Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:6145

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-05-2015
Datum publicatie
06-08-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1200
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boete naar aanleiding van controle uitwonende beurs. Herziening onherroepelijk. Verweerder heeft voldoende aangetoond dat eiser op het moment van de controle en ook in de periode daarvoor niet woonachtig was op zijn GBA-adres. Beroep ongegrond/

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000 1.5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 15/1200

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2015 in de zaak tussen

[eiser] wonende te [plaats] , eiser

(gemachtigde [gemachtigde] )

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft tegen het hierna onder 4 te noemen besluit bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij beslissing van 14 januari 2015 het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2015.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger] .

Overwegingen

Feiten

1. Verweerder heeft bij bericht van 15 maart 2013 de aan eiser voor de periode 1 januari 2012 tot en met februari 2013 toegekende studiefinanciering herzien naar de norm van thuiswonende studerende (de herziening).

2. De aanleiding voor de herziening was een rapport van 12 februari 2013 dat was opgemaakt naar aanleiding van een huisbezoek op 11 februari 2013 op het adres waarop eiser in de Gemeentelijke basisadministratie (GBA-adres) stond ingeschreven.

3. Bij (thans onherroepelijke) uitspraak van 9 januari 2014, procedurenummer 13/7102 (ECLI:NL: RBDHA:2014:110) heeft de rechtbank het beroep tegen de herziening ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat vast staat dat eiser op het moment van controle in februari 2013 niet woonachtig was op zijn GBA-adres en dat eiser er tevens niet in was geslaagd (onomstotelijk) bewijs te leveren dat hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met februari 2013 aldaar wel woonachtig was. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

“In de rapportage van het huisbezoek op 11 februari 2013 opgemaakt op 12 februari 2013 door [namen] , controleurs werkzaam bij [BV] . wordt als conclusie vermeld: “De student woont niet op geregistreerd GBA-adres. Er is getekend voor een uitschrijving van de student uit het GBA-adres”. In de woning werden geen persoonlijke bezittingen zoals boeken, kleding of toiletartikelen van eiser aangetroffen. Eiser heeft geen eigen kamer en stelt een (slaap) kamer te delen met de 5 jarige dochter van de hoofd-bewoonster.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op grond van de bevindingen van de rapporteurs terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet op het adres [adres] te [plaats] woonde. De door de rapporteurs neergelegde bevindingen bieden, naar het oordeel van de rechtbank, voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat eiser niet woonachtig was op het opgegeven GBA-adres. De rechtbank betrekt bij dit oordeel mede de omstandigheid dat eiser naar eigen zeggen geen sleutel had van de woning aan de [adres] , waar hij ten tijde van de controle al bijna twee jaar zou hebben gewoond.”

4. Bij besluit van 31 juli 2014 heeft verweerder aan eiser een bestuurlijke boete opgelegd van € 1.338,24, zijnde 50% van de te veel toegekende studiefinanciering.

Geschil
5. In geschil is of verweerder terecht en tot het juiste bedrag de boete heeft opgelegd.

Eiser stelt dat verweerder niet kan bewijzen dat eiser zijn hoofdverblijf niet had op zijn GBA-adres. De rapportage bevat innerlijke tegenstrijdigheden en is op onderdelen niet concludent. Daarbij komt dat de beslissing op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd, omdat verweerder volstaat met verwijzing naar zijn eerdere beslissing op bezwaar met betrekking tot de herziening.

5.1.

Verweerder stelt dat de boete terecht en naar een juist bedrag is opgelegd. Verweerder verwijst naar het rapport van de controleurs en stelt dat dit voldoende bewijs bevat waaruit blijkt dat eiser in de periode januari 2012 tot en met februari 2013 niet woonde op het GBA-adres.

Beoordeling van het geschil

6. In artikel 9.9, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) is bepaald dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd indien de studerende het normbedrag voor een uitwonende studerende toegekend heeft gekregen, maar niet heeft voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000. Het bedrag van de boete bedraagt ten hoogste 50 procent van het bedrag dat van de studerende in verband daarmee wordt teruggevorderd bij een herziening.

6.1.

De bewijslast dat eiser het beboete feit, te weten het niet voldoen aan de in artikel 1.5 van de Wsf 2000 neergelegde voorwaarden voor toekenning van een uitwonendenbeurs, heeft begaan, rust op verweerder nu het een punitieve sanctie betreft. Dat betekent dat verweerder - anders dan de juridische fictie van het wettelijk vermoeden zoals dat wordt gehanteerd ten aanzien van de herziening - moet aantonen dat eiser niet woonde op zijn GBA-adres.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldaan aan de hierboven genoemde zwaardere bewijslast in die zin dat verweerder voldoende heeft aangetoond dat eiser op het moment van de controle en ook in de periode daarvoor niet woonachtig was op zijn GBA-adres. De rechtbank sluit zich daarvoor aan bij de relevante overwegingen van de onder 3 genoemde uitspraak met betrekking tot de herziening en voegt daaraan toe dat niets in de woning er op duidde dat eiser daar wel woonachtig was (geweest).

7.1.

Eiser heeft feitelijk verder ook niets aangevoerd en ondersteund door objectief verifieerbare (bewijs)stukken dat twijfel doet rijzen aan de constateringen van verweerder. Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank een boete van 50% van de teveel ontvangen studiefinanciering passend en geboden. Door of namens eiser zijn voorts geen bijzondere omstandigheden of feiten naar voren gebracht die in het geval van eiser zouden hebben kunnen maken dat de overtreding hem niet ten volle zou kunnen worden verweten, of dat verweerder anderszins aanleiding had moeten zien een lagere boete op te leggen. (vgl. Centrale Raad van Beroep; 2 april 2014; ECLI:NL:CRVB: 2014:1091).

8. Anders dan namens eiser is gesteld acht de rechtbank de beslissing op het bezwaarschrift voldoende gemotiveerd. Het staat verweerder vrij om in zijn beslissing op bezwaar naar aanleiding van de opgelegde boete te verwijzen naar (de motivering van) de beslissing op bezwaar ten aanzien van de herziening, indien hij daarmee meent voldaan te hebben aan zijn bewijslast ten aanzien van de boete. De oplegging van de boete en de hoogte daarvan staat immers in nauw verband met de beslissing tot herziening van eisers studiefinanciering.

Hetgeen voorts nog namens eiser is aangevoerd kan niet leiden tot het oordeel dat verweerder de boete niet heeft mogen handhaven.

9. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

10. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.C. Stroebel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

29 mei 2015.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.