Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:6414

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-05-2015
Datum publicatie
10-06-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 9261
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft onvoldoende re-integratie-inspanningen verricht zonder dat zij daar een deugdelijke grond voor heeft.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/9261

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 mei 2015 in de zaak tussen

[eiseres] te [plaats], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde 1]),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde 2]).

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2014 heeft verweerder aan eiseres een verplichting tot loondoorbetaling tot 26 mei 2015 opgelegd wegens onvoldoende
re-integratieactiviteiten.

Bij besluit van 29 augustus 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2015.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordigers]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. [werknemer] (de werknemer) was als[functie] voor gemiddeld 38 uren per week in dienst bij eiseres toen hij zich op 29 mei 2012 ziek meldde na een ongeval. Op 12 februari 2014 heeft de werknemer een aanvraag ingediend om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

2. Het bestreden besluit berust, samengevat weergegeven, op het standpunt dat de
re-integratie-inspanningen van eiseres ten aanzien van de werknemer na zijn ziekmelding in mei 2012 onvoldoende zijn geweest en dat eiseres voor dat verzuim geen deugdelijke grond heeft. Verweerder heeft om die reden de aanvraag van de werknemer om een uitkering op grond van de Wet WIA niet in behandeling genomen en het tijdvak waarin eiseres loon aan de werknemer moet doorbetalen met 52 weken verlengd. Bij besluit van 7 juli 2014 heeft verweerder de loondoorbetalingsverplichting tot 19 augustus 2014 bekort. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep van eiseres mede betrekking op dit besluit. Nu in het latere besluit de duur van de opgelegde loonsanctie is bekort als gevolg van re-integratie-inspanningen die na de beoordelingsperiode die wordt gehanteerd in het bestreden besluit van 29 augustus 2014 hebben plaatsgevonden, heeft eiseres in deze procedure belang bij een volledige beoordeling van het laatstgenoemde besluit.

3. Eiseres voert, kort samengevat, aan dat zij voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat het feit dat de re-integratieactiviteiten pas in oktober 2013 zijn gestart haar niet te verwijten valt. Voorts stelt eiseres dat verweerder heeft verzuimd bij zijn beslissing ten aanzien van de loonsanctie het oordeel van een verzekeringsarts ten aanzien van de mogelijkheden van de werknemer te betrekken en dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat de stelling van de bedrijfsarts dat de werknemer niet in staat is 20 uren per week te werken, onvoldoende is onderbouwd.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Uit het dossier blijkt dat de werknemer op 20 augustus 2013 een aanvraag heeft ingediend om een uitkering op grond van de Wet WIA. Voor werknemers die na twee jaren ziekte een aanvraag op grond van de Wet WIA indienen, wordt voorafgaand aan de beoordeling van het recht op uitkering door verweerder eerst de zogenaamde Poortwachterstoets uitgevoerd. De grondslag voor deze toets is onder meer te vinden in de artikelen 7:658a en 7:660a van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de artikelen 25 en 65 van de Wet WIA.

5.2

Ingevolge artikel 7:658a, eerste en tweede lid, van het BW is de werkgever verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de werknemer die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen of andere passende arbeid te verrichten. Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en in het bedrijf van de werkgever geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert de werkgever de inschakeling van de werknemer in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever. Op grond van artikel 65 van de Wet WIA beoordeelt het Uwv of de werkgever en werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht.

5.3

In artikel 25, negende lid, van de Wet WIA is onder andere bepaald dat indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 van de Wet WIA en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 van de Wet WIA, blijkt dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, het Uwv het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het BW (…) verlengt, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken. Ter uitvoering van de hiervoor genoemde bepalingen heeft verweerder beleid opgesteld.

5.4

De Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Regeling van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, laatstelijk gewijzigd bij Regeling van 17 oktober 2006; de beleidsregels) geven het beleid weer dat verweerder hanteert bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen als bedoeld in artikel 65 van de Wet WIA. Volgens dit beleid wordt van werkgever en werknemer verwacht dat zij al het mogelijke doen met het oog op re-integratie binnen de grenzen van de redelijkheid. In een geval waarin geen re-integratieresultaat is bereikt, dient te worden beoordeeld of de werkgever en de werknemer samen gedurende de eerste twee jaar van ziekte voldoende inspanningen hebben verricht om de bestaande arbeidsmogelijkheden zo goed mogelijk te kunnen benutten. Van voldoende re-integratie-inspanningen is sprake indien een bevredigend resultaat is behaald. Daarvan is sprake wanneer gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die min of meer aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. Indien er geen bevredigend re-integratieresultaat is bereikt, maar het Uwv de inspanningen van de werkgever op basis van dit beoordelingskader wel voldoende acht, wordt geen loonsanctie opgelegd. Dat is evenmin het geval als het Uwv de re-integratie-inspanningen weliswaar onvoldoende acht, maar tot het oordeel komt dat de werkgever daarvoor een deugdelijke grond heeft. De rechtbank acht dit in de beleidsregels neergelegd beleid niet kennelijk onredelijk of anderszins onaanvaardbaar.

6. Niet in geschil is dat er geen sprake is van een bevredigend resultaat als bedoeld in de beleidsregels. Er is geen sprake van structurele werkhervatting die aansloot bij de functionele mogelijkheden van de werknemer. De rechtbank ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of verweerder terecht en op goede gronden heeft gesteld dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht zonder dat zij daarvoor een deugdelijke grond heeft.

7. De rechtbank stelt vast dat zich geen situatie voordoet als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, waarbij de werknemer niet meer beschikt over duurzaam benutbare mogelijkheden. Van het ontbreken van re-integratiemogelijkheden is dan ook geen sprake. In dit verband wijst de rechtbank erop dat de bedrijfsarts in juni 2013 heeft geoordeeld dat de werknemer functionele mogelijkheden heeft en belastbaar is voor ongeveer 20 uren per week. Het feit dat de bedrijfsarts hierbij heeft opgemerkt dat de duurzaamheid en stabiliteit van de werknemer sterk beperkt zijn en dat hij meestentijds niet continu achtereen actief kan zijn, maakt niet dat er geen sprake is van geen benutbare mogelijkheden.

8.1

In het kader van de Poortwachterstoets is de zaak voorgelegd aan de arbeidsdeskundige van verweerder. In de rapportage van 3 april 2014 heeft de arbeidsdeskundige zich op het standpunt gesteld dat de inspanningen van eiseres in het kader van spoor 2 (re-integratie bij een andere werkgever) onvoldoende zijn geweest. In juli 2013 heeft de externe arbeidsdeskundige aangegeven dat er per direct inzet noodzakelijk was van een re-integratiebureau om betrokkene te begeleiden in spoor 2, waarbij wel rekening gehouden diende te worden met een urenbeperking van 20 uren per week. Pas op 20 oktober 2013 is het traject gestart, hetgeen volgens de arbeidsdeskundige te laat is. De werknemer is begin februari 2014 hervat in werk dat gerelateerd is aan zijn eigen werkgebied maar het betreft geen structurele functie. Eiseres heeft aangegeven dat er binnen spoor 1 geen passende vacatures aanwezig zijn, zodat de werkzaamheden binnen spoor 1 niet tot een baan leiden. Volgens de arbeidsdeskundige mocht van eiseres dan ook worden verwacht dat de re-integratie in spoor 2 de volledige aandacht zou krijgen. Het traject is echter na het advies van de externe arbeidsdeskundige in juli 2013 en het deskundigenoordeel van 19 december 2013 niet of nauwelijks van de grond gekomen. De werknemer heeft tot op het moment van de onderhavige rapportage geen sollicitatieactiviteiten verricht. Eiseres heeft voor voornoemde tekortkoming geen deugdelijke grond, aldus de arbeidsdeskundige.

8.2

In verband met het door eiseres gemaakte bezwaar is de zaak voorgelegd aan de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (b&b). In zijn rapportage van 29 augustus 2014 heeft hij opgemerkt dat in het kader van de Wet verbetering poortwachter een start wordt gemaakt met re-integratie-inspanningen in spoor 2 zodra de noodzaak zich daartoe voordoet en uiterlijk als er ten tijde van de eerstejaars evaluatie nog geen (duurzaam) resultaat is bereikt in spoor 1. In dit geval is het traject ingezet in oktober 2013, hetgeen volgens de arbeidsdeskundige b&b te laat is. De stelling van eiseres dat tijdens de vakantieperiode niet kon worden verplicht tot re-integratieactiviteiten, is onvoldoende om anders te oordelen aldus de arbeidsdeskundige b&b. Voorts is het gevolgde traject terecht door de arbeidsdeskundige als onvoldoende adequaat beoordeeld. Er is tot maart 2014, het moment dat de re-integratieactiviteiten zijn getoetst, nauwelijks sprake geweest van concrete re-integratieactiviteiten. Dit gebrek is eiseres aan te rekenen zodat terecht een loonsanctie is opgelegd.

9. In de Beleidsregels is ten aanzien van de eerstejaarsevaluatie onder meer aangegeven dat aan het eind van het eerste ziektejaar een speciaal evaluatiemoment is ingebouwd. Mocht bijvoorbeeld blijken dat de re-integratie in het eigen bedrijf nog geen resultaten heeft opgeleverd, dan mag worden verwacht dat werkgever en werknemer dan tevens voorbereidingen starten met het oog op re-integratie bij een andere werkgever. Re-integratie-activiteiten met het oog op werk bij een andere werkgever kunnen slechts achterwege blijven als er nog concreet perspectief bestaat op hervatting in het eigen bedrijf. Voorts kan daarvoor aanleiding bestaan als de werknemer (blijvend) geen arbeidsmogelijkheden meer heeft, zo leidt de rechtbank uit de Beleidsregels af.

10. De rechtbank stelt vast dat de werknemer op 29 mei 2012 is uitgevallen. De eerstejaarsevaluatie viel daardoor rond eind mei 2013. Niet is gebleken dat er op dat moment een concreet perspectief op hervatting bij de eigen werkgever bestond. Voorts beschikte de werknemer op dat moment over benutbare mogelijkheden, zodat het zinvol was te starten met spoor 2 (re-integratie bij een andere werkgever). Eiseres had dan ook zo snel mogelijk na eind mei 2013, of in ieder geval na de rapportage van de externe arbeidsdeskundige van juli 2013 waarin wordt geconcludeerd dat per direct een re-integratiebureau ingezet dient te worden om de werknemer te begeleiden in spoor 2, een traject moeten inzetten. Naar het oordeel van rechtbank is het eerst opstarten van een traject in spoor 2 in oktober 2013 te laat. Hierdoor zijn er mogelijk re-integratiekansen gemist. Dat spoor 2 later is opgestart (mede) vanwege de zomervakantie maakt niet dat er een deugdelijke grond is voor het te laat opstarten van spoor 2. Allereerst geldt hierbij dat ook als de werknemer niet verplicht kan worden om re-integratie-activiteiten te ondernemen tijdens de vakantieperiode, dit onverlet laat dat het in zijn belang kan zijn hier desalniettemin – in goed overleg – toe over te gaan. Deze mogelijkheid is niet verkend of geboden door eiseres. Maar voorts geldt dat ook als er van uitgegaan moet worden dat de vakantieperiode niet kon worden aangewend voor re-integratie-activiteiten, dit onverlet laat dat reeds voor de zomervakantie dan wel direct na de zomervakantie gestart had kunnen worden met spoor 2, hetgeen ter zitting ook is beaamd door eiseres. De rechtbank begrijpt dat goed werkgeverschap voor eiseres belangrijk was en dat zij om die reden niet te veel druk heeft willen zetten op het re-integratieproces, maar hierin had naar het oordeel van de rechtbank juist aanleiding moeten bestaan om het traject in spoor 2 zo spoedig mogelijk aan te vangen zodat daarvoor de maximale tijd beschikbaar zou zijn, waarbij geldt dat een tijdig en adequaat re-integratietraject minstens zo belangrijk moet worden geacht in het kader van goed werkgeverschap en het belang van de werknemer.

11. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich reeds op grond van het voorgaande terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres onvoldoende re‑integratie-inspanningen heeft verricht en dat zij daar geen deugdelijke grond voor heeft.

12. Gelet hierop acht de rechtbank het niet nodig om een oordeel te vellen over de vraag of de inspanningen van eiseres na de start van het spoor 2 traject voldoende zijn geweest. Hetgeen overigens door eiseres is aangevoerd leidt de rechtbank dan ook niet tot een ander oordeel.

13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. D. Biever, voorzitter, en mr. drs. H.M. Braam en

mr. drs. J. Smeets, leden, in aanwezigheid van mr. F. Willems-Gerritse, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2015.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.