Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:6688

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-06-2015
Datum publicatie
11-06-2015
Zaaknummer
09/842004-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schudden van zeer jonge baby bewezenverklaard, poging doodslag, gelet op de aard van het letsel (klassieke triade: subdurale bloedingen, retinabloedingen en encefalopathie). Verdediging heeft als verweer alternatieve oorzaken aangedragen (op basis van rapport Koetsier), de rechtbank heeft nader onderzoek laten verrichten naar die alternatieve oorzaken door deskundige NFI, de rechtbank heeft het verweer verworpen. Baby heeft ernstige hersenschade opgelopen. Vrijspraak voor schudden broertje een aantal jaar ervoor, die destijds ook ernstig hersenletsel heeft opgelopen, omdat betrokkenheid van de vader daar niet bewezen kon worden, geen uitspraak over de al dan niet non-accidentele toedracht van het letsel. Gevangenisstraf van 24 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/842004-13

Datum uitspraak: 11 juni 2014

Tegenspraak

(Promis vonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1974 te [geboorteplaats]

BRP-adres: [adres] te[woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 7 november 2014, 5 maart 2015 en 21 mei 2015. Op 4 juni 2015 werd het onderzoek gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. Mol en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. S. van der Eijk, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in de periode van 1 november 2012 tot en met 28 november 2012 te

's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk een persoon te weten, zijn, verdachtes, zoon [kind 1]

(geboren op[geboortedatum kind 1] 2012) van het leven te beroven, opzettelijk

heeft beetgepakt en/of beetgehouden en/of (vervolgens) (met kracht) heen en

weer heeft geschud en/of met kracht tegen een hard voorwerp heeft geslagen

en/of geduwd en/of gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in de periode van 1 november 2012 tot en met 28 november 2012 te

's-Gravenhage aan een persoon te weten zijn, verdachtes, zoon, [kind 1]

, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (ernstig hersenletsel en/of

bloedingen in het/een oog en/of fracturen in de armen en/of benen en/of het

sleutelbeen), heeft toegebracht, door opzettelijk die [kind 1] beet te pakken

en/of beet te houden en/of (vervolgens) (met kracht) heen en weer te schudden

en/of met kracht tegen een hard voorwerp te slaan en/of duwen en/of gooien

2.

hij in de periode van 18 december 2008 tot en met 01 april 2009 te

's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk een persoon te weten, zijn, verdachtes, zoon [kind 2]

(geboren op [geboortedatum kind 2]2008) van het leven te beroven, opzettelijk

heeft beetgepakt en/of beetgehouden en/of (vervolgens) (met kracht) heen en

weer heeft geschud en/of met kracht tegen een hard voorwerp heeft geslagen

en/of geduwd en/of gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in de periode van 1 januari 2009 tot en met 1 april 2009 te 's-Gravenhage

aan een persoon te weten zijn, verdachtes, zoon [kind 2]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (ernstig hersenletsel), heeft

toegebracht, door opzettelijk die [kind 2] beet te pakken en/of beet te houden

en/of (vervolgens) (met kracht) heen en weer te schudden en/of met kracht

tegen een hard voorwerp te slaan en/of duwen en/of gooien.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De verdachte in deze strafzaak is de vader van [kind 2](geboren op [geboortedatum kind 2]2008) en [kind 1] (geboren op [geboortedatum kind 1] 2012). Zowel [kind 2] als [kind 1] zijn enkele weken na hun geboorte ernstig gehandicapt geraakt door (complicaties bij) bloedingen in hun hoofd. Dit letsel heeft het ziekenhuis in beide gevallen aanleiding gegeven om een melding van een vermoeden van kindermishandeling te doen bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK). In het geval van [kind 2] was dat in 2009 en van [kind 1] in 2012. De melding over [kind 2] heeft destijds uiteindelijk niet geleid tot een aangifte bij de politie. De melding over [kind 1] heeft wel geleid tot een aangifte bij de politie en toen is ook de zaak van [kind 2] er alsnog bij betrokken.

3.2

Ten aanzien van [kind 2]

In deze strafzaak zijn twee hoofdvragen van belang. De eerste is de vraag of het bij [kind 2]geconstateerde letsel is ontstaan door een niet-accidenteel trauma (toegebracht letsel). Letsels kunnen zijn ontstaan door lichamelijke oorzaken of door een trauma. Een trauma kan op zijn beurt weer zijn voortgekomen uit een accidenteel trauma (bijvoorbeeld een val of een ongeluk) of uit niet-accidenteel trauma (bijvoorbeeld het schudden van het kind of het stompen tegen het hoofd van het kind). In dat laatste geval spreekt men in normaal spraakgebruik van kindermishandeling. Als de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, is de tweede vraag wie dat niet-accidentele trauma heeft veroorzaakt.

De deskundige, R.A.C. Bilo forensisch arts KNMG, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, heeft in opdracht van de rechter-commissaris in deze zaak gerapporteerd. Hij komt tot de conclusie dat lichamelijke aandoeningen en een geboortetrauma als oorzaak voor het letsel van [kind 2]kunnen worden uitgesloten, waardoor de conclusie resteert dat het letsel moeten zijn veroorzaakt door een trauma na de geboorte. De deskundige heeft ook geconcludeerd dat de combinatie van bevindingen en verklaringen zeer veel waarschijnlijker is bij een niet-accidenteel trauma (toegebracht letsel) dan bij een accidenteel trauma (val of ongeval).

De officier van justitie heeft de vader gedagvaard voor het toebrengen van het letsel bij [kind 2]. De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 21 mei 2015 echter gerekwireerd tot vrijspraak van dit feit. Volgens de officier van justitie kan de vraag of er bij [kind 2] sprake is van toegebracht (niet-accidenteel trauma) weliswaar bevestigend beantwoord worden, maar strandt de zaak op de tweede vraag omdat niet (meer) kan worden vastgesteld wat het laatste moment van normaal functioneren van [kind 2]is geweest.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit, omdat volgens haar niet kan worden vastgesteld dat het geconstateerde letsel is ontstaan door een niet-accidenteel trauma. Andere oorzaken van het letsel kunnen volgens de verdediging niet worden uitgesloten.

De rechtbank overweegt dat, afgaand op de rapportage van de deskundige Bilo, er een aantal sterke aanwijzingen is dat het letsel is toegebracht. De rechtbank is echter net als de officier van justitie van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat dit letsel door verdachte is toegebracht. Dit betekent dat de rechtbank tot geen ander oordeel kan komen dan verdachte op dat punt vrij te spreken. De rechtbank zal om die reden de eerste (bewijs)vraag verder onbesproken laten.

3.3

Ten aanzien van [kind 1] 1

3.3.1

Medische gang van zaken (en geconstateerde letsels)

Op 28 november 2012 werd [kind 1] door zijn moeder en oma naar het Juliana Kinderziekenhuis in Den Haag gebracht. Om 20.10 uur werd [kind 1] gezien op de spoedeisende hulp.2 Hij was toen 27 dagen oud. De reden van de komst werd door de spoedeisende hulp omschreven als trauma capitis (“hoofdtrauma, val op gelaat uit armen van vader, omdat vader struikelde”). Bij lichamelijk onderzoek op de spoedeisende hulp werd een rustige, alerte baby gezien. Er waren geen aanwijzingen gezien voor neurologische problematiek. [kind 1] werd opgenomen voor een klinisch wekadvies en voor observatie van het trauma capitis. Tijdens de klinische controles om het uur werden geen bijzonderheden waargenomen, behalve dat [kind 1] bleek was en matig dronk.3

De volgende ochtend, op 29 november 2012 om 9.15 uur, werd [kind 1] onderzocht door de kinderneuroloog van het Juliana Kinderziekenhuis. Deze kinderneuroloog zag een apathisch, bleek kind met een soepele fontanel en enige hypotonie (verlaagde spierspanning, met andere woorden: iets slap). Er werd besloten een echo van het hoofd te maken. Hierop werd een beeld gezien passend bij subduraal bloed. Vanwege deze bevindingen werd besloten verder onderzoek te doen in de vorm van een CT-scan van het hoofd. Hierop werd een subdurale bloeding gezien.4 Na dit onderzoek ontwikkelde [kind 1] perioden met versnelde hartactie, verlies van spierspanning en verminderde ademhalingsfrequentie met wisselende zuurstofverzadiging in het bloed. Om 12.20 uur werd vanwege deze symptomen een kinderarts ingeschakeld. Er werd gestart met anti-epileptische medicatie en de ademhaling werd ondersteund met masker en ballon. De anti-epileptische medicatie bleek niet effectief. Uiteindelijk werd besloten om een buis in de luchtpijp van [kind 1] aan te brengen ten behoeve van de beademing(sapparatuur). Er bleek volgens het Juliana Kinderziekenhuis sprake van een posttraumatische status epilepticus5, die niet tot zeer matig leek te reageren op medicatie. Om die reden werd besloten om [kind 1] over te plaatsen naar het Sophia Kinderziekenhuis, dat onderdeel is van het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam.

Bij lichamelijk onderzoek bij opname in het Sophia Kinderziekenhuis op 29 november 2012 werd een zuigeling gezien die smakte, bleek was, niet wekbaar was, maar wel reageerde op onderzoek. Ook had [kind 1] ademhalingsondersteuning. Ook in het Sophia Kinderziekenhuis bleek dat, ondanks een ophoging van de dosering, de medicatie nauwelijks een effect had op de epilepsie. [kind 1] reageerde nauwelijks; op 2 en 3 december 2012 bleek hij in een diepe coma en op 4 december 2012 was het EEG bijna vlak (wijzend op nauwelijks waarneembare elektrische activiteit in de hersenen) en werden geen duidelijke epileptische aanvallen geregistreerd.

Een radioloog van Sophia Kinderziekenhuis heeft de CT-scan van het hoofd, die op 29 november 2012 door het Juliana Kinderziekenhuis is gemaakt, opnieuw beoordeeld. Deze radioloog onderschrijft de verslaglegging van de bevindingen in het Juliana Kinderziekenhuis. Op 4 december 2012 werd bij echo-onderzoek van het hoofd een subdurale vochtophoping gezien met aanwijzingen voor ischemie (zuurstoftekort) van de cortex (hersenschors). Op de MRI van het hoofd van 6 december 2012 werden aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van subarachnoïdaal bloed en beschadiging door zuurstoftekort aan het (supratentoriële) hersenweefsel.

Op 29 november 2012 werd [kind 1] door een oogarts van Sophia Kinderziekenhuis gezien. Deze oogarts zag geen afwijkingen in het rechteroog. In het linkeroog werden veel bloedingen over het netvlies (ook over de papilla heen) gezien.6

Op 30 november 2012 heeft het Sophia Kinderziekenhuis een melding aan het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) gedaan.7

Op 11 december 2012 werd [kind 1] weer teruggeplaatst naar het Juliana Kinderziekenhuis.

In het Juliana Kinderziekenhuis werd op 12 december 2012 een skeletstatus (röntgenopnamen van het gehele skelet) gemaakt. Bij deze opnamen werd een aantal fracturen benoemd.8

Op 24 december 2012 werd in het Juliana Kinderziekenhuis een CT-scan gemaakt. Hierop werd een vrijwel volledige atrofie c.q. destructie van het hersenparenchym (verdwijning van hersenweefsel) gezien. In de brief aan de huisarts schreef de kinderarts van het Juliana Kinderziekenhuis dat bij [kind 1] sprake is van een zeer ernstige ischemie van beide hersenhelften, passend bij asfyctische encephalopathie (hersenbeschadiging op basis van zuurstofgebrek).9 In de brief aan de indicatie-adviseur d.d. 2 januari 2013 schreef de kinderarts van het Juliana Kinderziekenhuis dat op de CT-scan een beeld zichtbaar is van vrijwel volledige destructie van de hersenen en nauwelijks enig hersenweefsel resteert10.

Op 31 december 2012 werd door het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) aangifte gedaan bij de politie.11

3.3.2

De verklaring van verdachte

De verdachte heeft verklaard dat hij in de middag van 28 november 2012 samen met [kind 1] en [kind 2] thuis was. Zijn vrouw had die middag hun dochter [kind 3] naar het Sinterklaasfeest op school gebracht en gehaald en hun dochter [kind 4] naar de dansschool. 12 Zij was tussen het brengen en halen thuis geweest.13 De verdachte heeft verklaard dat hij [kind 1] een flesje heeft gegeven en dat [kind 1] dat flesje snel had opgedronken. Daarna heeft de verdachte wat melk bijgemaakt en gegeven omdat [kind 1] meer trek had.14 Na het flesje heeft [kind 1] geslapen tot aan het verschonen.15

Aan het einde van de middag, toen zijn vrouw hun dochter ging ophalen van de dansschool, was verdachte alleen met [kind 1] en [kind 2] thuis en is hij gevallen met [kind 1].16 Over de val heeft verdachte verklaard dat hij met [kind 1] op zijn schouder is opgestaan om zijn luier te verschonen, dat hij in een slaapzak stapte en naar voren viel, dat hij tijdens de val [kind 1] vast had bij zijn hoofd en zijn billen en dat hij tijdens de val op zijn zij is gedraaid en op zijn arm is gevallen.17 De verdachte heeft verklaard dat hij na de val heeft geprobeerd om [kind 1] de fles te geven, maar dat dat matig ging.18 [kind 1] was met zijn fles aan het kwakkelen; hij dronk een slokje en begon dan weer te huilen.19 Vervolgens was zijn vrouw thuisgekomen, rond kwart voor zeven,20 en heeft zij geprobeerd om [kind 1] de fles te geven.21 Pas na een tijdje heeft de verdachte haar durven vertellen dat hij met [kind 1] was gevallen.22 Zijn vrouw en schoonmoeder zijn vervolgens met [kind 1] naar het ziekenhuis gegaan.23

3.3.3

Zijn de letsels bij [kind 1] ontstaan als gevolg van niet-accidenteel trauma?

3.3.3.1 Inleiding en standpunten

In deze strafzaak zijn naar het oordeel van de rechtbank vier van de hierboven benoemde letsels van belang. Het gaat om de subdurale bloedingen in het hoofd, de hersenbeschadiging op basis van zuurstofgebrek (de encefalopathie), de metafysaire hoekfracturen en de bloedingen op het netvlies (retinabloedingen). De rechtbank zal eerst deze letsels afzonderlijk nader duiden om zich vervolgens uit te laten over de mogelijke oorzaak van dat letsel.

Letsels kunnen zijn ontstaan door lichamelijke oorzaken of door een trauma. Een trauma kan op zijn beurt weer zijn voortgekomen uit een accidenteel trauma (bijvoorbeeld een val of een ongeluk) of uit niet-accidenteel trauma (bijvoorbeeld het schudden van het kind of het stompen tegen het hoofd). In dat laatste geval spreekt men in normaal spraakgebruik van kindermishandeling.

De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of de bij [kind 1] vastgestelde letsels afzonderlijk, of in hun onderlinge samenhang, zijn veroorzaakt door een niet-accidenteel trauma.

De deskundige, R.A.C. Bilo, forensisch arts KNMG, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, heeft in opdracht van de rechter-commissaris in deze zaak gerapporteerd. Hij komt ten aanzien van ieder letsel afzonderlijk tot de conclusie dat lichamelijke aandoeningen en een geboortetrauma als oorzaak kunnen worden uitgesloten, waardoor de conclusie resteert dat deze letsels moeten zijn veroorzaakt door een trauma na de geboorte. De deskundige heeft ook geconcludeerd dat de combinatie van bevindingen bij [kind 1] zeer veel waarschijnlijker is veroorzaakt door een niet-accidenteel trauma dan door een accidenteel trauma.

De verdediging heeft gesteld dat een genetische oorzaak of het gebruik van het antidepressivum paroxetine door de moeder tijdens de zwangerschap als oorzaak niet kunnen worden uitgesloten. De verdediging heeft zich daarbij beroepen op het rapport dat is opgesteld door J.T.H. Koetsier, arts.

De verdediging heeft voorts betoogd dat het ontbreken van acute klinische verschijnselen bij [kind 1] op de spoedeisende hulp en gedurende de eerste nacht in het ziekenhuis moet leiden tot de conclusie dat er geen sprake kan zijn van een niet-accidenteel trauma.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat – kort gezegd – de deskundige Bilo in zijn conclusie kan worden gevolgd.

3.3.3.2 Kan het letsel zijn veroorzaakt door andere oorzaken dan (niet-)accidenteel trauma?

De verdediging heeft bij pleidooi gesteld dat er alternatieve oorzaken voor het letsel van [kind 1] zijn. De verdediging heeft zich daarbij beroepen op een rapport van de heer Koetsier. De rechtbank heeft ter terechtzitting van 21 mei 2015 de deskundigheid van de heer Koetsier getoetst. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat de heer Koetsier terzake van de vragen die in deze zaak dienen te worden beantwoord niet als deskundige kan worden aangemerkt en heeft het verzoek om hem als deskundige te horen afgewezen. Dit neemt niet weg dat de rechtbank een aantal van de door de heer Koetsier aangedragen alternatieve oorzaken (anders dan een niet-accidenteel trauma) zal toetsen, aangezien de verdediging deze aan haar verweer ten grondslag heeft gelegd. Het betreft het gebruik van het geneesmiddel paroxetine tijdens de zwangerschap door de moeder van [kind 1], alsmede een mogelijke genetische oorzaak.

Er is op verzoek van de rechtbank door deskundige Bilo onderzoek verricht naar deze twee mogelijke oorzaken. Bilo heeft uitgebreid gereageerd op het rapport van de heer Koetsier en de door hem aangedragen alternatieve oorzaken. Bilo is tot de conclusie gekomen dat tijdelijke trombocytopenie en leverfunctiestoornissen (als bijwerking van paroxetine) kunnen worden uitgesloten op basis van de bloeduitslagen van [kind 1], waarbij niet is gebleken van een tekort aan bloedplaatjes of van serumspiegels van de leverenzymen die hebben geleid tot een vermoeden van leverbeschadiging. Ook persistent pulmonary hypertension of the newborn, (PPHN) (als bijwerking van paroxetine) kan volgens Bilo worden uitgesloten als mogelijke oorzaak van de letsels van [kind 1], omdat het een ziektebeeld betreft dat direct na de geboorte klinische verschijnselen geeft en er geen enkele steun in de medische wetenschap te vinden is voor de stelling dat verschijnselen van PPHN pas weken na de geboorte optreden. Wat betreft een mogelijk genetische oorzaak heeft de deskundige Bilo zijn eerder conclusie bevestigd dat er, ondanks uitgebreid onderzoek, geen aanwijzingen zijn gevonden voor de mogelijke aanwezigheid van een genetische oorzaak met klinische relevantie voor wat betreft het ontstaan van de combinatie van bevindingen bij [kind 1].

Hiermee zijn naar het oordeel van de rechtbank alternatieve oorzaken voor het letsel van [kind 1] uitgesloten. De rechtbank concludeert dat het letsel van [kind 1] veroorzaakt is door een (niet-) accidenteel trauma.

3.3.3.3 Kan het letsel zijn veroorzaakt door een val?

De verdediging heeft gesteld dat de val misschien geen verklaring biedt voor het geheel van letsels, maar wel voor een deel ervan. Het deel van het letsel dat niet het gevolg kan zijn van een val kan volgens de verdediging veroorzaakt zijn door een genetische afwijking.

De rechtbank heeft de deskundige Bilo schriftelijk een aanvullende vraag gesteld naar de val als mogelijke oorzaak van het letsel van [kind 1]. De deskundige Bilo heeft in zijn schriftelijke antwoord op die vraag gesteld dat kinderen onder de leeftijd van zes maanden met enige regelmaat vallen en dat er op basis van de literatuur kan worden gesteld dat er zelden tot nooit sprake is van ernstige intracraniële bloedingen of levensbedreigend letsel na een ongecompliceerde val op het hoofd van relatief beperkte hoogte (<1 à 1,5 meter).

Ter terechtzitting heeft de rechtbank de deskundige gevraagd of zijn conclusie anders zou luiden als wordt uitgegaan van het scenario dat de vader [kind 1] is blijven vasthouden tijdens zijn val (zoals de vader heeft verklaard op de terechtzitting van 7 november 2014). In antwoord hierop heeft de deskundige het volgende verklaard. Contacttrauma ontstaat uit de overdracht van energie. Dat is te berekenen door de helft van de massa keer de snelheid in het kwadraat. Hoe hoger de snelheid, hoe groter de kans op schade. De snelheid is lager als de vader [kind 1] is blijven vasthouden, omdat daardoor de val is gebroken. Daarmee verandert de conclusie in die zin dat in dit scenario de kans op schade nog minder groot is.

Met de officier van justitie acht de rechtbank hiermee niet aannemelijk geworden dat het letsel van [kind 1] is veroorzaakt door de val met de vader.

3.3.3.4 Past het uitblijven van directe (ernstige) klinische verschijnselen bij de conclusie

dat er een niet-accidenteel trauma ten grondslag ligt aan het letsel?

De verdediging heeft gesteld dat de klinische verschijnselen van een neurotrauma onmiddellijk na het ontstaan van het letsel optreden, ongeacht de aard en context van het trauma. Nu acute klinische verschijnselen bij [kind 1] bij opname op de spoedeisende hulp van het Juliana Kinderziekenhuis en gedurende de eerste nacht in het ziekenhuis ontbraken, moet worden geconcludeerd dat er geen sprake kan zijn van een niet-accidenteel trauma

De rechtbank heeft de deskundige Bilo schriftelijk aanvullende vragen gesteld naar aanleiding van het in eerste instantie uitblijven van ernstige klinische verschijnselen. In antwoord daarop heeft de deskundige Bilo beschreven24 dat er volgens Minns (2004) vier verschijningsvormen onderscheiden kunnen worden bij toegebracht (schedel)hersenletsel met verschillende klinische verschijnselen.

Naar aanleiding van de vraag van de verdediging of er nadien in de medische literatuur over deze vier verschijningsvormen is geschreven, heeft de deskundige geantwoord dat er onder deskundigen consensus bestaat over deze verschijningsvormen bij toegebracht hersenletsel.

De vier verschijningsvormen vallen uiteen in een hyperacuut type, een acuut type, een subacuut type en een chronisch type. Bilo heeft ter terechtzitting verklaard dat de (ernstige) klinische verschijnselen zich bij de eerste twee typen direct aansluitend op het trauma voordoen, waarbij er bij het eerste type een slechte overlevingskans is en bij het tweede sprake van ernstige restverschijnselen. Bij de derde verschijningsvorm is er wel sprake van een trauma, maar ontstaan er direct na het trauma geen opvallende klinische verschijnselen. De prognose bij dit type is over het algemeen goed, tenzij er ernstige complicaties optreden, waarvan er één bestaat uit epileptische aanvallen. Bij het vierde type worden de kinderen over het algemeen niet grondig onderzocht, omdat de verschijnselen veelal beperkt zijn en vaak niet duidelijk is wat de oorzaak is, tenzij er andere aanwijzingen zijn voor een niet-accidenteel trauma zoals ribbreuken.25

Volgens de deskundige lijkt er bij [kind 1] sprake te zijn van het subacute type, gecompliceerd door het optreden van epileptische activiteit.26

Bij de indeling van Minns (2004) moet volgens de deskundige Bilo “worden aangetekend dat minder ernstige hersenletsels vaak niet herkend worden door het optreden van niet-specifieke klinische verschijnselen (Jenny, 1999; Fortin, 2010). Deze worden in een later stadium herkend doordat opnieuw letsel wordt toegebracht of door het optreden van complicaties, bijv. voortdurende aanwijzingen van verhoogde druk in het hoofd (bijv. wegrakingen, misselijkheid, braken) of epileptische aanvallen door prikkeling van de hersenschors door het aanwezige subdurale bloed (eventueel leidend tot een status epilepticus).

Op basis van voorgaande gegevens kan worden geconcludeerd dat een continuüm van verschijnselen bestaat na een incident, waarbij schade in het hoofd kan ontstaan, variërend van het volledig ontbreken van klinische verschijnselen tot de meest ernstige uitingsvormen. Ook blijkt het spectrum van lichamelijke gevolgen bij kinderen te variëren van het ontbreken van enige (waarneembare) schade tot ernstige schade met blijvende gevolgen en

overlijden”. 27

De deskundige heeft ter terechtzitting toegelicht dat er bij [kind 1] sprake was van een subacuut type waarbij niet direct ernstige verschijnselen optreden, maar er een continuüm bestaat dat (vervolgens) werd gecompliceerd door de status epilepticus. Volgens de deskundige hoeft een subdurale bloeding op zich niet gevaarlijk te zijn. Als zich evenwel daarbij een complicatie voordoet, kan er ernstige (secundaire) schade ontstaan. Uit de CT-scan bleek er schade in de hersenen door zwelling en zuurstofgebrek. Deze twee fenomenen zijn volgens de deskundige niet goed te scheiden, het één beïnvloedt het ander. De deskundige heeft desgevraagd verklaard er geen twijfel over te hebben dat de epileptische aanval is veroorzaakt door het daarvoor liggend trauma, omdat het niet waarschijnlijk is dat de epileptische aanvallen een andere oorzaak hebben dan het daarvoor liggend trauma.28 Deze epileptische aanvallen hebben vervolgens de ontwikkeling van de zwelling in de hersenen versterkt.29

Op vragen over het bestaan van hersenoedeem bij [kind 1] terwijl dit niet passend is bij de subacute variant, heeft de deskundige ter terechtzitting toegelicht dat er een schuivende maat bestaat tussen de verschillende vormen en dat hersenoedeem beter past bij een acute type, maar dat andere aspecten in de situatie van [kind 1] beter passen bij het subacute type. Het slap zijn en bleek zien zijn volgens de deskundige in retrospectief verschijnselen die passen bij het subacute type.

De deskundige heeft het verschijnsel dat [kind 1] na de val slapper was in de medische stukken van het Sophia Kinderziekenhuis aangetroffen. Dit werd vermeld bij de anamnese, waardoor ervan uitgegaan kan worden dat dit uit de mond van de ouders is opgetekend.30 Het bleek zien en matig drinken wordt vermeld door de verpleging die [kind 1] de eerste nacht ieder uur neurologisch heeft onderzocht in het kader van het klinische wekadvies.31

De bovenstaande verklaringen van de deskundige bieden naar het oordeel van de rechtbank voldoende verklaring voor het ontbreken van directe (ernstige) klinische verschijnselen, terwijl er toch sprake kan zijn van toegebracht hersenletsel. De nadere verklaring van de deskundige is bovendien niet in strijd met zijn eerdere rapport, waarin hij reeds vermeld dat er bij [kind 1] geen sprake lijkt te zijn “van verschijnselen passend bij ernstige primaire beschadiging van de hersenen, gezien de beperkte klinische verschijnselen in de eerste uren van opname in het JKZ” en er bij [kind 1] daarentegen sprake is “van de aanwezigheid van ernstige secundaire schade door de ontwikkeling van diffuus hersenoedeem en diffuse schade aan het hersenweefsel door zuurstofgebrek. De beschadigingen die als gevolg van deze mechanismen zijn ontstaan, worden verder versterkt door de ontwikkeling van de status epilepticus’.

Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.

3.3.3.5 Het oordeel van de rechtbank

De deskundige heeft verklaard dat de subdurale bloedingen en de retinabloedingen meerdere oorzaken kunnen hebben die gelegen kunnen zijn in een lichamelijke oorzaak of in een trauma. Bij zowel de subdurale bloedingen als de retinabloedingen heeft de deskundige lichamelijke oorzaken uitgesloten. Ook een trauma dat is ontstaan door de bevalling (een geboortetrauma) kan bij beide letsels als uitgesloten worden geacht. Dan resteert volgens de deskundige een trauma dat is ontstaan na de geboorte als oorzaak voor beide letsels.

Over de retinabloedingen rapporteert de deskundige dat deze, gelet op het aantal en de verspreiding ervan, waarschijnlijker zijn ontstaan door een niet-accidenteel trauma dan bij een accidenteel trauma.32

Over subdurale bloedingen rapporteert de deskundige dat het op basis van het aantreffen van de subdurale bloedingen alleen niet mogelijk is om een uitspraak te doen over de waarschijnlijkheid van een niet-accidenteel of accidenteel trauma.

Over de metafysaire hoekfracturen rapporteert de deskundige dat deze ontstaan bij afschuivende krachten loodrecht op de as van het bot. Deze krachten komen niet voor bij een val of een stomptrauma. Dit type fracturen wordt volgens de deskundige, bij het ontbreken van een andere plausibele verklaring, als specifiek voor toegebracht letsel beschouwd.33

Lichamelijke aandoeningen en een geboortetrauma zijn, zoals hierboven genoemd op basis van medisch onderzoek, als hoogst onwaarschijnlijk uitgesloten als verklaringen voor de afzonderlijke letsels, waarbij wordt opgemerkt dat er volgens de deskundige geen lichamelijke aandoening bestaat waarbij de combinatie van de letsels voorkomt.

In de medische literatuur wordt gesteld dat de bij [kind 1] aangetroffen combinatie van subdurale bloedingen, retinabloedingen en encefalopathie, de zogenaamde klassieke triade, bij het uitsluiten van andere oorzaken, een betrouwbare indicator vormt voor een niet-accidentele toedracht.

De combinatie van letsels bij [kind 1], die uitgebreider zijn dan de klassieke triade, is op basis van wetenschappelijk onderzoek zeer veel waarschijnlijker bij een niet-accidentele oorzaak dan bij een accidentele oorzaak.34

Op grond hiervan acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het vastgestelde letsel bij [kind 1] is veroorzaakt door een niet-accidenteel trauma, met andere woorden dat het letsel hem moedwillig is toegebracht.

3.3.4

Is het de vader die schuldig is aan het toebrengen van het letsel?

3.3.4.1 Inleiding en standpunten

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het de vader is die schuldig is aan het toebrengen van het letsel bij [kind 1].

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring, omdat de vader alleen thuis met [kind 1] is geweest in de periode ná het laatste moment van normaal functioneren en tot aan het moment dat de moeder bij thuiskomst de symptomen heeft gezien.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is vast stellen op welk moment [kind 1] voor het eerst niet meer normaal functioneerde en serieuze klinische verschijnselen vertoonde.

3.3.4.2 Wanneer is het letsel ontstaan?

De deskundige Bilo heeft geconcludeerd dat het veel waarschijnlijker is dat het letsel ontstaan is na het laatste moment van normaal functioneren (en vóór het optreden van de weinig opvallende klinische verschijnselen: slap zijn, bleek zien, matig drinken, apathie) dan vóór het laatste moment van normaal functioneren.35

In zijn rapport noemt Bilo als laatste moment van normaal functioneren het drinken van het flesje. Ter terechtzitting heeft Bilo verklaard dat het niet waarschijnlijk is dat er bij een kind dat normaal een flesje drinkt afwijkingen bestaan. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij [kind 1] in de middag van 28 november 2012 een flesje heeft gegeven, dat [kind 1] snel heeft opgedronken. De verdachte heeft wisselend verklaard over het precieze tijdstip van het geven van dat flesje. Nu evenwel in de medische gegevens van het Sophia Kinderziekenhuis bij de anamnese is vermeld dat [kind 1] om 15.00 uur de fles heeft gekregen, neemt de rechtbank dit tijdstip als uitgangspunt.

Het eerste moment dat gezien wordt dat [kind 1] slap was en slecht dronk was aan het begin van de avond, kort na de thuiskomst van de echtgenote van verdachte.36 De deskundige Bilo heeft dit moment aangemerkt als het eerste moment waarop een klinisch verschijnsel is waargenomen. De verdachte heeft verklaard dat zijn echtgenote rond 18.30 uur is thuis gekomen waarna hij, na enige schroom, verteld heeft dat hij met [kind 1] gevallen was. Moeder is vervolgens direct met [kind 1] naar het Juliana Kinderziekenhuis gegaan.

Uit het voorgaande volgt dat het moment van het ontstaan van het letsel ligt tussen het laatste flesje om 15.00 uur en de thuiskomst van de moeder rond 18.30 uur.

3.3.4.3 Heeft de verdachte het letsel toegebracht?

Het door de verdediging gepresenteerde scenario dat het niet uitgesloten is dat het letsel ontstaan kan zijn gedurende de opname in het ziekenhuis acht de rechtbank niet waarschijnlijk gelet op het aanvangstijdstip van de klinische verschijnselen (slap zijn en slecht drinken).

In de genoemde periode was de verdachte belast met de zorg over [kind 1]. De moeder is weliswaar even thuis geweest tussen het halen en brengen van haar dochters, maar uit de verklaring van de verdachte blijkt dat hij die middag was belast met de zorg over [kind 1], dat [kind 1] in die periode van het flesje tot aan het verschonen sliep en dat de moeder geen enkele (verzorgings)handeling heeft verricht of andere bemoeienis met [kind 1] heeft gehad. Het kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de verdachte verantwoordelijk is voor het ontstaan van het letsel bij [kind 1]. Omdat op 28 november 2012 tussen 15.00 en 18.30 uur – de periode waarin het letsel is toegebracht – geen andere personen in contact geweest zijn met [kind 1], kan het niet anders dan dat verdachte degene geweest is die verantwoordelijk is voor het letsel bij [kind 1]. De rechtbank heeft hierboven reeds geconcludeerd dat de val geen (exclusieve) verklaring biedt voor het bij [kind 1] geconstateerde letsel. Dat betekent dat het niet anders kan zijn dat de verdachte het letsel bij [kind 1] heeft toegebracht.

De rechtbank acht het, gelet op de aard van het letsel dat passend is bij een repeterend acceleratie- deceleratietrauma, waarbij met name aan de aanwezigheid van de klassieke triade (subdurale bloedingen, retinabloedingen en encefalopathie) een groot gewicht wordt toegekend, en op de omstandigheid dat een impacttrauma uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden als de (exclusieve) oorzaak van het bij [kind 1] vastgestelde letsel, zeer waarschijnlijk dat de vader [kind 1] heftig heen en weer geschud. Op grond van het al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de vader op 28 november 2012 [kind 1] heeft beetgepakt en beetgehouden en hem met kracht heen en weer heeft geschud. Door die gedraging heeft de verdachte [kind 1] potentieel dodelijk letsel toegebracht.

3.3.4.4 Opzet

Volgens vast jurisprudentie is voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, in dit geval de dood van het slachtoffer, aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Of de gedraging van de verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal dan moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n aanmerkelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedragingen bewust heeft aanvaard.

Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg heeft aanvaard.

De kans dat een baby van 27 dagen oud als gevolg van het met kracht heen en weer schudden komt te overlijden, is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. De deskundige heeft in zijn aanvullende beantwoording van vragen toegelicht dat er sprake moet zijn van heftig schudden dat op geen enkele wijze vergelijkbaar is met bijvoorbeeld schudden dat wordt gebruikt om een kind te troosten of te wekken. De heftigheid van schudden wordt volgens de deskundige bepaald door de snelheid van het schudden (het aantal uitslagen per seconde en daarmee de mate van acceleratie-deceleratie, waarbij de uitslag loopt van kin tegen de borst tot het achterhoofd tegen de wervelkomen), de krachten die vrijkomen bij het contact met de rug en de borstkas en de tijdsduur van het schudden (het aantal seconden). In de literatuur wordt volgens de deskundige gesteld dat schudden dat tot schade aanleiding geeft minimaal bestaat uit een cyclus van een aantal uitslagen per seconden (meer dan 3-4 per seconde) gedurende een aantal seconden (meer dan 5 seconden).

Die gedraging kan naar haar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht te zijn op de dood dat het niet anders kan zijn dat de vader de aanmerkelijke kans op het overlijden van [kind 1] daadwerkelijk heeft aanvaard. Er zijn geen aanwijzingen voor het tegendeel.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat bij de vader sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van [kind 1]. Het primair tenlastegelegde kan bewezen worden verklaard.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde:

hij op 28 november 2012 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon te weten, zijn, verdachtes, zoon [kind 1](geboren op [geboortedatum kind 1] 2012) van het leven te beroven, opzettelijk heeft beetgepakt en beetgehouden en (vervolgens) met kracht heen en weer heeft geschud, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

poging tot doodslag.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Bij de beoordeling van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het rapport van de psycholoog over de persoon van de verdachte (dr. R.A.R. Bullens, klinisch psycholoog, d.d. 21 november 2013). De psycholoog heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens of van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte. De psycholoog heeft zich onthouden van een uitspraak over de toerekeningsvatbaarheid, omdat de verdachte het hem tenlastegelegde ontkent.

Gelet op de bevindingen van de psycholoog over de persoon van verdachte en op hetgeen uit het dossier en uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, kan het tenlastegelegde verdachte, naar het oordeel van de rechtbank, volledig worden toegerekend. Verdachte is dus eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een vrijspraak van de verwijten ten aanzien van [kind 2]en tot een bewezenverklaring van de poging tot doodslag op [kind 1]. De officier van justitie heeft ten aanzien van die poging tot doodslag op [kind 1] een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden geëist. De officier van justitie heeft ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden rekening gehouden met de eerdere veroordeling voor huiselijk geweld en met de bevindingen van de psycholoog dat verdachte geen stoornis heeft en volledig toerekeningsvatbaar is.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de beide ten laste gelegde feiten en heeft zich (om die reden) niet uitgelaten over de strafoplegging.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op [kind 1]. Door het handelen van verdachte is bij [kind 1] zeer ernstig hersenletsel ontstaan. Een groot deel van de hersenen van [kind 1] is immers afgestorven als gevolg van de complicaties die hebben gevolgd op de subdurale bloedingen in zijn hoofd. Het had gelet op de gedraging van verdachte ook fataal kunnen aflopen. [kind 1] is als gezonde baby geboren en heeft de eerste 27 dagen van zijn leven normaal kunnen functioneren. De toekomst die hij voor zich had liggen als normaal functionerend kind heeft verdachte hem afgenomen. De blijvende gevolgen zijn ook voor de moeder en de overige familieleden van [kind 1] groot. Hen is een gezonde zoon, broer en kleinzoon ontnomen.

Bij de strafoplegging stelt de rechtbank voorop dat bij deze poging tot doodslag enerzijds, gelet op de ernst van het feit, alleen een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf gerechtvaardigd is. Anderzijds is de rechtbank zich er terdege van bewust dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ook grote gevolgen voor [kind 1] heeft. De vader is, met zijn vrouw, immers fulltime verzorger van [kind 1] (en zijn eveneens zwaar gehandicapte broer [kind 2]) en de rechtbank heeft in het dossier kunnen lezen dat hij deze verzorging van [kind 1] (en zijn broer) goed doet. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft dan ook zonder meer gevolgen voor de verzorging van de beide jongens.

De rechtbank is alles afwegende van oordeel dat, ondanks de grote gevolgen voor (het gezin van) de verdachte, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige straf is die recht doet aan de ernst van hetgeen [kind 1] is aangedaan. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat de moeder als vaste verzorger beschikbaar blijft en de overige verzorging van [kind 1] (en zijn broer) tijdelijk door anderen overgenomen kan worden. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet uit te leggen, ook niet als daarbij het belang van (de verzorging van) [kind 1] wordt benoemd, dat een gedraging van één van de ouders, waarbij een baby van nog geen maand oud potentieel dodelijk letsel wordt toegebracht en van zijn toekomst als normaal functionerend kind wordt beroofd, wordt bestraft met een werkstraf of een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Daarbij komt dat er gelet op het rapport van de psycholoog, die heeft geconcludeerd dat er bij verdachte geen sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens of van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, geen aanleiding is voor het opleggen van een behandeling of therapie als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf. Ook de reclassering komt niet tot een dergelijk advies. Ook hierdoor ziet de rechtbank geen grond voor een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank zal in de hoogte van de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf wel in grote mate rekening houden met het belang van de verzorging van [kind 1] met het oog op de idee dat het mogelijk moet zijn om de verzorging in ieder geval tijdelijk in handen van anderen te leggen. Verder heeft de rechtbank in matigende zin rekening gehouden met de lange tijd die het heeft geduurd voordat de strafzaak tot een einde is gebracht. Om die redenen zal de rechtbank de straf die gemiddeld genomen gebruikelijk is te achten bij een poging tot doodslag aanzienlijk matigen. De officier van justitie is de rechtbank daarin al voorgegaan in zijn eis, waarin de rechtbank terugziet dat rekening is gehouden met de bijzondere omstandigheden van dit geval. De rechtbank volgt de officier van justitie in zijn eis en zal aan verdachte een gevangenisstraf van 24 maanden opleggen.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 9, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 primair:

poging tot doodslag

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. V.J. de Haan, voorzitter,

mr. M. Rootring, rechter,

mr. R.C. Hartendorp, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S. Kramer en R.C. Verbauwen, MSc, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 juni 2015.

Mr. Rootring is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal van het onderzoek Satijnvlinder, met het onderzoeksnummer PL15BRR13020 en proces-verbaalnummer 2012 277526, van de politie eenheid Den Haag, bureau regionale recherche met bijlagen, genaamd zaaksdossier (doorgenummerd p. 1 t/m 303) en verdachtendossier (doorgenummerd p. 1 t/m 89).

2 deskundigenrapport, rapport forensische geneeskunde d.d. 11 december 2013 opgemaakt door R.A.C. Bilo, forensisch geneeskundige , p. B2-6

3 deskundigenrapport, rapport forensische geneeskunde d.d. 11 december 2013 opgemaakt door R.A.C. Bilo, forensisch geneeskundige , p. B2-7

4 deskundigenrapport, rapport forensische geneeskunde d.d. 11 december 2013 opgemaakt door R.A.C. Bilo, forensisch geneeskundige , p. B1-6

5 deskundigenrapport, rapport forensische geneeskunde d.d. 11 december 2013 opgemaakt door R.A.C. Bilo, forensisch geneeskundige , p. B2-7

6 deskundigenrapport, rapport forensische geneeskunde d.d. 11 december 2013 opgemaakt door R.A.C. Bilo, forensisch geneeskundige , p. B1-8

7 verdachtendossier proces-verbaal van aangifte p. 23

8 deskundigenrapport, rapport forensische geneeskunde d.d. 11 december 2013 opgemaakt door R.A.C. Bilo, forensisch geneeskundige , p. B1-8 - B1-10

9 deskundigenrapport, rapport forensische geneeskunde d.d. 11 december 2013 opgemaakt door R.A.C. Bilo, forensisch geneeskundige , p. B

10 deskundigenrapport, rapport forensische geneeskunde d.d. 11 december 2013 opgemaakt door R.A.C. Bilo, forensisch geneeskundige , p. B2-19

11 zaaksdossier proces-verbaal van aangifte p. 23

12 verdachtendossier proces-verbaal verhoor verdachte p. 49, 65, 66 en 67

13 proces-verbaal van de terechtzitting van 7 november 2014

14 verdachtendossier proces-verbaal verhoor verdachte p. 66

15 deskundigenrapport, rapport forensische geneeskunde d.d. 11 december 2013 opgemaakt door R.A.C. Bilo, forensisch geneeskundige , p. B2-10

16 proces-verbaal van de terechtzitting van 7 november 2014

17 proces-verbaal van de terechtzitting van 7 november 2014

18 proces-verbaal van de terechtzitting van 7 november 2014

19 verdachtendossier proces-verbaal verhoor verdachte p. 70

20 verdachtendossier proces-verbaal verhoor verdachte p. 67

21 en proces-verbaal van de terechtzitting van 7 november 2014

22 proces-verbaal van de terechtzitting van 7 november 2014 en zaaksdossier proces-verbaal bevindingen p. 32

23 verdachtendossier proces-verbaal verhoor verdachte p. 69, proces-verbaal van de terechtzitting van 7 november 2014 en zaaksdossier proces-verbaal bevindingen p. 32

24 Brief deskundige R.A.C. Bilo p. 3-5

25 verklaring deskundige ter terechtzitting van 22 mei 2015

26 brief deskundige R.A.C. Bilo van 13 mei 2015 p. 6 en verklaring deskundige ter terechtzitting 21 mei 2015

27 brief deskundige R.A.C. Bilo van 13 mei 2015 p. 5

28 verklaring deskundige ter terechtzitting van 22 mei 2015

29 deskundigenrapport, rapport forensische geneeskunde d.d. 11 december 2013 opgemaakt door R.A.C. Bilo, forensisch geneeskundige, B1-13

30 deskundigenrapport, rapport forensische geneeskunde d.d. 11 december 2013 opgemaakt door R.A.C. Bilo, forensisch geneeskundige , p. B2-9 en B2-10

31 deskundigenrapport, rapport forensische geneeskunde d.d. 11 december 2013 opgemaakt door R.A.C. Bilo, forensisch geneeskundige , p. B2-7

32 deskundigenrapport, rapport forensische geneeskunde d.d. 11 december 2013 opgemaakt door R.A.C. Bilo, forensisch geneeskundige. B1-16

33 deskundigenrapport, rapport forensische geneeskunde d.d. 11 december 2013 opgemaakt door R.A.C. Bilo, forensisch geneeskundige, p. B1-20

34 deskundigenrapport, rapport forensische geneeskunde d.d. 11 december 2013 opgemaakt door R.A.C. Bilo, forensisch geneeskundige, p. B1-21

35 deskundigenrapport, rapport forensische geneeskunde d.d. 11 december 2013 opgemaakt door R.A.C. Bilo, forensisch geneeskundige, p. B1-25

36 Anamnese van het Sophia Kinderziekenhuis zoals aangehaald in het deskundigenrapport, rapport forensische geneeskunde d.d. 11 december 2013 opgemaakt door R.A.C. Bilo, forensisch geneeskundige, p. B2-9.