Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:5961

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-05-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 1476
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 8
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/1476

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2015 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: C.E. Zandvliet),

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres met ingang van 28 februari 2014 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend waarop een korting is toegepast van 36% wegens 18 niet-verzekerde jaren.

Bij besluit van 31 januari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2015.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. De echtgenoot van eiseres was van 11 december 1995 tot en met

15 april 2007 in dienst bij het [werkgever 1]. Van 16 april 2007 tot en met 20 december 2013 was hij in dienst bij het [werkgever 2] Op 25 juni 2013 heeft eiseres in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd een aanvraag ter verkrijging van een AOW-pensioen ingediend. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiseres met ingang van

28 februari 2014 een AOW-pensioen toegekend ter hoogte van 64% van het gehuwdenpensioen wegens (afgerond) 18 niet-verzekerde jaren. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

2. Het bestreden besluit berust in hoofdzaak op het standpunt dat eiseres gedurende de werkzame periode van haar echtgenoot voor het [werkgever 1] en het [werkgever 2] van de AOW-verzekering was uitgesloten. Volgens verweerder zijn zowel het [werkgever 1] als het [werkgever 2] aangewezen als volkenrechtelijke organisaties waarop de [werkgever 1]-Zetelovereenkomst van toepassing is. Gelet hierop is eiseres net als haar echtgenoot gedurende de jaren dat hij werkzaam was voor het [werkgever 1] en het [werkgever 2] niet verzekerd voor de volksverzekeringen. Daarom is eiseres terecht gekort op haar AOW-pensioen. Verweerder wijst er in dit kader op dat het beroep van de echtgenoot van eiseres tegen de korting op zijn AOW-pensioen in verband met zijn werkzaamheden voor het [werkgever 1] en het [werkgever 2] door deze rechtbank in haar uitspraak van 25 september 2013 ongegrond is verklaard zie ECLI:NL:RBDHA:2013: 15561. Voorts wijst verweerder op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 13 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3783, waarin een hoger beroep van een gezinslid van een [werkgever 1]-medewerker ongegrond is verklaard. In het verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat de Hoge Raad der Nederlanden (HR) het tegen deze uitspraak van de CRvB ingestelde beroep in cassatie bij arrest van 14 februari 2014 ongegrond verklaard, zie ECLI:NL:HR:2014:284.

3. In beroep heeft eiseres - in hoofdzaak en samengevat - aangevoerd dat de Zetelovereenkomsten van het [werkgever 1] en het [werkgever 2] niet verplichten tot uitsluiting van eiseres van de AOW-verzekering gedurende de jaren dat haar echtgenoot werkzaam was voor het [werkgever 1] en het [werkgever 2]. Tevens is eiseres van mening dat de toepassing van bepalingen uit de Zetelovereenkomsten niet kan plaatsvinden indien dit een schending inhoudt van mensenrechtenverdragen waaronder het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), waarvan in het bijzonder artikel 1, van het Eerste Protocol van het EVRM (Eerste Protocol), alsmede het Internationaal Verdrag inzake Burger- en Politieke Rechten (IVBPR), waarvan in het bijzonder artikel 26. Voorts meent eiseres dat de Zetelovereenkomsten van het [werkgever 1] en [werkgever 2] buiten toepassing dienen te worden gelaten nu de vereiste parlementaire goedkeuring ontbreekt.

4.1

Artikel XXVII van de Zetelovereenkomst inzake het [werkgever 1] tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Naties (VN) van 29 juli 1994, Trb. 1994, 189, luidt als volgt:

1) Officials of the Tribunal are subject to the United Nations Staff Regulations and Rules and, if they have an appointment of six months' duration or more, become participants in the United Nations Pension Fund. Accordingly, such officials shall be exempt from all compulsory contributions to the Netherlands social security organizations.

Consequently, they shall not be covered against the risks described in the Netherlands social security regulations.

2) The provisions of paragraph 1 above shall apply mutatis mutandis to the members of the family forming part of the household of the persons referred to in paragraph one above, unless they are employed or self-employed in the host country or receive Netherlands social security benefits.

4.2

In de Zetelovereenkomst met het [werkgever 2] is de Zetelovereenkomst met het [werkgever 1] van overeenkomstige toepassing verklaard.

5.1

De rechtbank overweegt als volgt. Ten aanzien van de stelling dat de Zetelovereenkomsten van het [werkgever 1] en het [werkgever 2] buiten toepassing dienen te worden gelaten, aangezien de vereiste parlementaire goedkeuring ontbreekt, overweegt de rechtbank, gelijk zij heeft uitgesproken in haar uitspraak van 17 februari 2010, ECLI:NL:RBDHA:2010:BL:4493, dat de Zetelovereenkomsten geen parlementaire goedkeuring behoeven. De rechtbank verwijst daartoe naar het standpunt van de regering in deze zoals dat is neergelegd in artikel 3 van de Wet van 24 december 1947 “houdende goedkeuring van de toetreding tot het door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 13 februari 1946 aangenomen Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties”. De rechtbank onderschrijft voorts hetgeen verweerder hieromtrent ter zitting heeft gesteld. Het betoog van eiseres faalt dan ook.

5.2

Met haar beroepsgrond, inhoudende dat de [werkgever 1]-Zetelovereenkomst die van toepassing is op de gehele niet-verzekerde periode van de echtgenoot van eiseres niet verplicht tot uitsluiting van de AOW-verzekering, neemt eiseres in feite dezelfde stelling in als haar echtgenoot in de procedure met zaaknummer 12/10383, waarin de rechtbank op 25 september 2013 uitspraak heeft gedaan (ECLI:NL:RBDHA:2013:15561). In deze uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de bepaling van artikel XXVII, eerste lid, van de [werkgever 1]-Zetelovereenkomst voorziet in een verdragsrechtelijke verplichting tot uitsluiting van zowel de premie- als verzekeringsplicht ingevolge de AOW en dat de toepasselijke nationaalrechtelijke bepalingen van artikel 13 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekering 1989 (KB 164) en artikel 14 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekering 1999 (KB 746), louter uitvoeren wat in de Zetelovereenkomst is neergelegd.

5.3

Ook de HR heeft in zijn arrest van 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:284, geoordeeld dat de personen als bedoeld in artikel XXVII van de [werkgever 1]-Zetelovereenkomst in alle opzichten zijn uitgesloten van de verplichte sociale verzekeringen in Nederland en dat zulks geldt zowel voor de heffing van premie als voor het recht op uitkering.

5.4

Deze uitsluiting is ingevolge artikel XXVII, tweede lid, van de [werkgever 1]-Zetelovereenkomst, -mutatis mutandis- ook van toepassing op eiseres als gezinslid van een functionaris van het [werkgever 1] en het [werkgever 2]. De omstandigheid dat eiseres geen deelnemer was in het pensioenfonds van de Verenigde Naties (VN) maakt dit niet anders. De HR heeft in zijn arrest van 14 februari 2014 uitgesproken dat de personen bedoeld in het tweede lid van de Zetelovereenkomst van de verplichte Nederlandse verzekering zijn uitgesloten, ook al kunnen ze geen rechten ontlenen aan regelingen van de VN. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres in de onderhavige procedure heeft aangevoerd geen aanleiding af te wijken van de eerdere uitspraak van deze rechtbank noch van het oordeel van de HR.

6.1

In haar uitspraak van 25 september 2013 heeft de rechtbank in het kader van de korting op de AOW-toeslag van de echtgenoot van eiseres op grond van de niet-verzekerde jaren van eiseres tevens geoordeeld dat van strijd met de discriminatieverboden als bepaald in artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR geen sprake is. Waar ook in de onderhavige zaak, nu met eiseres zelf als procespartij, in beroep wordt aangevoerd dat sprake is van schending van deze verdragsbepalingen, komt de rechtbank tot eenzelfde oordeel inhoudend dat voor het gemaakte onderscheid naar status een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond bestaat. Dit is voorts in lijn met wat de CRvB in zijn uitspraak van

13 augustus 2012 heeft geoordeeld en wat de HR in zijn arrest van 14 februari 2014 heeft bevestigd.

6.2

Dat de rechtbank het oordeel van de HR in voornoemd arrest niet zou moeten volgen omdat dit volgens eiseres ongemotiveerd en onjuist is, volgt de rechtbank niet. De HR heeft in dat arrest, voor zover hier van belang, overwogen:

(..)“Naar moet worden aangenomen is de regeling op grond waarvan niet alleen medewerkers van het [werkgever 1] (..) maar ook hun inwonende gezinsleden zonder eigen arbeidsinkomsten in Nederland zijn vrijgesteld van de verplichting tot betaling van socialeverzekeringspremies, in de betrokken zetelovereenkomsten opgenomen met het oog op de onafhankelijkheid van de betrokken medewerkers ten opzichte van de autoriteiten van het gastland in het belang van de goede taakuitoefening van het tribunaal. Van een dergelijke regeling op het gebied van de heffing van premies kan niet worden gezegd dat deze van redelijke grond is ontbloot. Als consequentie van een vrijstelling van premieheffing is in de onderhavige zetelovereenkomsten aanvaard dat de medewerkers en de betrokken gezinsleden tevens zijn uitgezonderd van de verplichte verzekering en daarmee van het recht op uitkeringen op grond van de Nederlandse sociale verzekeringen. Met deze koppeling wordt vermeden dat rechten op uitkeringen worden opgebouwd zonder mogelijkheid voor de Nederlandse overheid om daartegenover een financiële bijdrage van de betrokkene te verkrijgen in de vorm van premiebetaling. Ook van deze koppeling kan niet worden gezegd dat zij van redelijke grond is ontbloot.”(..)

Niet valt in te zien dat dit oordeel van de HR ongemotiveerd is of gezien de gegeven motivering onjuist. Deze opvatting van eiseres laat de rechtbank dan ook voor haar rekening. Het voorgaande betekent dat de rechtbank in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanknopingspunt ziet om thans anders dan in lijn met de hoger beroepsinstanties te oordelen.

7. Ten aanzien van de beroepsgrond van eiseres dat sprake is van een inbreuk op de door artikel 1 van het Eerste Protocol in verbinding met artikel 14 van het EVRM geboden bescherming van eigendom, wijst de rechtbank op hetgeen zij heeft geoordeeld in de uitspraak van 25 september 2013 met betrekking tot de echtgenoot van eiseres:

(..)“Al aangenomen dat sprake is van een possession in de zin van artikel 1 van het eerste Protocol van het EVRM, oordeelt de rechtbank dat de uitsluiting steunt op een wettelijke grondslag en een legitiem doel dient. Van een individuele en buitensporige last in de zin van de rechtspraak van het EHRM acht de rechtbank hier geen sprake, nu eiser naast het voordeel dat hij genoot van voorrechten en immuniteiten uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij het [werkgever 1] en het [werkgever 2], geen premie heeft hoeven betalen aan het United Nations Pension Fund, was vrijgesteld van verplichte bijdragen aan het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel en aanspraak maakt op een zogeheten aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) vanuit de Wet werk en bijstand.” (..)

De rechtbank onderschrijft dit eerder door deze rechtbank gegeven oordeel.

8. Het ter zitting door eiseres gehouden betoog dat de korting op het AOW-pensioen van eiseres strijd oplevert met artikel 8 van het EVRM, omdat zij - kort gezegd - door de korting op het AOW-pensioen beboet wordt voor haar keuze om destijds niet de arbeidsmarkt te betreden, volgt de rechtbank niet. De rechtbank overweegt daartoe dat het voor een geslaagd beroep op schending van artikel 8 van het EVRM het noodzakelijk is dat door verweerders besluitvorming een inbreuk wordt gemaakt op het ongestoorde recht op gezins- en privéleven. Nog daargelaten dat daarvan in het onderhavige geval geen sprake is, merkt de rechtbank op dat eiseres geenszins wordt beboet. Er is slechts een gerechtvaardigd onderscheid gemaakt tussen personen die wel verzekerd zijn en die dat op grond van de eerder genoemde Zetelovereenkomsten niet zijn.

9. Verweerder heeft gelet op het vorenstaande terecht een korting van 36% toegepast op het AOW-pensioen van eiseres wegens 18 niet-verzekerde jaren.

10. Het beroep van eiseres is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.S.M. Lubbe, rechter, in aanwezigheid van F.P. Krijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.