Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:6452

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-05-2015
Datum publicatie
05-06-2015
Zaaknummer
13_32872VK
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verblijfsvergunning regulier 'medische behandeling.'

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 66a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/229
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

zaaknummer: AWB 13/32872

Uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

van Angolese nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder, (onder verweerder wordt tevens verstaan de rechtsvoorganger(s) van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie).

Het procesverloop

Op 13 september 2010 heeft eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ aangevraagd. Bij besluit van 14 februari 2012 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen.

Daartegen heeft eiser op 21 februari 2012 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 28 maart 2012 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 2 april 2012 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit. Bij uitspraak van 22 januari 2013 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep ongegrond verklaard (registratienummer AWB 12/11058).

Bij besluit van 13 november 2012 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar, gerekend vanaf de datum dat eiser Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.

Op 14 november 2012 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit. De openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 5 februari 2013.

Bij brief van 18 februari 2013 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en het beroep doorverwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank. Vervolgens heeft de rechtbank partijen bij brief van 26 augustus 2013 geïnformeerd dat het beroep is doorgestuurd naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling).

Eiser heeft tegen voornoemde uitspraak van 22 januari 2013 hoger beroep ingesteld bij de Afdeling. Bij uitspraak van 23 december 2013 (zaak nr. 201301691/1/V4, www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van 22 januari 2013 vernietigd, het ingestelde beroep tegen de afwijzing van de aanvraag tot een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ niet-ontvankelijk verklaard en het beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, naar de rechtbank terugverwezen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 13 januari 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A. Wildeboer.

De zaak is gevoegd behandeld met de zaken met registratienummers AWB 14/7087, 14/27918 en 14/27920. Na de zitting is de gevoegde behandeling weer gesplitst.

Bij brief van 10 februari 2015 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder opgedragen de brief van de Reinier van Arkelgroep van 26 augustus 2013 voor te leggen aan het Bureau Medische Advisering (hierna: BMA). Bij brief van 27 februari 2015 heeft verweerder de reactie van het BMA van 20 februari 2015 aan de rechtbank doen toekomen. Namens eiser is hierop bij brief van 8 april 2015 gereageerd.

Nadat partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, heeft de rechtbank bepaald dat nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. In verband daarmee heeft de rechtbank het onderzoek gesloten bij brief van 29 april 2015.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), dient de rechtbank het bestreden besluit - de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen - te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. De rechtbank overweegt onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 18 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:638) en 9 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:298) dat een vreemdeling tegen wie verweerder een inreisverbod met de rechtsgevolgen bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) heeft uitgevaardigd, zolang dat inreisverbod voortduurt en dus stand houdt, geen belang heeft bij beoordeling van het beroep gericht tegen de afwijzing van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier. Hiermee heeft de Afdeling een uitleg gegeven aan artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000.

Zoals de Afdeling verder heeft overwogen in voormelde uitspraken van 18 februari 2014 en 9 juli 2013 kan in het kader van de toetsing van een zwaar inreisverbod ten volle aan de orde worden gesteld of een vreemdeling voldoet aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning. Verweerder moet bij uitvaardiging van een zwaar inreisverbod met inachtneming van alle relevante feiten en omstandigheden een afweging maken tussen het algemeen belang dat wordt gediend met het beschermen van de openbare orde of veiligheid, de nationale veiligheid en de internationale betrekkingen en het individuele belang van een vreemdeling bij verblijfsaanspraken in Nederland, dan wel bescherming tegen uitzetting (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2539). Indien uit de toetsing van die afweging volgt dat de vreemdeling aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning voldoet, is daarmee in beginsel gegeven dat een tegen hem uitgevaardigd inreisverbod niet in stand kan blijven. Gelet hierop zal de rechtbank in het kader van het beroep tegen het inreisverbod toetsen of eiser voldoet aan de vereisten voor de door hem aangevraagde verblijfsvergunning regulier.

3. Zoals hiervoor overwogen moeten de gronden van eiser gericht tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ in het kader van het beroep tegen het inreisverbod worden besproken. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

4. Eiser heeft op 11 september 2000 een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Deze aanvraag is laatstelijk bij besluit van 12 december 2005 afgewezen, waarbij hem artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen. Bij uitspraak van 27 juli 2006 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Breda (registratienummers AWB 06/1195 en 06/1193), het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Afdeling heeft het door eiser ingediende hoger beroep bij uitspraak van 7 november 2006 (zaak nr. 200606373/1, www.raadvanstate.nl) ongegrond verklaard. De tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is derhalve in rechte vast komen te staan.

5. Verweerder heeft de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ afgewezen en heeft daaraan het volgende, kort samengevat, ten grondslag gelegd. Gezien het besluit van 12 december 2005 staat vast dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) staat in dit geval aan verlening van een vergunning tot verblijf in de weg. In het geval van eiser is niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan aanleiding bestaat de aanvraag toch in te willigen, aldus verweerder.

6. Eiser kan zich hiermee niet verenigen. Op hetgeen hij in dit verband heeft aangevoerd zal, voor zover van belang, in het navolgende worden ingegaan.

7. Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden afgewezen indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.

Regels over de toepassing van deze afwijzingsgrond staan in het Vb 2000. Ingevolge artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb kan 2000 kan de aanvraag tot een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, op grond van artikel 16, eerste lid onder d, van de Vw 2000 worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag.


In de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) heeft verweerder beleidsregels over de toepassing van deze bepaling vastgesteld. Volgens paragraaf B1/4.4.1, van de Vc 2000, zoals deze luidde ten tijde van belang, wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 afgewezen, indien er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen, als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Een (strafrechtelijke) veroordeling is daarbij niet noodzakelijk.

Ingevolge artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

8. Nu de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag in rechte is komen vast te staan kon verweerder, ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d van de Vw 2000 en artikel 3.77, eerste lid aanhef en onder a van de Vb 2000 de aanvraag van eiser afwijzen wegens gevaar voor de openbare orde.

9.
Vervolgens ligt de vraag voor of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan verweerder van het in paragraaf B1/4.4.1. van de Vc 2000 gevoerde beleid zou moeten afwijken.

10. Verweerder heeft bij zijn oordeel dat van zulke bijzondere omstandigheden geen sprake is, onder verwijzing naar het advies van het BMA van 25 maart 2011, onder meer betrokken dat eiser ernstige psychische klachten heeft en dat het staken van de behandeling tot een medische noodsituatie op korte termijn kan leiden, maar dat eiser wel in staat is om te reizen en dat de behandelmogelijkheden in Angola voldoende zijn, waardoor er geen reel risico is voor een situatie die in strijd is met artikel 3 van het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). De gezinssituatie van eiser in Nederland vormt evenmin een bijzondere omstandigheid die noopt tot afwijking van het beleid, aldus verweerder. De omstandigheid dat eisers oudste dochter, [dochter], sinds 28 december 2010 wordt vermist, betreft weliswaar een bijzondere omstandigheid, maar die weegt niet zo zwaar dat eiser om die reden verblijf dient te worden toegestaan.

11. Verweerder heeft zijn standpunt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan eiser, in afwijking van het ter zake geldende beleid, verblijf dient te worden toegestaan, onder meer gebaseerd op het eerdergenoemde advies van het BMA van 25 maart 2011. Uit vaste jurisprudentie ter zake volgt dat een BMA-advies kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies van verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient een dergelijk advies op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding, voor zover mogelijk en verantwoord, van de bronnen, waaraan deze is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

12. Eiser heeft betoogd dat verweerder ten onrechte geen actueel medisch advies heeft ingewonnen, nu het afwijzende besluit van 14 februari 2012 gebaseerd was op een BMA-advies dat op dat moment ongeveer elf maanden oud was. Het BMA-advies werd namelijk uitgebracht op 25 maart 2011. Dit komt niet overeen met het Protocol van het BMA waaruit blijkt dat het BMA in het algemeen adviseert geen beslissingen te nemen op een medisch advies ouder dan zes maanden. Dit klemt te meer nu de medische situatie van eiser sinds het uitbrengen van het BMA-advies van 25 maart 2011 is veranderd. Op 28 december 2010 is de oudste dochter van eiser vermist geraakt. Hierna is de gezinstherapie van eiser en zijn gezin, welke in mei 2010 is aangevangen, veel intensiever geworden. Dit komt in het BMA-advies van 25 maart 2011 onvoldoende aan bod. Zulks blijkt ook uit de reactie van de behandelaars van Stichting Centrum ’45 van 6 april 2011 naar aanleiding van het BMA-advies van 25 maart 2011, waarin de behandelaars stellen dat het BMA ten onrechte geen melding maakt van de gezinstherapie die eiser en zijn familie volgen. De intensivering van de gezinstherapie wordt eveneens benoemd in de brieven van Stichting Centrum ’45 van 10 februari 2012 en 5 maart 2012. Gelet op deze intensivering heeft het BMA ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de beschikbaarheid van dergelijke therapie in het land van herkomst, aldus eiser. Bovendien is de afwezigheid van mantelzorg ten onrechte niet meegewogen door het BMA.

13.
De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat verweerder zich baseert op een BMA-advies van meer dan zes maanden oud, onvoldoende is om te concluderen dat het BMA-advies onjuist of onvolledig is. Zoals het BMA-protocol van 2010 vermeldt en zoals ook staat vermeld in de standaardtekst onderaan BMA-adviezen is in het kader van de zes maanden termijn relevant of binnen deze zes maanden is aangetoond dat de medische situatie en/of de medische behandeling van betrokkene wezenlijk is veranderd. In dat geval wordt een nieuw adviesverzoek aanbevolen.

De rechtbank stelt vast dat eiser niet de medische informatie heeft overgelegd die ten grondslag ligt aan het BMA-advies van 25 november 2011, hetgeen voor rekening en risico van eiser komt. Bij gebreke van wetenschap over de informatie waarop het BMA zich heeft gebaseerd, is er geen grond voor het oordeel dat het BMA is uitgegaan van onvolledige of onjuiste gegevens. In het verlengde hiervan is er ook geen grond voor het oordeel dat de medische situatie van eiser sinds het BMA-advies zodanig is gewijzigd dat verweerder het BMA had moeten vragen om een nieuw advies uit te brengen. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat ook in het geval eiser gevolgd zou worden in zijn betoog dat het BMA-advies van 25 november 2011, gelet op de door hem aangehaalde brieven van zijn behandelaars, onjuist dan wel onvolledig zou zijn, dit niet tot een ander oordeel zou leiden. Verweerder heeft in het kader van het aan eiser opgelegde inreisverbod aan het BMA een nieuw advies gevraagd, welk advies het BMA op 5 november 2012 heeft uitgebracht. Nu aan dit advies onder meer een brief van de behandelaars van eiser van 19 september 2012 ten grondslag ligt waarin de door eiser gevolgde gezinstherapie expliciet wordt benoemd en de gezinsproblematiek wordt toegelicht door J. Bala, psychotherapeut en het BMA in deze brief geen reden heeft gezien om aan te nemen dat de medische situatie van eiser is gewijzigd, kan het betoog van eiser ook hierom niet slagen.

14. Voorts heeft eiser betoogd dat het BMA zich ten onrechte niet heeft uitgelaten over de door de behandelaars van eisers geuite contra-indicaties ten aanzien van de effectiviteit van de behandeling in het land van herkomst. In dit verband heeft eiser wederom gewezen op de brieven van de behandelaars van eiser Stichting Centrum ’45 van 6 april 2011, 10 februari 2012 en 5 maart 2012. Nu verweerder deze brieven ten onrechte niet aan het BMA heeft voorgelegd is het besluit van 28 maart 2012 onvoldoende zorgvuldig voorbereid, aldus eiser.

15. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (de rechtbank wijst in dit verband op de uitspraken van 20 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU9578 en 18 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4268) volgt dat de arts van het BMA zich in het advies gemotiveerd moet uitlaten over de vraag of, in aanmerking genomen de aard en het ontstaan van de psychische klachten, aanleiding bestaat te twijfelen over de effectiviteit voor de vreemdeling van de verkrijgbare medische behandeling of te leveren zorg in het land van herkomst, indien de medische behandelaars van de vreemdeling hun oordeel over de noodzaak van een veilige behandelomgeving hebben toegespitst op de aard en het ontstaan van de psychische klachten van de vreemdeling en de daarop betrekking hebbende omstandigheden. Nu de behandelaars van eiser in de door eiser aangehaalde brieven niet geconcretiseerd hebben welke gebeurtenissen uit het verleden de klachten van eiser hebben veroorzaakt en evenmin hoe concreet die gebeurtenissen thans aan een effectieve voortzetting van de behandeling in het land van herkomst in de weg zouden staan, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voornoemde brieven niet aan het BMA heeft hoeven voorleggen. De beroepsgrond slaagt niet.

16. Ten aanzien van eisers stelling dat verweerder geen duidelijkheid heeft verschaft of een gespecialiseerde verpleegkundige met eiser mee kan reizen en de verwijzing in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BH4185) overweegt de rechtbank als volgt. In de zaak waarop de betreffende Afdelingsuitspraak betrekking heeft, was reizen volgens het BMA-advies niet mogelijk, tenzij voorafgaand aan de reis was geregeld en gegarandeerd dat een directe fysieke overdracht aan een arts (op het vliegveld) in aansluiting op de reis en vervolgens continuering van de medische behandeling in een medische instelling dan wel door een medische behandeling ter plekke plaats zou vinden. In onderhavige zaak daarentegen, heeft het BMA zich in het advies van 25 maart 2011 op het standpunt gesteld dat eiser wél in staat wordt geacht te reizen, maar dat daarbij enige medische voorzieningen noodzakelijk zijn, namelijk dat eiser tijdens de reis begeleid wordt door een sociaal psychiatrisch verpleegkundige en dat eiser tijdens de reis zijn medicatie moet kunnen gebruiken. Naar het oordeel van de rechtbank kan aldus in deze zaak niet gesproken worden van een voorbehoud als in voornoemde uitspraak van de Afdeling.
De stelling dat ten onrechte niet van een dergelijk voorbehoud kan worden gesproken, nu in het BMA-advies van 25 maart 2011 onterecht niet de medische reisvoorwaarde van overdracht aan een psychiater is voorgeschreven, leidt evenmin tot het oordeel dat het advies onzorgvuldig, onvolledig of niet-inzichtelijk is. Uit het advies blijkt immers niet dat de medische behandeling direct na aankomst gecontinueerd moet worden. Gelet hierop en op het feit dat uit het BMA-advies blijkt dat behandeling in Angola in medisch-technische zin beschikbaar is, faalt het betoog dat het advies op dit punt gebreken vertoont. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat de behandelaars van eiser in bovengenoemde brieven van 6 april 2011, 10 februari 2012 en 5 maart 2012 in hun reactie op het advies evenmin stellen dat een dergelijke reisvoorwaarde noodzakelijk is.

17. In het gezinsleven van eiser heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank evenmin een bijzondere omstandigheid hoeven zien om van het gevoerde beleid af te wijken. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat geen van de gezinsleden van eiser in Nederland rechtmatig verblijf heeft. De rechtbank wijst er in dit verband op dat het beroep tegen de afwijzing van de aanvragen van de kinderen en vrouw van eiser om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘regeling langdurig verblijvende kinderen’ bij uitspraak van 17 februari 2015 door deze rechtbank en zittingsplaats ongegrond is verklaard (registratienummer AWB 14/7087). Bovendien komt het langdurig verblijf in Nederland voor een groot gedeelte voor rekening en risico van eiser nu reeds bij besluit van 12 december 2005 aan eiser artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen, welke tegenwerping sinds voornoemde uitspraak van de Afdeling van 7 november 2006 in rechte is komen vast te staan. In de omstandigheid dat [dochter], sinds december 2010 vermist is, heeft verweerder evenmin aanleiding hoeven zien om eiser hier te lande verblijf toe te staan. Verblijf hier te lande kan daarin immers geen verandering brengen.

18. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er in dit geval geen bijzondere omstandigheden zijn die maken dat van de beleidsregel moet worden afgeweken.

19. Resteert het betoog van eiser dat hij in de bezwaarfase ten onrechte niet is gehoord, mede gelet op de in bezwaar overgelegde brieven van Stichting Centrum ’45 en de melding van het Algemeen Meldpunt Kindermishandeling van 23 januari 2012.

Van het horen mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.

Gelet op de inhoud van het bezwaarschrift doet een dergelijke situatie zich hier voor. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser in de gronden van bezwaar van 8 mei 2012 geen melding heeft gemaakt van de melding van het Algemeen Meldpunt Kindermishandeling. Bovendien heeft eiser in de gronden van bezwaar slechts verwezen naar de brief van Stichting Centrum ’45 van 5 maart 2012, in welke brief, gelet op het hiervoor overwogene, verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het BMA-advies van 25 maart 2011.

20. Met betrekking tot het inreisverbod voor de duur van tien jaar overweegt de rechtbank als volgt.

21. Verweerder heeft een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar, op grond van artikel 66a, eerste lid, onder b, en zevende lid, onder c, van de Vw 2000 en artikel 6.5a, vijfde lid, onder c, van het Vb 2000, omdat op eiser artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser in dit kader geen geslaagd beroep kan doen op artikel 8 van het EVRM. Naar de mening van verweerder is evenmin sprake van humanitaire of andere redenen zoals bedoeld in het achtste lid van artikel 66a van de Vw 2000 en artikel 6.5 van het Vb 2000, op grond waarvan dient te worden afgezien van het uitvaardigen van een inreisverbod, dan wel de duur daarvan te verkorten.

22. Eiser heeft, onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam van 28 augustus 2012 (ECLI:NL:RBSGR:2012:BX8698), allereerst betoogd dat in het bestreden besluit ten onrechte een beroepsclausule is opgenomen. Dit betoog slaagt niet. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (de rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ0506, waarin de Afdeling het hoger beroep tegen voornoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam gegrond heeft verklaard en deze uitspraak heeft vernietigd) volgt immers dat tegen een inreisverbod, als bedoeld in artikel 66a, eerste of tweede lid, van de Vw 2000, dat, zoals in de onderhavige procedure, door middel van een zelfstandige beschikking is uitgevaardigd, rechtstreeks beroep dient te worden ingesteld.

23. Ten aanzien van de duur van het inreisverbod van tien jaar heeft eiser, kort samengevat, aangevoerd dat verweerder niet nader heeft gemotiveerd in hoeverre eiser een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, hoewel verweerder daartoe, gelet op artikel 11, tweede lid, van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de Terugkeerrichtlijn), gehouden is.

24. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 20 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2558) dienaangaande het volgende overwogen. Uit de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag blijkt dat de ernst van de vreemdeling verweten gedragingen door de internationale gemeenschap is onderkend en is vastgelegd in het internationale recht. Voorts is in artikel 17, tweede lid, van Richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming vastgelegd dat gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag leiden tot uitsluiting van subsidiaire bescherming. Aldus is sprake van een werkelijke en ernstige bedreiging voor de openbare orde. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde en dat hem op grond daarvan een inreisverbod kan worden opgelegd voor de duur van tien jaar. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.

25. Het betoog van eiser dat de Terugkeerrichtlijn geen grondslag biedt voor de stelling dat de duur van het inreisverbod een aanvang neemt vanaf het moment dat de vreemdeling Nederland heeft verlaten dient, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ2434) eveneens te falen.

26. Voorts heeft eiser betoogd dat verweerder, gelet op zijn medische omstandigheden had dienen af te zien van het uitvaardigen van een inreisverbod dan wel de duur daarvan te verkorten.

27. Verweerder heeft zich omtrent de medische omstandigheden van eiser laten adviseren door het BMA. Op 5 november 2012 heeft het BMA een medisch advies uitgebracht. Uit dit advies blijkt dat eiser last heeft van psychische klachten in het kader van een chronische posttraumatische stressstoornis en een ernstige depressieve stoornis. Eiser staat onder behandeling van een psychiater en de huisarts. De behandeling bestaat uit medicatie en sociaal psychiatrische begeleiding. Bij het uitblijven van medische behandeling wordt een medische noodsituatie op korte termijn verwacht. Uitgaande van de juistheid van de therapiemogelijkheden in het land van herkomst concludeert het BMA dat behandeling aanwezig is in het land van herkomst. Eiser wordt in staat geacht te reizen, indien hij tijdens de reis het gebruik van zijn medicatie voortzet. Bovendien dient hij te worden begeleid door een psychiatrisch verpleegkundige. Gelet op het voorgaande staat de gezondheidssituatie van eiser niet in de weg aan het opleggen van een inreisverbod, aldus verweerder.

28. Eiser heeft in dit kader betoogd dat verweerder hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om, voorafgaand aan het bestreden besluit, een reactie te geven op het aan het besluit ten grondslag gelegde advies van het BMA van 5 november 2012.

Verweerder heeft zich dienaangaande op het standpunt gesteld dat, omdat het advies inhoudelijk nauwelijks afwijkt van eerdere ten behoeve van eiser opgestelde adviezen van het BMA, hij eiser niet hoefde te laten reageren.

29. Niet in geschil is dat verweerder eiser niet voorafgaande aan het bestreden besluit in kennis heeft gesteld van het BMA-advies van 5 november 2012. Nu het advies van aanmerkelijk belang is geweest voor het nemen van voornoemd besluit is de rechtbank van oordeel dat dit besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Dat er volgens verweerder sprake is van een nauwelijks gewijzigd advies maakt dit, wat hier ook van zij, niet anders. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraken van de Afdeling van 6 juni 2011 (ECLI:NL:RVS:2011: BQ7866) en 9 maart 2011 (ECLI:NL:RVS:BP7500). Derhalve is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit wegens strijdigheid met artikel 3:2 van de Awb voor vernietiging in aanmerking.
Nu eiser, onder meer met de in beroep overgelegde brief van de behandelaars van eiser van Stichting Centrum ’45 van 21 maart 2013 alsnog een reactie heeft gegeven op het advies ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daartoe overweegt zij het volgende.

30. Eiser heeft betoogd dat het advies gebaseerd is op onvolledige informatie.

Daartoe heeft eiser allereerst aangevoerd dat in het BMA-advies van 5 november 2012 ten onrechte niet de door eiser gevolgde gezinstherapie en de verdwijning van [dochter] zijn betrokken. De rechtbank stelt vast dat het BMA-advies, onder meer, is gebaseerd op brieven van de behandelaars van eiser van Stichting Centrum ’45 van 10 februari 2012 en 19 september 2012. In beide brieven komt de door eiser gevolgde gezinstherapie en de gezinsproblematiek, mede in relatie tot de vermissing van [dochter], aan bod. Gelet hierop kan het betoog van eiser niet slagen. Dat in het BMA-advies abusievelijk staat vermeld dat zij geen informatie van gezinstherapeut J. Bala hebben ontvangen, maakt dit niet anders nu voornoemde brief van 19 september 2012, waaraan voornoemde therapeut een bijdrage heeft geleverd, door het BMA is meegenomen in het advies van 5 november 2012.
Voor zover eiser heeft betoogd dat verweerder het BMA om een standpunt had dienen te vragen aangaande mantelzorg stelt de rechtbank voorop dat de omstandigheid dat de medisch adviseur in het BMA-advies niet te kennen heeft gegeven dat eiser niet afhankelijk is van mantelzorg, niet betekent dat hij niet heeft beoordeeld of dat het geval is. Nu eiser niet heeft gestaafd dat er voor hem in Angola geen mantelzorgnetwerk beschikbaar is, heeft verweerder zelf geen onderzoek naar die stelling hoeven doen. De rechtbank wijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 6 april 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BI1582).

31. Eiser heeft verder aangevoerd dat het BMA zich alleen in algemene bewoordingen over de geuite contra-indicaties ten aanzien van de effectiviteit van de behandeling heeft uitgelaten. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2012 (zaak nr. 201007335/1/V3, www.raadvanstate) en de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna: CTG) van 10 februari 2011 (JV 2011/170), heeft eiser betoogd dat niet is voldaan aan de eisen die op dit punt aan het BMA-advies worden gesteld.

32. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 17 oktober 2012 (zaak nr. 201104659/1/V2, www.raadvanstate.nl) heeft overwogen, volgt uit de jurisprudentie van het CTG (onder meer de beslissing van 27 april 2010, in zaak nr. C2009/105 en de beslissing van 15 maart 2011, in zaak nr. C2010/126 (www.overheid.nl)), dat het BMA bij het uitbrengen van een advies aan verweerder omtrent de medische situatie van een vreemdeling, indien en voor zover de door een behandelaar van de desbetreffende vreemdeling verstrekte informatie daartoe aanleiding geeft, dient te beoordelen of die informatie, mede gezien de reeds uit het dossier bekende gegevens over de medische situatie van de vreemdeling, aanleiding geeft tot gerede twijfel over de effectiviteit van de in het algemeen verkrijgbare medische behandeling of te leveren zorg in het land van herkomst dan wel het land waarnaar de vreemdeling wordt verwijderd, met name gelet op de aard van het trauma en de omstandigheden waaronder dat is veroorzaakt, althans gelet op die omstandigheden waaromtrent het BMA wel kan worden geacht zich uit te laten. Daarbij dient het BMA, voor zover nader onderzoek niet mogelijk is, in zijn advies dan wel nota in ieder geval melding te maken van die gerede twijfel.

33. In het BMA-advies van 5 november 2012 heeft de arts op de vraag omtrent de aanwezigheid van behandelmogelijkheden in Angola opgemerkt dat – uitgaande van de juistheid van de beschikbare informatie – de voor eiser relevante therapiemogelijkheden in het land van herkomst, dan wel het land van eventuele verwijdering, in medisch-technische zin in voldoende mate aanwezig zijn. Voorts heeft het BMA het standpunt ingenomen dat het geen medisch gefundeerde uitspraak kan doen over een gevoel van onveiligheid met betrekking tot de behandelomgeving, nu deze gevoelens subjectief zijn en medisch gezien niet objectiveerbaar.

34. In de brief van de Reinier van Arkelgroep van 26 augustus 2013 hebben de behandelaars in reactie op het BMA-advies van 5 november 2012, voor zover van belang, het volgende verklaard:

“Patiënt heeft in zijn gedwongen dienstperiode van 7 jaar veel leed gezien, martelingen en doden meegemaakt. Zijn oom is door de rebellen gedood, net als zijn vader en broers. Deze verliezen en gebeurtenissen zijn nog dagelijks in zijn gedachten. Zoals beschreven is patiënt zeer angstig en ontwikkeld vanuit die angst waanachtige ideeën en achterdocht die o.a. zullen worden aangejaagd als patiënt wordt geconfronteerd met mensen of instanties uit Angola. Met name geüniformeerden vormen een zeer sterke prikkel voor herbelevingen. (…) Deze ervaringen bepalen dat patiënt met een hoog non-veiligheidsgevoel worstelt en in contact met landgenoten altijd angstig is omdat op het eerste gezicht de politieke en etnische aard van mensen niet bekend is. Dat maakt dat een therapeut of arts, in geval dat patiënt in Angola behandeld zou worden, in het eerste contact voor patiënt direct een trigger zou kunnen vormen en als therapeut zelf de aanjager zou kunnen zijn van PTSS symptomen. Hierdoor wordt behandeling onmogelijk.”

35. De rechtbank heeft in deze brief aanleiding gezien het onderzoek te heropenen en verweerder op te dragen de brief van 26 augustus 2013 aan het BMA voor te leggen. Het BMA heeft naar aanleiding van de brief van 26 augustus 2013 in zijn nota van 20 februari 2015 over de noodzaak van een veilige behandelomgeving, voor zover van belang, het volgende opgemerkt:

“U vraagt de arts van de BMA zich ervan te vergewissen dat de behandelomgeving veilig is. Dit is een vraag die geen arts kan beantwoorden, ook de behandelaar niet. Dit valt immers buiten ons deskundigheidsterrein. Wat we kunnen beantwoorden is of behandeling aanwezig is en of behandeling van een aandoening mogelijk is. Er wordt een fysieke overdracht geadviseerd in laatst genoemde rapport (14-10-2014). De psycholoog geeft nu aan dat als cliënt geconfronteerd wordt met een psychiater van een zekere etnische achtergrond, dit een trigger vormt en dat deze trigger reden is voor een niet behandelbaar zijn door de betreffende psychiater. Het lijkt me dat een psychiater, die bekend is met het betreffende ziektebeeld, in staat is om te bepalen hoe hij moet handelen en vooral hoe hij moet behandelen. In geval het zien van een psychiater tot een reactie leidt, dan zal de psychiater een daarop gerichte behandelactie in kunnen zetten. Niet ingezien wordt dat daarmee de gehele behandeling van cliënt onmogelijk is. Wellicht komt er een tijdelijke terugval, die het herstel vertraagt, maar daar waar cliënt in handen is van een behandelend psychiater zal deze in staat zijn te voorkomen dat cliënt in levensgevaar komt als gevolg van zijn ziekteverschijnselen.
Het niet behandeld kunnen worden als er sprake is van een reactie naar aanleiding van een trigger die een behandelend psychiater zou kunnen veroorzaken laat ik voor rekening van de psycholoog. Dit betreft een veronderstelling op een veronderstelling. Er is voor ondergetekende geen aanleiding op voorhand te veronderstellen dat de aandoening elders niet behandeld kan worden.”

In zijn algemeenheid merkt het BMA voorts nog het volgende op:

“Wat betreft het aangedragen standpunt dat een veilig ervaren behandelomgeving in het land van herkomst een belangrijke behandelvoorwaarde is voor de effectiviteit van de behandeling, het volgende: Het is medisch gezien niet te objectiveren en te voorspellen hoe iemand zich in de toekomst na een eventuele terugkeer zou gaan voelen. Speculatie daarover past niet in een objectief professioneel medisch advies, anders wordt in strijd gehandeld met de zorgvuldigheidseis (dat de gronden steun moeten vinden in de feiten, omstandigheden en bevindingen). Wat betreft het regelmatig aangedragen standpunt dat het opbouwen van een vertrouwensband met een behandelaar in het land van herkomst niet mogelijk zou zijn en die vertrouwensband een belangrijke voorwaarde is voor de effectiviteit van de behandeling, het volgende: De aard van een toekomstige vertrouwensband tussen behandelaars in het land van herkomst en betrokkenen zijn onmogelijk van te voren te voorspellen: dat hangt van vele subjectieve factoren af. Dat geldt overigens ook voor het voorspellen van de aard van een toekomstige vertrouwensband met een volgende behandelaar in Nederland.”

36. Gezien de in rechtsoverweging 32 genoemde beslissingen van het CTG, die de rechtbank hier als uitgangspunt neemt, kon het BMA in de aanvullende nota volstaan met de algemene opmerkingen dat het medisch gezien niet te objectiveren en te voorspellen is hoe iemand zich in de toekomst na eventuele terugkeer gaat voelen en de aard van een toekomstige vertrouwensband tussen eiser en de behandelaars evenmin van te voren is te voorspellen nu dit afhankelijk is van verschillende subjectieve factoren. Daarbij is in aanmerking genomen dat de behandelaars in de brief van 26 augustus 2013 weliswaar hebben vermeld dat gebeurtenissen die zich in het verleden hebben voorgedaan in het land van herkomst de klachten van eiser hebben veroorzaakt, maar het BMA het betoog van de behandelaars dat een effectieve voorzetting van de behandeling van de klachten van eiser in zijn gehele land van herkomst onmogelijk is, gemotiveerd heeft weerlegd. Deze weerlegging hebben de behandelaars niet weersproken. Gelet hierop kan het betoog van eiser dat verweerder in zijn besluitvorming ten onrechte geen consequenties heeft verbonden aan de omstandigheid dat het BMA de vraag of in het land van herkomst sprake is van een veilige behandelomgeving niet kan beantwoorden, niet slagen.
Daarbij merkt de rechtbank nog op dat de enkele stelling dat de vreemdeling in het land van herkomst traumatische ervaringen heeft opgedaan en na terugkeer de aanwezige klachten zullen verergeren, volgens vaste jurisprudentie van het CTG (onder meer de beslissing van 18 september 2012 in zaaknr. C2011/244 (JV 2012/244) onvoldoende is. De beroepsgrond slaagt niet.

37. Voorts heeft eiser betoogd dat het BMA-advies van 5 november 2012 niet-inzichtelijk is nu het BMA ten onrechte niet de reisvoorwaarde van fysieke overdracht aan een psychiater stelt, terwijl bij stopzetting van de behandeling een medische noodsituatie op korte termijn wordt verwacht. De rechtbank stelt vast dat eiser deze beroepsgrond reeds heeft aangevoerd met betrekking tot het BMA-advies van 25 maart 2011. Nu de conclusies van voornoemde BMA-adviezen op dit punt gelijkluidend zijn, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel en volstaat met een verwijzing naar het onder rechtsoverweging 16 overwogene. Dat de behandelaars in de brieven van 21 januari 2013 en 26 augustus 2013, in tegenstelling tot in de procedure omtrent de aanvraag om een verblijfsvergunning, naar aanleiding van het BMA-advies van 5 november 2012 wél hun zorgen uitten omtrent de overdracht van de behandeling van eiser in zijn land van herkomst maakt dit niet anders. Niet is gebleken dat deze brieven zijn gebaseerd op medische gegevens, waarmee de adviseur niet bekend was op grond van de door hem, onder andere bij deze behandelaars, ingewonnen informatie. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat uit de brieven alleen is gebleken van een verschil van inzicht tussen de behandelaar van eiseres en de adviseur van het BMA over de aan dezelfde gegevens te verbinden conclusie. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt dit verschil van inzicht niet de conclusie dat het onderzoek van het BMA onzorgvuldig of onvolledig is geweest. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2507).

38. Eiser heeft in beroep verder aangevoerd dat verweerder het bestreden besluit niet heeft kunnen baseren op het BMA-advies van 5 november 2012 nu de informatie die aan dit advies ten grondslag ligt inmiddels bijna twee jaar oud is en de medische situatie van eiser is verslechterd. In dit kader heeft eiser nieuwe medische informatie overgelegd, welke hij ten grondslag heeft gelegd aan zijn aanvraag van 11 juli 2014 om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 en gewezen op het BMA-advies van 14 oktober 2014 dat in het kader van deze aanvraag door het BMA is uitgebracht. De rechtbank kan eiser hierin niet volgen. Gezien de ex-tunc toetsing kan deze aanvraag en de door eiser overgelegde nieuwe medische informatie niet worden betrokken bij de beoordeling van het besluit van 13 november 2012. De rechtbank gaat dan ook aan deze grond voorbij.

Het betoog van eiser dat het BMA ten onrechte geen onderzoek heeft verricht naar de vraag of de benodigde crisisinterventiemogelijkheden in het land van herkomst aanwezig zijn indien de suïcidedreiging van eiser tot een alarmerend niveau stijgt, zoals dat in de zomer van 2014 is gebeurd, kan gelet op het voorgaande, niet slagen. Nu deze stelling buiten het kader van dit geding valt, leidt ook de onderbouwing daarvan met het rapport van de Nationale ombudsman getiteld ‘Zorg over grenzen: Rapport naar aanleiding van een klacht over het Bureau Medische Advisering’ van 19 maart 2015 niet tot een ander oordeel.

39. Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat het BMA-advies van 5 november 2012 niet zorgvuldig tot stand is gekomen dan wel niet inzichtelijk en concludent is, zodat verweerder, door dit aan zijn besluit van 13 november 2012 ten grondslag te leggen, niet in strijd met artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid van de Awb heeft gehandeld. Omdat eiser de conclusies van het BMA-advies van 5 november 2012 niet met een contra-expertise heeft bestreden heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de medische en psychische klachten van eiser geen aanleiding geven voor het afzien of het verkorten van de duur van het inreisverbod.

40.
De ter zitting door gemachtigden van eiser gedane verwijzing naar het arrest Abdida van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 december 2014 (C-562/13) kan eiser evenmin baten, nu de rechtsvragen die in die zaak voorlagen niet relevant zijn voor de onderhavige procedure. In dit arrest werd immers de vraag aan de orde gesteld of een vreemdeling, hangende de beroepsprocedure tegen de afwijzing om een verblijfsvergunning, recht had op noodzakelijke medische zorg. Gesteld noch gebleken is dat eiser, ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Vw 2000, hier te lande geen aanspraak meer kan blijven maken op (noodzakelijke) medisch hulp. De beroepsgrond slaagt niet.

41. Voorts heeft eiser betoogd dat verweerder, gelet op humanitaire omstandigheden, dient af te zien van het uitvaardigen van een inreisverbod. Dienaangaande heeft eiser verwezen naar de bijzondere omstandigheden van zijn gezin. Kort samengevat gaat het om de volgende omstandigheden: de onbestreden zeer lange verblijfsduur van het gezin in Nederland (13 jaar) en de geworteldheid van het gehele gezin. Daar komt nog bij dat [dochter] in december 2010 vermist is geraakt. De impact van haar verdwijning is immens op het gezin en verbindt hen temeer aan Nederland. Hierdoor is het sociale netwerk dat eiser en zijn gezin in Nederland hebben opgebouwd van cruciaal belang. Voornoemde, onbetwiste feiten zijn door verweerder niet kenbaar bij de belangenafweging betrokken, aldus eiser. Deze omstandigheden zijn voorts van belang in het kader van artikel 8 van het EVRM.

42. De rechtbank stelt vast dat de humanitaire omstandigheden die eiser, mede in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft aangevoerd reeds zijn beoordeeld in het kader van het beroep tegen de afwijzing van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’. De rechtbank ziet geen grond voor een ander oordeel en volstaat daarom met een verwijzing naar hetgeen reeds is overwogen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

43. Op grond van het voorstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden aan eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaren heeft opgelegd. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel in stand te laten.

44. Nu het beroep, gelet op rechtsoverweging 29, voor zover gericht tegen het inreisverbod gegrond wordt verklaard, bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, redelijkerwijs heeft moeten maken. Dit zijn de kosten voor beroepsmatige verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 5 februari 2013, 0,5 voor het verschijnen ter nadere zitting van 13 januari 2015 en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze van 8 april 2015 na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 490, wegingsfactor 1 punt). Deze kosten van rechtsbijstand worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 1470.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1470.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, voorzitter, mr. L. van Gijn en mr. A.B. Terlouw, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Gaastra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).