Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:6791

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-06-2015
Datum publicatie
13-07-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 10911
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie 2
Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie 7a
Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie 8
Verdrag inzake de rechten van het kind 3 en 6
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/10911

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 juni 2015 in de zaak tussen

[eisers] te [plaats 1], eisers

(gemachtigde: mr. M.A.V. Hoogerduyn),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigden: mr. S.M. Warneke en mr. A.E. Hertog).

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd toestemming te verlenen voor de door eisers verzochte opneming ter adoptie van [kind] in Nederland.

Bij besluit van 22 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2015. [eisers] is, mede namens [eisers], verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1.

Artikel 2 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka) bepaalt dat de opneming in Nederland van een buitenlands kind met het oog op adoptie uitsluitend is toegestaan, indien van Onze Minister een voorafgaande schriftelijke mededeling is verkregen, dat deze in beginsel voor zodanige opneming toestemming verleent.

1.2.

Artikel 7a, eerste lid, van de Wobka bepaalt dat indien de aspirant-adoptiefouders gebruik wensen te maken van activiteiten van autoriteiten, instellingen of personen in het buitenland, zij hiervan onder overlegging van alle voor deze procedure relevante bescheiden opgave doen aan de vergunninghouder aan wie het rapport is verstrekt. De vergunninghouder onderzoekt deze autoriteiten, instellingen of personen op zuiverheid en zorgvuldigheid van handelen.

Ingevolge het tweede lid, voor zover van belang, brengt de vergunninghouder naar aanleiding van het in het eerste lid bedoelde onderzoek schriftelijk, met redenen omkleed, advies uit aan Onze Minister.

Ingevolge het derde lid, voor zover van belang, besluit Onze Minister na ontvangst van het advies of de doorzending van het rapport en de bemiddeling zullen plaatsvinden. Aan dat besluit kan hij voorwaarden verbinden. De doorzending en de bemiddeling zullen niet plaatsvinden indien aannemelijk is dat de aspirant-adoptiefouders bij de opneming van een buitenlands kind niet zullen handelen in overeenstemming met het bepaalde in artikel 8, onder d en e, of door hun handelen schade zullen toebrengen aan de door de vergunninghouder opgebouwde relaties met instellingen, autoriteiten of personen in het buitenland, dan wel indien er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan de zuiverheid en de zorgvuldigheid van hun handelen.

Ingevolge het vierde lid kunnen aspirant-adoptiefouders indien het in het tweede lid bedoelde advies niet aan Onze Minister is toegezonden binnen acht weken nadat opgave is gedaan van de in het buitenland gelegde contacten, zich tot Onze Minister wenden met het verzoek over de doorzending te beslissen. Het besluit omtrent de doorzending wordt binnen acht weken na de ontvangst van dat verzoek genomen.

1.3.

Artikel 8, aanhef en onder c en e, van de Wobka bepaalt dat, onverminderd het bepaalde bij en krachtens de Vreemdelingenwet 2000, bij de binnenkomst in Nederland van een buitenlands kind met het oog op adoptie aan de voorwaarden dient te worden voldaan: (c) dat door de aspirant-adoptiefouders dient te worden aangegeven, op welke wijze bij de opneming van het buitenlands kind is gebruik gemaakt van de bemiddeling van een vergunninghouder; (e) dat door de aspirant-adoptiefouders op bevredigende wijze door middel van bescheiden dient te worden aangetoond dat de autoriteiten in het land van herkomst instemmen met de opneming, door hen, van het buitenlandse kind.

2.1.

Eisers, beiden met de [nationaliteit] en Nederlandse nationaliteit, zijn in 1999 met elkaar gehuwd te [plaats 2], [land], en verblijven reeds lange tijd in Nederland. Op 24 april 2006 hebben zij van de [nationaliteit] rechtbank te [plaats 2] toestemming gekregen om de verzorging van een minderjarige (hierna: [naam 1]) op zich te nemen. Dit betreft de zogenaamde kafalamaatregel, een in het buitenland genomen kinderbeschermingsmaatregel die voorziet in een gezagsvoorziening naar [geloof] recht. [naam 1] woont sinds 2009 bij eisers in Nederland. Bij beschikking van 26 februari 2014 is de adoptie van [naam 1] door eisers door deze rechtbank uitgesproken.

2.2.

Op 14 maart 2011 hebben eisers toestemming gekregen van verweerder voor de opneming ter adoptie van een tweede buitenlands kind (de zogenoemde beginseltoestemming), welke geldig is tot 15 maart 2015. Eisers zijn er bij die gelegenheid op gewezen dat wanneer zij zelf een contact hebben in het buitenland en zij via dit contact een kind willen adopteren, zij zich (eveneens) dienen te wenden tot een vergunninghouder en dat pas wanneer de Centrale autoriteit in Nederland dit contact heeft goedgekeurd, de vergunninghouder het gezinsrapport beschikbaar kan stellen ten behoeve van de adoptieprocedure in Nederland en daarbij hulp kunnen verlenen.

2.3.

Vervolgens zijn eisers in [land] een procedure gestart waarbij zij op 26 februari 2013 door de [nationaliteit] rechtbank te [plaats 2] zijn belast met de kafala over [kind], geboren 1 januari 2009. De [nationaliteit] rechtbank heeft eisers op 8 maart 2013 toestemming gegeven om met [kind] [land] te verlaten en permanent in Nederland te verblijven.

2.4.

Bij brief van 5 februari 2013 heeft verweerder aan een aantal bij interstatelijke adoptie betrokken (bestuurs)organen, waaronder de vergunninghouders interlandelijke adoptie, meegedeeld dat de behandeling van nieuwe kafalaverzoeken met onmiddellijke ingang wordt opgeschort. Daaraan ten grondslag ligt de ontwikkeling van een uniforme uitvoeringsprocedure voor de afhandeling van verzoeken op grond van een maatregel van kafala in het kader van het Haags Kinderbeschermingsverdrag, alsmede de uitvaardiging van een circulaire in september 2012 door de [nationaliteit] Minister van Justitie waarin is bepaald dat kafala alleen kan worden toegestaan aan aanvragers die hun gewone verblijfplaats in [land] hebben omdat op die manier eenvoudiger kan worden onderzocht en gecontroleerd of de verplichtingen jegens het kind worden nagekomen (hierna: de circulaire).

2.5.

Bij brief van 29 augustus 2013 hebben eisers verweerder verzocht om toestemming te verlenen voor de opneming ter adoptie van [kind] in Nederland. In het primaire besluit heeft verweerder dit verzoek afgewezen. In het bestreden besluit heeft verweerder, naar aanleiding van hetgeen eisers tijdens de hoorzitting in bezwaar naar voren hebben gebracht, bepaald dat het verzoek van eisers dient te worden opgevat als een verzoek om goedkeuring van een eigen contact in het kader van een deelbemiddelingsprocedure op grond van artikel 7a, vierde lid, van de Wobka. Verweerder heeft dit verzoek in het bestreden besluit (wederom) afgewezen.

3. Aan de afwijzing ligt ten grondslag dat eisers geen gebruik hebben gemaakt van de verplichte bemiddeling door een vergunninghouder. Zij hebben verweerder pas nadat de kafalaprocedure in [land] was afgerond om toestemming verzocht voor gebruikmaking van hun deelbemiddelingscontact. Deze handelswijze is in strijd met hetgeen is bepaald in de artikelen 7a en 8, aanhef en onder c, van de Wobka. Voorts blijkt uit de circulaire, uit de betekenis daarvan voor interstatelijke adopties vanuit [land] zoals is gebleken uit een gesprek op 17 juli 2013 tussen medewerkers van verweerder en vertegenwoordigers van de [nationaliteit] ambassade, en uit een door eisers overgelegde brief van het [nationaliteit] Ministerie van Justitie en Vrijheden dat eisers op basis van de uitspraken van de [nationaliteit] rechter slechts de voogdij over [kind] hebben verkregen en toestemming om permanent met haar in Nederland te verblijven. Uit de [nationaliteit] familiewet en de eerder genoemde brief blijkt dat de [nationaliteit] autoriteiten niet instemmen met de overbrenging van [kind] op basis van een kafalamaatregel naar Nederland met het oog op een sterke adoptie. Dit betekent dat niet voldaan kan worden aan de voorwaarde dat aspirant-adoptiefouders bij binnenkomst van een buitenlands kind in Nederland niet kunnen aantonen dat de autoriteiten in het land van herkomst instemmen met de opneming ter adoptie van het kind in Nederland (artikel 8, aanhef en onder e, van de Wobka). Dit staat blijkens artikel 7a, derde lid, van de Wobka in de weg aan toewijzing van het deelbemiddelingsverzoek van eisers. Artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) noch artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) kunnen tot een andere uitkomst leiden.

4. Eisers voeren in beroep aan dat verweerder de [nationaliteit] wetgeving veel strikter en beperkter uitlegt dan de [nationaliteit] overheid zelf wenst. Voor het [nationaliteit] recht is een geldige kafalaprocedure doorlopen zodat [kind] toebehoort aan eisers. De buitenlandse adoptie van [kind] door eisers voor de [nationaliteit] overheid blijft geldig nu deze is afgerond vóór het instellen van de nieuwe regels betreffende kafala. Voorts hebben eisers contact gehad met de Vereniging Wereldkinderen, de enige toegelaten bemiddelingsinstantie, die heeft aangegeven niet werkzaam te zijn in [land]. Zodoende hebben eisers binnen [land] zelf rechtshulp gezocht. Eisers stellen voorts volledig overvallen te zijn door de afwijzing van hun verzoek door verweerder nu de [nationaliteit] procedure reeds was afgerond op 26 februari 2013. Eisers hadden mogen vertrouwen op de voorlopig gegeven toestemming die ten onrechte twee jaar later is ingetrokken. Voorts stellen eisers zich op het standpunt dat uit de artikelen 3 en 6, tweede lid, van het IVRK en artikel 8 EVRM en daarop gebaseerde jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt, dat het belang van [kind] voorop dient te staan en dat andere belangen terzijde moeten worden geschoven. Het is in [kind]’s beste belang dat zij opgroeit bij haar ouders in Nederland en niet, zoals momenteel het geval is, bij familieleden van eisers in [land] waar zij slechts wordt gedoogd. Het aan eisers gemaakte verwijt dat de adoptie niet begeleid is volgens de bepalingen van de Wobka mag niet aan [kind] worden tegengeworpen. Met de afwijzende beslissing heeft verweerder voorts het recht van eisers en [kind] op family life geschonden terwijl eisers door de Raad voor de Kinderbescherming zijn goedgekeurd als adoptiefouders. Gelet op één en ander is het ontzeggen van toestemming van de adoptie van [kind] volgens eisers een te zwaar middel.

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

7. In geschil is of verweerder het verzoek van eisers om goedkeuring van een eigen contact in het kader van een deelbemiddelingsprocedure, terecht heeft geweigerd. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Het volgende is daartoe redengevend.

8. Uit het dossier en hetgeen partijen daarover ter zitting hebben toegelicht, leidt de rechtbank het volgende af.

Kafala wordt beschouwd als een in het buitenland genomen kinderbeschermingsmaatregel die voorziet in een gezagsvoorziening naar Islamitisch recht. Het lijkt daarmee het meest op een vorm van voogdij, omdat de familierechtelijke banden tussen de oorspronkelijke ouders en het kind niet mogen worden verbroken zoals dat bij (interlandelijke) adoptie gebeurt. Om de rechten van de geadopteerde kinderen het meest te waarborgen bevordert Nederland sterke adopties (adopties waarbij familiebanden worden doorbroken). In het verleden werden kafalaverzoeken zowel behandeld via de procedure van interlandelijke adoptie als via het familiepleegkinderenbeleid bij de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND).

In de afgelopen jaren is zowel nationaal als internationaal meer bekend geworden over kafala. Dit inzicht alsmede de uitvaardiging van de circulaire in september 2012, waardoor duidelijk werd dat kafala alleen kan worden toegestaan aan aanvragers die hun gewone verblijfsplaats in [land] hebben, zijn voor verweerder aanleiding geweest om in contact te treden met de [nationaliteit] autoriteiten. Op 17 juli 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen medewerkers van het ministerie van Veiligheid en Justitie en een vertegenwoordiger van de [nationaliteit] ambassade. Daaruit is gebleken dat [land] interlandelijke adoptie van [nationaliteit] kinderen niet toestaat. Dit is terug te voeren op artikel 149 van de [nationaliteit] familiewet waarin is bepaald dat een adoptie nietig is en daaruit geen rechtsgevolgen van wettige verwantschap voortvloeien.

Deze ontwikkelingen hebben geleid tot de brief van 5 februari 2013 (zie onder 2.4.) waarbij verweerder kenbaar heeft gemaakt aan betrokken instanties dat de behandeling van nieuwe kafalaverzoeken met onmiddellijke ingang wordt opgeschort.

9. Nu [land] interlandelijke adoptie van [nationaliteit] kinderen niet toestaat, heeft verweerder het verzoek van eisers terecht afgewezen. Immers is niet voldaan aan het vereiste van artikel 8, aanhef en onder e, van de Wobka dat bij de binnenkomst in Nederland van een buitenlands kind met het oog op adoptie aan de voorwaarde dient te worden voldaan dat door de aspirant-adoptiefouders op bevredigende wijze door middel van bescheiden dient te worden aangetoond dat de autoriteiten in het land van herkomst instemmen met de opneming, door hen, van het buitenlandse kind.

10. Dat eisers in 2013, nadat zij in 2011 de vereiste beginseltoestemming van verweerder hadden ontvangen, zelfstandig hebben bewerkstelligd in [land] dat de kafalamaatregel ten aanzien van [kind] werd uitgesproken en dat zij toestemming verkregen om met [kind] [land] te verlaten en permanent in Nederland te verblijven, maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank is van oordeel dat uit de onder 2.3. genoemde [nationaliteit] uitspraak, waarin overigens staat vermeld dat eisers tijdens de kafalaprocedure woonachtig waren in [land], onvoldoende blijkt dat de [nationaliteit] autoriteiten op de hoogte waren van het beoogde doel van eisers om [kind] ter adoptie op te nemen. Hetzelfde geldt met betrekking tot de door eisers naar aanleiding van de hoorzitting in bezwaar overgelegde verklaring van H. [naam 2], een ambtenaar van het [nationaliteit] ministerie van Justitie (hierna: [naam 2]), van augustus 2014. In die verklaring onderstreept [naam 2] nog eens dat kafala de zorg voor een verlaten kind inhoudt maar geen familierechtelijke banden schept. Verder verklaart [naam 2] dat eisers gelet op de in [land] verkregen uitspraken het recht hebben om [kind] permanent naar Nederland te halen om haar hier te laten leven. De rechtbank is van oordeel dat ook uit deze verklaring onvoldoende blijkt dat [naam 2] op de hoogte was van de omstandigheid dat eisers [kind] naar Nederland wilden halen met het doel haar te adopteren.

11. Voorts is gebleken dat eisers de in de Wobka voorgeschreven procedure van bemiddeling door een vergunninghouder en goedkeuring door verweerder van het buitenlandse contact, niet hebben gevolgd alvorens zij de kafalaprocedure in [land] zijn begonnen. Verweerder heeft deze omstandigheid terecht mede aan zijn besluit tot afwijzing van het verzoek van eisers ten grondslag gelegd. Dat eisers begin 2013 van de Vereniging Wereldkinderen, vergunninghouder voor onder meer [land], te horen hebben gekregen dat niet meer wordt bemiddeld ten aanzien van aanvragen voor interlandelijke adoptie van [nationaliteit] kinderen, maakt het voorgaande niet anders. Het had op de weg van eisers gelegen om op dat moment navraag te doen bij verweerder hoe verder te handelen in plaats van zelfstandig de kafalaprocedure in [land] buiten een vergunninghouder om voort te zetten. Hadden eisers op dat moment navraag gedaan bij verweerder, dan is aannemelijk dat hen zou zijn meegedeeld dat de behandeling van nieuwe kafalaverzoeken was opgeschort. Overigens is de rechtbank niet gebleken dat de beginseltoestemming op enig moment door verweerder is ingetrokken, zoals eisers hebben gesteld.

12. In de omstandigheid dat eisers ook in de procedure voor de verkrijging van een kafala over [kind] geen gebruik hebben gemaakt van de bemiddeling door een vergunninghouder en verweerder eerst na verkrijging van een kafala-uitspraak van de [nationaliteit] rechter om goedkeuring van hun deelbemiddelingscontact hebben verzocht, welke goedkeuring is gegeven, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat verweerder in het onderhavige geval overeenkomstig had dienen te handelen. Daartoe is van belang dat verweerder erop heeft gewezen dat tot medio 2009 het beleid werd gehanteerd dat aspirant-adoptiefouders die reeds in het bezit waren van een buitenlandse adoptie- of kafala-uitspraak en bij die procedure geen gebruik hadden gemaakt van de bemiddeling van een vergunninghouder, verweerder alsnog achteraf om goedkeuring konden vragen. Dit beleid week echter af van de procedure zoals voorgeschreven in de Wobka en het Protocol inzake onderzoek naar buitenlandse contacten en deelbemiddeling bij interlandelijke adoptie, zodat het beleid is komen te vervallen. Verweerder was naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden om dit beleid, dat ten tijde van het verzoek van eisers niet meer gold, toe te passen op het verzoek van eisers.

13. Verder overweegt de rechtbank het volgende met betrekking tot het beroep van eisers op artikel 8 van het EVRM.

Ingevolge jurisprudentie van het EHRM (zie EHRM 16 december 2014, application no. 52265/10, r.o. 78-80 (Chbihi Loudoudi en anderen tegen België)) betekent de omstandigheid dat een kafalamaatregel is uitgesproken niet automatisch dat sprake is van gezins- of familieleven dat wordt beschermd door artikel 8 EVRM. Daarvoor moet op basis van de feitelijke situatie worden aangetoond dat sprake is van nauwe persoonlijke banden. De door eisers genoemde EHRM-uitspraken (EHRM 28 juni 2011, application no. 55597/09 (Nunez tegen Noorwegen) en EHRM 6 juli 2010, application no. 41615/07 (Neulinger en Shuruk tegen Zwitserland)) zien op de situatie dat sprake was van gezins- of familieleven dat automatisch wordt beschermd door artikel 8 van het EVRM, namelijk de band tussen biologische ouders en hun minderjarige kinderen. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.

De rechtbank is van oordeel dat, gezien de geschetste omstandigheden, verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat tussen eisers en [kind] geen familie-of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tot stand is gekomen. Daartoe is redengevend dat niet in geschil is dat [kind] nooit in het gezin van eisers heeft gewoond. Het enkele feit dat eisers [kind] financieel ondersteunen, dagelijks telefonisch contact met haar onderhouden en gedurende vakantieperiodes voor haar zorgen, maakt dit oordeel niet anders.

14. Met betrekking tot het beroep van eisers op artikel 3 van het IVRK overweegt de rechtbank het volgende.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (onder meer bij uitspraken van 7 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV3716 en 23 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX6235) heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt, dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het eerste lid van artikel 3 van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient door de bestuursrechter in dit verband te worden getoetst, of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter.

De rechtbank is van oordeel dat voldoende is gebleken dat verweerder de belangen van [kind] bij zijn oordeelsvorming heeft betrokken en zich voldoende rekenschap heeft gegeven van die belangen. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank onder verwijzing naar artikel 21 van het IVRK in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van het kind gediend is bij een zorgvuldige adoptieprocedure en niet bij het toestaan van een interlandelijke adoptie waarbij niet is voldaan aan de in de Wobka gestelde eisen.

15. Ten overvloede overweegt de rechtbank tot slot nog het volgende.

Verweerder heeft er in het bestreden besluit op gewezen dat de procedure van een internationale pleegzorgplaatsing conform het Haags Kinderbeschermingsverdrag wellicht een mogelijkheid biedt voor eisers om [kind] in Nederland als pleegkind op te nemen. Eiseres heeft ter zitting aangegeven met een pleegzorgconstructie ook geholpen te zijn.

Ter zitting is namens verweerder toegelicht dat [kind] pas op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag als pleegkind in Nederland kan worden opgenomen als er een schriftelijk verzoek daartoe van het [nationaliteit] ministerie van Justitie is ontvangen en verweerder met dat verzoek kan instemmen. Verweerder heeft daartoe gewezen op het bepaalde in artikel 33 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag. Een dergelijk verzoek is in onderhavig geval niet ontvangen. Volgens verweerder kan in de verklaring van [naam 2] van augustus 2014 (zie onder 10) niet een dergelijk verzoek worden gelezen omdat er niet expliciet aan artikel 33 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag is gerefereerd. Wel heeft verweerder [naam 2] naar aanleiding van zijn verklaring bij brief van 17 december 2014 verzocht aan te geven of die verklaring kan worden opgevat als een verzoek op grond van artikel 33 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag. Daarop was ten tijde van de zitting nog geen reactie ontvangen.

De rechtbank geeft verweerder in overweging om, gelet op het belang van [kind], de verklaring van [naam 2] van augustus 2014 op te vatten als een verzoek om een internationale pleegzorgplaatsing van [kind] in Nederland zoals bedoeld in artikel 33 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag. Uit de verklaring blijkt naar het oordeel van de rechtbank ondubbelzinnig dat [naam 2] ermee instemt dat eisers de zorg over [kind] in Nederland op zich nemen.

16. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 8 tot en met 14 is overwogen, is het beroep ongegrond.

17. Voor de proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, voorzitter, en mr. E.I. Batelaan-Boomsma en mr. J. Ghrib, leden, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2015.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.