Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:6945

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-06-2015
Datum publicatie
17-06-2015
Zaaknummer
AWB 14/24576
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder de situatie in Bulgarije van na 1 april 2014, zoals die blijkt uit de door eiser aangehaalde informatie en zoals eiser die ook reeds gedeeltelijk in hun zienswijze naar voren had gebracht, in zijn besluitvorming heeft betrokken. Verweerder heeft daarom in het bestreden besluit met de enkele verwijzing naar het rapport van de UNHCR van 15 april 2014 onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van structurele verbeteringen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Bulgarije en dat ten aanzien van Bulgarije van het interstatelijkee vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het bestreden besluit is derhalve ondeugdelijk gemotiveerd en komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in zijn verweerschrift met de verwijzing naar het EASO-rapport van 5 december 2014 thans voldoende heeft gemotiveerd dat ten aanzien van Bulgarije van het interstatelijke vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daartoe acht de rechtbank van belang dat uit dit rapport volgt dat de verbeteringen, zoals die in het UNHCR-rapport van 15 april 2014 noodzakelijk werden geacht, zijn en worden doorgezet. Eiser heeft met hun verwijzing naar verschillende rapporten en nieuwsberichten met cijfers over de verwachte toename van de instroom van asielzoekers en beschikbaarheid van opvangplekken in Bulgarije onvoldoende onderbouwd dat hij bij overdracht aan Bulgarije in een situatie zullen geraken in strijd met artikel 3 EVRM. Uit deze cijfers blijkt niet dat Bulgarije niet voldoende geëquipeerd is om deze vluchtelingen op te vangen of zo nodig de opvangcapaciteit verder uit te breiden, gelet op de conclusies die door het EASO in haar rapport zijn getrokken. De rechtbank acht in dit verband voorts van belang dat uit het rapport van EASO blijkt dat Bulgarije de ingeslagen weg naar verbeteringen voortzet, alsmede dat EASO Bulgarije bij het voorzetten van verbeteringen zal ondersteunen, in ieder geval tot en met juni 2016, teneinde te kunnen inspelen op de fluctuaties van de vluchtelingenstroom.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/24576

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 2 juni 2015 in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum], gesteld staatloos, afkomstig uit Syrië,

eiser,

(gemachtigde: mr. A.A. Vermeij, advocaat te Voorburg),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. L. Kersten, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist. Bij uitspraak van 2 december 2014 (AWB 14/24579) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats het verzoek toegewezen.

Verweerder heeft op 6 maart 2015 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval is van toepassing Verordening (EG) 604/2013 van de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening).

  2. Bulgarije heeft op 26 september 2014 het terugnameverzoek gehonoreerd.

  3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, Vw, omdat uit Eurodac is gebleken dat eiser eerder in Bulgarije een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Bulgarije is daarom verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek.

  4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat ten aanzien van Bulgarije kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat hij bij overdracht aan Bulgarije geen reëel risico zal lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.1

In dit verband voert eiser allereerst aan dat uit de door hem overgelegde informatie, met name uit het rapport van Asylum Information Database (AIDA), ‘National Country Report; Bulgaria, Third Update’, van januari 2015, blijkt dat de kans groot is dat de asielaanvraag van eiser in Bulgarije inmiddels ‘in absentia’ is afgewezen. Daarmee loopt hij bij terugkeer het risico op detentie en refoulement. Als een aanvraag eenmaal ‘in absentia’ is afgedaan, is het arbitrair of een vreemdeling tot de asielprocedure in Bulgarije zal worden toegelaten.

4.1.1

De rechtbank stelt vast dat uit het door eiser aangehaalde rapport van AIDA blijkt dat er voor asielzoekers die terugkeren uit andere lidstaten in principe geen obstakels zijn om toegang te krijgen tot de asielprocedure, maar dat als er een beslissing op het asielverzoek ‘in absentia’ heeft plaatsgevonden, het verzoek als afgedaan zal worden beschouwd en de asielzoeker als illegale immigrant zal worden gezien en gedeporteerd zal worden naar een centrum voor illegale migranten. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn geval tijdens zijn afwezigheid in Bulgarije inmiddels een beslissing op zijn asielverzoek is genomen. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat eiser in Bulgarije als illegale migrant zal worden gedetineerd en niet tot de asielprocedure zal worden toegelaten. Bovendien zal eiser in het kader van de Verordening worden overgedragen en hebben de Bulgaarse autoriteiten het terugnameverzoek uitdrukkelijk geaccepteerd. Verweerder kan er dan in beginsel van uitgaan dat Bulgarije met het accepteren van het terugnameverzoek, eiser niet bij voorbaat zal uitsluiten van de asielprocedure en opvangvoorzieningen.

4.2

Voorts voert eiser aan dat uit de door hem overgelegde informatie blijkt dat in Bulgarije sprake is van politiegeweld tegen asielzoekers die de grens met Turkije oversteken. Eiser is aan de grens met Turkije onmenselijk behandeld door een Bulgaarse politieman toen deze zijn laars op eisers hand zette, waardoor een tak door zijn huid stak en een diepe wond is ontstaan, vergelijkbaar met een messteek. Ter onderbouwing daarvan heeft eiser zijn medisch dossier overgelegd.

4.2.1

De door eiser aangehaalde informatie heeft betrekking op incidenten ten aanzien van (veelal Syrische) asielzoekers bij de grens met Turkije. Ook de verklaringen van eiser zelf over de behandeling door een Bulgaarse politieagent hebben betrekking op een incident aan de grens met Turkije. Eiser zal thans echter rechtstreeks vanuit Nederland worden overgedragen aan Bulgarije op grond van de Verordening. Eiser heeft geen concrete informatie overgelegd waaruit blijkt dat ook Dublinclaimanten na hun overdracht aan Bulgarije een reëel risico lopen het slachtoffer te worden van excessief politiegeweld. Voorts heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in geval van problemen zich niet kan wenden tot de (hogere) autoriteiten van Bulgarije, of dat de (hogere) Bulgaarse autoriteiten eiser geen bescherming kunnen of willen bieden.

4.3

Eiser voert voorts aan dat de opvangomstandigheden voor asielzoekers in Bulgarije tekortschieten. Ter onderbouwing heeft eiser verwezen naar een groot aantal stukken over de algemene situatie in Bulgarije voor asielzoekers. Eiser heeft daarbij in het bijzonder ook gewezen op de sterk verhoogde instroom van asielzoekers in Bulgarije in 2014 en de te verwachten sterke toename van overdrachten aan Bulgarije op grond van de Verordening, zodat te verwachten is dat de opvangcapaciteit in Bulgarije tekort zal schieten.

4.3.1

In het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat uit de door eiser overgelegde stukken weliswaar blijkt dat de opvangfaciliteiten en -voorzieningen in Bulgarije op onderdelen te kort schieten, maar dat op basis van deze stukken niet de conclusie kan worden getrokken dat de asielprocedure in Bulgarije in zijn algemeenheid dusdanig ernstige gebreken vertoont, dat ten aanzien van Bulgarije niet meer uitgegaan kan worden van het interstatelijke vertrouwensbeginsel. Verweerder verwijst ter onderbouwing naar een rapport van de UNCHR: “UNHCR says asylum conditions improved, warns against transfer of vulnerable people” van 15 april 2014, waarin is geconcludeerd dat per 1 april 2014 de opvangvoorzieningen in Bulgarije zijn verbeterd ten opzichte van de zorgelijke situatie zoals die bleek uit het rapport van de UNHCR van 2 januari 2014. Het rapport van de UNHCR van 15 april 2014 is voor verweerder aanleiding geweest om zijn beleid, waarbij hij wegens de zorgwekkende situatie van de opvangvoorzieningen in Bulgarije ruimhartig toepassing gaf aan de soevereiniteitsclausule in de Verordening door af te zien van overdracht aan Bulgarije, niet langer te handhaven. Verweerder verwijst naar zijn brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 15 mei 2014 (2013-2014, 32 317, nr. 234).

4.3.2

Eiser betoogt in reactie op het standpunt van verweerder in het bestreden besluit, onder verwijzing naar de door hem aangehaalde informatie, dat de situatie in Bulgarije ook na 1 april 2014 onverminderd zorgelijk is gebleven. In dit verband zijn de volgende stukken van belang, die door eiser zijn aangehaald en die zien op de periode na 1 april 2014:
- rapportage van Bordermonitoring, getiteld “Trapped in Europe’s Quagmire: The Situation of Asylum seekers and Refugees in Bulgaria”, van juli 2014;
- rapportage van Pro-Asyl, getiteld “Severe ill-treatment of Syrians in Bulgaria” van 2 juni 2014;
- bericht van Reuters van 20 augustus 2014 (http://uk.reuters.com/article/2014/08/20/uk-bulgaria-turkey-fence-idUKKBN0GK1IK20140820);
- een publicatie van HRW van september 2014, getiteld “Universal Periodic Review Submission Bulgaria” (http://www.hrw.org/sites/default/files/related_material/2014_Bulgaria_UPR.pdf);
- rapport van UNHCR van 9 oktober 2014, getiteld “Asylum Trends, First half 2014; Levels and Trends in Industrialized Countries” (http://www.unhcr.nl/fileadmin/user_upload/pdf/5423f9699.pdf);
- EASO Special Support Plan To Bulgaria van 5 december 2014;
- Eurostat, Asylum applicants and first instance decisions on asylum applications: third quarter 2014, van 18 december 2014;
- een rapport van Asylum Information Database (AIDA), ‘National Country Report; Bulgaria, Third Update’, van januari 2015;
- 26. www.novinite.com, Three EU Countries ‘to Send 7500 Refugees Back to Bulgaria, van 4 januari 2015;
- bericht van de BBC, ‘Bulgaria, to take back asylum-seekers from rest of EU’, van januari 2015;
- een rapport van Amnesty International: Missing the point; Lack of adequate investivigation of hate crimes in Bulgaria, van 5 februari 2015;
- bericht van Reuters, ‘Bulgaria to extend fence at Turkish border to bar refugee influx’, van 14 januari 2015.

4.3.3

Nu verweerder tot 1 april 2014 in de zorgelijke situatie van de opvangvoorzieningen in Bulgarije aanleiding zag af te zien van overdracht aan Bulgarije, is in geschil of verweerder vanaf 1 april 2014 wel van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije uit kon gaan. De stukken anders dan die genoemd onder 4.2.2, waar eiser zich op heeft beroepen, acht de rechtbank daarom niet van belang voor de beoordeling van het geschil, omdat deze stukken rapporteren over de situatie in Bulgarije van voor 1 april 2014. De rechtbank zal die stukken daarom buiten de beoordeling laten.

4.3.4

Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder de situatie in Bulgarije van na 1 april 2014, zoals die blijkt uit bovengenoemde door eiser aangehaalde informatie en zoals eiser die ook reeds gedeeltelijk in zijn zienswijze naar voren had gebracht, in zijn besluitvorming heeft betrokken. Zoals de voorzieningenrechter in voornoemde uitspraak van 2 december 2014 heeft geoordeeld, welk oordeel de rechtbank overneemt en tot de hare maakt, heeft verweerder daarom in het bestreden besluit met de enkele verwijzing naar het rapport van de UNHCR van 15 april 2014 onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van structurele verbeteringen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Bulgarije en dat ten aanzien van Bulgarije van het interstatelijke vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het bestreden besluit is derhalve ondeugdelijk gemotiveerd en komt daarom voor vernietiging in aanmerking. De beroepsgrond slaagt.

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 Algemene wet bestuursrecht (Awb).

6. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er aanleiding is om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel of gedeeltelijk in stand blijven.

6.1

In zijn verweerschrift stelt verweerder zich gemotiveerd op het standpunt dat uit de aangehaalde rapporten, noch uit de individuele verklaringen van eiser, blijkt dat sinds 1 april 2014 de tekortkomingen in het systeem van de asielprocedure voor asielzoekers in Bulgarije dusdanig ernstig zijn dat eiser na overdracht aan Bulgarije een reëel risico zal lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst verweerder naar het rapport van Council of Europe: European Commission Against Racism and Intolerance (ECRI) van 16 september 2014 en het rapport van het European Asylum Support Office (EASO) van de Europese Unie van 5 december 2014.
In het ECRI-rapport is onder meer aangegeven dat er verbeteringen zijn op het gebied van medische voorzieningen en dat er juridische bijstand is. In reactie op dit rapport hebben de Bulgaarse autoriteiten uitdrukkelijk aangegeven dat er wordt opgetreden tegen discriminatie en dat er preventieve maatregelen daartegen worden getroffen. Voorts wordt vermeld dat er verschillende verbeteringen zijn doorgevoerd om de integratie van statushouders te verbeteren en dat Bulgarije zich houdt aan het verbod op refoulement.
In het EASO-rapport wordt vermeld dat in Bulgarije een significante vooruitgang is geboekt ten aanzien van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, waaronder de uitbreiding van de training van personeel, de toename van het aantal opvangfaciliteiten en de verbeteringen in de opvangomstandigheden. Op alle faciliteiten is toegang tot medische zorg. Voorts volgt uit dit rapport dat het EASO ermee heeft ingestemd om aanvullende ondersteuning te bieden aan Bulgarije tot het einde van juni 2016. Verweerder ziet zich in zijn standpunt gesteund in de volgende uitspraken:
- uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 17 december 2014 (AWB 14/26051);
- uitspraak van deze rechtbank van 21 januari 2015 (AWB 14/28434);
- uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 22 januari 2015 (AWB 14/28746);
- uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 februari 2015 (AWB 14/25709);
- uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 6 maart 2015 (AWB 15/1706).

6.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de verwijzing naar het EASO-rapport van 5 december 2014 thans voldoende heeft gemotiveerd dat ten aanzien van Bulgarije van het interstatelijke vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daartoe acht de rechtbank van belang dat uit dit rapport volgt dat de verbeteringen, zoals die in het UNHCR-rapport van 15 april 2014 noodzakelijk werden geacht, zijn en worden doorgezet. Zo staat op pagina 6 van het rapport vermeld:

Over the last twelve months, the Bulgarian asylum system has undergone a number of important developments. At the end of 2013 – beginning of 2014, the number of employees at the State Agency for Refugees increased from 133 to 293. Presently, 77 staff members, including caseworkers, registration officers, legal advisers and COI experts, are employed in the asylum procedure. During the implementation of the EASO Operating Plan to Bulgaria (October 2013 – September 2014), the staff was trained through the EASO Training Curriculum, which allowed them to acquire knowledge and skills laying the basis for further professional development and enhanced quality of the asylum procedure.

Op pagina 7 van het rapport staat vermeld:

Living conditions in the centres were significantly improved. Twenty thousand square meters of buildings underwent overall renovation. Facilities were ensured for the emergency accommodation of up to 800 persons in field conditions, including vans, tents, electric generators, chemical toilets, bathrooms, an ambulance and a mobile medical station.

In all centres of SAR, asylum seekers are provided with two meals per day. From February until April 2014, this was done in field kitchen stations and kitchens managed by the Ministry of Defence. Since May 2014, the preparation of food in all reception and accommodation centres has been entirely taken care of by the State Agency for Refugees, including the appointment of kitchen staff. In addition, UNHCR has organized the renovation and equipment of three modern kitchen stations with canteens in Harmanli, Vrazhdebna and Voenna Rampa.

Laundry rooms were renovated and equipped in the new centres of SAR in Harmanli, Vrazhdebna and Voenna Rampa with the financial support of the Dutch Red Cross and with the assistance of the Bulgarian Red Cross.

The three centres were also equipped with medical cabinets by the international organization Médecins Sans Frontières. There is medical staff working in all centres. In accordance with a ministerial decree, funds have been allocated for the appointment of four medical teams, each consisting of a doctor, a psychologist, nurses, and a dentist, in the new centres. Efforts in this direction are ongoing.
6.3 Het door eiser aangehaalde rapport van Amnesty International van 5 februari 2015 beschrijft xenofobisch en racistisch geweld jegens asielzoekers en de gebrekkige respons van de Bulgaarse autoriteiten daarop. Dit rapport kan echter niet worden aangemerkt als een onderbouwing van de stelling dat eiser bij overdracht aan Bulgarije een reëel risico zal lopen om in een situatie te geraken in strijd met artikel 3 EVRM, omdat uit dit rapport niet blijkt, in weerwil van het rapport van EASO van 5 december 2014, dat sprake is van structurele tekortkomingen in het systeem van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Bulgarije. Voorts blijkt uit dit rapport niet dat bij voorkomende problemen eiser zich niet tot de (hogere) Bulgaarse autoriteiten kan wenden voor bescherming dan wel dat het voor hem bij voorbaat zinloos is om bij de (hogere) autoriteiten bescherming te vragen.
Uit de passage in het rapport van AIDA, waar eiser op heeft gewezen, blijkt dat de opvang aan asielzoekers kan worden beëindigd als drie dagen geen gebruik is gemaakt van opvang, maar blijkt niet dat dat ook van toepassing is op asielzoekers die een opvangcentrum en vervolgens Bulgarije hebben verlaten en op een later moment in het kader van een overdracht op grond van de Verordening naar Bulgarije terugkeren. Verweerder kan in beginsel ervan uitgaan dat Bulgarije met het accepteren van het terugnameverzoek, eiser niet bij voorbaat zal uitsluiten van de opvangvoorzieningen.

Evenmin leiden de door eiser aangehaalde rapporten van Bordermonitoring, Pro-Asyl, HRW en de UNHCR en de artikelen van Novinvite, BBC, Reuters en de cijfers over de (verwachte) toename van de instroom van asielzoekers van Eurostat tot het oordeel dat overdracht aan Bulgarije een reëel risico meebrengt tot een schending van artikel 3 EVRM. In het artikel van Novinite staat het volgende -voor zover hier van belang- vermeld:

Germany, Austria and Hungary would like to return about 7500 people with a refugee status to Bulgaria, media reports suggest. (…).
Authorities in Sofia are now reportedly concerned about how to accommodate the migrants if they are returned, since there is only room for 2000 people in the respective centers. At the same time under Bulgaria’s legislation the centers cannot serve as housing for migrants who have already been granted status.


In het EASO-rapport van 5 december 2014 staat op pagina 7 -voor zover hier van belang- het volgende vermeld:

Since the escalation of the refugee crisis in Bulgaria at the end of 2013, the number of reception and accommodation centres of SAR increased from 3 to 7. A new Registration and Reception Centre (RRC) has been opened in Harmanli, which has the capacity to accommodate 3300 persons. The accommodation capacity of the RRC in Sofia expanded with three additional buildings in Voenna Rampa (700 places), Vrazhdebna (300) and Kovachevtsi (350). Ten cottages were additionally built and equipped at the RRC Banya in order to accommodate 80 persons, mainly unaccompanied minors. As a result of ongoing efforts to strengthen the reception system, the current total accommodation capacity amounts to 6000 places.

Uit deze passage van het EASO-rapport blijkt dat op het moment van rapporteren de totale opvangcapaciteit bestaat uit 6000 plekken.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het artikel van Novinvite niet de conclusie worden getrokken dat de 7500 vluchtelingen, die Duitsland, Oostenrijk en Hongarije voornemens zijn terug te sturen naar Bulgarije, zullen worden opgevangen in de opvangcentra voor asielzoekers, nu het aantal van 7500 ziet op vreemdelingen die in het bezit zijn van een vluchtelingenstatus. Uit het artikel kan niet worden geconcludeerd dat ook vreemdelingen aan wie reeds een vluchtelingenstatus is verleend, zullen worden opgevangen in centra bestemd voor asielzoekers. Uit het artikel blijkt slechts dat de Bulgaarse wetgeving opvang aan vreemdelingen met een vluchtelingenstatus in centra voor opvang van asielzoekers niet toestaat en dat de Bulgaarse autoriteiten zich zorgen maken over hoe deze groep kan worden gehuisvest.
Dat in het artikel wordt vermeld dat op dat moment plek is voor 2000 migranten, geeft evenmin grond voor het oordeel dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt niet te worden opgevangen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit een momentopname betreft en een onvoldoende concrete onderbouwing is voor de stelling dat in Bulgarije sprake is van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen.
Het artikel van de BBC noopt niet tot een ander oordeel, nu dit artikel grotendeels is gebaseerd op dezelfde informatie uit het artikel van Novinvite. Het artikel van Reuters en de cijfers van Eurostat beschrijven het aantal (Syrische) vluchtelingen dat in 2014 in Bulgarije asiel heeft aangevraagd en geven een prognose van het aantal vluchtelingen dat in 2015 mogelijk asiel in Bulgarije zal aanvragen. Ook met deze artikelen heeft eiser onvoldoende onderbouwd dat eiser bij overdracht aan Bulgarije in een situatie zal geraken in strijd met artikel 3 EVRM, nu uit deze cijfers niet blijkt dat Bulgarije niet voldoende geëquipeerd is om deze vluchtelingen op te vangen of zo nodig de opvangcapaciteit verder uit te breiden, gelet op de conclusies die door het EASO in haar rapport zijn getrokken.
De rechtbank acht in dit verband voorts van belang dat uit het rapport van EASO blijkt dat Bulgarije de ingeslagen weg naar verbeteringen voortzet, alsmede dat EASO Bulgarije bij het voorzetten van verbeteringen zal ondersteunen, in ieder geval tot en met juni 2016, teneinde te kunnen inspelen op de fluctuaties van de vluchtelingenstroom.

6.4

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder met de verwijzing naar het EASO-rapport van 5 december 2014 voldoende heeft gemotiveerd dat ten aanzien van Bulgarije van het interstatelijke vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft onvoldoende, op feiten berustende gronden aangevoerd, als bedoeld in het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak van M.S.S. tegen België en Griekenland van 21 januari 2011 (JV 2011/68) voor het oordeel dat sprake is van structurele tekortkomingen in het systeem van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen om aan te nemen dat eiser bij overdracht aan Bulgarije een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

7. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel in stand blijven.

8. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 980,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 980,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van der Kluit, voorzitter en mrs. E.P.W. van de Ven en M.J.C. Beerse, in aanwezigheid van mr. S.L.L. van den Akker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2015.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.