen. Amnesty International bericht in het jaarrapport over 2011 dat nog steeds marteling en mishandeling plaatsvinden, zowel in politiebureaus als in gevangenissen. Voorts is er uitgebreide publiciteit geweest over eisers vlucht naar Nederland, hetgeen meegewogen dient te worden. Zijn echtgenote en kinderen zijn ook vorig jaar uit Turkije gevlucht naar België en zijn daar inmiddels toegelaten als vluchteling. Uit de vragenlijst die eisers echtgenote moest invullen, blijkt dat de Turkse autoriteiten alles in het werk stellen om eiser te dwingen terug te komen naar Turkije. De wijze waarop de echtgenote is bejegend, is een aanwijzing dat de behandeling die eiser te wachten staat, in strijd zal zijn met artikel 3 EVRM. Voorts dreigt bij terugkeer een situatie van langdurige isolatie voor eiser, hetgeen een onevenredige bestraffing is. Eiser zal bij terugkeer in een type F-gevangenis terecht komen, alwaar niet alleen foltering maar ook een onmenselijke behandeling vanwege langdurige isolatie dreigt.

7.1

Verweerder stelt zich – samengevat – in het bestreden besluit, het verweerschrift en ter zitting op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor een behandeling in de zin van artikel 3 EVRM. In Turkije bestaat geen wijdverbreide en systematische praktijk van martelingen en/of mishandelingen bij politieverhoren of bij detentie. Eiser heeft alleen gesteld dat hij tijdens zijn voorarrest in 2001 is gemarteld. Eiser heeft daarna echter ook verklaard dat er vanaf 2003 geen martelingen meer plaatsvonden omdat dat niet meer de praktijk was. Mede gezien de verbeteringen die zijn doorgevoerd blijkens het algemeen ambtsbericht, valt niet in te zien dat eiser bij terugkeer wederom een dergelijke behandeling zal moeten ondergaan. Eiser heeft gesteld vanwege de marteling en de duur van het voorarrest een klacht te hebben ingediend bij het EHRM. Uit de door eiser overgelegde stukken en na onderzoek in de database van uitspraken van het EHRM blijkt echter dat de gestelde marteling geen onderdeel uitmaakte van eisers klacht bij het EHRM. Verweerder acht dit opmerkelijk. Wat hier ook van zij, niet valt in te zien, gelet op eisers verklaring dat er meermaals Europese waarnemers naar de gevangenis kwamen en dat hij bij hen zijn verhaal kon doen en kon klagen over de omstandigheden, en de verbeterde situatie in Turkije, dat eiser bij terugkeer gemarteld zal worden. Voor zover eiser heeft gesteld dat personen die veroordeeld zijn wegens, dan wel verdacht worden van, dan wel opgepakt zijn voor politieke en/of terreurmisdrijven, een hoger risico op marteling en slechte behandeling lopen, stelt verweerder dat Vluchtelingenwerk Nederland zelf ook vermeldt dat niet duidelijk is waaruit dat verhoogde risico dan zou bestaan. Het is aan eiser om het gestelde verhoogde risico te onderbouwen, hetgeen hij niet heeft gedaan. Dat, zoals eiser betoogd heeft, in het jaarrapport van Amnesty International over 2011 staat dat nog steeds marteling en mishandeling plaatsvinden in politiebureaus en gevangenissen, het EHRM in 2011 in 159 zaken zou hebben geoordeeld dat Turkije gehandeld heeft in strijd met artikel 3 EVRM en Vluchtelingenwerk Nederland stelt dat in de type F-gevangenissen risico op isolatie en marteling zou bestaan, kunnen in het geval van eiser niet leiden tot de conclusie dat eisers uitzetting strijdig is met artikel 3 EVRM. Aan deze algemene informatie, die niet direct op de situatie van eiser van toepassing is, kan niet de waarde worden gehecht die eiser wenst. Ook is eiser nog niet veroordeeld en dient hij nog voor de rechtbank te verschijnen en kan hij dus nog vrijgesproken worden. Verweerder stelt voorts dat juist vanwege de aandacht voor gevluchte Hezbollah-leden zoals eiser, het feit dat om uitlevering is gevraagd en de zaak van eiser veel aandacht heeft gehad in de media, het risico dat eiser in detentie gemarteld zal worden, voor zover dat zou bestaan, is afgenomen. Een mogelijk levenslange gevangenisstraf wordt niet als een onevenredige of discriminatoire bestraffing gezien, gelet op de ernst van de misdrijven waarvan eiser verdacht wordt. Dat eisers echtgenote en kinderen een verblijfsvergunning in België hebben verkregen in verband met de bejegening van eisers echtgenote door de politie, zegt ten slotte niets over het 3 EVRM-risico van eiser.

7.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op marteling. Daartoe heeft verweerder van belang kunnen achtten dat eiser zelf in het nader gehoor heeft verklaard dat hij gedurende zijn detentie van 2003 tot 2010 niet (meer) is gemarteld. Dat in het algemeen ambtsbericht staat vermeld dat personen die veroordeeld zijn voor politieke en/of terreurmisdrijven een hoger risico lopen op marteling en een slechte behandeling, leidt op zichzelf niet tot een ander oordeel. Immers, de enkele mogelijkheid van schending is onvoldoende om een schending van artikel 3 EVRM aannemelijk te achten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt waarom hij, anders dan is gebleken in de reeds ondergane detentieperiode 2003 tot 2010, in dit opzicht bij terugkeer een reëel risico in vorenbedoelde zin loopt. Verweerder heeft daarbij terecht gewezen naar de passage uit voornoemd algemeen ambtsbericht dat gevangenen waarvoor veel media-aandacht bestaat, een geringer risico op een gewelddadige behandeling zouden lopen. Dat eiser na een eventuele veroordeling wellicht gedetineerd wordt in een type F-gevangenis, maakt dat niet anders. De brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 15 september 2011 met bijlagen, waarnaar eiser verwijst, bevat onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat detentie in een dergelijke gevangenis een reëel risico op marteling of foltering in de zin van artikel 3 EVRM inhoudt.
De rechtbank overweegt ten overvloede dat, nu verweerder niet is uitgegaan van de geloofwaardigheid van de eerdere marteling van eiser en hij bovendien zijn conclusie dat geen reëel risico op marteling aanwezig is, niet alleen op het algemeen ambtsbericht heeft gebaseerd, maar ook op eisers eigen verklaringen over marteling en zijn detentie, deze zaak niet vergelijkbaar is met die waarop de uitspraak van de Afdeling van 29 september 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3646) ziet.

7.3

Ten aanzien van eisers stelling dat hem een onevenredige bestraffing en onmenselijke behandeling te wachten staat, omdat hij in een type F-gevangenis langdurig zal worden geïsoleerd, overweegt de rechtbank dat eiser hierin niet gevolgd wordt. In het rapport van Schweizerische Flüchtlingshilfe ‘Risiken bei der Rückkehr eines verurteilten PKK-Mitglieds’ van 26 mei 2010, waarnaar eiser ter onderbouwing van het gestelde verwezen heeft, is vermeld dat personen die in een type F-gevangenis geplaatst zijn en veroordeeld zijn tot een verzwaarde levenslange gevangenisstraf, geïsoleerd worden, hetgeen bij lange duur ervan op zichzelf een onmenselijke behandeling kan opleveren. Het voorgaande is onvoldoende voor het oordeel dat eiser, die nog niet veroordeeld is, in een dergelijke situatie terecht zal komen.

7.4

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder gevolgd kan worden in zijn standpunt dat het feit dat eisers echtgenote en kinderen een verblijfsvergunning in België hebben verkregen niet betekent dat daarmee aannemelijk is gemaakt dat eiser een 3 EVRM loopt bij terugkeer naar Turkije. De overgelegde vragenlijst van de Belgische autoriteiten bevat daartoe evenmin aanknopingspunten.

7.5

Voor zover eiser betoogd heeft dat uit het feit dat zijn uitlevering aan Turkije door de rechtbank Zwolle –Lelystad op 7 maart 2011 ontoelaatbaar is verklaard omdat de uitlevering werd verzocht voor een politiek delict, hetgeen door de Hoge Raad bij arrest van 9 oktober 2012 is bevestigd, blijkt dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM, volgt de rechtbank eiser evenmin. Hoewel verweerder niet gevolgd kan worden in zijn (naar de rechtbank begrijpt primaire) standpunt dat de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad en de bevestiging daarvan door de Hoge Raad, niet relevant zijn voor de beoordeling van het beroep van eiser, kan verweerder wel gevolgd worden in zijn ter zitting gegeven nadere (naar de rechtbank begrijpt subsidiaire) standpunt dat het feit dat de uitlevering door de Nederlandse strafrechter ontoelaatbaar is geacht omdat het misdrijf waarvoor de uitlevering verzocht wordt, een politiek misdrijf betreft, niet met zich brengt dat eisers uitlevering een schending van artikel 3 EVRM oplevert. De rechtbank overweegt daartoe dat een dergelijke beoordeling geen deel uitmaakt van de vraag of de uitlevering niet moet worden toegestaan omdat eiser wordt beschuldigd van een politiek delict. De uitleveringsrechter heeft ook overigens niet geoordeeld dat bij uitlevering artikel 3 EVRM wordt geschonden. Het daartoe strekkende verweer van de raadsman in die procedure is door de rechtbank niet beoordeeld en heeft evenmin een rol gespeeld in het arrest van de Hoge Raad.
Dat de uitspraken gewezen in de uitleveringsprocedure overigens aan de uitzetting van eiser in de weg staan, is niet nader onderbouwd. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat uitzetting van eiser door verweerder thans niet aan de orde is, nu eiser zich niet in Nederland bevindt.

7.7

De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM loopt.

8. Uit het voorgaande volgt dat eisers gronden gericht tegen de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet leiden tot vernietiging van het tegen eiser uitgevaardigde inreisverbod.

9. Eiser voert ten aanzien van het inreisverbod aan dat de uitvaardiging daarvan een onevenredig beperking vormt op de mogelijkheden om gezinsleven met zijn inmiddels in België verblijvende gezin uit te oefenen. Voor de gezinsleden geldt dat er, gelet op de door de Belgische autoriteiten aan hen verleende verblijfsvergunning, sprake is van een objectieve belemmering het gezinsleven in Turkije uit te oefenen. Dit is een relevant nieuw feit dat op grond van artikel 83 Vw betrokken dient te worden bij de beoordeling.

9.1

Verweerder stelt zich in het verweerschrift van 28 juni 2013 op het standpunt dat het beroep op artikel 8 EVRM niet slaagt, zodat op grond daarvan niet van het uitvaardigen van het inreisverbod wordt afgezien. Het algemene belang dat is ingediend met het tegen eiser uitgevaardigde inreisverbod weegt zwaarder dan het persoonlijk belang van eiser om het gezinsleven met zijn vrouw en kinderen hier te lande te kunnen uitoefenen. Er is, door de tegenwerping van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag, sprake van dusdanige openbare orde aspecten dat de inmenging in het gezinsleven gerechtvaardigd wordt geacht.

9.2

Het betoog dat een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Turkije uit te oefenen, is onvoldoende voor het oordeel dat verweerder op grond van humanitaire redenen diende af te zien van het uitvaardigen van het inreisverbod. Het bestaan van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Turkije uit te oefenen, leidt immers op zich zelf niet tot de conclusie dat artikel 8 EVRM is geschonden. Dit is slechts een van de omstandigheden die verweerder in het kader van de belangenafweging dient mee te wegen. Verweerder stelt zich, zoals toegelicht ter zitting, op het standpunt dat aan de omstandigheid dat aan eiser 1(F) Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen en aldus sprake is van openbare orde aspecten, in dit specifieke geval doorslaggevend gewicht wordt toegekend. De rechtbank kan verweerder daarin volgen. Deze grond faalt.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, ongegrond;
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag, niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries - van den Heuvel, voorzitter, en mrs.
S. Kleij en M.J.C. Beerse, leden van de meervoudige kamer, in aanwezigheid van mr.
A.W. Martens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2015.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.