Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:6160

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-05-2015
Datum publicatie
06-08-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 655
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bezwaar tegen digitaal bekendgemaakt bericht terecht niet-ontvankelijk verklaard. Termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 2:14
Algemene wet bestuursrecht 2:17
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Algemene wet bestuursrecht 6:9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 15/655

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [plaats] , eiseres

(gemachtigde mr. K. Celebi)

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft tegen de hierna onder 1 te noemen aan haar opgelegde ov-schuld bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij besluit van 15 december 2014 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2015.

Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld van haar vader. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger] .

Overwegingen

Feiten

1. Bij bericht van 28 maart 2014 is ten aanzien van eiseres een ov-schuld vastgesteld omdat er een reisproduct op haar OV-chipkaart stond terwijl zij daar geen recht (meer) op had.

Vervolgens is bij bericht van 5 april 2014, 25 april 2014, 24 mei 2014, 7 juni 2014 en 27 juni 2014 ten aanzien van eiseres telkens een nadere ov-schuld vastgesteld.

Laatstelijk bij bericht van 25 juli 2014 is de ov-schuld van eiseres vastgesteld op € 1.164.

2. Eiseres heeft op 22 oktober 2014 bezwaar gemaakt tegen de haar opgelegde ov-schuld.

Geschil
3. In geschil is of verweerder terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Eiseres stelt dat het besluit niet op de juiste wijze is bekendgemaakt. Eiseres heeft zich uitgeschreven als student en vanaf dat moment heeft zij niet meer in “mijn DUO” gekeken. Eiseres verwijst naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 augustus 2013, nr. 11/3560 (ECLI:NL:CRVB:2013:1216), en stelt dat niet gezegd kan worden dat zij en de minister nog immer gebruik maakten van hetzelfde systeem. De berichten zijn, aldus eiseres, daarom niet op juiste wijze bekendgemaakt.

Subsidiair meent eiseres dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

3.1.

Verweerder stelt dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

Beoordeling van het geschil

4. In artikel 2:14, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een bestuursorgaan een bericht dat tot één of meer geadresseerden is gericht, elektronisch kan verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is.

4.1.

Ingevolge artikel 2:17 van de Awb geldt als tijdstip waarop een bericht door een bestuursorgaan elektronisch is verzonden, het tijdstip waarop het bericht een systeem voor gegevensverwerking bereikt waarover het bestuursorgaan geen controle heeft of, indien het bestuursorgaan en de geadresseerde gebruik maken van hetzelfde systeem voor gegevensverwerking, het tijdstip waarop het bericht toegankelijk wordt voor de geadresseerde.

4.2.

Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

5. Niet in geschil is dat eiseres heeft gekozen voor digitale bekendmaking van besluiten van verweerder op de website “mijn DUO”. Eiseres heeft daarbij tevens haar

e-mailadres laten registreren. Als datum van bekendmaking geldt in dat geval de datum van plaatsing op mijn DUO, het tijdstip waarop het bericht toegankelijk werd voor eiseres.

Eiseres heeft in bezwaar gesteld dat zij het bericht van 2 april 2014 inhoudende een betalingsverzoek heeft ontvangen en heeft als bijlage ook de berichten van mei en juni bijgevoegd. Voorts heeft eiseres feitelijk ook niet ontkend dat zij berichten en e-mails van DUO heeft ontvangen, zij heeft “mijn DUO” eenvoudig niet meer geraadpleegd. Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee voldoende vast dat de berichten van 28 maart 2014 tot en met 25 juli 2014 op of rond de datum van dagtekening op “mijn DUO” zijn geplaatst.

Gelet op bovengenoemde bepalingen staat dan ook vast dat het bezwaar van eiseres tegen deze besluiten te laat is ingediend. Eiseres heeft immers eerst bij brief van 22 oktober 2014 bezwaar gemaakt.

6. Eiseres heeft voorts nog aangevoerd dat als gevolg van de beëindiging van haar studie zij tevens haar aanvraag had beëindigd en zij aldus geen relatie meer had met DUO en dat zij daarom niet langer gebruik maakten van hetzelfde systeem. Voor zover eiseres hiermee een beroep doet op de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding faalt dit beroep. De enkele omstandigheid dat eiseres haar studiefinanciering had beëindigd betekent nog niet dat daarmee haar relatie met verweerder op dat moment ook beëindigd was en dat zij, zo begrijpt de rechtbank het verweer van eiseres, niet langer gehouden was om op “mijn DUO” te kijken. Het systeem van studiefinanciering kenmerkt zich door controles achteraf.

Eiseres kon en mocht daarom niet menen dat zij geen berichten meer van DUO zou ontvangen. Dat zij te laat in “mijn DUO” heeft gekeken moet voor haar risico blijven.

Verweerder heeft gelet op het bovenstaande terecht het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Aan een inhoudelijke toetsing van de zaak kan daarom niet worden toegekomen.

7. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

8. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.C. Stroebel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2015.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.