Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:6247

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-06-2015
Datum publicatie
06-08-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 384
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op het moment van controle niet woonachtig op het GBA-adres omdat eiseres van woning had geruild met haar Opa. Geen sprake van huisvredebreuk. Eiseres was op het moment van controle nog wel studerende. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000 1.5
Wet studiefinanciering 2000 9.9
Wet studiefinanciering 2000 11.5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 15/384

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [plaats] , eiseres

(gemachtigde mr. U. Arslan)

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft tegen het hierna onder 3 te noemen besluit bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij besluit van 22 december 2014 het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2015.

Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger] .

Overwegingen

Feiten

1. Bij bericht van 24 mei 2014 is aan eiseres studiefinanciering toegekend vanaf
1 mei 2014, naar de norm van uitwonende studerende. Het aan verweerder opgegeven woonadres is [adres] te [plaats] . Eiseres staat sinds 14 april 2014 op dat adres ingeschreven in de Gemeentelijke basisregistratie personen (hierna ook: BRP).

2. Op 18 september 2014 is door de controleurs [controleurs] in het kader van een controle een huisbezoek uitgevoerd op voornoemd adres. Van dit huisbezoek is een rapport opgemaakt.

3. Bij bericht van 10 oktober 2014 is de hoogte van de studiefinanciering van eiseres per 1 mei 2014 aangepast naar de norm van thuiswonende studerende. De teveel uitgekeerde studiefinanciering ad € 998,86 wordt verrekend met de nog door eiseres te ontvangen studiefinanciering.

4. Bij brief van 16 oktober 2014 heeft verweerder zijn voornemen aangekondigd om aan eiseres een boete van 50% van de teveel toegekende studiefinanciering op te leggen.

5. Bij brief van 24 oktober 2014 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen dit voornemen. Verweerder heeft deze brief mede opgevat als een bezwaarschrift tegen de omzetting van de studiefinanciering van eiseres naar de norm van thuiswonende.

Geschil
6. In geschil is of verweerder terecht de studiefinanciering van eiseres vanaf 1 mei 2014 heeft omgezet naar de norm van thuiswonende studerende.

Eiseres stelt dat de controleurs huisvredebreuk hebben gepleegd, althans dat sprake is van het ontbreken van “informed consent”. De bewoners van de woning waren op het moment van de controle niet thuis en hebben geen toestemming voor het huisbezoek verleend. De opa van eiseres was niet de bewoner en ook geen belanghebbende. Daardoor is er geen geldige toestemming verleend. De opa van eiseres was in de woning aanwezig in verband met de revalidatie na een operatie, waardoor hij geen trappen kon lopen. Eiseres en haar broer, die de woning huurde, zijn toen in juli 2014 tijdelijk in de woning van opa gaan wonen en opa in de woning van haar broer omdat die woning geen trappen heeft. Het bezwaar van de broer van eiseres is bovendien op grond van hetzelfde huisbezoek gegrond verklaard, omdat het huisbezoek onvoldoende grondslag bood voor de herziening. Niet is gemotiveerd waarom in het geval van eiseres het bezwaar ongegrond is verklaard. Verweerder heeft daarmee in strijd gehandeld met het gelijkheidsbeginsel en ook met het motiveringsbeginsel.

Eiseres voert voorts aan dat zij geen studente was ten tijde van de controle. Eiseres was op het moment van controle al uitgeschreven bij haar opleiding.

6.1.

Verweerder heeft de stellingen van eiseres gemotiveerd weersproken en stelt dat de uitwonende beurs van eiseres terecht is beëindigd omdat eiseres niet woonde op het adres waar zij stond ingeschreven.

Beoordeling van het geschil

7. Artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) luidt ten tijde van dit geding en voor zover hier van belang:

“Voor het normbedrag voor een uitwonende studerende komt in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de basisregistratie personen staat ingeschreven, en

b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de basisregistratie personen staat of staan ingeschreven.”

7.1.

Ingevolge artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 vindt de herziening van het normbedrag voor een uitwonende studerende - die niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 1.5 Wsf 2000 - plaats met ingang van de dag waarop de studerende zijn laatste adreswijziging heeft doen inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

7.2.

Op grond van artikel 11.5 van de Wsf 2000 kan de minister voor bepaalde gevallen de wet buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (de hardheidsclausule).

8. De rechtbank stelt voorop dat de herziening van de toegekende studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende studerende een voor eiseres belastend besluit betreft. De rechtbank is van oordeel dat het in dat geval aan verweerder is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. De bewijslast met betrekking tot de stelling dat eiseres niet woonachtig is op het BRP-adres waarop zij staat ingeschreven rust dan ook in eerste instantie op verweerder en niet op eiseres. Indien op grond van de door verweerder gepresenteerde feiten aannemelijk is dat eiseres niet woont op het adres waarop zij in de BRP staat ingeschreven, dan ligt het op de weg van eiseres de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.

De vraag of eiseres woont op het adres waarop zij staat ingeschreven dient te worden beantwoord aan de hand van de feitelijke omstandigheden.

8.1.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat eiseres op het moment van de controle op 18 september 2014 niet woonde op haar BRP-adres. Eiseres heeft zelf verklaard dat zij vanaf juli 2014 van woning heeft geruild met haar opa en is gaan wonen in diens woning aan de Tullinghstraat. Ook uit het controlerapport blijkt dat de woning op dat moment bewoond werd door de opa van eiseres. Eiseres heeft haar verhuizing niet doorgegeven aan de gemeente en heeft evenmin haar verhuizing doorgegeven aan verweerder.

Gelet op het bovenstaande heeft verweerder de studiefinanciering van eiseres met toepassing van artikel 9.9, lid 2, van de Wsf 2000 kunnen herzien vanaf 1 mei 2014.

8.2.

Eiseres heeft aangevoerd dat er sprake is van huisvredebreuk, althans dat er geen sprake is van “informed consent”.

De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zie onder meer: ECLI:NL:CRVB:2014:633, voorzover hier van belang, volgt dat indien een andere bewoner dan degene wiens studiefinanciering in het geding is, toestemming verleent tot binnentreden, ten opzichte van de bewoner die studiefinanciering geniet niet hoeft te zijn voldaan aan het vereiste van “informed consent”. Wel is in die situatie voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist. Indien die bewoner toestemming tot binnentreden verleent, wordt in beginsel geen inbreuk gemaakt op het huisrecht van de overige bewoners.

Naar het oordeel van de rechtbank was de opa van eiseres op het moment van de controle (hoofd)bewoner van de woning. Hij had immers al enige tijd geleden van huis geruild met de broer van eiseres, de huurder van de woning. Uit de rapportage blijkt dat de opa van eiseres ook toestemming tot binnentreden heeft verleend.

Vaststaat dat de controleurs zich hebben gelegitimeerd en mededeling hebben gedaan van het doel van hun huisbezoek. Gelet op de hiervoor genoemde rechtspraak was de toestemming van haar opa voldoende voor het ten aanzien van eiseres rechtmatig binnentreden in de woning. Hetgeen eiseres heeft verklaard over de toedracht van de controle, meer in het bijzonder dat haar opa door taalproblemen niet heeft begrepen waarvoor hij toestemming verleende, maakt het bovenstaande niet anders. De rechtbank acht niet aannemelijk, mede gelet op wat in de rapportage is neergelegd met betrekking tot de informatie die opa aan de controleurs heeft verstrekt, dat deze niet heeft begrepen dat de controleurs kwamen in het kader van een controle op de woonsituatie van eiseres.

8.3.

Eiseres heeft voorts nog aangevoerd dat zij op het moment van de controle geen studerende meer was. Eiseres stelt daartoe dat zij op 17 september 2014 bericht kreeg dat zij niet was toegelaten tot haar opleiding. Omdat eiseres evenmin studeerde aan een andere opleiding kan de controle op 18 september 2014 geen grondslag vormen voor het intrekken van haar studiefinanciering.

De rechtbank volgt eiseres niet in deze stelling. Aan eiseres is bij bericht van 5 juli 2014 studiefinanciering toegekend vanaf augustus 2014. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat eerst bij een inschrijvingscontrole op 12 november 2014 bleek dat eiseres niet ingeschreven stond. Pas daarna is de studiefinanciering van eiseres herzien. Op het moment van de controle ontving eiseres dus nog studiefinanciering en was verweerder gerechtigd om een controle in het kader van de juistheid van de toekenning daarvan uit te voeren. Gesteld noch gebleken is dat eiseres vóór de controledatum verweerder heeft gemeld dat zij geen studerende meer was.

9. In de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 april 2014, ECLI:NL: CRVB:2014:1146, is overwogen dat een herziening met toepassing van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 niet langer in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet, indien vast komt te staan dat de studerende in - een deel van - de periode (één of meer studiefinancieringstijdvakken) voorafgaande aan de door appellant geconstateerde overtreding van artikel 1.5 van de Wsf 2000 feitelijk wél woonde op het betreffende BRP-adres. Gelet op deze keuze van de wetgever ligt het op de weg van de studerende om daarvoor het bewijs te leveren en dit bewijs zal zodanig moeten zijn dat op grond daarvan onomstotelijk blijkt dat het wettelijk vermoeden onjuist is. Indien de studerende het onomstotelijke bewijs levert dat hij gedurende - een deel van - de periode voorafgaand aan de vastgestelde overtreding van artikel 1.5 van de Wsf 2000 feitelijk wél woonde op het betreffende BRP-adres, dan levert onverkorte toepassing van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 een onbillijkheid van overwegende aard op en ligt het op de weg van appellant (verweerder) om onder toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 en daarmee over die periode van herziening af te zien.

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet voldaan aan de hierboven genoemde bewijslast. Eiseres heeft geen bewijsstukken overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat zij in - een deel van - de periode voorafgaand aan de controle wel woonachtig was op het BRP-adres. De enkele stelling van eiseres dat zij samen met haar broer daar woonde is daartoe onvoldoende. Ook de aanwezigheid van enkele kledingstukken en studieboeken, die overigens niet direct op eiseres herleidbaar zijn, maakt niet dat eiseres onomstotelijk heeft aangetoond dat zij in de periode voor de controle - op enig moment - wel woonachtig was op haar BRP-adres.

11. Eiseres heeft nog aangevoerd dat er sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Bij haar broer is het bezwaar tegen de herziening van zijn studiefinanciering naar de norm van thuiswonende wel gegrond verklaard, terwijl de herziening van haar studiefinanciering op basis van dezelfde controle heeft plaatsgevonden.

Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van de herziening van de studie- financiering van eiseres en die van haar broer geen sprake van gelijke gevallen die gelijk moeten worden behandeld aangezien de broer van eiseres de huurder van de woning was en daarmee ook de huurovereenkomst heeft getekend. De vraag waar iemand woont dient te worden beantwoord aan de hand van de feitelijke omstandigheden. Deze omstandigheden zijn in het geval van eiseres anders dan die van haar broer, reeds omdat haar broer de officiële huurder was van de woning.

Anders dan eiseres kennelijk meent rust op verweerder niet de plicht om in de beslissing op bezwaar te motiveren waarom in haar geval de herziening van studiefinanciering wel wordt gehandhaafd en bij haar broer niet. Van een motiveringsgebrek in die zin is dan ook geen sprake.

12. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

13. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.C. Stroebel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.