Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:6346

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
11-06-2015
Zaaknummer
C-09-444144-HA ZA 13-638
Rechtsgebieden
Civiel recht
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

octrooi inbreuk olietanksnijinstallatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BIE 2015/12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rolnummer: C/09/444144 / HA ZA 13-638

Vonnis van 3 juni 2015

in de zaak van

1 [A.],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JET SET HYDROTECHNIEK B.V.,

gevestigd te Wieringerwerf, gemeente Hollands Kroon,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

eisers in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening en het incident ex artikel 843a Rv1,

hierna afzonderlijk te noemen [A.] en Jet Set en gezamenlijk Jet Set c.s.

advocaat mr. M.W. Rijsdijk te Amsterdam,

tegen

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HOFFLAND B.V.,

gevestigd te Zeist,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

2. [B.], handelend onder de naam BRIELLE INDUSTRIE SERVICES,

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

verweerder in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening en het incident ex art. 843a Rv,

hierna afzonderlijk te noemen Hoffland en BIS en gezamenlijk Hoffland c.s.

advocaten respectievelijk: mr. R.S. Schouten te Zeist en mr. A.C.F. Berkhof te Goes.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 6 mei 2013 met producties 1 t/m 26;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van 25 september 2013 met producties 1 t/m 27;

  • -

    de incidentele vordering tot voorlopige voorziening voor de duur van het geding van
    25 september 2013 van Hoffland c.s. met producties 1 t/m 5;

  • -

    de akte houdende vermeerdering van eis van de incidentele vordering tot voorlopige voorziening voor de duur van het geding van 2 oktober 2013 van Hoffland c.s.;

  • -

    de conclusie van antwoord in incident van 9 oktober 2013 met producties 1 t/m 7;

  • -

    de akte overlegging producties van 4 februari 2014 van Hoffland c.s. met producties
    6 t/m 17, alsmede de bij brief van 24 januari 2014 door de advocaat van [B.] ingediende aanvullende stukken ten behoeve van productie 6;

  • -

    de akte overlegging productie van 4 februari 2014 van Jet Set c.s. met productie 8;

  • -

    de faxberichten van 3 februari 2014 van partijen met overzichten van de proceskosten in het incident;

  • -

    het pleidooi in het incident van 4 februari 2014 en de daarbij door partijen voorgedragen en overgelegde pleitnotities;

  • -

    het incidenteel vonnis van 26 februari 2014, zoals aangevuld bij herstelvonnis van
    23 april 2014, waarbij de incidentele vordering is afgewezen en de beslissing over de proceskosten in het incident is aangehouden;

  • -

    de conclusie van repliek in conventie, tevens incidentele conclusie houdende voorlopige voorziening (223 Rv) en vordering tot inzage (843a Rv), tevens akte vermeerdering van eis en van grondslag alsmede conclusie van antwoord in reconventie en akte overlegging producties van 9 april 2014 met producties 27 t/m 36;

  • -

    de akte van 9 april 2014 inzake het depot van een variant snijinrichting ADMAC door de advocaat van Jet Set c.s.;

  • -

    de brief van 16 april 2014 van Jet Set c.s. met de aanvullende productie 37;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening en in het incident ex artikel 843a Rv van 23 april 2014 met producties 1 t/m 5;

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie van 21 mei 2014 met producties 26 t/m 29 (deze nummering overlapt deels met die van de producties bij de conclusie van antwoord);

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie van 9 juli 2014 met productie 38;

  • -

    de akte houdende wijziging eis van 9 juli 2014 van Jet Set c.s.;

  • -

    de antwoordakte in verband met de eiswijziging in conventie, tevens akte uitlating productie 38 in reconventie van 6 augustus 2014;

  • -

    de akte overlegging aanvullende producties tevens akte wijziging van eis van Jet Set c.s. van 6 maart 2015 met producties 39 tot en met 47;

  • -

    de akte overlegging producties van 6 maart 2015 van Hoffland c.s. met producties
    30 t/m 37;

  • -

    de akte houdende bezwaar tegen de eisvermeerdering in conventie van 6 maart 2015 van Hoffland c.s.;

  • -

    de op 5 maart 2015 per fax en e-mail toegezonden aanvullende kostenspecificaties van partijen;

  • -

    het pleidooi van 6 maart 2015, waarbij Jet Set c.s. hun standpunten in de hoofdzaak hebben doen bepleiten door hun advocaat, bijgestaan door ir. [octrooigemachtigde 1], octrooigemachtigde en Hoffland c.s. door mr. F.I.S.A.L. van Velsen te Rotterdam, overeenkomstig de bij het dossier gevoegde pleitnotities.

1.2.

Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[A.] is houder van Europees Octrooi 1 507 630 (hierna: EP 630) voor een System and method for cutting steel plate. Het octrooi is onder meer voor Nederland verleend op 14 maart 2007. Er is een beroep gedaan op prioriteit van de Nederlandse octrooiaanvrage NL 1 020 622 van 17 mei 2002 .

2.2.

De conclusies van EP 630 luiden in de oorspronkelijke taal als volgt.

1. A system for cutting steel plate (33), in particular for cutting the bottom and/or the wall of an oil storage tank, comprising a pressurized liquid source (2) and a cutting device (1) comprising a hydraulic or pneumatic motor (4) for driving the cutting device (1), wherein the pressurized liquid source (2) and the motor (4) are hydraulically or pneumatically interconnected by means of hoses, wherein the cutting device is a mobile cutting device provided with means for driving the cutting device independently relative to said steel plate by means of said hydraulic or pneumatic motor (4), characterized in that the pressurized liquid source is a hydraulic or pneumatic pump (2), and in that the cutting device (1) comprises at least one nozzle (17) for squirting an abrasive liquid under high pressure against and through the plate (33).

2. A system according to claim 1, wherein the nozzle (17) is supported by at least one wheel (16), which can travel over the steel plate (33).

3. A system according to claim 1 or 2, wherein the nozzle (17) is spring-connected to the driven portion of the cutting device (1).

4. A system according to any one of the preceding claims 1 - 3, wherein the cutting device (1) is fitted with two spaced-apart nozzles (17), in such a manner that the cutting device (1) is capable of cutting a strip from the steel plate (33) in one movement.

5. A system according to any one of the preceding claims 1 - 4, wherein the cutting device (1) comprises a container for an abrasive agent.

6. A system according to any one of the preceding claims 1 - 5, wherein the cutting device (1) is fitted with caterpillar tracks (8) for riding the device (1).

7. A system according to any one of the preceding claims 1 - 6, wherein the transmission ratio is such that the velocity of movement of the device (1) will be less than 0.5 m/s, preferably less than 0.1 m/s, more preferably less than 0.06 m/s, with an engine speed of about 3000 rpm or a hydraulic output of about 25 l/min.

8. A method for cutting steel plate, wherein a pressurized liquid source (2) is connected to a hydraulic or pneumatic motor (4) of a cutting device (1) by means of hoses, wherein the cutting device (1) is a mobile cutting device (1) which is driven independently relative to said steel plate by means of said hydraulic or pneumatic motor (4) during the cutting operation, characterized in that the device is driven over the bottom (33) of a storage tank and said steel plate is the bottom (33) and/or the wall of said storage tank, in that the pressurized liquid source (2) is a hydraulic or pneumatic pump, in that said pump (2) is disposed outside said storage tank, and in that said cutting is effected by squirting an abrasive liquid under high pressure against and through the bottom and/or the wall.

9. A method according to claim 8, wherein said abrasive liquid contains sand and/or garnet.

2.3.

In de Nederlandse vertaling luiden deze conclusies als volgt.

1. Systeem voor het snijden van staalplaat (33), in het bijzonder voor het snijden van de bodem en/of de wand van een olieopslagtank, omvattende een drukvloeistofbron (2) en een snijinrichting (1) die is voorzien van een hydraulische of pneumatische motor (4) voor het voortbewegen van de snijinrichting (1), waarbij de drukvloeistofbron (2) en de motor (4) middels slangen (4) hydraulisch of pneumatisch met elkaar verbonden zijn, waarbij de snijinrichting een mobiele snijinrichting is die is voorzien van middelen om de snijinrichting onafhankelijk ten opzichte van de staalplaat voort te bewegen door middel van de hydraulische of pneumatische motor (4), met het kenmerk, dat de drukvloeistofbron een hydraulische of pneumatische pomp is, en dat de snijinrichting (1) ten minste een spuitmond (17) omvat voor het onder hoge druk spuiten van een abrasieve vloeistof tegen en door de plaat (33).

2. Systeem volgens conclusie 1, waarbij de spuitmond (17) wordt gedragen door ten minste een wiel (16) welke over de staalplaat (33) kan rijden.

3. Systeem volgens conclusie 1 of 2, waarbij de spuitmond (17) verend is verbonden met het aangedreven deel van de snijinrichting (1).

4. Systeem volgens een van de voorgaande conclusies 1 - 3, waarbij de snijinrichting (l) is voorzien van twee op afstand van elkaar geplaatste spuitmonden (17), zodanig dat de snijinrichting (1) in één beweging een strook uit de staalplaat (33) kan snijden.

5. Systeem volgens een van de voorgaande conclusies 1 - 4, waarbij de snijinrichting (1) is voorzien van een houder (20) voor een abrasief middel.

6. Systeem volgens een van de voorgaande conclusies 1 - 5, waarbij de snijinrichting (1) is voorzien van rupsbanden (8) voor het voortbewegen van de inrichting (1).

7. Systeem volgens een van de voorgaande conclusies 1 - 6, waarbij de overbrengingsverhouding zodanig is dat bij een motortoerental van ongeveer 3000 rpm of een hydraulisch debiet van ongeveer 25 l/min de voorbewegingssnelheid van de inrichting (1) minder dan 0.5 m/s, bij voorkeur minder dan 0.1 m/s, meer bij voorkeur minder dan 0.06 m/s is.

8. Werkwijze voor het snijden van de bodem en/of de wand van een opslagtank, waarbij een drukvloeistofbron (2) door middel van slangen wordt verbonden met een hydraulische of pneumatische motor (4) van een snijinrichting (1), en waarbij de snijinrichting (1) een mobiele snijinrichting (1) is die tijdens het snijden door middel van de hydraulische of pneumatische motor onafhankelijk ten opzichte van de staalplaat wordt voortbewogen, met het kenmerk, dat de inrichting over de bodem (33) van een opslagtank wordt voortbewogen en de genoemde staalplaat de bodem (33) of de wand van de opslagtank is, dat de drukvloeistofbron (2) een hydraulische of pneumatische pomp is, dat de pomp (2) buiten de opslagtank wordt opgesteld, en dat het snijden wordt bewerkstelligd door een abrasieve vloeistof onder hoge druk tegen en door de bodem en/of de wand te spuiten.

9. Werkwijze volgens conclusie 8, waarbij de abrasieve vloeistof zand en/of garnet bevat.

2.4.

Bij EP 630 hoort onder meer de volgende figuur.

2.5.

EP 630 is verleend op basis van een internationale aanvrage die op 14 mei 2003 in het Nederlands is ingediend onder nummer PCT/ 03/00354 en op 27 november 2003 in het Engels is gepubliceerd onder nummer WO 03/097301 A1. In de beschrijving van de aanvrage zoals ingediend staat voor zover relevant, het volgende (de Romeinse nummering van de diverse passages is door de rechtbank aangebracht):

Blz. 1, regels 4-6:

(i) De uitvinding heeft betrekking op een systeem voor het snijden van staalplaat, in het bijzonder voor het snijden van de bodem en/of de wand van een olieopslagtank.


Blz. 1, 13 t/m 34 en blz. 2, regels 1 t/m 13:

(ii) Een olieopslagtank zoals die bijvoorbeeld door de olieverwerkende industrie wordt gebruikt, is in het algemeen opgebouwd uit een stalen schijfvormige bodemplaat, een stalen wand en een al dan niet op en neer beweegbaar dak. Door roestvorming en slijtage is het noodzakelijk om de plaatdelen regelmatig deels of geheel te vervangen. Daartoe worden de plaatdelen uitgesneden en verwijderd, waarna nieuwe plaatdelen in of over het gat worden gelast. Het uitsnijden gebeurt tot op heden middels snijbranders, die door vakmensen worden gehanteerd die zich daartoe toegang tot de opslagtank verschaffen, vaak door eerst een gat in de wand van de (lege) opslagtank te snijden.

(iii) Een groot nadeel van deze werkwijze is dat het werk vermoeiend is voor de vakmensen, maar bovenal is deze werkwijze in potentie zeer gevaarlijk voor de gezondheid. Niet alleen kan het langdurig inademen van in de opslagtank achtergebleven oliedampen tot schade aan de gezondheid leiden, er bestaat ook direct explosiegevaar. Regelmatig ontstaan bij deze werkwijze steekvlammen en explosies in de opslagtank. De vakmensen dienen het werk dan ook volgens voorschrift in stevige beschermende kleding uit te voeren.

(iv) Er bestaat derhalve behoefte aan een systeem voor het snijden van staalplaat dat minder gevaarlijk is voor de gezondheid, en/of die het verwijderen van staalplaatdelen eenvoudiger en/of goedkoper maakt.
(v) Daartoe omvat het systeem een hydraulische of pneumatische pomp en een verplaatsbare snijinrichting die is voorzien van een hydraulische of pneumatische motor voor het voortbewegen van de snijinrichting, waarbij de pomp en de motor middels slangen hydraulisch of pneumatisch met elkaar verbonden zijn.
(vi) De snijinrichting kan op deze wijze zelfstandig door de olieopslagtank rijden, eventueel begeleid en bediend door een operator, terwijl de pomp buiten de tank wordt opgesteld.

Blz. 2, regels 22 t/m 25:

(vii) De spuitmond wordt bij voorkeur gedragen door ten minste een wiel welke over de staalplaat kan rijden. Het is belangrijk dat bij abrasief snijden de spuitmond op een nauwkeurig gedefinieerde afstand van de plaat wordt gehouden. De spuitmond is daarbij bij voorkeur verend verbonden met het aangedreven deel van de snijinrichting. Op deze wijze wordt het wiel onder alle omstandigheden tegen de plaat geduwd.

Blz. 4, regels 17 t/m 20:

(viii) In een bijzondere uitvoeringsvorm van de werkwijze volgens de uitvinding ligt de snijinrichting tijdens het voortbewegen tegen de wand van de opslagtank aan, waarbij de wand als geleiding dient.

Blz. 6, regels 23 t/m 26:

(ix) De overbrengingsinrichting 22 kan worden bediend door middel van een bedieningsstang 23 waarmee zowel de rijsnelheid als de rijrichting van de snijinrichting 1 kan worden ingesteld.

Blz. 9, regels 7 t/m 13:

(x) Hoewel er voor de bediening van de in dit uitvoeringsvoorbeeld weergegeven inrichting 1 ten minste een persoon zich in de olieopslagtank moet bevinden, kan de inrichting 1 ook worden voorzien van een op afstand bedienbare besturing, of van een programmeerbare besturing zodat de inrichting 1 automatisch de juiste route volgt om het gewenste resultaat te bewerkstelligen.

2.6.

Jet Set exploiteert de snijmachines ontwikkeld door [A.] onder de naam RAGWORM.

2.7.

Hoffland is een onderneming die zich bezighoudt met sloopwerkzaamheden, waaronder sloop van olieopslagtanks. BIS is een eenmanszaak die zich bezighoudt met het schoonmaken van tanks alsook met snijdwerkzaamheden door middel van water onder hoge druk.

2.8.

Hoffland en BIS hebben als (onder)aannemers voor [C] (hierna: [C]) te Rotterdam werkzaamheden uitgevoerd en voltooid aan olieopslagtank 623 en een aanvang gemaakt met werkzaamheden aan olieopslagtank 108. In het bestek van [C] voor de opdracht van de werkzaamheden aan laatstgenoemde tank wordt ‘watersnijden door de fa. Ragworm’ voorgeschreven.
2.9. Op 11 maart 2013 heeft Jet Set c.s., na daartoe op 5 maart 2013 verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam, een gedetailleerde beschrijving laten maken van de voor de werkzaamheden aan tank 108 bij [C] door Hoffland c.s. gebruikte machine en conservatoir bewijsbeslag doen leggen op zich onder Hoffland c.s. bevindende (digitale) documenten. Het proces-verbaal van de gerechtsdeurwaarder van 11 maart 2013 met een gedetailleerde beschrijving van de bij [C] gebruikte machine is aan Jet Set c.s. ter beschikking gesteld. De door de gerechtsdeurwaarder in beslag genomen fysieke documenten zijn tezamen met een kopie van de inbeslaggenomen digitale data in gerechtelijke bewaring gegeven bij DigiJuris B.V.

2.10.

Op 16 april 2013 is Jet Set c.s. met Hoffland en BIS grotendeels gelijkluidende regelingen overeengekomen (hierna de schikkingsregeling(en)). In de schikkingsregeling tussen Jet Set c.s. en BIS - waarin partijen zijn aangeduid als Jet Set Hydro respectievelijk [B.] - is onder meer bepaald:

“In aanmerking nemende dat:
a. Jet Set Hydro op 11 maart 2013 een bewijsbeslag heeft doen leggen onder Hoffland B.V. en [B.] tijdens uitvoering van werkzaamheden door de onderaannemer van Hoffland B.V., de heer [B.] aan tank 108 (…);

b. Jet Set Hydro meent dat [B.] apparatuur gebruikt waarmee [B.] inbreuk maakt op het octrooi van Jet Set Hydro met nummer EP 630;
(…)

e. [B.] en Jet Set Hydro hebben onderhandeld over de voorwaarden waaronder de zitting in kort geding van woensdag 17 april 2013 om 10.00 kon worden voorkomen;

f. Partijen om die reden onder de hierna te melden voorwaarden een regeling hebben getroffen.

Zijn overeengekomen als volgt:
1. [B.] verklaart hierbij jegens Jet Set Hydro dat de door Hoffland B.V. in opdracht gegeven werkzaamheden aan [B.] met gebruikmaking van de apparatuur waarmee beweerdelijk inbreuk op octrooi EP 630 wordt gemaakt, na het op 11 maart 2013 gelegde bewijsbeslag zijn gestaakt. [B.] verklaart hierbij tevens iedere handeling als bedoeld in artikel 70 ROW (1995) waarmee inbreuk wordt gemaakt op EP630 blijvend te staken, alsmede e.e.a. gestaakt te houden zolang EP630 van kracht is en zolang niet is bepaald bij een tussen Partijen geldende rechterlijke beslissing met kracht en gezag van gewijsde dat [B.] geen inbreuk zou maken op EP630.

2. [B.] zal aan Jet Set Hydro een (…) boete betalen van € 20.000,- (twintig duizend Euro) voor iedere schending van de verplichting onder artikel 1 (…). ”

2.11.

Jet Set c.s. is naast de onderhavige bodemprocedure tegen Hoffland c.s. een procedure gestart tegen een vijftal andere partijen vanwege vermeende inbreuk op EP 630. Bij vonnis in kort geding van 17 september 2013 (C/09/449200 / KG ZA 13-956)2 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het door Jet Set c.s. jegens die partijen gevorderde inbreukverbod op EP 630 afgewezen. Daartoe is overwogen dat er naar voorlopig oordeel een gerede kans bestaat dat conclusies 1, 2, 3 en 8 van het Nederlandse deel van EP 630 in een bodemprocedure nietig zullen worden geacht. Bij arrest van 3 maart 2015 (IEPT20150303)3 heeft het Hof Den Haag dat vonnis bekrachtigd.

2.12.

Bij vonnis in incident van 26 februari 2014, zoals gewijzigd bij vonnis van 23 april 2014 (hierna: incident I) in de onderhavige zaak is de door Hoffland c.s. op grond van artikel 6 Mededingingswet en onvoorziene omstandigheden gevorderde schorsing van de schikkingsregelingen afgewezen.

2.13.

Op 25 maart 2014 heeft Jet Set c.s. na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam, ten laste van BIS een gedetailleerde beschrijving laten maken van een door BIS gebruikte machine voor werkzaamheden aan tank 1240 bij [D]. te Rotterdam (hierna [D]).

2.14.

BIS heeft het proces-verbaal met gedetailleerde beschrijving van 25 maart 2014 van [gerechtsdeurwaarder 1], gerechtsdeurwaarder bij Bosveld Incasso Gerechtsdeurwaarders aan Jet Set c.s. ter beschikking gesteld. In de beschrijving, voorzien van drie foto’s, is door [gerechtsdeurwaarder 1] over de door BIS bij [D] gebruikte machine, voor zover van belang, vermeld:


“Het werktuig (…) wordt door mijn deskundige omschreven als een track die hydraulische (of door perslucht) wordt voortgedreven waar aan allebei de kanten ‘nozzle’s’ zijn bevestigd, waar bovenop abrasief reservoiren zijn bevestigd voor het nodige abrasief wat gebruikt wordt om in combinatie met het water het snijdende effect te krijgen (…).”

Uitsneden van de door de gerechtsdeurwaarder gewaarmerkte foto’s 2 en 3 zijn hieronder weergegeven.

2.15.

BIS heeft vervolgens een eigen gerechtsdeurwaarder ingeschakeld om een

proces-verbaal van constateringen te maken. In het daartoe opgestelde proces-verbaal van 10 april 2014 heeft gerechtsdeurwaarder [gerechtsdeurwaarder 2], voor zover van belang, vermeld:

“Heden (…) Heb ik mij begeven naar en bevonden te Zuidland, gemeente Bernisse (…) sprekende met de heer [B.] (…), die ik verzocht aanwijzing te doen van het werktuig gebruikt bij tank 1240, als bedoeld in het proces-verbaal van 25 maart 2014, opgemaakt bij gerechtsdeurwaarder [gerechtsdeurwaarder 1] (…) welk werktuig (…) wordt omschreven als “track die hydraulisch (of door perslucht) wordt voortgedreven”. Door mij, gerechtsdeurwaarder, zijn ter plaatse voornoemd te Zuidland, onder meer gelijkende foto’s gemaakt als de 3 foto’s die door gerechtsdeurwaarder [gerechtsdeurwaarder 1] zijn gemaakt en gehecht aan zijn proces-verbaal.
Na uitvoerige bestudering van het werktuig/track heb ik geconstateerd dat deze wordt voortbewogen door een tweetal elektromotoren die worden gevoed door 24 Volt (oorspronkelijke voeding 220 Volt via een transformator omgezet in 42 Volt en via de besturingskast omgezet in 24 Volt).
Uit de door mij, gerechtsdeurwaarder, gemaakte foto’s blijkt dat via de stroomvoorziening via de 2 blauw/witte stekkers (…) de elektromotoren worden aangedreven. (…) De voornoemde 2 blauw/witte stekkers zijn elk afzonderlijk verbonden met een dunne rode en zwarte elektriciteitsdraad die elk een elektromotor voedt en waardoor het werktuig/track wordt aangedreven c.q. wordt voortbewogen. (…)
Er zijn door mij, gerechtsdeurwaarder geen hydraulische slangen aangetroffen die zouden kunnen duiden op een hydraulische aandrijving dan wel een perslucht aandrijving.”


Een uitsnede van de door de gerechtsdeurwaarde gewaarmerkte foto 1 is hieronder weergegeven.

3
3. Het geschil

in de hoofdzaak in conventie

3.1.

Na herhaalde wijziging van eis en uitgaande van hun laatste daartoe strekkende akte in de hoofdzaak, vordert Jet Set c.s. - samengevat en zakelijk weergegeven - dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- Hoffland c.s. veroordeelt om iedere inbreuk op EP 630 zoals verleend, subsidiair zoals beperkt in één van de hulpverzoeken, blijvend te staken, Hoffland c.s. veroordeelt om een door een onafhankelijke registeraccountant gecontroleerde opgave te doen van gegevens met betrekking tot verhandeling van en verrichte handelingen met inbreukmakende inrichtingen, van de daarmee gegenereerde winst en tevens van het aantal inbreukmakende inrichtingen waarover Hoffland c.s. beschikt, Hoffland c.s. veroordeelt tot het op eigen kosten vernietigen van die inrichtingen en voorts om ervoor zorg te dragen dat Jet Set c.s. afschriften van en inzage in diverse stukken verkrijgt, een en ander op straffe van een dwangsom (vorderingen 1 tot en met 5);
- Hoffland c.s. hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat, dan wel tot een nader te bepalen bedrag aan schade of winstafdracht (vordering 6);
- voor recht verklaart dat BIS in strijd heeft gehandeld met de schikkingsregeling en BIS veroordeelt tot betaling van de verbeurde boete(s) (vordering 7);
met hoofdelijke veroordeling van Hoffland c.s. in de kosten van de procedure conform artikel 1019h Rv en met bepaling dat alle uit hoofde van het vonnis te betalen bedragen worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding.

Jet Set c.s. vordert voorts voorwaardelijk (voor het geval de rechtbank EP 630 zoals verleend niet geldig acht) dat de rechtbank voor recht verklaart dat EP 630 zoals beperkt in de hulpverzoeken 1, 2, 3, 4 of 5, geldig is.

3.2.

Jet Set c.s. legt aan de vorderingen ten grondslag dat Hoffland c.s. inbreuk maakt op conclusies 1, 2, 5, 8 en 9 van EP 630, dat BIS de inbreukmakende handelingen ondanks het bepaalde in de schikkingsregeling niet heeft gestaakt en dat Jet Set c.s. door de inbreuk schade lijdt.

in de incidenten

3.3.

Jet Set c.s. vordert in een tweetal incidenten - samengevat - dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

- BIS bij wijze van voorlopige voorziening veroordeelt om de schikkingsregeling na te komen, meer in het bijzonder om met onmiddellijke ingang van deze procedure iedere inbreuk op EP 630 te staken (incident II);

- BIS op grond van artikel 843a Rv beveelt om inzage en/of afschrift te verschaffen van de op 25 maart 2014 door deurwaarderskantoor Bosveld bij [D] gemaakte beschrijving alsmede van de op 11 maart 2013 bij BIS door deurwaarderskantoor Maasstad in beslaggenomen digitale documenten, althans documenten die betrekking hebben op de in dagvaarding bedoelde snijinrichting en tevens alle documenten met betrekking tot opdrachten die BIS met de in het verzoekschrift en dagvaarding bedoelde snijinrichting heeft uitgevoerd dan wel [waarbij BIS] betrokken is geweest (incident III);

een en ander op straffe van dwangsommen en met veroordeling van BIS in de kosten van beide incidenten conform artikel 1019h Rv.

3.4.

Aan beide vorderingen legt Jet Set c.s. ten grondslag dat BIS de inbreukmakende handelingen ondanks het bepaalde in de schikkingsregeling niet heeft gestaakt en, ten aanzien van de vordering ex artikel 843a Rv, dat de bescheiden nodig zijn om het in de hoofdzaak gevorderde inbreukverbod en de gevorderde verklaring voor recht te onderbouwen.

3.5.

Hoffland c.s. voert in de hoofdzaak en in de incidenten gemotiveerd verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.7.

Hoffland c.s. vordert na wijziging van eis - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het Nederlandse deel van EP 630 vernietigt, Jet Set c.s. veroordeelt tot een bij staat nader op te maken schadevergoeding wegens onrechtmatige octrooihandhaving vanaf 11 maart 2013 tot en met de dag waarop de vernietiging van het Nederlandse deel van EP 630 gezag van gewijsde zal hebben, alsmede schorsing van de schikkingsregelingen van 16 april 2013 tot in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat EP 630 rechtsgeldig is, met hoofdelijke veroordeling van Jet Set c.s. in de proceskosten conform artikel 1019h Rv en in de nakosten, vermeerderd met rente.

3.8.

Hoffland c.s. legt aan haar vorderingen ten grondslag dat EP 630 toegevoegde materie bevat, niet nieuw en niet inventief is, zodat het octrooi met terugwerkende kracht nietig is. De nietigheid brengt mee dat vanaf de beslaglegging op 11 maart 2013 sprake is van onrechtmatige octrooihandhaving met schade tot gevolg en rechtvaardigt, gelet op artikel 6 Mededingingswet, schorsing van de schikkingsregelingen.

3.9.

Jet Set c.s. voert gemotiveerd verweer.

3.10.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

toelaatbaarheid eiswijzigingen in de hoofdzaak in conventie

4.1.1.

Hoffland c.s. heeft zich verzet tegen de achtereenvolgende eiswijzigingen van Jet Set c.s., stellende dat deze te laat in de procedure zijn gedaan en substantiëring missen. Ter zitting heeft de rechtbank beslist de eiswijzigingen toe te staan, nu Hoffland c.s. bij akte van 6 augustus 2014 inhoudelijk heeft kunnen reageren en ook daadwerkelijkheid heeft gereageerd op de vóór die datum ingediende eiswijzigingen en de kort voor zitting ingediende eiswijziging ziet op nieuwe hulpverzoeken (nummers 3, 4 en 5) die niets meer behelzen dan het schrappen van een aantal conclusies in EP 630 zoals verleend of in de hulpverzoeken zoals eerder ingediend, zodat Hoffland c.s. ondanks de laattijdige indiening niet in haar verdediging is geschaad. Voorts is overwogen dat, voor zover Jet Set c.s. bij pleidooi nieuwe stellingen mocht poneren ter substantiëring van de gewijzigde vorderingen, over de toelaatbaarheid daarvan bij vonnis wordt beslist.

4.2.

de geldigheid van EP 630
4.2.1. Hoffland c.s. legt aan de vordering tot vernietiging van het Nederlandse deel van EP 630 in de eerste plaats ten grondslag dat na de indiening van de aanvrage daaraan nieuwe materie is toegevoegd. Partijen houdt in dit verband verdeeld of het in conclusie 1 van
EP 630 neergelegde deelkenmerk ‘voorzien van de middelen om onafhankelijk ten opzichte van de staalplaat voort te bewegen’, meer in het bijzonder het onderdeel ‘onafhankelijk ten opzichte van de staalplaat voort te bewegen’ (hierna het deelkenmerk) in de oorspronkelijke aanvrage is geopenbaard.

4.2.2.

Hoffland c.s. stelt dat het deelkenmerk technisch zo moeten worden uitgelegd dat de staalplaat fysisch geen (enkele) invloed op de voortbeweging van de snijinrichting heeft. Deze technische informatie heeft volgens Hoffland c.s. geen basis in de aanvrage en dat geldt evenzeer voor de uitleg die de octrooihouder aan het deelkenmerk geeft, te weten ‘vrij van geleidingsmiddelen die aan de staalplaat zijn bevestigd’. Ter onderbouwing heeft zij verwezen naar het rapport van octrooigemachtigde ir. [octrooigemachtigde 2] van 18 september 2013, waarin uiteen is gezet dat in de oorspronkelijke aanvrage in de Engelse taal, het in het deelkenmerk van conclusie 1 opgenomen woord ‘independently’ (independently relative to said steelplate), slechts voorkomt in de volgende zinsnede van de beschrijving: ‘The cutting device can thus move independently through the oil storage tank’, welke zinsnede in het Nederlands luidt: ‘De snijinrichting kan op deze wijze zelfstandig door de olieopslagtank rijden’ (passage (vi) r.o. 2.5.). In het licht van de daaraan voorafgaande passages kan deze zinsnede slechts worden verstaan als ‘onafhankelijk van de pomp die buiten staat opgesteld en onafhankelijk van menselijke aandrijving’, zodat dit geen basis voor het deelkenmerk biedt, aldus Hoffland c.s.

4.2.3.

Jet Set c.s. heeft aangevoerd dat passage (vi) en passages (i), (ii), (v), (ix) en (x) van de beschrijving in de oorspronkelijke aanvrage als weergegeven onder r.o. 2.5 wel basis bieden voor het deelkenmerk. Met name de combinatie van de in die passages genoemde kenmerken ‘zelfstandig door de olieopslagtank rijden’, ‘het voortbewegen van de snijinrichting’ en ‘voor het snijden van staalplaat, in het bijzonder voor het snijden van de bodem en/of de wand van een olieopslagtank’, openbaren aan de vakman het deelkenmerk ‘zelfstandig ten opzichte van de staalplaat voort te bewegen’, waarbij de woorden zelfstandig en onafhankelijk als synoniem zijn te beschouwen.4 De interpretatie die Hoffland c.s. aan het woord ‘zelfstandig’ in de aanvrage geeft is volgens Jet Set c.s. onjuist: de vakman zal direct begrijpen dat het woord ‘zelfstandig’ ziet op de beweging van de snijinrichting ten opzichte van de staalplaat, in die zin dat de snijinrichting in willekeurige richtingen, los van een geleidingsframe, over of langs de staalplaat in de olieopslagtank kan bewegen. In het kader van de nieuwheid en inventiviteit, waarbij het deelkenmerk als verschilmaatregel is benoemd, heeft Jet Set c.s. dezelfde uitleg verdedigd. Zij heeft toegelicht dat bij de op de prioriteitsdatum reeds bekende systemen voor koudwatersnijden, de ‘nozzle’ (spuitmond) is bevestigd in of op een frame (bijvoorbeeld een balk) dat tegen de staalplaat wordt geplaatst en dat deze systemen inefficiënt zijn omdat de benodigde geleidingsbalk of het frame steeds moet worden verplaatst om een nieuw deel van de staalplaat te kunnen snijden. De inrichting van [A.] lost dit op door de nozzle zelfstandig over de bodem te laten rijden zoals gedefinieerd door conclusie 1.5

4.2.4.

In het midden kan blijven of het in het octrooi voorkomende deelkenmerk ‘onafhankelijk ten opzichte van de staalplaat voort te bewegen’ zo moet worden uitgelegd dat de staalplaat fysisch geen (enkele) invloed op de voortbeweging van de snijinrichting heeft (zoals Hoffland c.s. betoogt) of dat de snijinrichting in willekeurige richtingen, los van een geleidingsframe, over of langs de staalplaat in de olieopslagtank kan bewegen (zoals Jet Set c.s. betoogt). In beide interpretaties wordt ervan uitgegaan dat het kenmerk betrekking heeft op de relatie tussen de snijinrichting en de staalplaat. Een aldus begrepen onafhankelijkheid van de snijinrichting is niet, althans niet direct en ondubbelzinnig geopenbaard in de aanvrage. De rechtbank overweegt daartoe - overeenkomstig het in r.o. 2.11. genoemde arrest van 3 maart 2015 van het Hof Den Haag, waarin (groten)deels dezelfde argumenten zijn gevoerd - als volgt.

4.2.5.

Hoffland c.s. heeft terecht gesteld dat passage (vi) van de aanvrage, inhoudende ‘De snijinrichting kan op deze wijze zelfstandig door de olieopslagtank rijden, eventueel begeleid en bediend door een operator, terwijl de pomp buiten de tank wordt opgesteld’, in het licht van de daaraan voorafgaande passages, niets openbaart over de relatie tussen de snijinrichting en de staalplaat, laat staan dat die passage leert dat de snijinrichting in willekeurige richtingen, los van een geleidingsframe, over of langs de staalplaat kan bewegen, zoals Jet Set c.s. wil. In passages (ii) tot en met (iv) wordt eerst beschreven dat tot dan toe het uitsnijden van plaatdelen gebeurde met snijbranders die in de opslagtank werden gehanteerd door vakmensen, dat dit voor deze vakmensen niet alleen vermoeiend, maar ook in potentie zeer gevaarlijk was en dat er daarom behoefte was aan een systeem voor het snijden van staalplaat dat minder gevaarlijk en/of eenvoudiger en/of goedkoper is. Vervolgens staat in passage (v): “Daartoe omvat het systeem een hydraulische of pneumatische pomp en een verplaatsbare snijinrichting die is voorzien van een hydraulische of pneumatische motor voor het voortbewegen van de snijinrichting, waarbij de pomp en de motor middels slangen hydraulisch of pneumatisch met elkaar verbonden zijn.” Nu met het woord ‘Daartoe’ aan het begin van deze passage tot uitdrukking wordt gebracht dat deze passage beoogt aan te sluiten op de daaraan voorafgaande passages en, meer in het bijzonder, een oplossing beoogt te verstrekken voor (een of meer van) de daarin gesignaleerde problemen, kan passage (v) moeilijk anders worden begrepen dan als inhoudend dat de vakmensen niet (langer) het voor hen vermoeiende en potentieel gevaarlijke werk van het voortbewegen van de (brand)snijinrichting hoeven uit te voeren, maar dat dit in de snijinrichting volgens de aanvrage gebeurt door een hydraulische of pneumatische motor. Gelet hierop moet passage (vi) – waarin met de woorden ‘op deze wijze’ aansluiting wordt gezocht bij passage (v) – worden verstaan als verwijzend naar een snijinrichting die, zonder dat daarvoor menselijke aandrijving nodig is – dus ‘zelfstandig’ – door de opslagtank kan rijden. Dat neemt niet weg dat, zoals door Hoffland c.s. is aangevoerd, de snijinrichting bij het zelfstandig voortbewegen eventueel door een operator kan worden begeleid en bediend. Een andere mogelijke uitleg van passage (vi) is dat het erom gaat dat de snijinrichting zich los van de pomp kan voortbewegen, waardoor de relatief gevaarlijke pomp buiten de tank kan worden geplaatst.

4.2.6.

Passage (vi) geeft gelet op het voorgaande technische informatie over de relatie

tussen enerzijds de snijinrichting en anderzijds de vakmensen of de pomp en – anders dan Jet Set c.s. ingang wil doen vinden – dus niet over de relatie tussen de snijinrichting en de staalplaat, zoals in het toegevoegde deelkenmerk. De maatregel van passage (vi) om de snijinrichting onafhankelijk van menselijke aandrijving en los van de pomp voort te bewegen, zegt immers niets over een relatie tussen de inrichting en de staalplaat, laat staan dat het iets openbaart over de gebondenheid van die inrichting aan een geleidingssysteem.

4.2.7.

De passages (ix) en (x) waarnaar Jet Set c.s. ook heeft verwezen, bieden

evenmin basis voor het toegevoegde deelkenmerk. Het woord ‘rijrichting’ in passage (ix) leert niets over de onafhankelijkheid ten opzichte van de staalplaat in de door partijen verdedigde interpretaties. Het duidt er in ieder geval niet op dat de staalplaat fysisch geen enkele invloed op de snijinrichting uitoefent of zonder geleiding in willekeurige richtingen kan bewegen. Ook in een systeem met geleidingsbalken zijn er ten minste twee rijrichtingen, heen en terug, terwijl er daarnaast sprake kan zijn vertakkingen/zijafslagen. Hierom is een door een op afstand bedienbare of programmeerbare besturing te regelen ‘juiste route’ in de zin van passage (x) eveneens denkbaar in een systeem met geleidingsbalken.

4.2.8.

Nu gesteld noch gebleken is dat het toegevoegde deelkenmerk basis in enig ander onderdeel van de oorspronkelijke aanvrage heeft, komt de rechtbank tot het oordeel dat conclusie 1 van EP 630 zoals verleend, materie bevat die niet gedekt wordt door die aanvrage. De conclusie komt daarmee in strijd met artikel 75 lid 1 sub c Rijksoctrooiwet (ROW). Dit geldt ook voor de van conclusie 1 afhankelijke conclusies 2 tot en met 7, alsmede voor conclusie 8 die een met conclusie 1 overeenkomende werkwijze bevat en de daarvan afhankelijke conclusie 9.

4.2.9.

De gewijzigde conclusies als geformuleerd in de hulpverzoeken 1 tot en met 5

kunnen het octrooi niet staande houden. In de hulpverzoeken 1 en 2 is in conclusies 1 en 8 het deelkenmerk ‘onafhankelijk ten opzichte van de staalplaat te bewegen (dan wel ‘wordt voortbewogen’) gewijzigd in: ‘zelfstandig ten opzichte van de staalplaat met een constante snelheid tijdens het spuiten rijdend voort te bewegen’ (dan wel ‘wordt voortbewogen’). Ter zitting heeft Jet Set c.s. desgevraagd te kennen gegeven dat het woord ‘rijdend’ het probleem van de toegevoegde materie moet ondervangen. Echter, ook met deze toevoeging verschaft het deelkenmerk nog steeds (technische) informatie over de relatie tussen de snijinrichting en de staalplaat, terwijl de beschrijving in de aanvrage slechts informatie over de relatie tussen de snijinrichting en de vakmensen verschaft. De stelling van Jet Set c.s. dat de betekenis van ‘zelfstandig door de olieopslagtank rijden’ uit passage (vi) identiek is aan het in de hulpverzoeken geformuleerde deelkenmerk6, kan in het licht van de aanvrage als geheel dan ook niet worden gevolgd.

4.2.10.

De in de hulpverzoeken 1 en 2 geformuleerde conclusies 1 en 8 en de overige,

daarvan afhankelijke conclusies komen derhalve in strijd met artikel 75 lid 1 sub c ROW. Dat geldt evenzeer voor de conclusies in de hulpverzoeken 3, 4, en 5, nu deze slechts (identieke) werkwijzeconclusies bevatten uit het octrooi zoals verleend respectievelijk uit de hulpverzoeken 1 en 2. De door Hoffland c.s. opgeworpen vraag of de hulpverzoeken in de juiste procestaal zijn opgesteld behoeft gelet hierop geen bespreking.

4.2.11.

Het voorgaande betekent dat de vordering in reconventie tot vernietiging van

EP 630 voor toewijzing gereed ligt. Aangezien op een nietig octrooi geen inbreuk kan worden gemaakt, stranden daarop de vorderingen in conventie 1 tot en met 5. De in conventie gedane voorwaardelijke vordering deelt dat lot.

4.3.

de schikkingsregeling(en)

de door Hoffland c.s. gevorderde schorsing

4.3.1.

Hoffland c.s. heeft betoogd dat bij toewijzing van de vordering tot vernietiging van het Nederlandse deel van EP 630 ook aan de werking van de schikkingsregelingen (tijdelijk) een einde behoort te komen, omdat op een nietig octrooi geen inbreuk kan worden gemaakt en de schikkingsregelingen alsdan vanwege hun mededingingsbeperkende werking in strijd zijn met het in artikel 6 Mededingingswet neergelegde mededingingsverbod.

4.3.2.

De rechtbank verwerpt dit betoog. Zoals Hoffland c.s. zelf heeft aangevoerd - met verwijzing naar Verordening 316/2014 en Mededeling 2014/C 89/03 van de Europese Commissie7 - zijn schikkingsregelingen in het kader van technologiegeschillen in beginsel vrijgesteld van het bedoelde verbod. Weliswaar heeft Hoffland c.s. zich daarbij op het standpunt gesteld dat vrijstelling niet meer aan de orde is als het betreffende intellectuele eigendomsrecht nietig is verklaard of anderszins ongeldig is, maar niet valt in te zien dat de schikkingsregelingen daarmee niet in lijn zouden zijn, nu deze, naar tussen partijen niet in geschil is, slechts gelden voor de duur van het proces ter verkrijging van een definitief rechterlijk oordeel over de geldigheid van EP 630. Voor zover Hoffland c.s. stelt dat bij vernietiging van het octrooi door de rechtbank daarop geen inbreuk meer kan worden gemaakt, gaat zij voorts voorbij aan de door de Hoge Raad in het arrest Enka/Dupont8 geformuleerde - en naar het oordeel van de rechtbank ook voor het huidige octrooirecht geldende - regel dat een rechterlijke uitspraak waarbij een octrooi nietig wordt verklaard aan dat octrooi onmiddellijk de werking ontneemt, op voorwaarde dat die uitspraak te zijner tijd in kracht van gewijsde gaat. Ten aanzien van de periode waarin onzeker is of een rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde gaat, heeft Hoffland c.s. er zelf voor gekozen haar positie jegens Jet Set c.s. contractueel vast te leggen. De conclusie is dat voor de gevorderde schorsing van de schikkingsregelingen op basis van de stellingen van Hoffland c.s. geen grond bestaat.

het door Jet Set c.s. gestelde handelen in strijd met de schikkingsregeling

4.3.3.

Jet Set c.s. heeft met verwijzing naar de in r.o. 2.14. genoemde passage in het

proces-verbaal van gerechtsdeurwaarder [gerechtsdeurwaarder 1] betoogd dat BIS in strijd met de schikkingsregeling gebruik heeft gemaakt van een snijmachine die valt onder de conclusies van EP 630. Deze stelling wordt gelet op het navolgende niet gevolgd.

4.3.4.

BIS heeft betwist dat de snijmachine onder de conclusies van EP 630 valt, stellende

dat de door [gerechtsdeurwaarder 1] beschreven vaststelling door een deskundige dat sprake is van een ‘track die hydraulische (of door perslucht) wordt voortgedreven’ onjuist is. Met verwijzing naar het proces-verbaal van gerechtsdeurwaarder [gerechtsdeurwaarder 2] (r.o. 2.15.), heeft BIS aangevoerd dat de machine niet wordt voortgedreven door een hydraulische of pneumatische motor, maar door twee elektromotoren. BIS heeft in dit verband ook verwezen naar een rapport van 21 april 2014 van octrooigemachtigde [octrooigemachtigde 2]. Deze heeft naar aanleiding van het door [gerechtsdeurwaarder 1] opgestelde proces-verbaal onder meer gesteld dat de deskundige niet heeft aangegeven op welke grond hij meent te kunnen constateren dat de track door ‘hydraulische (of door perslucht)’ wordt aangedreven en voorts: “Zoals wel duidelijk zichtbaar is op de drie foto’s, is het werktuig voorzien van blauw-witte elektrische stekkers. Indien de deskundige nader onderzoek had gedaan, had hij kunnen constateren dat de elektrisch[e] stekker via rode en zwarte elektriciteitsdraden is verbonden met een motor voor het aandrijven van de rupsbanden.”

4.3.5.

Jet Set c.s. heeft niet aangevoerd dat het gebruik van een elektrisch aangedreven snijmachine onder het bereik van de conclusies van EP 630 valt. Tussen partijen is derhalve slechts in geschil of de door BIS gebruikte snijmachine pneumatisch of hydraulisch wordt aangedreven. Gezien de gemotiveerde betwisting van BIS lag het op de weg van Jet Set c.s., op wie in deze de stelplicht en bewijslast rust, om nader te onderbouwen dat van bedoelde aandrijving sprake was of ter zake een bewijsaanbod te doen. Jet Set c.s. heeft echter, ook nadat de rechtbank de tegenstrijdigheid in de beschrijvingen van de beide deurwaarders ter zitting uitdrukkelijk heeft voorgehouden en Jet Set c.s. heeft verzocht aan te geven hoe de rechtbank daarmee moet omgaan, geen bewijsaanbod gedaan. Zij heeft ter zitting slechts gesteld dat de elektromotor/generator mogelijk eerst na het snijwerk bij [D] op de snijmachine is geplakt, maar dat is onvoldoende om de gemotiveerde betwisting van BIS te passeren, mede in aanmerking nemend dat de blauw-witte stekkers - waarvan deurwaarder [gerechtsdeurwaarder 2] beschrijft dat deze met de elektromotoren verbonden zijn - ook zichtbaar zijn op de foto’s van [gerechtsdeurwaarder 1]. Aan het betoog van Jet Set c.s. dat het gebruik van een elektrisch aangedreven snijmachine volstrekt onaannemelijk is omdat voor het gebruik van elektrische apparatuur in olieopslagtanks omwille van de brandveiligheid beperkingen gelden, gaat de rechtbank voorbij, nu Jet Set c.s. niet heeft kunnen wijzen op een voorschrift waaruit volgt dat het gebruik van een elektrisch aangedreven machine voor snijwerk in olietanks nimmer zou zijn toegestaan en zij ook anderszins niet duidelijk heeft gemaakt dat dit gebruik uitgesloten moet worden geacht.

4.3.6.

Het voorgaande betekent dat er geen grond is voor het oordeel dat BIS in strijd met de verplichtingen uit de schikkingsregeling heeft gehandeld. De verzochte verklaring voor recht van Jet Set c.s. in de hoofdzaak (vordering 7) moet daarom worden afgewezen. De op dezelfde feitelijke grondslag gestoelde vorderingen in de incidenten II en III moeten eveneens worden afgewezen, reeds omdat sprake is van een eindvonnis. Nu de vorderingen in de hoofdzaak in conventie worden afgewezen, bestaat bij de in incident III gevorderde inzage in dan wel afgifte van bescheiden ook geen zelfstandig belang meer. Bovendien heeft BIS het proces-verbaal met de gedetailleerde beschrijving waarin Jet Set inzage vordert, al aan Jet Set c.s. ter beschikking gesteld.

4.4.

de d oor Hoffland c.s. gevorderde schade

4.4.1.

Hoffland c.s. heeft met een beroep op artikel 1019g Rv vergoeding gevorderd

van bij staat nader op te maken schade als gevolg van de door Jet Set c.s. getroffen beslagmaatregelen. De rechtbank acht aannemelijk dat het door Jet Set c.s. op 11 maart 2013 gelegde conservatoir bewijsbeslag en de gedetailleerde beschrijvingen die zij op die datum en op 25 maart 2014 heeft doen opmaken, impact hebben gehad op de bedrijfsorganisatie van Hoffland en BIS zoals zij hebben gesteld9, en dat daaruit schade is voortgevloeid. De vordering tot schadevergoeding kan in zoverre op de voet van artikel 1019g Rv worden toegewezen, aangezien is vastgesteld dat er geen inbreuk is gemaakt.

4.4.2.

Het betoog van Jet Set c.s. dat in dit geval niet zomaar een risicoaansprakelijkheid

mag worden aangenomen, kort gezegd omdat van misbruik van recht geen sprake zou zijn, wordt door de rechtbank verworpen. Gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake beslagmaatregelen heeft te gelden dat degene die beslag legt handelt op eigen risico en, bijzondere omstandigheden daargelaten, de door het beslag geleden schade dient te vergoeden indien het beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd. Dat geldt ook in geval de betrokkene, op verdedigbare gronden van het bestaan van zijn vorderingsrecht overtuigd, bij het leggen van het beslag niet lichtvaardig heeft gehandeld10. Bijzondere omstandigheden daargelaten, is de beslaglegger wiens beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd, aansprakelijk uit onrechtmatige daad jegens degene op wiens recht het beslag inbreuk heeft gemaakt.11 Op de beslaglegger rust daarbij een risicoaansprakelijkheid voor de gevolgen van het door hem gelegde beslag indien de vordering waarvoor beslag is gelegd geheel ongegrond is.12 Niet valt in te zien dat die risicoaansprakelijkheid hier niet aan de orde zou zijn, zoals Jet Set c.s. stelt. Uit de tekst van artikel 1019g Rv, noch uit de daarbij behorende wetgeschiedenis kan worden opgemaakt dat is beoogd een uitzondering te maken op de hiervoor weergegeven leer.13 De vordering kan derhalve worden toegewezen zoals in het dictum bepaald.

4.4.3.

Hoffland c.s. heeft voorts met een beroep op onrechtmatige octrooihandhaving

vergoeding gevorderd van schade voortvloeiend uit de (inhoud van de) schikkingsregelingen - zo heeft zij het werk bij [C] moeten stilleggen met een aansprakelijkheidsstelling tot gevolg en ontwikkelkosten voor een elektrische snijinrichting moeten maken -, waarbij zij heeft aangevoerd dat de schikkingsregelingen zijn getroffen onder dreiging van voortzetting van rechtsmaatregelen door Jet Set c.s. en de regelingen nog immer door Jet Set c.s. worden gehandhaafd, terwijl Jet Set c.s. reeds bij octrooiverlening, maar in ieder geval vanaf het kort geding vonnis van 17 september 2013 had behoren in te zien dat er een niet te verwaarlozen kans zou bestaan dat het octrooi geen stand zou houden. De rechtbank is van oordeel dat de aldus gestelde schade niet voor vergoeding in aanmerking komt. In plaats van het te laten aankomen op een kort geding procedure, heeft Hoffland c.s. er voor gekozen haar positie ten opzichte van Jet Set c.s. voor de duur van de bodemprocedure contractueel te regelen. De in de schikkingsregelingen neergelegde onthoudingsverklaring wordt Hoffland c.s. geacht vrijwillig te zijn aangegaan. Met Jet Set c.s. is de rechtbank van oordeel dat de gevolgen daarvan voor risico van Hoffland c.s. komt.

4.5.

slotsom

4.5.1.

De vorderingen van Jet Set c.s. in de incidenten II en III worden afgewezen, evenals

haar vorderingen in de hoofdzaak. De reconventionele vordering van Hoffland c.s. tot vernietiging van EP 630 wordt toegewezen, alsook de vordering tot schadevergoeding op de wijze als in het dictum bepaald. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

4.6.

proceskosten

incident I

4.6.1.

Bij vonnis in incident van 26 februari 2014, zoals hersteld bij vonnis van 23 april

2014, is de beslissing over de kosten aangehouden tot de beslissing in de hoofdzaak. Nu de door Hoffland c.s. ingestelde provisionele vordering tot schorsing van de regelingen van
16 april 2013 bij voormeld vonnis is afgewezen, zal de rechtbank Hoffland c.s. als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incident veroordelen.

4.6.2.

Jet Set c.s. heeft een bedrag van € 12.496,65 gevorderd op de voet van

artikel 1019h Rv. Jet Set c.s. heeft evenwel zelf gesteld dat de provisionele vordering van Hoffland c.s. tot schorsing van de tussen partijen overeengekomen schikkingsregelingen niet valt onder het bereik van artikel 1019h Rv. Niet valt dan in te zien waarom dit wel zou gelden voor het door Jet Set c.s. tegen die vordering gevoerde verweer. Daarvoor is niet redengevend dat zij in dat verweer haar visie heeft gegeven op de beoordeling van de geldigheid van EP 630 in het kort geding vonnis van 17 september 2013, waardoor het verweer - in de woorden van Jet Set c.s. - het intellectueel eigendomsrecht ‘raakt’14. Dat is immers niet hetzelfde als het voor de toepassing van artikel 1019h Rv relevante criterium of de onderhavige incidentele procedure kan worden aangemerkt als handhaving van een octrooi in de zin van artikel 1019 Rv. Voor toewijzing van de kosten conform artikel 1019h Rv ziet de rechtbank dan ook geen grond. De rechtbank begroot de kosten van het incident conform het liquidatietarief op € 904,- (2 x 1 punt x € 452,-). De kostenveroordeling zal zoals gevorderd uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.


incidenten II en III

4.6.3.

Nu de vorderingen in de incidenten II en III worden afgewezen, zal Jet Set c.s. als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld. BIS heeft op de voet van artikel 1019h Rv om vergoeding van kosten verzocht, in totaal voor een bedrag van
€ 11.588,71, conform het overzicht in de pleitnota. De rechtbank acht een vergoeding op grond van artikel 1019h Rv toewijsbaar, waarbij zij in aanmerking neemt dat de provisionele vordering in incident II - zoals onweersproken door BIS is gesteld 15- (mede) een tijdelijk inbreukverbod behelsde. De met specificaties onderbouwde kostenopgave is door Jet Set c.s. niet betwist zodat de rechtbank het gevorderde bedrag zal toewijzen en de kostenveroordeling zoals gevorderd uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren.

in de hoofdzaak in conventie

4.6.4.

Jet Set c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de door

Hoffland c.s. op de voet van artikel 1019h Rv gevorderde proceskosten. Aan de zijde van Hoffland c.s. is een met specificaties onderbouwde kostenopgave gedaan voor het in de pleitnota weergegeven totaalbedrag van € 66.220,-. Nu Jet Set c.s. de hoogte van de kosten niet heeft bestreden zullen de gevorderde kosten worden toegewezen, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat de discussie over de gevorderde verklaring voor recht hoofdzakelijk in het incident is gevoerd en de kosten in de hoofdzaak in zoverre verwaarloosbaar zijn te achten. De kosten zullen worden vermeerderd met wettelijke rente als gevorderd en waartegen geen bezwaar is gemaakt. De kostenveroordeling zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

in de hoofdzaak in reconventie

4.6.5.

Omdat de vorderingen tot vernietiging van EP 630 en tot schadevergoeding worden

toegewezen, veroordeelt de rechtbank Jet Set c.s. als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van Hoffland c.s. Aan de zijde van Hoffland c.s. is een met specificaties onderbouwde kostenopgave gedaan voor een bedrag van in totaal € 27.406,33 als weergegeven in de pleitnota. Jet Set c.s. heeft de hoogte van de kosten niet bestreden. De gevorderde kosten zullen daarom op de voet van artikel 1019h Rv worden toegewezen, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat de discussie over de gevorderde opschorting van de schikkingsregeling hoofdzakelijk in het incident is gevoerd en de kosten in de hoofdzaak in zoverre verwaarloosbaar zijn te achten. De kosten zullen worden vermeerderd met wettelijke rente als gevorderd en waartegen geen bezwaar is gemaakt. De kostenveroordeling zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

in de hoofdzaak in conventie en reconventie

4.6.6.

Voor een separate veroordeling in de nakosten, zoals door Hoffland c.s. gevorderd,

bestaat geen grond, aangezien de kostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel oplevert.16 De rechtbank ziet wel aanleiding de nakosten, die nog niet zijn begrepen in de hiervoor onder 4.6.4. en 4.6.5. genoemde bedragen, te begroten, nu Hoffland c.s. gezien de door haar genoemde hoogte van het nasalaris kennelijk aanspraak maakt op forfaitaire bedragen conform het door de rechtbank gehanteerde liquidatietarief. De rechtbank begroot de nakosten daarom conform dit liquidatietarief forfaitair op € 205,- voor conventie en reconventie tezamen indien geen betekening van dit vonnis plaatsvindt, welk bedrag wordt verhoogd met € 68,- en vermeerderd met de explootkosten indien betekening van het vonnis wel plaatsvindt en Jet Set c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, te vermeerderen met de gevorderde en niet weersproken wettelijke rente over de nakosten.

5 De beslissing

De rechtbank

in de incidenten

incident I

5.1

veroordeelt Hoffland c.s. in de proceskosten in het incident I aan de zijde van Jet Set c.s., tot op heden begroot op € 904,-,

5.2.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

incidenten II en III

5.3

wijst de vorderingen in de incidenten II en III af,

5.4

veroordeelt Jet Set c.s. in de proceskosten in beide incidenten aan de zijde van BIS, tot op heden begroot op € 11.588,71,

5.5

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak in conventie

5.6.

wijst de vorderingen af,

5.7.

veroordeelt Jet Set c.s. in de proceskosten aan de zijde van Hoffland c.s. tot zover begroot op € 66.220,-, te voldoen binnen veertien dagen na heden, bij gebreke waarvan dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag van volledige voldoening,

5.8.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak in reconventie

5.9.

vernietigt het Nederlandse deel van EP 630,

5.10.

veroordeelt Jet Set c.s. tot vergoeding van de als gevolg van de voorlopige maatregelen ex artikel 1019b Rv door Hoffland c.s. geleden schade, zulks nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

5.11.

veroordeelt Jet Set c.s. in de kosten van de procedure, tot zover aan de zijde van Hoffland c.s. begroot op 27.406,33, te voldoen binnen veertien dagen na heden, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening,

5.12.

verklaart de onderdelen 5.10 en 5.11 uitvoerbaar bij voorraad,

5.13.

wijst af het meer of anders gevorderde.

in de hoofdzaak in conventie en reconventie

5.14.

verstaat dat de hoogte van de door Hoffland c.s. te maken nakosten € 205,- bedragen indien geen betekening van dit vonnis plaatsvindt, verhoogd met € 68,- en vermeerderd met de explootkosten in geval van betekening van dit vonnis en Jet Set c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan,

5.15.

bepaalt dat de het onder 5.14. genoemde bedrag van € 205,- vanaf de veertiende dag na dagtekening van dit vonnis wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW en het genoemde bedrag van € 68,- en het bedrag van de explootkosten vanaf de vijftiende dag na aanschrijving, tot de dag van volledig betaling.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H. Blok, mr. C.T. Aalbers en mr. ir. J.H.F. de Vries en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2015.

1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

2 www.ie-forum.nl: Vzr. Rechtbank Den Haag 17 september 2013, KG ZA 13-956 (Jet Set Hydrotechniek tegen Verwater c.s.)

3 www.ie-forum.nl: Hof Den Haag 3 maart 2015, IEF 14724 (Jetset Hydrotechniek tegen Verwater)

4 conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie 42-54, conclusie van dupliek in reconventie 14-16, pleitnota 32

5 conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie 3-8

6 pleitnota, 34

7 Verordening (EU) Nr. 316/2014 van de commissie van 21 maart 2014 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op groepen overeenkomsten inzake technologieoverdracht en Mededeling van de commissie 2014/C 89/03 - Richtsnoeren voor de toepassing van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op overeenkomsten inzake technologieoverdracht.

8 Hoge Raad, 13 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC3066, NJ 1988, 953

9 conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie, 113

10 HR 15 april 1965, LJN:AC4076 NJ 1965/331 en HR 21 februari 1992, LJN:ZC0512, NJ 1992/60

11 HR 13 januari 1995, LJN:ZC1608, NJ 1997/366

12 HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2841

13 Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 392, nr. 3, p.25: “Onder het huidige recht wordt algemeen aangenomen dat een voorlopige maatregel die later blijkt ten onrechte te zijn gelegd en daarom achteraf onrechtmatig is, voor risico komt van degene die om de maatregel heeft verzocht. In artikel 9, zevende lid, van de richtlijn is nader ingevuld wanneer daarvan sprake is en is daarom geïmplementeerd (artikel 1019g).”

14 conclusie van antwoord in incident van 9 oktober 2013, 33

15 conclusie van antwoord in de incidenten II en III van 23 april 2014, 11

16 vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116