Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:6625

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-06-2015
Datum publicatie
13-07-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2114
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 15/2114 (vovo)

SGR 15/2116 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 juni 2015 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], te [plaats 1], verzoekster,

(gemachtigde: [gemachtigde 1]),

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder,

(gemachtigden: [gemachtigden]).

Procesverloop

Bij besluit van 23 september 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder [verzoekster] een bestuurlijke boete opgelegd van € 12.000,- wegens twee overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav).

[verzoekster] heeft op 8 januari 2015 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 9 februari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaard.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2015.

Verzoekster heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2 De natuurlijke persoon [verzoekster] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van

23 september 2014. Het beroep is ingesteld door ‘v.o.f. [verzoekster]’. ‘V.o.f. [verzoekster]’ bestaat uit de vennoten [verzoekster], [venoten]. De voorzieningenrechter ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of ‘v.o.f. [verzoekster]’ in onderhavige procedure als belanghebbende kan worden aangemerkt.

3.1

Volgens artikel 1:2 van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

3.2

De boete van 23 september 2014 is gericht aan [verzoekster]. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht is in dit geval gekozen om de boete aan natuurlijk persoon

[verzoekster] op te leggen, omdat bij de beoordeling van de feiten en omstandigheden bleek dat er sprake was van een gezagsverhouding tussen de twee andere vennoten van ‘v.o.f. [verzoekster]’ en vennoot [verzoekster]. Gezien de gezagsverhouding is er volgens verweerder sprake van een schijnconstructie en betreft het een eenmanszaak van

[verzoekster], hetgeen ook blijkt uit het boeterapport. Als aanhef van de boete van

23 september 2014 staat om die reden ‘[verzoekster], h.o.d.n. [verzoekster]’ vermeld. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat voldoende duidelijk is dat de boete aan de natuurlijke persoon [verzoekster] is opgelegd, gezien de inhoud van het boeterapport, de hoogte van de boete en de adressering van de boete. Nu de boete aan natuurlijke persoon [verzoekster] is opgelegd, heeft ‘v.o.f. [verzoekster]’ geen materieel belang bij de boeteoplegging.

3.3

De stelling van verzoekster dat zij niet wist aan wie de boete was opgelegd, omdat hij het besluit van 23 september 2014 nooit heeft ontvangen volgt de voorzieningenrechter niet.

Verweerder heeft een stuk overgelegd waaruit blijkt dat het besluit op 23 september 2014 is afgegeven aan een medewerker van de postkamer en op diezelfde dag door de medewerker is afgegeven aan Post NL. Hiermee heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat het desbetreffende stuk is verzonden. Het poststuk is verzonden naar het adres [adres] te [plaats 2]. Niet in geschil is dat [verzoekster] daar woont. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL3338), dient, ingeval van niet-aangetekende verzending van besluiten of andere rechtens van belang zijnde besluiten, het bestuursorgaan aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. Indien het bestuursorgaan de verzending van het desbetreffende stuk aannemelijk heeft gemaakt, ligt het op de weg van de geadresseerde om, indien daartoe aanleiding bestaat, de ontvangst ervan op niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. Eerst als dat gebeurt, is het aan het bestuursorgaan dat het stuk heeft verzonden om de ontvangst daarvan door de geadresseerde aannemelijk te maken. Verzoekster heeft de ontvangst van het stuk enkel ontkend. Dit acht de voorzieningenrechter onvoldoende. Bovendien blijkt uit de toelichting ter zitting dat brieven van latere datum aan het adres [adres] te [plaats 2] onherstelbaar retour zijn gekomen bij verweerder en het besluit van 23 september 2014 niet, hetgeen het vermoeden van ontvangst versterkt.

3.4

Het betoog van verzoekster dat het besluit van 23 september 2014 naar het adres van de gemachtigde [gemachtigde 2] verzonden had moeten worden, slaagt evenmin. De gemachtigde betoogt dat hij zich op 16 september 2014, dus vóór de datum van het besluit, telefonisch als gemachtigde heeft aangemeld bij een medewerker van verweerder. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat zij navraag heeft gedaan bij de betreffende medewerker, maar dat er geen telefoonnotitie is terug te vinden, terwijl het een vaste werkwijze is dat telefoongesprekken in een notitie worden vastgelegd. Nu een telefoonnotitie ontbreekt, betwist verweerder dat het telefoongesprek heeft plaatsgevonden. De enkele niet onderbouwde stelling van de gemachtigde dat hij zich (telefonisch) heeft gesteld als gemachtigde bij verweerder vóór 23 september 2014 acht de voorzieningenrechter onvoldoende om van die stelling uit te kunnen gaan. Bovendien acht de voorzieningenrechter van belang dat uit de door de gemachtigde van verzoekster overgelegde volmacht blijkt dat [verzoekster] hem op 8 december 2014 heeft gemachtigd om namens hem op te treden. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht het besluit van 23 september 2014 verzonden aan [verzoekster].

3.5

Hetgeen verzoekster heeft aangevoerd over het door elkaar halen van de twee vennoten (‘v.o.f. [verzoekster]’ en ‘v.o.f. [naam]’) die bij de kwestie zijn betrokken door verweerder acht de voorzieningenrechter bij haar beoordeling niet van belang, zodat zij die grond onbesproken laat.

3.6

Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker niet als belanghebbende kan worden aangemerkt, zodat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.J. Dekker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2015.

griffier voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.