Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:6897

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-05-2015
Datum publicatie
10-08-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 8281
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Is eiser terecht en voor het juiste bedrag aansprakelijk gesteld? Er zijn geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat tijdig aan de meldingsplicht is voldaan. Met de stelling dat eiser er vanuit ging dat zijn administratief medewerkster de mededeling tijdig had gedaan maakt hij niet aannemelijk dat het niet tijdig melden van de betalingsonmacht niet aan hem te wijten is. Eiser heeft hiermee een risico genomen dat voor zijn rekening moet blijven. Eiser is terecht aansprakelijk gesteld. Nu verweerder ter zitting het standpunt heeft ingenomen dat de aansprakelijkheidsstelling verder moet worden verminderd met de bedragen die betrekking hebben op de boeten, vervolgingskosten en invorderingsrente is het beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Invorderingswet 1990 36
Algemene wet inzake rijksbelastingen 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1746
AR 2015/1488
V-N 2015/44.21.25
FutD 2015-2009 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2015/2351 met annotatie van mr. J.D. Schouten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 14/8281

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 mei 2015 in de zaak tussen

[eiser] wonende te [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.H. Pelle),

en

[P] , verweerder.

Procesverloop

Bij beschikking van 22 november 2013 (de beschikking) heeft verweerder eiser aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonbelasting en omzetbelasting die zijn verschuldigd door [BV] (de BV) en de in verband daarmee gevorderde boeten, vervolgingskosten en invorderingsrente.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2015 te Den Haag.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [vertegenwoordigers] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser was gedurende de periode 15 juli 2011 tot en met 20 november 2012 enig bestuurder van de BV. Op 20 november 2012 is de BV failliet verklaard.

2. De beschikking heeft betrekking op de door de BV onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonbelasting over de periode december 2011 tot en met juli 2012 en omzetbelasting over het 4e kwartaal 2011 tot en met het 3e kwartaal 2012. Het totaalbedrag van de aansprakelijkstelling bedraagt € 85.987.

3. Medio september 2012 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen verweerder en de BV over de betalingsproblemen van de BV. Op 25 september 2012 heeft verweerder naar aanleiding daarvan een schuldoverzicht verzonden aan de BV.

4. Verweerder is uitgegaan van een melding betalingsonmacht op 25 september 2012. Bij de uitspraak op bezwaar van 21 juli 2014 heeft verweerder daarom de aansprakelijkstelling voor de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het 3e kwartaal 2012 laten vervallen. Het totaal bedrag van de aansprakelijkstelling is aldus nader vastgesteld op € 67.566.

5. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de aansprakelijkstelling verder moet worden verminderd met de bedragen die betrekking hebben op de boeten, vervolgingskosten en invorderingsrente van in totaal € 6.492.

Geschil
6. In geschil is of eiser terecht en voor het juiste bedrag aansprakelijk is gesteld.

7. Eiser stelt dat reeds in maart 2012 door een administratief medewerkster van de BV de betalingsonmacht is gemeld, maar dat hij daarvan geen bewijsstukken kan overleggen. Er valt hem hieromtrent echter geen verwijt te maken. Verder stelt eiser dat er geen sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Met betrekking tot de hoogte van de aansprakelijkstelling stelt eiser zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het 2e kwartaal 2012 op een te hoog bedrag is vastgesteld.

8. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging dan wel vermindering van de beschikking.

9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen tijdige melding van betalingsonmacht is ontvangen, dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het niet tijdig melden niet aan hem te wijten is en dat eiser als bestuurder terecht aansprakelijk is gesteld. De naheffingsaanslag omzetbelasting voor het 2e kwartaal 2012 is volgens hem niet op een te hoog bedrag vastgesteld.

10. Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en wijziging van de beschikking tot € 61.074.

Beoordeling van het geschil

Melding betalingsonmacht

11. Op grond van artikel 36, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 (Invorderingswet) is ieder van de bestuurders van een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) dat volledig rechtsbevoegd is en aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen, hoofdelijk aansprakelijk voor de door het lichaam verschuldigde loonbelasting en omzetbelasting.

12. Ingevolge het tweede lid van artikel 36 van de Invorderingswet is het in het eerste lid bedoelde lichaam verplicht om onverwijld nadat gebleken is dat het niet tot betaling van loonbelasting en/of omzetbelasting in staat is, daarvan schriftelijk mededeling te doen aan de ontvanger (de mededeling).

13. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 (het Uitvoeringsbesluit), moet de mededeling worden gedaan uiterlijk twee weken na de dag waarop ingevolge artikel 19 van de Awr de verschuldigde belasting behoorde te zijn betaald.

14. Indien het lichaam op juiste wijze aan de meldingsplicht heeft voldaan, is een bestuurder, op grond van het derde lid van artikel 36 van de Invorderingswet, aansprakelijk indien aannemelijk is, dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren, voorafgaande aan het tijdstip van de mededeling.

15. Het vierde lid van artikel 36 van de Invorderingswet bepaalt dat indien het lichaam niet of niet op de juiste wijze aan de meldingsplicht heeft voldaan, een bestuurder op de voet van het derde lid aansprakelijk is, met dien verstande dat wordt vermoed dat de niet betaling aan hem is te wijten en dat de periode van drie jaren wordt geacht in te gaan op het tijdstip waarop het lichaam in gebreke is. Tot de weerligging van dit vermoeden wordt slechts toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet aan hem te wijten is dat het lichaam niet aan zijn in het tweede lid bedoelde meldingsplicht heeft voldaan.

16. Eiser heeft geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat tijdig aan de meldingsplicht is voldaan. Met de enkele stelling dat de administratief medewerkster heeft gezegd tijdig te hebben gemeld, maakt eiser een tijdige melding niet aannemelijk. Op grond van artikel 36, vierde lid van de Invorderingswet wordt dan vermoed dat de niet betaling van de door de BV verschuldigde loonbelasting en omzetbelasting aan eiser als bestuurder van de BV is te wijten. Tot weerlegging van dit vermoeden wordt eiser slechts toegelaten indien hij aannemelijk maakt dat de niet tijdige melding niet aan hem te wijten is. Eiser betoogt in dit verband dat hem niets te verwijten valt, omdat hij er vanuit mocht gaan dat zijn administratief medewerkster, overeenkomstig de aan haar gegeven opdracht, de mededeling tijdig had gedaan. Daarmee maakt eiser echter niet aannemelijk dat het niet tijdig melden van de betalingsonmacht niet aan hem te wijten is. Eiser is als bestuurder immers zelfstandig verantwoordelijk voor de financiële gang van zaken van de BV en dus ook voor de fiscale verplichtingen van de BV. Het beleggen van bepaalde werkzaamheden bij een medewerkster van de BV ontslaat hem niet van die verantwoordelijkheid. De omstandigheid dat eiser, achteraf bezien ten onrechte, heeft vertrouwd op die medewerkster, doet evenmin aan die verantwoordelijkheid af. Daarmee heeft eiser een risico genomen dat voor zijn rekening moet blijven. Het voorgaande heeft tot gevolg dat eiser niet wordt toegelaten tot weerlegging van het wettelijk vermoeden dat het niet betalen van de loonbelasting en omzetbelasting is te wijten aan zijn kennelijk onbehoorlijk bestuur. Aan de beoordeling van hetgeen eiser daarover heeft aangevoerd, komt de rechtbank derhalve niet toe. Eiser is dan ook terecht aansprakelijk gesteld.

Hoogte naheffingsaanslag omzetbelasting 2e kwartaal 2012

17. De BV heeft voor het 2e kwartaal 2012 geen omzetbelasting op aangifte voldaan. De inspecteur heeft daarom met dagtekening 28 augustus 2012 een naheffingsaanslag opgelegd naar een geschat bedrag aan verschuldigde omzetbelasting van € 17.000. Dit bedrag is berekend aan de hand van de aangiften van de BV over de twee voorgaande tijdvakken waarin respectievelijk € 16.491 en € 20.901 aan verschuldigde omzetbelasting is vermeld. Eiser heeft geen feiten gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de inspecteur de verschuldigde belasting aldus op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Het enkele feit dat de BV later in het jaar failliet is verklaard, is daarvoor onvoldoende. Gelet op de eerdere aangiften acht de rechtbank een bedrag van € 17.000 aan verschuldigde omzetbelasting over het 2e kwartaal 2012 voldoende aannemelijk gemaakt. De inspecteur heeft geen rekening gehouden met mogelijk in aftrek te brengen voorbelasting. De bewijslast dat recht bestaat op aftrek van voorbelasting rust op de BV respectievelijk eiser. Eiser heeft daarvoor geen stukken overgelegd. Gezien het voorgaande heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag voor het 2e kwartaal 2012 op een te hoog bedrag is vastgesteld en dat hij aldus voor een te hoog belastingbedrag aansprakelijk is gesteld.

18. Op grond van het onder 5. vermelde nadere standpunt van verweerder dient het beroep gegrond te worden verklaard en moet de beschikking worden verminderd tot
€ 61.074 (€ 67.566 - € 6.492).

Proceskosten

19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert het bedrag van de aansprakelijkstelling tot € 61.074 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 980;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, voorzitter, en mr. E. Kouwenhoven en

mr. A. van Riel, leden, in aanwezigheid van mr. B. van Eeuwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2015.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.