Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:6279

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
03-06-2015
Zaaknummer
09/827091-14 (dagvaarding I) en 09/852238-14 (Dagvaarding II, ter berechting gevoegd)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in een instelling van GGZ Delfland een medepatiënt gewurgd en een andere medepatiënt getracht te wurgen. De rechtbank verwerpt het verweer dat geen sprake is van opzet. Voorbedachte raad acht de rechtbank niet bewezen. De rechtbank acht doodslag en poging tot doodslag, meermalen gepleegd, wettig en overtuigend bewezen. Verdachte wordt vrijgesproken van het mishandelen van een medewerker van het PPC Den Haag.

Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten in GGZ Delfland ontoerekeningsvatbaar. De rechtbank ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging. De rechtbank legt aan verdachte de maatregel TBS met voorwaarden op en beveelt daarbij de dadelijke uitvoerbaarheid. De uitvoering van deze maatregel is met voldoende waarborgen met betrekking tot de beveiliging van de maatschappij omkleed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/827091-14 (dagvaarding I) en 09/852238-14 (dagvaarding II, ter berechting gevoegd)

Datum uitspraak: 3 juni 2015

Tegenspraak

(Promis vonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen verdachte:

[verdachte] ,

geboren op[geboortedag] 1989 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) Vught te Vught.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 12 november 2014 (dagvaarding I), 20 januari 2015 (dagvaarding II ter berechting gevoegd), 25 maart 2015 en 20 mei 2015.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. B. Lijnse en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. W.S. Korteling, advocaat te Den Haag, en door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlasteleggingen ter terechtzittingen van 12 november 2014 (dagvaarding I) en 25 maart 2015 (dagvaarding II) - ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van dagvaarding I:

1.

hij op of omstreeks 31 juli 2014 te Delft opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met kracht) met een of meer hand(en) en/of een arm de hals en/of keel van deze [slachtoffer 1] dichtgeknepen, althans samendrukkend geweld gebruikt op de hals van deze [slachtoffer 1] en/of (daarbij) de neus van die [slachtoffer 1] dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 31 juli 2014 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade, een persoon [slachtoffer 2] van het leven te beroven, opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (meermalen) naar die [slachtoffer 2] is gelopen en/of (vervolgens) (meermalen) met zijn hand(en) en/of arm de keel en/of hals van voornoemde [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en/of (vervolgens) de keel van voornoemde [slachtoffer 2] heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden en/of (daarbij) de neus van voornoemde [slachtoffer 2] heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 31 juli 2014 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd[slachtoffer 2], opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

(meermalen) naar die [slachtoffer 2] is gelopen en/of (vervolgens) (meermalen) met zijn hand(en) en/of arm de keel en/of hals van voornoemde [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en/of (vervolgens) de keel van voornoemde [slachtoffer 2] heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden en/of (daarbij) de neus van voornoemde [slachtoffer 2] heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Ten aanzien van dagvaarding II:

hij op of omstreeks 03 september 2014 te 's-Gravenhage, opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 3], gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening (als zorg-en behandel inrichtingswerker in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum), onverhoeds en/of agressief en/of met grote kracht heeft geduwd, waardoor er een worsteling is ontstaan waarbij voornoemde [slachtoffer 3] met zijn hoofd tegen de deurpost is gevallen, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1

Op 29 juli 2014 werd verdachte opgenomen op de locatie van GGZ Delfland aan de Sint Jorisweg te Delft en geplaatst op [Afdeling X], een crisisafdeling voor patiënten met psychotische beelden en stoornissen.

In de avond van 30 juli 2014 zat verdachte met medepatiënten [slachtoffer 1] (hierna:[slachtoffer 1]) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) in de woonkamer van deze afdeling. De verantwoordelijk psychiatrisch verpleegkundige, [Getuige 1] (hierna: [Getuige 1]), heeft hen nadat haar dienst om 22.45 uur was ingegaan gezien in de woonkamer van de afdeling en kort contact gehad met verdachte. Zij heeft vervolgens de afdeling verlaten. Vanaf 23.19 uur bleven [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met zijn drieën in de woonkamer alleen achter.2

Nadat verdachte, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] enige tijd op de bank in de woonkamer hadden gepraat, verdachte van [slachtoffer 2] een shaggie aangereikt had gekregen en ze met muziek bezig waren, sloeg verdachte in één keer om. Hij kreeg een waas voor zijn ogen en stond op van de bank.3 Een volgend moment zag verdachte [slachtoffer 1] op zijn buik op de grond liggen.4

Op 31 juli 2014, kort voor 03.30 uur, is verpleegkundige [Getuige 1] naar [Afdeling X] gegaan. Zij heeft gezien dat verdachte (naar de rechtbank begrijpt: op de gang van deze afdeling) [slachtoffer 2] aan zijn nek tegen de muur hield. Zij schreeuwde tegen verdachte dat hij moest loslaten, waarop verdachte [slachtoffer 2] los liet en in de richting van [Getuige 1] liep. [Getuige 1] zag [slachtoffer 1] in de huiskamer liggen. Zij zag meteen dat hij was overleden. [slachtoffer 1] lag op zijn buik en zag helemaal roodblauw.5

Er is vanuit GGZ Delfland vervolgens contact opgenomen met de meldkamer van de ambulancedienst en de politie.6 Om 03.48 uur was ambulanceverpleegkundige [Getuige 3] samen met haar collega ter plaatse. Zij zag slachtoffer [slachtoffer 1] liggen en heeft om 03:52 uur geconstateerd dat hij was overleden.7

De ambulancemedewerkster onderzocht ook [slachtoffer 2] en constateerde dat hij (onder meer) duidelijke afdrukken van vier vingers en een duim in zijn hals had. Links zag ze vier vingers en rechts een duim. Ook zag zij hier een krab.8

Er is sectie verricht op het lichaam van [slachtoffer 1]. De conclusie van de patholoog luidt dat[slachtoffer 1] is overleden als gevolg van verwikkelingen van bij leven opgelopen omsnoerend en/of samendrukkend geweld op de hals. Mogelijk heeft het afsluiten van de bovenste luchtwegen door bijvoorbeeld smoren en compressie van de romp aan het optreden van verstikkingsverschijnselen en daarmee aan het overlijden bijgedragen.9

Er heeft een vergelijkend DNA-onderzoek plaatsgevonden tussen bemonsteringen afkomstig van wijlen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en verdachte en referentiemateriaal afkomstig van wijlen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en verdachte. In de bemonstering van de binnenzijde/buitenzijde van de rechterhand van verdachte is een complex DNA-mengprofiel aangetroffen. Slachtoffer [slachtoffer 1] kan donor van het celmateriaal in de bemonstering zijn. Alle DNA-kenmerken van [slachtoffer 1] zijn in het DNA-mengprofiel aangetoond. In de bemonsteringen van de nagelranden van zowel de rechterhand als de linkerhand van verdachte zijn DNA-mengprofielen aangetroffen waarvan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] donor kunnen zijn. Alle DNA-kenmerken van hun DNA-profielen zijn aangetoond. In de bemonstering van de binnenzijde/buitenzijde van de linkerhand van verdachte is een complex DNA-mengprofiel aangetroffen. Het DNA-hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel van [slachtoffer 1].10

Ten aanzien van dagvaarding II

Verdachte heeft voorlopig gehecht gezeten in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum te

’s-Gravenhage. Op 3 september 2014 heeft zich aldaar een incident voorgedaan waarbij [slachtoffer 3], zorg- en behandel inrichtingswerker, en verdachte betrokken waren. [slachtoffer 3] is daarbij ten val gekomen en heeft letsel opgelopen aan zijn tong, kies, gelaat, hoofd en knie.

Bovengenoemde feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zondere nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvragen.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de in dagvaarding I ten laste gelegde feiten op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd en heeft getracht [slachtoffer 2] van het leven te beroven. De officier van justitie heeft betoogd dat verdachte opzet had op het plegen van deze feiten en dat verdachte de feiten heeft gepleegd met voorbedachte raad, zodat de feiten kunnen worden gekwalificeerd als respectievelijk moord (feit 1) en poging tot moord (feit 2). Voorts acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk

[slachtoffer 3] heeft mishandeld, zoals in dagvaarding II ten laste is gelegd.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet heeft ontkend dat hij geweldshandelingen heeft verricht, maar dat verdachte geen opzet had op het plegen van de ten laste gelegde feiten en integraal dient te worden vrijgesproken. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte ten gevolge van een psychotische stoornis geen inzicht had in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan. Ten aanzien van feit 2 van dagvaarding I geldt volgens de raadsman voorts dat geen sprake kan zijn van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 2], omdat de feitelijke handelingen van verdachte naar algemene ervaringsregels niet de aanmerkelijke kans op de dood opleveren.

Ten aanzien van de bij dagvaarding I ten laste gelegde feiten heeft de raadsman subsidiair betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’, omdat verdachte ten gevolge van zijn stoornis geen tijd en gelegenheid had om zich te beraden op zijn daden.

3.4

De beoordeling van de tenlasteleggingen

3.4.1

Feiten op dagvaarding I

De rechtbank ziet zich voor de vragen gesteld of verdachte [slachtoffer 1]om het leven heeft gebracht en voorts heeft gepoogd [slachtoffer 2] om het leven te brengen, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, en of daarbij al dan niet sprake is geweest van opzet en voorbedachte raad.

3.4.1.1 De verklaringen van [slachtoffer 2]

heeft verklaard dat verdachte, nadat verdachte van het ene op het andere moment was omgeslagen, uit het niets zei dat ze een spel gingen spelen, een ring gingen maken en alle meubels aan de kant moesten. Verdachte schoof de eetkamerstoelen aan de kant en maakte schop- en boksbewegingen, alsof hij zich aan het opwarmen was. Verdachte maande [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]hun sokken uit te doen en zei: “Er verlaat dadelijk maar één man de kamer.” Nog geen minuut later gaf verdachte [slachtoffer 1] een vuistslag op zijn hoofd, waardoor deze op de grond viel. Verdachte ging vervolgens op de rug van [slachtoffer 1] zitten en hield hem met een arm om diens keel gedurende veertig à vijftig seconden in een wurggreep. Verdachte stond vervolgens op, terwijl [slachtoffer 1] stil op de grond bleef liggen. Daarop liep verdachte naar [slachtoffer 2] toe, pakte hem bij de enkels en slingerde hem de kamer door. Verdachte liep weer terug naar [slachtoffer 1], die nog geluid maakte, en kneep zijn neus en keel dicht tot [slachtoffer 1] geen geluid meer maakte.

Verdachte is daarop terug naar [slachtoffer 2] gelopen en heeft in de uren die volgden met hem gepraat. Daarbij wisselde hun gesprekken zich af met geweldshandelingen van verdachte. Zo heeft verdachte [slachtoffer 2] nog eens aan zijn enkel door de kamer geslingerd, hem vanachter bij zijn haren gegrepen en naar achter getrokken, zijn hoofd vastgegrepen, op zijn borst gestaan en hem voluit met een vuist in het gezicht geslagen. [slachtoffer 2] is meerdere keren met zijn hoofd vol op de grond gevallen. Verdachte heeft [slachtoffer 2] meermalen gezegd dat het een ‘survival of the fittest’ was. [slachtoffer 2] heeft ook met verdachte moeten in- en uitademen. Volgens [slachtoffer 2] duurde het ongeveer vier uur.

Op enig moment heeft [slachtoffer 2] aan verdachte gevraagd of hij naar zijn kamer mocht. Het was het moment dat verdachte weer helemaal omsloeg. Hij werd weer boos en slingerde [slachtoffer 2] weer aan zijn enkel de kamer door. [slachtoffer 2] kwam in een andere hoek van de kamer terecht, de hoek dichtbij de deur naar de gang. Verdachte deed toen bij [slachtoffer 2] precies dat wat hij eerder bij [slachtoffer 1] had gedaan. Verdachte is op de rug van [slachtoffer 2] gaan zitten. Verdachte kneep vervolgens de neus van [slachtoffer 2] dicht en omknelde met zijn andere arm de nek van [slachtoffer 2] gedurende tien tot twintig seconden, waardoor [slachtoffer 2] niet kon ademen. Verdachte stopte hiermee toen [slachtoffer 2] zijn duim omhoog stak. [slachtoffer 2] is vervolgens omhoog geklauterd en samen met verdachte op de gang van de afdeling terecht gekomen. Daar heeft verdachte gedurende vijf seconden [slachtoffer 2] met één hand bij zijn keel gegrepen, tegen de wand geduwd en ook zijn neus dicht gehouden. [slachtoffer 2] kreeg geen lucht. Op dat moment verscheen een medewerkster (de rechtbank begrijpt: [Getuige 1]) die vanachter een glazen deur schreeuwde, waarop verdachte los liet.11 [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij denkt dat als deze medewerkster niet was gekomen, hij nu dood was geweest.

3.4.1.2 De verklaringen van verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de huiskamer was, toen hem plotseling een overweldigend gevoel van angst overviel, alsof hij bedreigd werd. Verdachte voelde dat een kwade macht in zijn aura kwam en dat hij daar iets tegen moest doen. Hij schoot meteen uit de startblokken en weet nog dat hij op stond van de bank. Hij kreeg een waas voor zijn ogen en heeft in die waas gedaan wat [slachtoffer 2] heeft verklaard.

Toen hij uit die waas kwam, zat hij opeens op een andere bank en keek hij recht in de ogen van een wezentje in het lichaam van [slachtoffer 2], terwijl [slachtoffer 1] op zijn buik op de grond lag.12 Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] heeft gewurgd en dat [slachtoffer 1] door hem dood is.13 Hij kan zich er niet veel, eigenlijk niets van herinneren. Hij heeft het gelezen in het dossier.

Verdachte heeft voorts verklaard dat hij in de uren die volgden, probeerde de duivel uit het lichaam van [slachtoffer 2] te verdrijven, door met hem te praten en ademhalingsoefeningen te doen. Hij herinnerde zich dat hij een wurgklem bij [slachtoffer 2] heeft aangelegd en ondertussen diens neus heeft dichtgeknepen. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij [slachtoffer 2] met beide handen met kracht bij de keel heeft gegrepen. Hij wilde voorkomen dat de duivel zou ontsnappen. Verdachte heeft daarnaast verklaard dat hij zich nog kan herinneren dat er een mevrouw kwam die iets zei en dat hij weer bij zinnen kwam.14

3.4.1.3 Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de onder 3.1 weergegeven redengevende feiten en omstandigheden, alsmede de verklaringen van [slachtoffer 2] en verdachte is de rechtbank van oordeel dat verdachte op of omstreeks 31 juli 2014 te Delft [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd door met zijn arm diens hals dicht te knijpen, althans daarop samendrukkend geweld toe te passen, en (daarbij) de neus van [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verdachte op 31 juli 2014 te Delft meerdere malen de keel en de neus van [slachtoffer 2] heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden.

De vragen die thans nog ter beantwoording aan de rechtbank voorliggen, zijn of verdachte opzet had op het plegen van deze feiten, en zo ja, of de handelingen van verdachte jegens [slachtoffer 2] gericht waren op het laten intreden van de dood en zo niet, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en of verdachte de feiten al dan niet heeft gepleegd met voorbedachte raad.

3.4.1.4 Opzet?

De verdediging heeft bestreden dat verdachte opzet had op de ten laste gelegde feiten en zich daarbij beroepen op een ernstige psychische stoornis bij verdachte.

In dit verband geldt dat naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet worden vooropgesteld dat zo’n stoornis slechts dan aan een bewezenverklaring van het opzet in de weg staat, indien bij verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken. Daarvan zal naar vaste jurisprudentie slechts bij hoge uitzondering sprake zijn.15

Anders dan de verdediging is de rechtbank ten aanzien van beide feiten van oordeel dat geen sprake is van een dergelijke uitzondering. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Uit de feiten en omstandigheden, zoals onder 3.1. en in de verklaringen van [slachtoffer 2] en verdachte zijn beschreven, leidt de rechtbank af dat de handelingen van verdachte naar hun aard waren gericht op het verwurgen van de slachtoffers. Blijkens de uiterlijke verschijningsvorm van die gedragingen ging het om een samenstel van gecoördineerde, effectieve en in zekere zin rationele handelingen, die klaarblijkelijk ten doel hadden om de slachtoffers te laten stikken. De rechtbank wijst hierbij in het bijzonder op de combinatie van het dichtknijpen van de hals/keel en het dichtknijpen van de neus.

Verdachte heeft zijn verwurgingshandelingen bij [slachtoffer 1] gestaakt toen deze stil op de grond bleef liggen, zijn handelingen weer voortgezet toen [slachtoffer 1] geluid maakte, totdat [slachtoffer 1] definitief stil bleef. Ook daaruit leidt de rechtbank af dat bij verdachte klaarblijkelijk de gedachte bestond[slachtoffer 1] om te brengen en met name dat hij om dat te bewerkstelligen de hals en de neus van [slachtoffer 1] diende dicht te knijpen, omdat deze nog geluid maakte.

Dezelfde gedachte moet verdachte naar het oordeel van de rechtbank ook bij [slachtoffer 2] hebben gehad, omdat hij dezelfde soort verwurgingshandelingen bij [slachtoffer 2] heeft verricht. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij voelde dat hij de duivel in [slachtoffer 2] moest verdrijven. Verdachtes handelingen jegens [slachtoffer 2] waren naar het oordeel van de rechtbank naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht op het laten intreden van diens dood. Dat [slachtoffer 2] niet is overleden is kennelijk enkel te danken aan externe factoren, zoals het optreden van [slachtoffer 2] zelf (het opsteken van de duim) en dat van [Getuige 1] (schreeuwen naar verdachte), en niet omdat het verdachte reeds aan de wil zou hebben ontbroken om [slachtoffer 2] te doden.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande en het onderzoek ter terechtzitting van oordeel dat verdachte op zijn minst genomen enig inzicht heeft gehad in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan. Dat het handelen van verdachte bezien moet worden in het kader van diens geestelijke stoornis, kan daaraan niet afdoen, net zomin als de omstandigheid dat verdachte zich naar eigen zeggen niet herinnert dat hij [slachtoffer 1] daadwerkelijk heeft gewurgd. De uitzonderingssituatie dat het hem aan elk besef heeft ontbroken kan gelet op hetgeen in het voorgaande is overwogen niet worden aangenomen.

Nu verdachte naar het oordeel van de rechtbank enig inzicht heeft gehad in de draagwijdte van zijn gedragingen en de gevolgen daarvan acht de rechtbank het zogenoemde volle opzet ten aanzien van de feiten jegens[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bewezen.

3.4.1.5 Voorbedachte raad?

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat.16

De officier van justitie heeft betoogd dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte ten aanzien van beide feiten handelde met voorbedachte raad. Zij heeft daartoe in de eerste plaats gewezen op het tijdsverloop en de opmerkingen van verdachte tot aan het moment dat hij [slachtoffer 1] aanviel. In de tweede plaats heeft zij gewezen op de omvang en de aard van het letsel bij [slachtoffer 1], die erop wijzen dat de levensbeëindigende handelingen enige tijd hebben geduurd. Voorts heeft de officier van justitie betoogd dat verdachte, gelet op zijn opmerking dat maar één man de kamer zou verlaten, voornemens was om [slachtoffer 2] te doden en dat hij op dit voornemen niet is teruggekomen, terwijl hij na het doden van [slachtoffer 1] urenlang tijd had voor reflectie. Tot slot heeft de officier van justitie erop gewezen dat verdachte direct na afloop van de feiten tegen [Getuige 1] en haar collega heeft gezegd “die man viel zo dood voor mij neer” en “ik snap wel dat ik dit niet kan houden na wat ik gedaan heb” en dat hieruit kan worden opgemaakt dat verdachte besef had van hetgeen hij had gedaan. Naar de mening van de officier van justitie zijn er geen, althans onvoldoende contra-indicaties aanwezig die erop wijzen dat verdachte níet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

De raadsman heeft betoogd dat de geweldshandelingen weliswaar hebben plaatsgevonden gedurende een aantal uren, maar dat er meerdere contra-indicaties aanwezig zijn om aan te nemen dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld ten aanzien van[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Zo was naar de mening van de raadsman in beide gevallen sprake van een plotselinge hevige drift bij verdachte, was de tijd tussen het besluit tot geweld en de uitvoering daarvan bijzonder kort, ontstond de gelegenheid voor beraad voor het eerst tijdens de uitvoering en was het door de psychotische stoornis voor verdachte niet mogelijk om zich te beraden over eventuele beslissingen en de gevolgen daarvan.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Ten aanzien van [slachtoffer 1]:

[slachtoffer 2] en verdachte hebben verklaard dat verdachte op de bewuste avond in één keer omsloeg, nadat zij al enige tijd met [slachtoffer 1] in de woonkamer hadden gezeten. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte uit het niets zei dat ze een spel gingen spelen, hun sokken uit moesten doen en zei dat er straks maar één man de kamer zou verlaten. Nog geen minuut later kreeg [slachtoffer 1] een klap op zijn hoofd van verdachte waardoor hij op de grond viel en verdachte een aanvang nam met het verwurgen van [slachtoffer 1]. Vervolgens richtte verdachte zich met een geweldshandeling op [slachtoffer 2] om vervolgens voor de tweede maal [slachtoffer 1] te verwurgen.

Naar het oordeel van de rechtbank wijst de hiervoor beschreven plotselinge omslag in het gedrag van verdachte en zijn handelingen daarna, eerder op een bepaalde plotselinge hevige drift. Dit strookt ook met de verklaring van verdachte, die heeft aangegeven dat hij zich bedreigd voelde en daarop “uit de startblokken schoot.” De enkele uitlating van verdachte op dat moment dat maar één man de kamer zou verlaten en dat verdachte tot tweemaal toe verwurgingshandelingen heeft verricht acht de rechtbank onvoldoende om daaruit voorbedachte raad af te kunnen leiden. De rechtbank overweegt voorts dat zij uit de verklaringen van [slachtoffer 2] afleidt dat de tijdspanne tussen het besluit van verdachte om [slachtoffer 1] te wurgen en de uitvoering daarvan te kort is geweest voor verdachte om zich te kunnen beraden over zijn voorgenomen daad, de gevolgen daarvan en zich daarvan rekenschap te geven.

Ten aanzien van [slachtoffer 2]:

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij, nadat [slachtoffer 1] was overleden, meerdere uren met verdachte in de woonkamer is geweest. In die uren wisselde het gedrag van verdachte en heeft verdachte meermalen geweldshandelingen gepleegd. Naar hun aard waren die handelingen aanvankelijk naar het oordeel van de rechtbank niet gericht op het ombrengen van [slachtoffer 2]. De rechtbank kent gelet daarop aan de uitlating van verdachte dat maar één man de kamer zou verlaten niet het gewicht toe dat de officier van justitie daaraan toeschrijft.

De rechtbank leidt uit de verklaringen van [slachtoffer 2] alsmede uit de verklaringen van verdachte betreffende zijn verwurgingshandelingen in de gang van [Afdeling X] af dat de verwurgingshandelingen in de woonkamer en de gang hebben plaatsgevonden zeer kort voor de komst van verpleegkundige [Getuige 1]. Bij die stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat de tijdspanne tussen de ten laste gelegde verwurgingshandelingen jegens [slachtoffer 2] te kort is geweest voor verdachte om daadwerkelijk de gelegenheid te hebben (en zo ja: deze te gebruiken) gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De rechtbank is daarom van oordeel dat ten aanzien van de feiten 1 en 2 niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van voorbedachte raad. Zij zal verdachte van de (impliciet primair) ten laste gelegde voorbedachte raad vrijspreken.

3.4.1.6 Eindoordeel rechtbank

Gelet op de redengevende inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen zal de rechtbank verdachte veroordelen voor doodslag op [slachtoffer 1] en poging tot doodslag, meermalen gepleegd, jegens [slachtoffer 2].

3.4.2

Dagvaarding II

Voorts dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke mishandeling jegens [slachtoffer 3]. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

3.4.2.1 Verklaringen [slachtoffer 3], [Getuige 2] en verdachte

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij op 3 september 2014 omstreeks 16:30 uur in het PPC in Den Haag samen met collega [Getuige 2] een maaltijd kwam brengen bij verdachte, toen hij door de ruit van de cel zag dat verdachte naakt en geknield voor de toiletpot zat met zijn hoofd in de toiletpot. Hij riep dat verdachte moest gaan zitten. Verdachte gaf hier gehoor aan en vervolgens ging [slachtoffer 3] naar binnen. Op het moment dat [slachtoffer 3] het eten neerzette kwam verdachte grommend omhoog, stormde razendsnel de kant van [slachtoffer 3] op en dook met zijn hele gewicht op hem. Hierdoor viel [slachtoffer 3] samen met verdachte achterover en raakte met zijn hoofd de deurpost. Daarna volgde een vechtpartij. [slachtoffer 3] heeft diverse letsels bekomen.

[Getuige 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 3] verdachte sommeerde om weg te gaan bij het toilet en op zijn matras te gaan zitten. Verdachte gaf hier gevolg aan, waarop [slachtoffer 3] de deur van de cel opende en bukte om het eten neer te zetten. Op het moment dat verdachte bukte om te gaan zitten, draaide hij zich om en zette aan tot een aanval. Verdachte sloeg zijn armen uit naar [slachtoffer 3]. [slachtoffer 3] weerde verdachte af en verdachte duwde in de worsteling die volgde [slachtoffer 3] de cel uit. [Getuige 2] pakte vervolgens over [slachtoffer 3] heen het hoofd en de hand van verdachte en wilde verdachte naar de grond werken. Hierop pakte [Getuige 2] de beide benen van verdachte en hield deze boven zijn hoofd. Volgens [Getuige 2] vielen [slachtoffer 3] en verdachte door dit dubbele gewicht om. Hij hoorde daarbij een harde dreun. Hierna zag hij dat [slachtoffer 3] vreselijk bloedde.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de deur van zijn cel openschoot en dat hij uit schrikreactie met zijn handen naar voren op [slachtoffer 3] afliep. [slachtoffer 3] en [Getuige 2] dachten hierdoor dat hij hen aanviel, grepen hem vast en drukten hem tegen de muur. Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 3] en [Getuige 2] beiden op zijn nek zaten, en dat hij op een gegeven moment omviel doordat zijn gewicht verplaatste. Tot slot heeft verdachte verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat [Getuige 2] zijn benen vastpakte, maar dat het goed mogelijk is dat zijn gewicht door die handeling verplaatste.

3.4.2.2 Oordeel van de rechtbank

Op grond van de verklaringen van [slachtoffer 3], [Getuige 2] en verdachte kan worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer 3] een duw heeft gegeven, en dat ten gevolge van die duw een worsteling is ontstaan tussen verdachte enerzijds, en [slachtoffer 3] en [Getuige 2] anderzijds. Vast staat dat [slachtoffer 3] in die worsteling op enig moment is gevallen en een hoofdwond heeft opgelopen. Hoewel duidelijk is dat de worsteling is ontstaan als gevolg van het optreden van verdachte, kan niet worden vastgesteld dat verdachte tijdens die worsteling enige gedraging heeft verricht waaruit kan worden afgeleid dat hij het (voorwaardelijk) opzet had om aan [slachtoffer 3] pijn of letsel toe te brengen. De rechtbank zal daarom verdachte van dit feit vrijspreken.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte:

1.

op of omstreeks 31 juli 2014 te Delft opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met kracht met een arm de hals van deze [slachtoffer 1] dichtgeknepen, althans samendrukkend geweld gebruikt op de hals van deze [slachtoffer 1], en (daarbij) de neus van die [slachtoffer 1] dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2 (primair).

op 31 juli 2014 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, opzettelijk meermalen met zijn hand en/of arm de keel van voornoemde [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en vervolgens de keel van voornoemde [slachtoffer 2] heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden en daarbij de neus van voornoemde [slachtoffer 2] heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van dagvaarding I, feit 1 (impliciet subsidiair):

doodslag;

ten aanzien van dagvaarding I, feit 2 primair (impliciet subsidiair):

poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van verdachte

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten volledig ontoerekeningsvatbaar was en op grond daarvan dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5.2

Het standpunt van de verdediging

Ook de raadsman heeft betoogd dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennis genomen van het Pro Justitia-rapport psychiatrisch onderzoek van 15 januari 2015, opgesteld door J. Marx, psychiater. Op 29 april 2015 heeft Marx een tweede Pro Justitia-rapport opgesteld in verband met het incident dat zich op 3 september 2014 in het PPC Den Haag heeft voorgedaan. Voorts is Marx ter terechtzitting van 20 mei 2015 als deskundige gehoord.

Marx heeft geconcludeerd dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, te weten een psychotische stoornis, hoogstwaarschijnlijk schizofrenie. Marx heeft gerapporteerd dat verdachte ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten evident psychotisch was en dat de overtuigingen die voortkwamen uit de psychose zo sterk waren, dat verdachte zijn wil niet in vrijheid kon bepalen en geen invloed had op zijn gedragskeuzen. Marx heeft geadviseerd verdachte ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten als volledig ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het Pro Justitia-rapport psychologisch onderzoek van 14 januari 2015, opgesteld door F.G. Schilder, GZ-psycholoog te Rotterdam.

De bevindingen van Schilder komen grotendeels overeen met de bevindingen van Marx.

Schilder heeft geconcludeerd dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, te omschrijven als een schizofreniforme stoornis. Schilder heeft gerapporteerd dat van deze stoornis sprake was ten tijde van het ten laste gelegde en dat de stoornis zodanig in verband staat met de ten laste gelegde feiten, dat deze daaruit kunnen worden verklaard. Schilder heeft naar voren gebracht dat wanen, hallucinaties en incoherent gedrag een onlosmakelijk deel van de schizofreniforme stoornis vormen en dat de psychose en de overtuiging met de dood te worden bedreigd zodanig overheersend aanwezig waren, dat verdachte geen andere mogelijkheid zag dan de kwade macht te bevechten en uit te schakelen. Schilder heeft daarom ten aanzien van de onder dagvaarding I ten laste gelegde feiten geadviseerd verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.

Marx en Schilder zijn op respectievelijk 10 en 20 maart 2015 en 16 april 2015 door de rechter-commissaris gehoord. Beiden hebben tijdens het verhoor naar voren gebracht dat de verschillende diagnoses die zij hebben gesteld, te weten respectievelijk een psychotische stoornis NAO (rapport Marx d.d. 15 januari 2015) en een schizofreniforme stoornis, inhoudelijk niet van elkaar afwijken als het gaat om de positieve symptomen (te weten wanen, hallucinaties en disorganisaties). Marx heeft naar voren gebracht dat hij naar aanleiding van het bekijken van beelden van politieverhoren van oordeel is dat het gedrag van verdachte past bij een psychose in het kader van een schizofrene ontwikkeling.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het beknopte psychiatrisch onderzoek dat J.M.J.F. Offermans, psychiater te Bussum, op verzoek van de verdediging op 9 april 2015 over verdachte heeft opgesteld. Offermans is bovendien ter terechtzitting van 20 mei 2015 als deskundige gehoord.

Offermans heeft naar voren gebracht dat hij zich in hoofdlijnen kan verenigen met de diagnostische uitkomsten van het psychiatrisch onderzoek van Marx en het psychologisch onderzoek van Schilder. Hij heeft gerapporteerd dat hij iets meer naar de diagnose van een schizofreniforme stoornis neigt, nu de psychose zonder medicatie lang heeft voortgeduurd en er pas verbetering is opgetreden toen medicatie kon worden ingezet. Ook Offermans heeft geconcludeerd tot ontoerekeningsvatbaarheid ten aanzien van de ten laste gelegde feiten.

De rechtbank acht de conclusies van voornoemde rapporteurs inzichtelijk en gedegen onderbouwd. De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt deze tot de hare. Dit brengt mee dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten leed aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, te weten een psychotische stoornis, hoogstwaarschijnlijk schizofrenie dan wel een schizofreniforme stoornis, en dat verdachte ten tijde van het plegen van die feiten ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht.

De rechtbank acht verdachte derhalve niet strafbaar is en zal hem ontslaan van alle rechtsvervolging.

6 De op te leggen maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging dient te worden opgelegd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht in geval van bewezenverklaring de maatregel van TBS met voorwaarden aan verdachte op te leggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag op [slachtoffer 1], een medepatiënt in GGZ Delfland. Verdachte heeft de hals en neus van [slachtoffer 1] zolang dichtgeknepen, dat hij is overleden. Verdachte heeft [slachtoffer 1] van zijn kostbaarste bezit - het leven - beroofd en zijn nabestaanden onherstelbaar leed toegebracht. Voorts heeft verdachte tweemaal geprobeerd [slachtoffer 2], eveneens medepatiënt van verdachte, op dezelfde wijze van het leven te beroven. Verdachte heeft [slachtoffer 2] daardoor onbeschrijflijke angst aangejaagd en doen vrezen voor zijn leven. Dit heeft een enorme impact gehad op [slachtoffer 2].

De persoon van verdachte en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan

Uit de voormelde rapporten van psychiaters en psycholoog en uit het milieurapport dat op 11 januari 2015 door reclasseringswerker D.J.M. Boers van GGZ Palier over verdachte is opgesteld blijkt dat het gedrag van verdachte veranderde na het overlijden van zijn neef en een goede vriend een aantal jaren geleden. Verdachte werd hard en afstandelijk, accepteerde geen hulp en er ontstonden spanningen in zijn studentenhuis. Hoewel verdachte verhuisde naar een ander studentenhuis en zijn studie en bijbaan goed verliepen, werd door een aantal incidenten in 2013 en 2014 duidelijk dat het niet goed met hem ging. Het vervaardigen van zijn eindscriptie in 2014 viel verdachte vervolgens zeer zwaar. Na drie maanden op hoge toeren te hebben gedraaid, kreeg verdachte een onvoldoende voor zijn eindproduct en moest hij binnen één maand een aanvulling maken om alsnog een voldoende te krijgen. Verdachte nam teveel hooi op zijn vork en kreeg stressklachten. Hij was hele nachten wakker, sprak hardop tegen zichzelf en zegde zijn werk af. In de week voor zijn opname in GGZ Delfland werd het zijn moeder duidelijk dat het goed mis was met verdachte. Hij zag er onverzorgd uit en maakte een euforische indruk. Kort hierna werd verdachte in verwarde toestand aangetroffen in een filiaal van de Leen Bakker in Delft. Verdachte werd opgenomen op een crisisafdeling van GGZ Delfland en pleegde de tweede avond/nacht dat hij daar was, geheel onder invloed van een psychose, de bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank heeft kennis genomen van een verdachte betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 31 juli 2014, waaruit kan worden opgemaakt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Recidiverisico, zorgprognose en beïnvloedingsmogelijkheden

Ten aanzien van de kans op recidive heeft Marx in zijn Pro Justitia-rapport van 15 januari 2015 gerapporteerd dat schizofrenie een ernstige, chronische ziekte is, die zich kenmerkt door al dan niet langdurig bestaande psychotische perioden, met daartussen mogelijke psychosevrije intervallen en - in een aanzienlijk deel van de ziektegevallen - een proces waarin na elke psychotische episode de cognitieve en emotionele kwaliteiten afnemen.

Marx heeft gerapporteerd dat verdachte opmerkelijk snel en heftig kan ontregelen en dan komt tot ernstige geweldsdoorbraken. Voorts heeft Marx gerapporteerd dat bij verdachte sprake is van enig ziektebesef, maar dat de ernst van de ziekte nog niet volledig tot hem lijkt te zijn doorgedrongen. Volgens Marx is het maar de vraag of verdachte zijn antipsychotica blijft gebruiken. Voorts heeft Marx erop gewezen dat verdachte zich beter kan voordoen dan feitelijk het geval is, waardoor overvraging en nieuwe (psychotische) decompensatie op de loer ligt. Alles overwegend schat Marx de kans op recidive als hoog in.

In zijn Pro Justitia-rapport van 29 april 2015 heeft Marx gerapporteerd dat door behandelaars van het PPC Scheveningen naar voren is gebracht dat sprake was van een dubieuze medicatie-inname door verdachte en dat door behandelaars van het PPC Vught is gemeld dat verdachte zijn medicatie wel inneemt, maar dat hij er soms aan moet worden herinnerd door de groepsleiding. Ten aanzien van de zorgprognose en beïnvloedingsmogelijkheden heeft Marx naar voren gebracht dat de behandeling van schizofrenie complex en langdurig is en dat de basis voor een succesvolle behandeling wordt gevormd door antipsychotische medicatie. Daarnaast vormen psycho-educatie, het opstellen van een signaleringsplan, het leren omgaan met beperkingen en abstinentie van middelen belangrijke behandeldoelen.

Bij de rechter-commissaris heeft Marx erop gewezen dat verdachte veel baat zal hebben bij een goede, stabiele behandelrelatie, waarbij de behandelaar de kleine, subtiele signalen die op een psychose wijzen, op tijd kan oppakken en daarnaar kan handelen.

Schilder heeft in zijn Pro Justitia-rapport van 14 januari 2015 naar voren gebracht dat hij de kans op recidive hoog acht als verdachte niet medicatietrouw zou blijken te zijn. Schilder heeft erop gewezen dat achterdocht medicatie-ontrouw met zich kan brengen. De bevindingen van Schilder ten aanzien van de zorgprognose en de beïnvloedingsmogelijkheden komen voor het overige grotendeels overeen met de bevindingen van Marx.

Ook Offermans heeft gerapporteerd dat het recidivegevaar hoog is indien verdachte niet behandeld zou worden. Hij heeft evenwel, anders dan Marx en Schilder, gerapporteerd dat verdachte inmiddels zoveel ziekte-inzicht heeft, dat hij bereid is zeer langdurig medicatie tot zich te nemen en actief te participeren in behandelingen als psycho-educatie, psychomotore therapie, gezinstherapie en delictscenarioprocedure.

Ook bovengenoemde conclusies acht de rechtbank inzichtelijk en gedegen onderbouwd. De rechtbank neemt de conclusies dan ook over en maakt die tot de hare met dien verstande dat op grond daarvan de rechtbank vast stelt dat het ziektebesef en ziekte-inzicht bij verdachte in ontwikkeling zijn en dat het recidiverisico van verdachte kan worden ingeschat als hoog, als hij niet medicatietrouw is. De basis voor een succesvolle behandeling van verdachte wordt blijkens voormelde rapporten gevormd door antipsychotische medicatie, in combinatie met psycho-educatie, het opstellen van een signaleringsplan, het leren omgaan met beperkingen en abstinentie van middelen.

Welke maatregel moet aan verdachte worden opgelegd?

Marx, Schilder en Offermans hebben naar voren gebracht dat behandeling in een klinische setting noodzakelijk is voor verdachte. Voorts zijn alle deskundigen van oordeel dat een behandeling van een jaar te kort is om een goed oordeel te kunnen vormen over het beloop van een mogelijk schizofrene ontwikkeling en de invloed van de medicatie op lange termijn, zodat de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis niet geïndiceerd is. Voorts wordt het beveiligingsniveau in een psychiatrisch ziekenhuis ontoereikend geacht. De rechtbank onderschrijft dit.

Waarover de standpunten van de deskundigen, de officier van justitie en de verdediging uiteenlopen, is de vraag of aan verdachte TBS met dwangverpleging of TBS met voorwaarden moet worden opgelegd.

Marx heeft geadviseerd aan verdachte de maatregel TBS met dwangverpleging op te leggen. Hij heeft daarbij gewezen op de ernst van de stoornis, de hoge kans op recidive en het benodigde beveiligingsniveau van de kliniek waar verdachte zal verblijven. Verdachte heeft zich niet voortdurend aan medicatievoorschriften gehouden en niet te voorspellen is of verdachte medicatietrouw zal zijn buiten de gecontroleerde situatie waarin hij zich thans bevindt. Marx heeft gerapporteerd dat het gevaar van een nieuwe psychotische ontregeling dreigt als verdachte met zijn medicatie stopt. Omdat een dergelijke ontregeling in het geval van verdachte snel kan ontstaan en aanleiding kan geven tot (zeer) agressief gedrag, is verdachte naar het oordeel van Marx aangewezen op een behandelsetting met een zeer hoog beveiligingsniveau, waarvoor de maatregel TBS met voorwaarden ontoereikend is. Ter terechtzitting van 20 mei 2015 heeft Marx tevens verklaard dat de mogelijkheden om verdachte in het kader van TBS met voorwaarden dwangmedicatie toe te dienen beperkter zijn dan in het kader van TBS met dwangverpleging.

Schilder heeft op grond van dezelfde argumenten als Marx geadviseerd aan verdachte de maatregel TBS met dwangverpleging op te leggen. Schilder heeft gerapporteerd dat een klinische setting met een hoog zorg- en beveiligingsniveau, waar verdachte gedurende lange tijd kan worden gevolgd en behandeld, is aangewezen en dat TBS met dwangverpleging de enige maatregel is waarbinnen dit kan worden gerealiseerd. Bij de rechter-commissaris heeft Schilder verklaard dat zijn oorspronkelijke advies TBS met voorwaarden luidde, maar dat argumenten om toch te adviseren TBS met dwangverpleging op te leggen gelegen zijn in de ernst van de delicten, het grote herhalingsgevaar, de aanwezige kans op medicatie-ontrouw of –weigering, en daarmee een verhoogde kans op een nieuwe psychose. De inschatting van Schilder is dat het zorg- en beveiligingsniveau in een TBS met voorwaarden-kliniek, een Forensisch Psychiatrische Kliniek (hierna: FPK), te gering is.

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de belangrijkste argumenten voor Marx en Schilder om TBS met dwangverpleging te adviseren, liggen in de vereiste duur van de behandeling, mogelijke medicatie-ontrouw van verdachte en - daarmee samenhangend - het benodigde hoge beveiligingsniveau van de kliniek waar verdachte zal verblijven.

Ten aanzien van de vereiste duur van de behandeling overweegt de rechtbank dat de maximale duur van TBS met voorwaarden sinds 1 september 2010 negen jaar bedraagt. Marx heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat het goed zou kunnen dat er binnen vier jaar behandeling een stabiele relatie is, met daarbinnen een voldoende geborgd behandelcontact, maar dat het van vele factoren afhankelijk is wat de uiteindelijke behandelduur zal worden. Aan zogenoemde longstay denkt hij niet.

Offermans heeft ter terechtzitting verklaard dat hij afhankelijk van diverse omstandigheden inschat dat voor een intramurale behandeling van verdachte twee tot drie jaar nodig is en dat de behandeling in elk geval binnen negen jaar te redden moet zijn.

De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de behandelduur van verdachte geen doorslaggevende factor mag zijn om de maatregel van TBS met dwangverpleging op te leggen.

Ten aanzien van de mogelijke medicatie-ontrouw van verdachte overweegt de rechtbank dat de twijfels van Marx en Schilder voornamelijk zijn gebaseerd op de omstandigheden dat verdachte in het PPC Den Haag heeft geweigerd medicatie in te nemen en dat verdachte in het PPC Vught weleens is vergeten zijn medicatie in te nemen. Ten aanzien van de periode in het PPC Den Haag overweegt de rechtbank evenwel dat verdachte zich op dat moment in een psychotische episode bevond en dacht dat hij zou worden vergiftigd door de medicatie. Schilder heeft bij de rechter-commissaris bevestigd dat het bekend is dat deze zogenoemde paranoïde psychotische fase een moeilijke fase is, omdat iemand ervan overtuigd kan zijn dat hij wordt vergiftigd. Schilder heeft voorts verklaard dat het er een stuk beter uitziet als iemand zijn medicatie eenmaal slikt en zich voegt naar de voorgestelde behandeling. In het kader hiervan wijst de rechtbank op het behandelplan van het PPC Vught van 4 mei 2015, waarin staat beschreven dat verdachte zijn medicatie dagelijks vrijwillig inneemt. Verdachte heeft bovendien ter terechtzitting verklaard dat hij bereid is levenslang medicatie in te nemen. Daarbij komt dat medicatie-inname blijkens de toelichting van Offermans ter terechtzitting ook binnen de setting van TBS met voorwaarden strikt kan worden gecontroleerd. In het licht hiervan is de rechtbank van oordeel dat het risico van medicatieontrouw niet zodanig is dat dit in de weg staat aan het opleggen van de maatregel van TBS met voorwaarden.

Marx en Schilder hebben naar voren gebracht dat verdachte, in het geval dat een nieuwe psychotische ontregeling dreigt, is aangewezen op een behandelsetting met een zeer hoog beveiligingsniveau. De maatregel van TBS met voorwaarden is volgens hen in dit verband ontoereikend.

Offermans heeft dit zowel in zijn rapport als ter terechtzitting weersproken. Zo heeft Offermans ter terechtzitting, in aanvulling op zijn rapport, naar voren gebracht dat de FPK Inforsa (waarvoor het IFZ Amsterdam ten aanzien van verdachte een indicatie heeft afgegeven) verschillende beveiligingsniveaus kan bieden, waaronder het niveau ‘hoog’, dat inhoudt dat verdachte geen vrijheden heeft en binnen de hekken van de instelling moet blijven. Offermans heeft verklaard dat in de FPK Inforsa zowel mensen met TBS met voorwaarden, als met TBS met dwangverpleging verblijven en dat de FPK Inforsa naar zijn oordeel een voor de hand liggende keuze is voor verdachte. Daarnaast heeft Offermans aangegeven dat het personeel in een FPK vergelijkbaar is met personeel in TBS-klinieken en dat het personeel erin getraind is om met patiënten als verdachte om te gaan. Tot slot heeft Offermans naar voren gebracht dat er ook in een FPK als Inforsa mogelijkheden zijn om een dwangbehandeling toe te passen, zoals dwangmedicatie, plaatsing op een high care afdeling en plaatsing in een separeercel met als uiterste middel de omzetting van de TBS met voorwaarden in een TBS met dwangverpleging. Offermans komt dan ook tot de conclusie dat een klinische behandeling in het kader van een TBS met voorwaarden voldoende waarborgen biedt.

W. Bouwman, reclasseringswerker bij GGZ Reclassering Palier, heeft in zijn maatregelenrapport van 18 mei 2015 naar voren gebracht dat het gevaars- en recidiverisico van verdachte wordt ingeschat als hoog, maar dat de reclassering van mening is dat een behandeling binnen een FPK afdoende is om dit risico op adequate wijze te managen. Wel maakt het hoge recidiverisico waar de deskundigen vanuit gaan dat verdachte behandeld dient te worden in een FPK met een hoog beveiligingsniveau, met daarbij voldoende structuur en controle op onder andere zijn medicatiegebruik. Gezien de heftigheid van zowel de psychose als de delicten zal verdachte volgens de reclassering langdurig en intensief behandeld moeten worden. De reclassering ziet het steunsysteem van verdachte als beschermende factor. Hij heeft goed contact met zijn moeder, broer en zus, is gemiddeld intelligent en toont tijdens de gesprekken met de reclassering enig ziektebesef en –inzicht.

De reclassering acht een behandeling in het kader van de maatregel TBS met voorwaarden,

die aanvangt in een FPK met een hoog beveiligingsniveau, een adequate mogelijkheid om het recidiverisico terug te dringen. Tijdens een behandeling in een FPK zal blijken óf en zo ja, in welk tempo het beveiligingsniveau kan worden afgebouwd, waarbij veel zal afhangen van de houding van verdachte ten aanzien van zijn behandeling.

Ter terechtzitting van 20 mei 2015, waar Bouwman als deskundige is gehoord, heeft deze naar voren gebracht dat de intake-coördinator van de FPK Inforsa in het vereiste beveiligingsniveau van verdachte geen reden heeft gezien om verdachte niet aan te nemen . Dit is met name gelegen in de houding van verdachte in het PPC Vught, waar verdachte volgens zijn behandelaar zijn medicatie inneemt, meedoet met de Liberman module (omgaan met psychotische symptomen), gesprekken voert met de psycholoog en goed meewerkt.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ook het voor verdachte vereiste hoge beveiligingsniveau niet in de weg staat aan het opleggen van de maatregel TBS met voorwaarden.

Bouwman heeft in zijn maatregelenrapport voorts naar voren gebracht dat verdachte te kennen heeft gegeven open te staan voor behandeling binnen een forensische klinische setting en akkoord te gaan met de door de reclassering opgestelde voorwaarden en plan van aanpak, alsmede zich te zullen voegen naar het oordeel van de behandelaars en onder andere zijn medewerking te zullen verlenen aan de therapieën en het maken van een delictanalyse.

Ter terechtzitting heeft Bouwman medegedeeld dat verdachte waarschijnlijk op 3 juni 2015 kan worden opgenomen in FPK Inforsa en dat er in dat geval geen overbruggingsplaatsing nodig is. Bouwman heeft daarbij opgemerkt dat hij de bijzondere voorwaarde genoemd onder 2 in zijn rapport in zoverre wil aanpassen, dat verdachte dient mee te werken aan een overbruggingsplaatsing tot het moment van opname in de FPK Inforsa, ook indien dit een plaatsing in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) is. Dit voor het geval dat een opname in de FPK Inforsa per 3 juni 2015 toch niet haalbaar mocht zijn.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 20 mei 2015 verklaard dat hij er vanuit gaat dat hij de rest van zijn leven antipsychotica moet slikken, maar dat hij dit over heeft voor een gezond leven. Verdachte heeft verklaard dat hij de komende periode zal werken aan het opstellen van een signaleringsplan en het vergroten van inzicht in zijn stoornis. Verdachte is reeds begonnen met het volgen van de Liberman-module “omgaan met psychotische symptomen”, zodat hij al kan aangeven wat voor hem waarschuwingssignalen van een eventuele nieuwe psychose zijn. Hij heeft voorts verklaard dat hij vertrouwen heeft in de toekomst en dat hij stapje voor stapje naar meer vrijheden wil toewerken.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 20 mei 2015 verklaard dat hij bereid is de door de reclassering opgestelde algemene en bijzondere voorwaarden (inclusief de aanvulling van Bouwman ter terechtzitting) na te leven.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank tot slot van oordeel dat verdachte niet vrijwillig in het kader van een TBS met voorwaarden in een behandelsetting verblijft. Verdachte zal zich immers dienen te houden aan de voorwaarden en binnen de FPK Inforsa zijn bovendien dwangmaatregelen mogelijk. Mochten er op enig moment toch ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat de ter beschikking gestelde zich zodanig heeft gedragen dat alsnog zijn verpleging zal worden gelast, waar de rechtbank niet vanuit gaat, dan kan de officier van justitie zijn aanhouding bevelen en vervolgens een vordering tot voorlopige verpleging indienen bij de rechter-commissaris (art. 509i Sv). Als de ter beschikking gestelde de door de rechtbank gestelde algemene en bijzondere voorwaarden niet naleeft of als anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen zulks eist, kan de rechtbank bevelen dat de ter beschikking gestelde alsnog van overheidswege wordt verpleegd (art. 38c Sr).

Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van TBS met voorwaarden

- in aanmerking genomen de ernst van de feiten en de ernst van verdachtes ziektebeeld onder invloed waarvan de feiten zijn begaan - met voldoende waarborgen met betrekking tot de beveiliging van de samenleving is omkleed. Zij zal dan ook deze maatregel onder de hierna te vermelden algemene en bijzondere voorwaarden opleggen nu de door verdachte begane feiten misdrijven betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, bij verdachte tijdens het begaan van de bewezenverklaarde feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, het opleggen van deze maatregel eist.

Daarbij overweegt de rechtbank nog expliciet dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan misdrijven gericht tegen dan wel gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.

De rechtbank zal bevelen dat de TBS met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

De rechtbank zal voorts de voorlopige hechtenis van verdachte opheffen met ingang van het moment dat verdachte klinisch is opgenomen in de FPK Inforsa aan de Duivendrechtsekade 55 te Amsterdam, of een soortgelijke instelling, dan wel klinisch is opgenomen op een overbruggingsplaats (in afwachting van het moment van opname in de FPK Inforsa of een soortgelijke instelling) ook als dit inhoudt plaatsing in een FPC.

7 De schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank aan verdachte op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2] de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van

€ 3.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 31 juli 2014 tot aan de dag waarop dit bedrag aan [slachtoffer 2] is voldaan. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat dit bedrag ziet op de immateriële schade die [slachtoffer 2] heeft geleden en lijdt als gevolg van het onder dagvaarding I bewezenverklaarde feit 2 primair.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de hoogte van de door de officier van justitie gevorderde schadevergoeding onvoldoende is onderbouwd en dat het gelet op vergelijkbare zaken redelijk is een bedrag van tussen de € 300,00 en € 750,00 toe te kennen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 2] door toedoen van verdachte gedurende een aantal uren enorme angsten heeft doorstaan en vreesde voor zijn leven. Gelet hierop en de gevolgen die het handelen van verdachte voor [slachtoffer 2] hebben gehad acht de rechtbank een bedrag van € 1.500,00 als vergoeding voor immateriële schade naar billijkheid toewijsbaar. De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 31 juli 2014 tot aan de dag waarop aan de verplichting is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd[slachtoffer 2].

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 36f, 37a, 38, 38a, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bij dagvaarding I onder 1 (impliciet subsidiair) en 2 primair (impliciet subsidiair) ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I, feit 1 (impliciet subsidiair):

doodslag;

ten aanzien van dagvaarding I, feit 2 primair (impliciet subsidiair):

poging tot doodslag, meermalen gepleegd;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

verklaart verdachte niet strafbaar;

ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging;

gelast de terbeschikkingstelling van verdachte en stelt voor de duur van de terbeschikkingstelling daaraan de volgende bijzondere en algemene voorwaarden:

Bijzondere voorwaarden:

  1. verdachte houdt zich aan de voorschriften en aanwijzingen die zijn en worden gegeven door GGZ Reclassering Palier en moet zich gedurende de door de rechtbank bepaalde periode melden, zo frequent als GGZ Reclassering Palier nodig acht. Daarnaast werkt verdachte mee aan huisbezoeken door de reclassering;

  2. verdachte verblijft in de Forensische Psychiatrische Kliniek (FPK) Inforsa, Duivendrechtsekade 55 te Amsterdam of een soortgelijke instelling. Hij zal zich houden aan de daar geldende huis- en leefregels c.q. voorwaarden die daar aan hem gesteld worden, stelt zich hier begeleidbaar op en conformeert zich aan de geboden behandeling; ook als dit inhoudt inname van voorgeschreven medicatie en het opstellen van een delictanalyse; verdachte dient mee te werken aan een eventuele overbruggingsplaatsing vanaf het moment van uitspraak tot het moment van opname in de FPK Inforsa of een soortgelijke instelling, ook als dit inhoudt plaatsing in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC);

  3. verdachte werkt, indien geïndiceerd, mee aan een plaatsing in een vervolgsetting, zoals een beschermd/begeleid wonen en zal zich aldaar houden aan de geldende huis- en leefregels c.q. voorwaarden die aan hem gesteld worden;

  4. verdachte conformeert zich aan een ambulante vervolgbehandeling bij een forensische polikliniek of een soortgelijke instelling, na het afronden van klinische opname, ook als dit inhoudt inname van voorgeschreven medicatie;

  5. verdachte werkt, na afronding van de klinische behandeling, mee aan het opstellen van de 3-partijenovereenkomst in het kader van ambulant FPT, met een time out-procedure van tweemaal zeven weken bij een nader te bepalen instelling. Daarnaast worden er binnen het ambulant FPT afspraken gemaakt inzake onder andere tijdelijke crisisopvang;

  6. verdachte zal niet van verblijfplaats veranderen dan na overleg met zijn behandelaren en de reclassering;

  7. verdachte zal niet zonder toestemming van zijn begeleiders en/of de reclassering zijn werkuren bij het dagbestedingstraject veranderen;

  8. verdachte zal geen omgang hebben met personen die zijn resocialisatie in gevaar (kunnen) brengen en stelt zich open op, inzake het aangaan van nieuwe relaties of bestaande relaties en heeft geen bezwaar dat deze op ‘gepaste en discrete’ wijze door de reclassering worden gescreend;

  9. verdachte zal zich onthouden van alcohol- en drugsgebruik en zich niet onttrekken aan controles hierop;

  10. verdachte geeft inzicht in zijn financiën als daarom verzocht wordt en accepteert hiervoor begeleiding van de MJD van Palier of een soortgelijke instelling;

verdachte zorgt ervoor dat hij altijd bereikbaar is voor zijn begeleiders en behandelaren;

11. verdachte werkt, in het geval van een door de reclassering en behandelaren geïndiceerde crisissituatie, in het kader van ambulant FPT mee aan een tijdelijke terugplaatsing in de gesloten unit van de FPK of een soortgelijke instelling;

Algemene voorwaarden:

12. verdachte pleegt geen strafbare feiten;

12. verdachte geeft toestemming aan de reclassering tot het opvragen en uitwisselen van informatie aan alle instellingen die zij relevant achten en die van belang zijn voor een goede behandeling c.q. begeleiding in het kader. Tevens verleent hij zijn medewerking aan het maken van een digitale foto ten behoeve van zijn dossier en verleent hij ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking aan het nemen van een of meer vingerafdrukken, of biedt ter inzage een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht aan;

12. verdachte geeft toestemming aan de reclassering en aan zijn begeleiders, dat in geval van ongeoorloofde afwezigheid of calamiteiten en het niet nakomen van bovengenoemde voorwaarden, deze informatie aan alle betrokken partijen gemeld wordt;

12. tijdens de gehele TBS maatregel is het voor verdachte niet toegestaan om zich buiten het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden te begeven;

geeft GGZ Reclassering Palier de opdracht om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarden;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 juli 2014 tot aan de dag waarop deze verplichting is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2];

beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is;

heft op het bevel van de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het moment dat verdachte klinisch is opgenomen in de FPK Inforsa aan de Duivendrechtsekade 55 te Amsterdam, of een soortgelijke instelling, dan wel klinisch is opgenomen op een overbruggingsplaats (in afwachting van het moment van opname in de FPK Inforsa of een soortgelijke instelling), ook als dit inhoudt plaatsing in een FPC.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.J.M. Gielen-Winkster, voorzitter,

mr. S.M. de Bruijn, rechter,

mr. E.A. Lensink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Walenkamp, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 juni 2015.

Mrs. E.A. Lensink en M. Walenkamp zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit –tenzij anders vermeld- de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 2014172379 (onderzoek Morgenrood/15BRR14270), van de politie Eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 704).

2 Proces-verbaal verhoor getuige [Getuige 1], p. 47; proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2], p. 59; proces-verbaal bevindingen betreffende deurregistraties, p. 559-560.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige J[slachtoffer 2], p. 59; proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] 10 november 2014, p. 451; verklaring van verdachte ter terechtzitting van 20 mei 2015.

4 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] 10 november 2014, p. 451.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [Getuige 1], p. 46-48; proces-verbaal bevindingen betreffende deurregistraties, p. 559.

6 Proces-verbaal meldkamergesprekken en ambulancedienst, p. 22-24.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [Getuige 3], p. 33; proces-verbaal van bevindingen, p. 28; proces-verbaal bevindingen personalia, p. 70.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [Getuige 3], p. 34.

9 Een geschrift, te weten een rapport Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood van het Nederlands Forensisch Instituut, gedateerd 23 september 2014, opgemaakt en ondertekend door A. Maes, arts en patholoog, NFI-deskundige forensische pathologie. p. 347-352.

10 Een geschrift, te weten, een deskundigenrapport betreffende DNA-onderzoek van The Maastricht Forensic Institute, gedateerd 22 december 2014, opgemaakt en ondertekend door dr. P.J. Herbergs, NRGD-geregistreerd forensisch DNA-deskundige, forensisch dossier onderzoek Morgenrood, p. 366-375.

11 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2], p. 59-61; proces-verbaal van verhoor getuige[slachtoffer 2], p. 302 en 304; proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris d.d. 6 mei 2015, onder punten 23 tot en met 26 en 34.

12 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] 10 november 2014, p. 451; verklaring van verdachte ter terechtzitting van 20 mei 2015.

13 Proces-verhaal verhoor verdachte [verdachte] 10 november 2014, p. 453-454, een geschrift, betreffende een verbatim uitwerking van het verhoor van 10 november 2014, p. 465 en p. 475.

14 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 20 mei 2015; proces-verbaal verhoor verdachte door de rechter-commissaris op de vordering tot inbewaringstelling d.d. 1 augustus 2014, onder punten 6 en 9.

15 HR 22 juli 1963, NJ 1968/217 m.nt. Enschedé; HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2775, NJ 2009/157 m.nt. Schalken en HR 9 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9223.

16 HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342 (http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2012:BR2342), NJ 2012/518 m.nt. Keulen; HR 19 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1249.