Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:6621

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-04-2015
Datum publicatie
25-06-2015
Zaaknummer
C-09-471759-HA ZA 14-957
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Physical distribution. Verbulken en leveren verkeerde harssoort. Artikel 4 PD-voorwaarden. Gevolgschade. Grove schuld door achterwege laten (instructie voor) visuele inspectie van big bags met een per harssoort verschillende uiterlijke verschijningsvorm ?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/471759 / HA ZA 14-957

Vonnis van 29 april 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OCE-TECHNOLOGIES B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1],

eiseres,

advocaat: mr. H. Ferment te Den Haag,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] BULK LOGISTICS OSS B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] LOGISTICS BEHEER B.V.,

beide gevestigd te [vestigingsplaats 2],

gedaagden,

advocaat: mr. W.M. van Rossenberg te Rotterdam.

Eiseres wordt aangeduid als Océ, gedaagde sub 1 als [A] en gedaagde sub 2 als [A] Beheer. Tezamen worden gedaagden aangeduid als [A] cs.

1 Het procesverloop

1.1

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de dagvaarding met producties van 14 juli 2014;

- de conclusie van antwoord;

- het tussenvonnis waarin een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van de op 13 maart 2015 gehouden comparitie van partijen en de daarin genoemde stukken.

1.2

Tot slot is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

Océ houdt zich bezig met het vervaardigen van onder meer machines voor print- en document-verwerking en toebehoren, waaronder toner. Océ gebruikt ten behoeve van haar tonerproductie onder meer twee tonerharsen (hierna tezamen: de harsen), te weten SK200, ook wel aangeduid als BM2 (hierna: SK200) en A5200, ook wel aangeduid als BM4 (hierna: A5220) die zij afneemt van een Spaanse leverancier.

2.2

In januari 2011 heeft Océ een Logistic Services Overeenkomst (hierna: LSO) gesloten met [A]. De LSO heeft betrekking op de hiervoor omschreven logistieke werkzaamheden in verband met levering, opslag, vervoer en aflevering van de harsen.

2.3

Op grond van de LSO nam [A] big bags van 1000 kg per stuk met over de weg vanuit Spanje vervoerde SK200 en A5220 in ontvangst in haar loodsruimte te [vestigingsplaats 2]. Op de big bags waren productaanduidingen aangebracht. SK200 is wit van kleur en verpakt in big bags met een grote blauwe cirkel. A5220 is geel van kleur en verpakt in geheel witte big bags. In bijlage 7 bij de LSO staat onder meer:

“De bigbags zijn voorzien van de betreffende productnamen en codenummers. De logistiek dienstverlener dient te borgen dat de producten niet verwisseld worden.”

2.4

[A] was op grond van de LSO verantwoordelijk voor het beheer van de voorraad, de handling en het beheer van het magazijn en ook voor de juistheid van de fysieke en administratieve voorraden. [A] moest de harsen op afroep van Océ vervoeren naar de silo’s van Océ in [vestigingsplaats 1]. De harsen dienden in bulk te worden aangeleverd. [A] leegde de big bags daarom te [vestigingsplaats 2] in de voor het vervoer gestelde silotrailers. In [vestigingsplaats 1] werd de hars in de daartoe bestemde silo gelost, in de SK200-silo respectievelijk de A5220-silo. In bijlage 1 van de LSO staan de door [A] te verrichten werkzaamheden en diensten omschreven. Ook daar staat dat [A] dient te borgen dat de producten niet verwisseld worden.

2.5

Op de LSO zijn van toepassing de PD-voorwaarden. Artikel 4 van de PD voorwaarden luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“1. Indien door de physical distributor ontvangen zaken in hun eventuele verpakking niet in dezelfde dan wel in de overeengekomen staat ter bestemming worden afgeleverd, is de physical distributor, behoudens overmacht en het verder in deze condities bepaalde, voor de daardoor ontstane zaakschade aansprakelijk. (…)

3. De aansprakelijkheid van de physical distributor voor de in lid 1 bedoelde zaakschade is beperkt tot 8 1/3 speciale trekkingsrechten (S.D.R.) per kilogram vermiste of beschadigde zaken met het absoluut maximum van een nader tussen partijen bij het sluiten van de physical distribution overeenkomst overeen te komen bedrag. Is een zodanig bedrag niet overeengekomen, dan geldt een maximum van

€ 453.780 per gebeurtenis of reeks van gebeurtenissen met één en dezelfde schade-oorzaak.

4. Indien de physical distributor de physical distribution en/of bijkomende werkzaamheden niet op het overeengekomen tijdstip of binnen de overeengekomen termijn, wijze en plaats verricht is hij, onverminderd het bepaalde in lid 1 van dit artikel verplicht deze werkzaamheden alsnog zo spoedig mogelijk en niet tegen extra kosten voor de opdrachtgever op de overeengekomen wijze te verrichten.

Wanneer de opdrachtgever daarnaast kosten heeft gemaakt in verband met het feit dat de physical distribution en/of bijkomende werkzaamheden niet op de overeengekomen wijze, tijdstip en plaats heeft verricht is de physical distributor voor deze kosten aansprakelijk tot ten hoogste een bij het sluiten van de physical distribution overeenkomst overeen te komen bedrag. Indien een zodanig bedrag niet is overeengekomen zal de aansprakelijkheid voor deze kosten maximaal € 681 per gebeurtenis bedragen.

(…)

8. Behoudens de aansprakelijkheid neergelegd in dit artikel alsmede die voortvloeiende uit de artikelen 21 en 23 lid 4 van het CMR, is de psysical distributor niet aansprakelijk voor enigerlei schade anders dan aan de zaken zelf.”

2.6

Op 25 oktober 2013 ontving [A] per mail de opdracht van Océ om 22.000 kilo SK200 af te leveren op 29 oktober 2013. [A] heeft intern de instructie gegeven om op 28 oktober 2013 22 big bags SK200 te verbulken en deze op 29 oktober te doen afleveren. Volgens het fifa systeem dienden de big bags met lotnummers 2736820368, 2736820369 en 2736820370 te worden verbulkt. Werknemers van [A] hebben abusievelijk niet de big bags met deze lotnummers met daarin SK200 verbulkt, maar big bags met daarin A5220 waarvan de lotnummers dezelfde drie cijfers hadden als de hiervoor genoemde lotnummers van de big bags met SK200.

2.7

Op 29 november 2013 deden zich problemen voor bij de tonerproductie, waarop Océ de productie op 1 november 2013 heeft stil gelegd. Nadat onderzoek aan beide zijden had uitgewezen dat de oorzaak was gelegen in het abusievelijk verbulken van A5220 in plaats van SK200 door [A], heeft Océ [A] aansprakelijk gesteld voor de schade die zij daardoor heeft geleden.

3 Het geschil

3.1

Océ vordert dat bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis [A] cs hoofdelijk worden veroordeeld tot het betalen van € 369.960 met rente en kosten.

3.2

Océ stelt daartoe dat [A] cs hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die Océ heeft geleden ten bedrage van € 369.960, aangezien het verbulken van A5220 in plaats van SK200 te wijten is aan grove schuld van [A], die zich daarom niet kan beroepen op enig exoneratiebeding.

3.3

[A] cs voeren gemotiveerd verweer.

4 De beoordeling

4.1

Vaststaat dat werknemers van [A] per abuis A5220 in plaats van de afgeroepen SK200 hebben verbulkt. [A] cs betwisten niet dat zij aansprakelijk zijn voor de daardoor ontstane schade, maar voeren aan dat deze aansprakelijkheid is beperkt tot het in artikel 4 lid 4 PD-voorwaarden genoemde bedrag van € 681.

4.2

Anders dan Océ heeft betoogd, valt de door haar gevorderde gevolgschade niet onder het derde lid van artikel 4 PD-voorwaarden, maar onder het vierde lid van deze bepaling. Het derde lid van deze bepaling, waarin ook met zoveel woorden wordt gesproken van zaakschade, heeft onmiskenbaar en alleen betrekking op schade die aan de producten zelf is toegebracht terwijl deze zich bevonden onder de hoede van de physical distributor. In dit geval is er geen sprake van zaakschade, maar van het verbulken en leveren van de verkeerde hars, waaraan bij aflevering niets mankeerde. Daarmee heeft [A] de hars in de staat waarin zij deze in ontvangst heeft genomen geleverd. Dat is, anders dan Océ heeft betoogd, niet het niet leveren van de producten in de overeengekomen staat zoals bedoeld in artikel 4 lid 3 PD-voorwaarden, maar het niet op de overeengekomen wijze verrichten van de physical distribution zoals bedoeld in artikel 4 lid 4 PD-voorwaarden. Verder geldt dat, nu het vierde lid spreekt van “in verband daarmee gemaakte kosten” deze bepaling – anders dan het derde lid – betrekking op (dat soort) gevolgschade.

4.3

Océ stelt dat [A] zich niet op deze exoneratieclausule kan beroepen, aangezien de schade het gevolg is van grove schuld van [A], die is gelegen in het structureel achterwege laten van visuele inspectie van de big bags die verbulkt worden, daar waar de big bags – teneinde verwisseling te voorkomen – een duidelijk verschillende uiterlijke verschijningsvorm hebben en [A] in artikel 7 van de LSO uitdrukkelijk de verplichting heeft aanvaard om de borgen dat de harsen niet verwisseld worden, welke verplichting volgens Océ niet anders te verstaan is dan als een garantie dat de harsen niet verwisseld worden.

4.4

De rechtbank volgt Océ niet in haar betoog dat het beroep van [A] op artikel 4 lid 4 van de PD-voorwaarden in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Zij overweegt daartoe als volgt.

4.5

Vooropgesteld wordt dat de werknemers van [A] zich hebben vergist. Daarmee is geen sprake van enig welbewust handelen, laat staan van welbewuste roekeloosheid aan de zijde van [A] of welbewuste benadeling van Océ door [A]. Deze vergissing geeft dan ook op zichzelf geen grond voor een geslaagd beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid.

4.6

De rechtbank neemt verder in aanmerking dat niet in geschil is dat het voor [A] duidelijk was dat de verschillende soorten hars niet door elkaar gehaald of vermengd zouden mogen worden en dat [A] dat diende te borgen. Met [A] is de rechtbank van oordeel dat een redelijke uitleg van het in artikel 7 LSO genoemde – en nergens nader omschreven – ‘borgen’ inhoudt dat [A] ervoor moest zorgen, zeker moest stellen dat de harsen niet werden verwisseld. Daarmee heeft [A] een resultaatsverbintenis op zich genomen en niet – zoals Océ heeft betoogd – een garantie afgegeven.

4.7

Niet in geschil is dat [A] wist dat de big bags met de verschillende soorten hars er verschillend uitzagen. Vaststaat dat [A] haar personeel niet had geïnstrueerd om ook op de uiterlijke verschijningsvorm van de big bags te letten. Gesteld noch gebleken is dat zij dit in strijd met een concrete aanwijzing daartoe of anderszins welbewust heeft gedaan. Het was ontegenzeggelijk makkelijk voor [A] om deze instructie te geven – en dat is intussen na dit voorval ook gebeurd. Dat betekent echter niet dat het niet geven van deze instructie zodanig laakbaar is dat dit in de weg staat aan een geslaagd beroep op artikel 4 lid 4 PD-voorwaarden, ook als daarbij het voor [A] kenbare grote belang van Océ bij het niet verwisselen van de harsen, de verstrekkende gevolgen van verwisseling en de door [A] op grond van de LSO te betrachten zorg verwisseling tegen te gaan in aanmerking worden genomen. In dit verband is van belang dat de uiterlijke verschijningsvorm van de big bags één van de onderscheidende kenmerken is van de verschillende soorten hars – zolang deze verpakt is – naast onder meer de verschillende lotnummering, de verschillende locaties waar de ene soort en de anders soort hars door [A] werden opgeslagen en de kleur van de hars die bij verbulking zichtbaar is. De uiterlijke verschijningsvorm is zo verschillend en in het oog springend dat het de vraag is of een instructie om daarop te letten nodig is. Verder kan niet kan worden gezegd dat het niet geven van de instructie verwisseling in de hand werkt.

4.8

Tot slot kan de verwijzing van Océ naar HR 5 september 2008, NJ 2008/480, HR 18 juni 2004, NJ 204/585, HR 21 december 2001, JOR 2002/45 en rechtbank Utrecht 12 november 2008, NJF 2009/55 haar niet baten. De daarin aan de orde zijnde feiten en omstandigheden, de hoedanigheden van partijen en de partijverhoudingen verschillen op relevante onderdelen met die die in deze zaak aan de orde zijn. In dit verband acht de rechtbank relevant dat hier sprake is van twee zakelijke partijen, dat de PD-voorwaarden zijn opgenomen in de LSO die het resultaat is van een aanbesteding door Océ – die de inhoud daarvan en dus ook de toepasselijkheid van de PD-voorwaarden dus heeft bepaald – en dat de onderhavige zaak – anders dan de door Océ genoemde voorbeelden – betrekking heeft op physical distribution, met onder meer opslag en vervoer over de weg, waarbij het vergaand beperken van aansprakelijkheid, zeker als het gaat om gevolgschade, te doen gebruikelijk is.

4.9

Het voorgaande, gevoegd bij het gegeven dat gesteld noch gebleken is dat partijen een ander maximum bedrag zijn overeengekomen, leidt tot de conclusie dat de aansprakelijkheid van [A] op grond van artikel 4 lid 4 van de PD-voorwaarden is beperkt tot € 618. [A] Beheer is op grond van de door haar afgegeven aansprakelijkheidsverklaring eveneens (hoofdelijk) aansprakelijk voor dit bedrag. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De andere geschilpunten kunnen onbesproken blijven.

4.10

Océ wordt als overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [A] cs veroordeeld, die tot aan deze uitspraak worden begroot op € 7.829, te weten € 3.829 aan griffierecht en € 4.000 aan kosten voor de advocaat (2 punten tarief VI).

5 De beslissing

De rechtbank

3.1

veroordeelt [A] cs hoofdelijk – des dat de één betalende in zover de ander bevrijdt – tot betaling aan Océ van € 618, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf twee weken na betekening van dit vonnis;

3.2

veroordeelt Océ in de proceskosten van [A] cs, die tot aan deze uitspraak worden begroot op € 7.829;

3.3

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.4

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Alwin en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2015.