Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:6161

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-05-2015
Datum publicatie
09-06-2015
Zaaknummer
C-09-367360 FA RK 10-4126
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In 2010 heeft de vader een verzoek ingediend tot het vaststellen van een omgangsregeling. Volgens het raadsonderzoek dat in 2011 is gedaan, bestaan er aan de zijde van de vader geen contra-indicaties die het contact in de weg staan. Inmiddels zijn partijen echter al meer dan vier jaar aan het procederen over het vormgeven van het contact(herstel) tussen de vader en de minderjarigen. De ondertoezichtstelling sinds 2012 heeft in de situatie ook geen verandering kunnen brengen. Voorts heeft het tot tweemaal toe verwijzen naar Cardea Jeugdzorg voor een omgangsbegeleidingstraject – waarbij de moeder is veroordeeld tot betaling van een dwangsom per keer dat zij in gebreke blijft haar medewerking te verlenen – evenmin tot contact geleid. Nu het de taak van de rechter is om te bevorderen dat er een omgangsregeling tot stand komt en nu de rechter op grond van de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 17 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:91) desverlangd een groot aantal maatregelen kan treffen om de met het gezag belaste ouder te bewegen tot naleving van haar verplichtingen, verwijst de rechtbank partijen naar het traject Kinderen uit de Knel. De rechtbank ziet voorts in de al meer dan vier jaar durende weigerachtige houding van de moeder aanleiding om een dwangmiddel te verbinden aan de aanwezigheid en de deelname aan alle bijeenkomsten van het traject. Nu de eerder opgelegde dwangsommen niet tot het gewenste resultaat hebben geleid, acht de rechtbank het onontkoombaar om aanwezigheid bij de bijeenkomsten af te dwingen door de mogelijkheid van het inzetten van de sterke arm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 10-4126

Zaaknummer: C/09/367360

Datum beschikking: 1 mei 2015

Omgang

Beschikking op het op 20 mei 2010 ingekomen verzoek van:

[de vader],

de vader,

wonende te [woonplaats],

advocaat: voorheen mr. V.T.M. Smeets te Alphen aan den Rijn, thans mr. G.N. Sanders te Alphen aan den Rijn.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. G.O. Perquin te Zoetermeer.

Als informanten worden aangemerkt:

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,

hierna: jeugdbescherming west,

de vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling.

Cardea Jeugdzorg Leiden,

hierna: Cardea.

Procedure

De rechtbank heeft deze zaak op grond van artikel 15 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verwezen naar een meervoudige kamer.

Bij beschikking van 1 november 2013 is bepaald dat partijen tezamen zo spoedig mogelijk het omgangsbegeleidingstraject bij Cardea Jeugdzorg zullen starten, waarbij de moeder is veroordeeld tot betaling aan de vader van een dwangsom van € 250,-- per keer dat de moeder in gebreke blijft haar medewerking te verlenen aan de omgangsbegeleiding, waaronder ook valt het brengen en halen van de minderjarigen ten behoeve van de begeleide omgang tussen de vader en de minderjarigen, tot een maximum van € 5000,--. In afwachting van de resultaten van de omgangsbegeleiding is iedere verdere beslissing ter zake de omgangsregeling met betrekking tot de minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en de proceskostenveroordeling aangehouden.

De rechtbank heeft wederom kennis genomen van de stukken waaronder thans ook:

  • -

    het verslag d.d. 22 mei 2014 van de zijde van Cardea;

  • -

    het faxbericht d.d. 12 juni 2014 van de zijde van de vader;

  • -

    het faxbericht d.d. 15 juli 2014 van de zijde van de vader;

  • -

    het F9-formulier d.d. 28 augustus 2014, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

  • -

    het F9-formulier d.d. 4 september 2014, met bijlagen, van de zijde van de vader.

De minderjarige [de minderjarige 1] heeft zich op 9 september 2014 in raadkamer uitgelaten over het verzoek.

Op 9 september 2014 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank voortgezet en behandeld door een meervoudige kamer. Hierbij zijn verschenen: beide partijen bijgestaan door hun advocaat en [naam] namens Bureau Jeugdzorg (thans: jeugdbescherming west). Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.

Na de terechtzitting heeft de rechtbank ontvangen:

- het faxbericht d.d. 22 september 2014 van de zijde van jeugdbescherming west;

- het faxbericht d.d. 23 september 2014 van de zijde van de vader;

- het faxbericht d.d. 25 september 2014 van de zijde van de moeder;

- het faxbericht d.d. 9 oktober 2014 van de zijde van de vader;

- de brief d.d. 14 oktober 2014 van de zijde van Cardea;

- de brief d.d. 22 december 2014 van de zijde van Cardea.

Naar aanleiding van de stukken die na de terechtzitting van 9 september 2014 zijn binnengekomen, heeft de rechtbank besloten tot een nadere mondelinge behandeling.

Op 5 januari 2015 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank voortgezet en behandeld door mr. A. Zonneveld als rechter-commissaris. Hierbij zijn verschenen: beide partijen bijgestaan door hun advocaat en[naam] namens jeugdbescherming west.

Na de terechtzitting heeft de rechtbank ontvangen:

  • -

    de brief d.d. 8 januari 2015, met bijlage, van de zijde van de vader;

  • -

    het faxbericht d.d. 9 januari 2015 van de zijde van de moeder;

  • -

    het faxbericht d.d. 13 januari 2015 van de zijde van jeugdbescherming west;

  • -

    het faxbericht d.d. 19 januari 2015 van de zijde van de vader;

  • -

    het faxbericht d.d. 20 januari 2015 van de zijde van de vader;

  • -

    de brief d.d. 30 maart 2015 van de zijde van Cardea.

Beoordeling

De vader stelt dat het in het belang van de minderjarigen is dat er op korte termijn duidelijkheid komt over de wijze waarop het contactherstel kan worden vormgegeven. In dit verband stelt de vader dat hij gedurende de afgelopen jaren goede wil heeft getoond, maar dat de moeder zich onvoldoende heeft ingespannen om te werken aan contactherstel. De vader acht het van belang dat er een dwangmiddel, dwangsom dan wel lijfsdwang, wordt opgelegd om de moeder ertoe te bewegen haar medewerking te verlenen aan het tot stand komen van de (onbegeleide) omgang. In zijn pleitnotities ten behoeve van de terechtzitting d.d. 9 september 2014 heeft de vader aanvullend verzocht:

  • -

    alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de moeder ertoe te bewegen haar medewerking te verlenen aan het tot stand komen van (onbegeleide) omgang tussen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met hun vader onder meer door toewijzing van hetgeen door de vader in de punten 13 tot en met 22 van de pleitnotities is verzocht, maar ook tot het gelasten van forensische mediation, waarbij voor alle maatregelen geldt dat de moeder de aan de maatregel verbonden kosten dient te voldoen;

  • -

    de vader ofwel naar gelang de rechtbank in goede justitie juist acht een voogd alleen met het gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te belasten;

  • -

    de moeder te veroordelen in de volledige kosten van de procedure zoals is verzocht in punt 24 van de pleitnotities.

Ter terechtzitting van 5 januari 2015 heeft de vader zijn verzoek(en) bovendien aangevuld, in die zin, dat hij verzoekt om verwijzing naar Kinderen uit de Knel – met oplegging van een dwangmiddel – dan wel subsidiair een ouderschapsonderzoek in de vorm van een deskundigenbericht te gelasten, indien de moeder haar medewerking niet verleent. Daarbij heeft de vader vermeld dat hij bereid is de volledige kosten van het ouderschapsonderzoek voor zijn rekening te nemen.

De moeder stelt dat zij zich tot het uiterste heeft ingespannen voor contactherstel gedurende het traject bij Cardea Jeugdzorg. De moeder stelt dat voorbij wordt gegaan aan het feit dat het goed gaat met de minderjarigen. Desondanks stellen derden dat er zorgen zijn over de minderjarigen omdat zij hun vader niet willen zien. Volgens de moeder is er nooit een band geweest tussen de vader en de minderjarigen en is de vader zelf uit hun leven gestapt toen hij hen verliet in 2010. De moeder geeft aan dat zij in principe geen bezwaar heeft tegen contact tussen de vader en de minderjarigen, maar dat zij de minderjarigen steunt in hun keuze. Als de minderjarigen met de tijd wel contact willen met hun vader komt dat vanzelf.

Uit het verslag van Cardea d.d. 22 mei 2014 blijkt dat er met betrekking tot het contactherstel met de vader nog steeds veel weerstand is bij de moeder en de minderjarigen. Cardea heeft de indruk dat de beëindiging van de relatie voor de moeder veel negatieve ervaringen heeft meegebracht. De moeder lijkt dit onvoldoende te hebben verwerkt omdat haar eerste zorg is geweest om voor haar kinderen en zichzelf een nieuw leven op te bouwen en in haar eigen onderhoud te kunnen voorzien. Dit gebrek aan verwerking bij de moeder staat positief contact tussen de vader en de minderjarigen in de weg. De moeder lijkt in dit verband niet in te zien wat haar houding tegenover de vader voor invloed heeft op de minderjarigen. Cardea heeft de indruk dat de minderjarigen klem zitten tussen de ouders en om die reden hebben besloten dat het beter is als zij geen contact hebben met de vader. De stelligheid in de totale afwijzing van de vader baart Cardea veel zorgen. Alle pogingen die de vader onderneemt – een kaartje sturen of groeten op straat – worden gezien als lastigvallen. In het verslag wordt aangegeven dat het opvallend is dat de minderjarigen zelf geen enkel negatief effect hebben ondervonden van de scheiding van hun ouders en dat zij ten aanzien van elkaar en de moeder alleen positieve eigenschappen kunnen noemen en ten aanzien van de vader alleen negatieve eigenschappen. Cardea ontkent niet dat de minderjarigen vervelende dingen hebben meegemaakt, maar de redenen die de kinderen aandragen, rechtvaardigen de verbanning van hun vader niet volgens Cardea.

Gebleken is dat er al sinds april 2010 geen contact meer is geweest tussen de vader en de minderjarigen. Inmiddels zijn partijen al meer dan vier jaar aan het procederen over het vormgeven van het contact(herstel), wat tot op heden nog niet tot resultaat heeft gehad dat er contact tussen de vader en de minderjarigen tot stand is gekomen. Volgens het raadsrapport d.d. 28 december 2011 bestaan er aan de zijde van de vader geen contra-indicaties die het contact in de weg staan. De ondertoezichtstelling sinds 13 december 2012 en de in dat kader bij de minderjarigen betrokken vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling – die met name is aangesteld vanwege het feit dat de minderjarigen klem zaten tussen hun ouders vanwege de (juridische) strijd rondom de omgangsregeling en die de mogelijkheden voor het contactherstel tussen vader en de minderjarigen zou moeten inventariseren – hebben hier tot op heden geen verandering in kunnen brengen. Jeugdbescherming west blijft het echter, zolang de rechtbank van mening is dat omgang tussen de minderjarigen en hun vader van belang is, noodzakelijk vinden om de minderjarigen en de ouders in dit proces te begeleiden en te ondersteunen en passende hulp in te zetten. Voorts heeft de beschikking van deze rechtbank van 1 november 2013, waarbij partijen voor de tweede keer naar Cardea zijn verwezen voor een omgangsbegeleidingstraject en de moeder is veroordeeld tot betaling van een dwangsom per keer dat zij in gebreke blijft haar medewerking te verlenen, evenmin tot contact tussen de vader en de minderjarigen geleid.

Ter terechtzitting van 9 september 2014 heeft de rechtbank de moeder uitdrukkelijk een laatste kans geboden om zonder opleggen van een dwangmiddel tot een (begeleide) omgangsregeling de komen. Partijen zijn hiertoe na de terechtzitting in de gelegenheid gesteld om onder begeleiding van de hen bekende mevrouw [naam] van Cardea afspraken te maken. Blijkens voornoemde – na deze terechtzitting – ingekomen stukken is het partijen niet gelukt om in onderling overleg tot een regeling te komen omdat op de dagen dat Cardea beschikbaar is voor begeleide omgang, te weten op de maandag- en de woensdagmiddag, een van de twee minderjarigen volgens de moeder niet kan in verband met school dan wel sport. De moeder geeft als enige alternatieve data dat de minderjarigen wel samen naar Cardea zouden kunnen de dinsdag en donderdag vanaf 17.30 uur, maar dan is de begeleiding bij Cardea niet beschikbaar. Vervolgens is door de moeder geen initiatief meer genomen om de begeleide omgang toch op te starten.

Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat indien de met het gezag belaste ouder weigert om stelselmatig en zonder goede gronden mee te werken aan de totstandkoming of de uitvoering van een omgangsregeling tussen de kinderen en de andere ouder, het de taak van de rechter is om te bevorderen dat er een omgangsregeling tot stand komt. Op grond van de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 17 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:91) kan de rechter desverlangd een groot aantal maatregelen – die corresponderen met het recht op omgang van de andere ouder en het kind met elkaar – treffen om de met het gezag belaste ouder te bewegen tot naleving van haar verplichtingen.

Op grond van het voorgaande zag de rechtbank, zoals reeds ter terechtzitting d.d.

9 september 2014 aan partijen aangekondigd, in eerste instantie aanleiding om zelf een begeleide omgangsregeling bij Cardea vast te stellen en hier een dwangmiddel aan te verbinden.

Gelet op de brief van Cardea d.d. 14 oktober 2014 was naar het oordeel van de rechtbank echter een nadere mondelinge behandeling wenselijk. In voornoemde brief geeft Cardea aan dat het onder de huidige omstandigheden, waarin de ouders in een heftige onderlinge strijd zijn verwikkeld, niet in het belang van de minderjarigen is om gedwongen te worden tot contact met hun vader. Zolang deze strijd voortduurt moeten zij de gelegenheid krijgen zich hier tegen te beschermen door het contact met één van de ouders te verbreken. Dit is volgens Cardea hun enige manier om zich staande te houden in de destructieve strijd tussen hun ouders. De minderjarigen hebben het nodig dat hun ouders gaan leren samenwerken, zodat er voor hen ruimte komt om contact te hebben met beide ouders. Cardea adviseert de ouders en de kinderen dan ook deel te nemen aan de training Kinderen uit de Knel. Mogelijk komt er na het volgen van deze training meer ruimte om alsnog begeleide omgang op te starten. In de brief van Cardea d.d. 22 december 2014 wordt voornoemd advies nogmaals onderbouwd. Cardea meldt in dat verband dat de strijd tussen de ouders onverminderd heeft voort geduurd, nu de moeder ten tijde van de omgangsbegeleiding bij Cardea nauwelijks tot niet heeft open gestaan voor mediation. Met behulp van de training Kinderen uit de Knel moeten ouders in gaan zien wat hun onderlinge strijd met de kinderen doet en hoe zij hun destructieve communicatiepatronen kunnen veranderen.

Gezien het advies van Cardea, dat de strijd tussen de ouders eerst moet worden verminderd voordat contactherstel tussen de minderjarigen en de vader enige kans van slagen heeft, is de rechtbank van oordeel dat het thans niet in het belang van de minderjarigen is om zelf een begeleide omgangsregeling met een dwangmiddel vast te stellen.

Ter terechtzitting van 5 januari 2015 is het traject Kinderen uit de Knel besproken en hebben beide partijen zich bereid verklaard om zich hiervoor (vrijwillig) tot Cardea te wenden.

Blijkens de na de terechtzitting van 5 januari 2015 ingekomen stukken hebben beide partijen zich inmiddels bij Cardea aangemeld voor Kinderen uit de Knel en hebben zij op 17 maart 2015 een eerste intakegesprek gehad. Uit de brief van Cardea d.d. 30 maart 2015 blijkt dat de moeder heeft aangegeven dat zij moeite heeft om aan deze training mee te doen, nu de bijeenkomsten (waarschijnlijk) op de donderdagmiddag zullen plaatsvinden en de minderjarigen dan tennisles hebben. De moeder wil niet van hun verlangen dat zij deze lessen gaan missen en ook vindt zij het zonde van het lesgeld wat zij heeft betaald. Het aanbod van de vader om deze kosten dan voor zijn rekening te nemen, heeft de moeder afgeslagen. De moeder heeft hiernaast aangegeven dat zij twijfelt of zij twee mensen kan meenemen naar de netwerkbijeenkomst die voorafgaand aan de training zal plaatsvinden. Gezien dit relaas heeft Cardea met de ouders afgesproken om de rechtbank en de vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling te informeren dat zij de intake zullen beëindigen. Mocht de rechtbank of de vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling beslissen dat het programma Kinderen uit de Knel alsnog bij Cardea gevolgd dient te worden, dan krijgen ouders voorrang bij deelname aan het programma.

De rechtbank is van oordeel dat partijen – ondanks voornoemd relaas – het traject Kinderen uit de Knel dienen te volgen. Naar de rechtbank inmiddels van Cardea heeft begrepen zal het traject na afronding van de intakefase waarschijnlijk in september van start gaan, waarbij de bijeenkomsten op donderdag worden gepland. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het volgen van dit traject voor op de door de moeder ter sprake gebrachte tennislessen en dienen de moeder en de minderjarigen tijd vrij te maken om de bijeenkomsten te kunnen bijwonen. Ook indien gedurende de intake blijkt dat de bijeenkomsten toch op een andere dag dan de momenteel aangegeven donderdag zullen gaan plaatsvinden, dienen zij hierbij te allen tijde aanwezig te zijn. Voorts dient de moeder er voor te zorgen dat aan alle overige voorwaarden voor deelname aan het traject wordt voldaan zoals het meebrengen van twee mensen naar de netwerkbijeenkomst.

De rechtbank gaat ervan uit dat partijen – in het belang van de minderjarigen – de intake bij Cardea zullen hervatten en daaropvolgend zullen deelnemen aan de bijeenkomsten die georganiseerd worden op door Cardea nog nader te bepalen dagen en tijdstippen.

De rechtbank zal partijen dan ook – conform het advies van Cardea – verwijzen naar Kinderen uit de Knel. Hierbij acht de rechtbank het aangewezen dat de vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling de ouders en de minderjarigen zal stimuleren en ondersteunen bij deelname aan dit traject.

De rechtbank ziet in de al meer dan vier jaar durende weigerachtige houding van de moeder aanleiding een dwangmiddel te verbinden aan de aanwezigheid bij en deelname aan alle bijeenkomsten van het traject Kinderen uit de Knel. Dit temeer omdat de moeder ook nu weer in strijd met de gemaakte afspraken ter terechtzitting zich niet binnen een week heeft aangemeld voor voornoemd traject en nu vanwege haar voorbehouden de intake (vooralsnog) zelfs al is beëindigd. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met het opleggen van een dwangsom, nu de eerder opgelegde dwangsommen niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. Daarom acht de rechtbank het onontkoombaar om, als uiterste middel, aanwezigheid bij de bijeenkomsten af te dwingen door de mogelijkheid van het inzetten van de sterke arm. De moeder en de minderjarigen hoeven hier geen negatieve gevolgen van te ondervinden. Als de moeder de beschikking naleeft, zal er immers geen sprake zijn van toepassing van dit dwangmiddel. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het dwangmiddel ambtshalve wordt opgelegd. De rechtbank wenst hier de nadruk op te leggen om te voorkomen dat de moeder de vader het inzetten van dit dwangmiddel zal verwijten.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat de moeder is gehouden de informatie- en consultatieregeling, die bij beschikking van deze rechtbank van 9 maart 2012 is vastgelegd, naar de bedoeling, niet naar de letter, na te komen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank iedere verdere behandeling van de verzoeken van de vader in afwachting van de resultaten van het traject Kinderen uit de Knel bij Cardea Jeugdzorg pro forma aanhouden tot 1 december 2015. Partijen zullen de rechtbank uiterlijk twee weken vóór de pro forma datum berichten over het verloop van het traject en of een nadere mondelinge behandeling van het verzoek gewenst is. De rechtbank zal aldus beslissen.

Beslissing

De rechtbank:

verwijst partijen, te weten:

[de vader], (vader)

wonende te [adres],

en

[de moeder], (moeder)

wonende te [adres];

naar Cardea Jeugdzorg voor deelname aan het programma ‘Kinderen uit de knel’, dat van start zal gaan op een door Cardea nader te bepalen datum en tijdstip;

bepaalt dat de moeder (de verzorgende ouder), de minderjarigen en de vader zullen deelnemen aan de door Cardea nader in te plannen bijeenkomsten;

en machtigt de vader om, wanneer de moeder haar medewerking niet verleent en verzuimt om, met de minderjarigen, aanwezig te zijn bij voornoemde bijeenkomsten, de tenuitvoerlegging te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm;

beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar:

Cardea Jeugdzorg, Cliëntenadministratie

Postbus 11109

2301 EC Leiden;

bepaalt dat Cardea Jeugdzorg de rechtbank vóór na te melden pro formadatum rapporteert omtrent het verloop van het traject Kinderen uit de Knel;

bepaalt dat partijen de rechtbank uiterlijk twee weken vóór na te melden pro formadatum berichten of een nadere mondelinge behandeling is gewenst of dat de zaak schriftelijk kan worden afgedaan;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgangsregeling, het ouderschapsonderzoek, de dwangsom/lijfsdwang, het gezag en de proceskostenveroordeling aan tot 1 december 2015 pro forma.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Zonneveld, mr. A.C. Olland en mr. A.M.A. Keulen kinderrechters, bijgestaan door mr. M. Verkerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 mei 2015.