Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:5919

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-05-2015
Datum publicatie
25-06-2015
Zaaknummer
C-09-478185 KG ZA 14-1428
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Gedaagde en eiseres houden ieder 50% van de aandelen in een vennootschap, die een strandpaviljoen exploiteert. Veroordeling van gedaagde om haar aandelen aan eiseres te leveren tegen een bepaald bedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1191
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/478185 / KG ZA 14/1428

Vonnis in kort geding van 1 mei 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Scheef Beheer B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. G.C.G. Metz te Den Haag,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Back 2 the Beach B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M.K. van den Berge te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Scheef’ en ‘B2B’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de brief van de zijde van B2B met producties, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 9 december 2014;

- de op 12 december 2014 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd. Tijdens deze mondelinge behandeling is de zaak pro forma aangehouden tot 13 maart 2015 om partijen in de gelegenheid te stellen het geschil in onderling overleg te beëindigen;

- de op 16 maart 2015 door Scheef aan B2B betekende oproep voor de voortzetting van de mondelinge behandeling op 21 april 2015;

- de akte houdende een eis in reconventie, met producties;

- de akte houdende een aanvulling van de eis in reconventie;

- de door Scheef op 17 april 2015 en op 20 april 2015 (per faxbericht van 08.41 uur) nader overgelegde producties;

- de op 21 april 2015 gehouden voortgezette mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten in conventie en in reconventie

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Beide partijen houden 50% van de aandelen in en zijn bestuurder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Fonk Beach B.V. (hierna: Fonk). Fonk exploiteert een strandpaviljoen te Scheveningen. De bestuurder en enig aandeelhouder van Scheef is [A] (hierna: [A]) en de bestuurder en enig aandeelhouder van B2B is [B] (hierna: [B]).

2.2.

Het strandpaviljoen werd voordien geëxploiteerd door [B]. [B] had een schuld aan de heer [C] (hierna: [C]). [C] heeft aan Scheef dan wel [A] financiering verstrekt met het oog op de verkrijging van aandelen in Fonk. In het kader van die verkrijging is de schuld van [B] aan [C] afgelost. [A] heeft een affectieve relatie met de dochter van [C] (hierna: [D]), die ook werkzaam is dan wel is geweest bij Fonk.

2.3.

In een schriftelijk – niet door partijen ondertekend – stuk, getiteld “overeenkomst inzake Fonk Beach B.V. Tussen Scheef Beheer B.V. [A] Back 2 the Beach B.V. [B] en Fonk Beach B.V. Definitieve versie Köster Advocaten N.V. 14 februari 2013” (hierna: de Fonk-overeenkomst) staat onder meer vermeld – samengevat – dat partijen in deze overeenkomst de gemaakte afspraken met betrekking tot de verhoudingen in Fonk, hun samenwerking en alles wat daarmee samenhangt schriftelijk willen vastleggen. Ten aanzien van de besluitvorming is in dit stuk opgenomen dat de bestuurders Fonk alleen gezamenlijk kunnen vertegenwoordigen, dat ieder lid van het bestuur een gelijke stem heeft en dat bij staking van stemmen bindend advies zal worden gevraagd aan [C]. Ook is opgenomen dat alle geschillen tussen aandeelhouders en/of hun DGA’s zullen worden voorgelegd aan [C] voor bindend advies.

2.4.

In de aanloop naar het strandseizoen van 2014 zijn de verhoudingen tussen partijen verslechterd en zijn tussen hen geschillen ontstaan. Over een aantal van deze geschillen heeft [C] bindend advies uitgebracht. B2B heeft daar bezwaren tegen geuit en is een procedure gestart bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank en bij de Ondernemingskamer. Deze procedures zijn afgerond.

2.5.

Begin 2014 heeft B2B haar aandelen in Fonk aan Scheef te koop aangeboden, waartoe Scheef zich bereid heeft verklaard, maar niet tegen de door B2B gevraagde koopsom. Scheef heeft voorgesteld om de waarde van de aandelen vast te laten stellen door deskundigen, op de wijze als in de statuten voorzien. In de statuten van Fonk staat kort gezegd vermeld dat, indien partijen over de prijs geen overeenstemming bereiken, deze bindend zal worden vastgesteld door drie onafhankelijke deskundigen, aan te wijzen door de voorzitter van de Kamer van Koophandel en Fabrieken. B2B heeft dit voorstel niet aanvaard.

2.6.

Scheef heeft [C] op 20 mei 2014 verzocht om bindend advies uit te brengen over de overname door haar van de aandelen van B2B in Fonk en de waardering van die aandelen. Zij heeft onder meer gevorderd dat wordt bepaald dat Scheef de aandelen van B2B overneemt tegen een door een deskundige, bij voorkeur een Register Valuator, te bepalen waarde. B2B heeft hiertegen verweer gevoerd. Er hebben twee mondelinge behandelingen plaatsgevonden en er is een tussenuitspraak gewezen. Op 15 oktober 2014 heeft [C] een bindend advies uitgebracht (hierna: het bindend advies). In het hoofdstuk ‘beslissing’ staat onder meer vermeld dat partijen niet gezamenlijk tot een benoeming van een deskundige zijn gekomen, zodat de bindend adviseur een deskundige zal benoemen uit het Landelijk Register van Deskundigen, de heer [E] (hierna: [E]). Dit hoofdstuk eindigt met de tekst:

“Beslist:

I. dat Back 2 the Beach B.V. de door haar gehouden aandelen in Fonk Beach B.V. levert aan Scheef Beheer B.V.;

II. dat Scheef Beheer B.V. hiervoor aan Back 2 the Beach B.V. de door de hierna te noemen deskundige vast te stellen prijs dient te betalen;

III. dat Scheef Beheer B.V. de prijs voor de door Back 2 the Beach B.V. gehouden aandelen dient te betalen op de rekening van de notaris voorafgaand aan de levering;

IV. dat de levering van de aandelen dient plaats te vinden binnen vier weken nadat de deskundige de prijs heeft bepaald;

V. dat de kosten verbonden aan de bemoeienis van de notaris in verband met de levering van de aandelen voor rekening komen van Scheef Beheer B.V.;

VI. dat de kosten worden gecompenseerd in die zin dat ieder de eigen kosten draagt en voorts dat beide partijen gelijkelijk de kosten van de deskundige dragen;

VII. wijst het meer of anders gevorderde af.”

2.7.

[A] heeft op 31 oktober 2014 namens Fonk opdracht gegeven aan [E] om een aanvang te nemen met de waardebepaling. [B] heeft namens B2B op 2 november 2014 aan [E] een bericht gestuurd met als onderwerp ‘ongeldige opdracht’, waarin hij hem naar eigen zeggen op de hoogte stelt van een groot aantal gemaakte formele fouten.

2.8.

Tijdens de eerste mondelinge behandeling in deze procedure op 12 december 2014 zijn beide partijen akkoord gegaan met een (exit)mediationtraject. Dit traject heeft niet tot overeenstemming tussen partijen geleid.

2.9.

Troostwijk Waardering en Advies B.V. (hierna: Troostwijk) heeft op 7 januari 2015 een schriftelijke offerte uitgebracht voor het taxeren van de aandelen in Fonk, waarin zij de opdracht, de werkwijze, de waarderingsgrondslag, de duur van de opdracht, de kosten, de oplevertermijn van de rapportage, de facturatie en de overige voorwaarden beschrijft. [A] en [B] hebben deze offerte namens Fonk op 8 januari 2015 voor akkoord ondertekend.

2.10.

In een door Troostwijk, in de personen van [F] BA en [G], Register Makelaar-taxateur, afgegeven taxatierapport, dat is gedateerd op 18 april 2015 (hierna: het taxatierapport), verklaart Troostwijk de aandelenwaarde van Fonk te taxeren op een onderhandse verkoopwaarde bij gelijkblijvende bestemming en gebruik van € 500.000,- teneinde de opdrachtgever inzicht te geven in de aandelenwaarde per 31 december 2014.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Scheef vordert, zakelijk weergegeven:

I. B2B te gelasten om onmiddellijk na betekening van dit vonnis het bindend advies na te komen, onder meer inhoudende dat zij meewerkt aan hetgeen noodzakelijk wordt geacht door [E] om tot een waardebepaling van de aandelen te komen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat B2B in gebreke blijft om hieraan te voldoen;

II. B2B te gelasten om, conform de waardebepaling door de deskundige, de door haar gehouden aandelen in Fonk binnen vier weken na de waardebepaling door de deskundige te leveren aan Scheef, tegen betaling van de door de deskundige vastgestelde waarde en onder eventuele nadere voorwaarden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat B2B in gebreke blijft om hieraan te voldoen, althans met bepaling dat dit vonnis gelijke rechtskracht heeft als “voornoemd onder II genoemde verzoek”, meer specifiek inhoudende dat Scheef wordt gemachtigd om, indien B2B nalaat om te voldoen aan hetgeen is verzocht, het vonnis in de plaats te stellen van de wilsverklaring van B2B;

III. B2B te veroordelen tot betaling van de helft van de door de deskundige te maken kosten voor de waardebepaling;

met veroordeling van B2B in de proceskosten en in de nakosten.

3.2.

Daartoe voert Scheef – samengevat – het volgende aan. Het bindend advies is rechtmatig tot stand gekomen en dient door B2B te worden nagekomen. De bezwaren die B2B tegen dit advies aanvoert, kunnen niet worden gevolgd. Gedurende dit kort geding hebben partijen feitelijk al invulling gegeven aan hetgeen in het bindend advies staat vermeld, in die zin dat het aandelenkapitaal inmiddels is gewaardeerd. Vanwege de bezwaren van B2B tegen de in het bindend advies genoemde deskundige hebben partijen gezamenlijk een andere deskundige de opdracht tot waardering gegeven. Vordering sub II is gelet daarop voor toewijzing vatbaar.

3.3.

B2B voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

in reconventie

3.4.

B2B vordert, zakelijk weergegeven:

Primair:

I. drie deskundigen/horeca-makelaars te benoemen, met inachtneming van diverse door B2B nader aangeduide eisen omtrent de deskundigheid van en de waardering door de deskundigen;

II. de prijs van de aandelen die B2B houdt in Fonk te bepalen op basis van het bericht van voormelde deskundigen en de aangeduide minimale vereisten, met toepassing van een billijke verhoging op die prijs, voor zover deze door de deskundigen wordt bepaald op een lager bedrag dan € 400.000,- voor deze (helft van het totale aantal) aandelen;

Subsidiair:

III. de prijs van de aandelen die B2B houdt in Fonk te bepalen op € 400.000,-;

Primair en subsidiair

IV. Scheef te gebieden alle medewerking te verlenen die dienstig is voor de totstandkoming van het deskundigenbericht;

V. Scheef te gebieden om binnen twee weken na betekening van het vonnis waarin de prijs van de aandelen is bepaald, de aandelen die B2B houdt in Fonk over te nemen tegen gelijktijdige betaling, zonder verrekening, van de vastgestelde prijs en B2B te veroordelen die aandelen aan Scheef te leveren;

VI. te bepalen dat de kosten van de deskundige “50/50 – zonder verrekening – ten laste komen van Fonk”;

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Scheef of [A] in gebreke blijft om hieraan te voldoen;

VII. Scheef te veroordelen buitengerechtelijke kosten ad € 904,- aan B2B te betalen;

Meer subsidiair:

VIII. de zaak te verwijzen naar de civiele kamer van deze rechtbank;

met veroordeling van Scheef in de proceskosten en in de nakosten.

3.5.

Daartoe voert B2B – samengevat – het volgende aan. Scheef is er de oorzaak van dat B2B zodanig in haar rechten en/of belangen is of dreigt te worden geschaad dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet langer van haar kan worden gevergd. B2B dient daarom een vordering in tot uittreding ex artikel 2:343 van het Burgerlijk Wetboek. Hiertoe is onder meer relevant dat het bindend advies onbevoegd is opgesteld en dat hieraan diverse gebreken kleven. B2B is dan ook niet gehouden tot nakoming hiervan, maar Scheef blijft daar wel op aandringen. Ook op het eerst kort voor de voortgezette behandeling in deze procedure in het geding gebrachte taxatierapport kan Scheef om meerdere redenen geen beroep doen. Scheef probeert alleen maar te bewerkstelligen dat er een zo laag mogelijke prijs voor de aandelen wordt bepaald. De rechter moet daarom deskundigen benoemen, aan de hand van het bericht van die deskundige de prijs bepalen en daarop een billijke verhoging toepassen in verband met de gedragingen van Scheef.

3.6.

Scheef voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

in conventie en in reconventie

4.1.

Gezien de nauwe samenhang tussen de over en weer ingestelde vorderingen, zal de voorzieningenrechter deze tezamen behandelen.

4.2.

Ten aanzien van het gevorderde in conventie wordt vooropgesteld dat volgens Scheef partijen gedurende deze procedure feitelijk al invulling hebben gegeven aan hetgeen in het bindend advies staat vermeld, zoals onder I gevorderd, in die zin dat het aandelenkapitaal inmiddels is gewaardeerd door een deskundige, te weten Troostwijk. Gelet op deze stelling van Scheef zal de vordering sub I worden afgewezen bij gebrek aan belang. De vordering sub II heeft Scheef gehandhaafd, met dien verstande dat deze vordering door de genoemde feitelijke omstandigheden nader is geconcretiseerd, in die zin dat betaling van de door de deskundige vastgestelde waarde volgens Scheef betaling van € 250.000,- inhoudt. Hiertegenover staan de vorderingen in reconventie, zoals hiervoor weergegeven.

4.3.

Voor zover B2B het spoedeisend belang van Scheef nog immer betwist, wordt daaraan voorbij gegaan. Beide partijen stellen dat de verhoudingen tussen hen zijn verstoord en dat zij noodgedwongen nog steeds met elkaar samenwerken in Fonk, hetgeen inhoudt dat zij op dit moment samen een nieuw strandseizoen moeten opstarten. In de loop van deze procedure heeft ook B2B vorderingen ingesteld die dienen te leiden tot een beëindiging van de samenwerking. Op grond daarvan wordt aangenomen dat beide partijen een spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen.

4.4.

Partijen zijn het erover eens om hun samenwerking in Fonk te beëindigen door de overname door Scheef van de aandelen van B2B. Al sinds begin 2014 is dit voor beide partijen het uitgangspunt, zo blijkt uit hetgeen bij de feiten staat vermeld en uit het door beide partijen in dit geding gevorderde. Aan de stelling van B2B dat, indien de helft van de aandelen (slechts) wordt gewaardeerd op een bedrag tussen de € 250.000,- en € 325.000,-, zij in de gelegenheid wil worden gesteld de aandelen van Scheef over te nemen, gaat de voorzieningenrechter voorbij. B2B heeft deze stelling eerst tijdens de voortgezette behandeling ter zitting in deze procedure geponeerd, maar hier geen vorderingen op gericht. Haar vorderingen in reconventie zien uitsluitend op levering van de aandelen van B2B aan Scheef. Het geschil tussen partijen in dit geding is derhalve beperkt tot het bedrag dat Scheef aan B2B voor haar aandelen dient te betalen.

4.5.

In het hiervoor onder 4.3. en 4.4. overwogene ziet de voorzieningenrechter aanleiding om in dit geding als ordemaatregel te bepalen dat B2B haar aandelen in Fonk aan Scheef moet leveren voor een in dit geding vast te stellen bedrag. Dit is een ingrijpende maatregel, die deels ook onherstelbaar is. Weliswaar kunnen de aandelen weer terug worden geleverd, maar Scheef zal na de levering van de aandelen in ieder geval een periode lang de enig aandeelhouder zijn. Nu partijen echter niet van mening verschillen over de vraag wie de onderneming zal voortzetten, acht de voorzieningenrechter dat in dit geval geen reden om de voorziening te weigeren. Het door Scheef te betalen bedrag voor de aandelen van B2B zal aan de hand van de thans beschikbare informatie in redelijkheid worden vastgesteld. Het staat partijen uiteraard vrij om alsnog een bodemprocedure te starten om hun geschillen definitief te beslechten. De in dit geding te treffen ordemaatregel staat daaraan niet in de weg. Gezien het vorenstaande wordt de vordering van B2B om een deskundigenonderzoek te gelasten, afgewezen. Daarvoor leent dit geding, waarin in spoedeisende gevallen een voorlopige maatregel kan worden getroffen, zich niet.

4.6.

De voorzieningenrechter stelt in het kader van de waardering voorop dat hij geen aanleiding ziet om, zoals door B2B gevorderd, op de waarde van de aandelen een billijke verhoging toe te passen. Van gedragingen van Scheef die maken dat B2B zodanig in haar rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd, zoals bedoeld in artikel 2:343 BW, is de voorzieningenrechter niet gebleken. Wat er inhoudelijk ook zij van de bezwaren van B2B tegen het bindend advies, die bezwaren maken niet dat Scheef zich heeft “misdragen” als bedoeld in genoemd artikel door gebruik te maken van die procedure. Het betreft een procedure die staat vermeld in de Fonkovereenkomst en tot aan de voortgezette behandeling in deze procedure heeft geen der partijen zich op de ongeldigheid van deze overeenkomst beroepen. Verder is in een tussen partijen gevoerd kort geding (over de inzet van [D] bij Fonk) ten aanzien van deze clausule overwogen dat B2B ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst bekend was met de familierelatie tussen [C] en [D] en in die omstandigheden kennelijk geen aanleiding heeft gezien voor bezwaren en zonder voorbehoud met de benoeming van [C] als bindend adviseur akkoord is gegaan. De Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam heeft voorts in een beschikking overwogen dat B2B onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Scheef/[A] misbruik maakt van de bindend adviesprocedure. In het door Scheef overleggen van het taxatierapport in deze procedure ziet de voorzieningenrechter evenmin aanleiding voor het treffen van een voorziening op grond van genoemd artikel. Dit betreft een rapport dat op verzoek van beide partijen is opgesteld en waarvan de afgifte blijkbaar op zich heeft laten wachten, omdat betaling van de kosten van de deskundige uitbleef. Het verrichten van die betaling en het in het geding brengen van het taxatierapport kort – maar tijdig – voor de voortgezette behandeling ter zitting in deze procedure, kan evenmin worden gezien als een gedraging van Scheef zoals hiervoor aangeduid.

4.7.

In het taxatierapport wordt geconcludeerd dat de aandelenwaarde van Fonk op grond van de in het rapport vermelde gegevens en overwegingen per 31 december 2014 wordt getaxeerd op een onderhandse verkoopwaarde bij gelijkblijvende bestemming en gebruik van € 500.000,-. In dit geding is weliswaar slechts een niet ondertekend exemplaar van dit rapport overgelegd, maar de voorzieningenrechter gaat ervan uit dat het ondertekende exemplaar hieraan gelijk is, zoals de advocaat van Scheef ter zitting expliciet heeft verklaard, waarbij hij heeft toegelicht dat hij het ondertekende exemplaar niet meer tijdig in het geding kon brengen, vanwege de late ontvangst ervan.

4.8.

B2B wordt gevolgd in haar standpunt dat, nu de mediation niet tot overeenstemming heeft geleid, niet kan worden aangenomen dat partijen, los van hun overige geschilpunten, overeenstemming hebben bereikt over het leveren door B2B van haar aandelen aan Scheef voor het bedrag waarop deze aandelen in het taxatierapport zijn gewaardeerd. Dat doet er echter niet aan af dat de voorzieningenrechter het taxatierapport wel kan gebruiken bij de bepaling van het in dit geding vast te stellen door Scheef te betalen bedrag voor de aandelen. De omstandigheid dat partijen hebben afgesproken geheimhouding te betrachten ten aanzien van hetgeen in de mediation is besproken, maakt dit niet anders. Het taxatierapport is immers een objectief rapport van een derde, waarvoor Fonk opdracht heeft gegeven. Hiermee wordt geen inzicht gegeven in de vertrouwelijke onderhandelingen tussen partijen. In de door partijen getekende offerte alsmede in de rapportage wordt voorts volledige openheid van zaken gegeven over de informatie die is gebruikt en over de gehanteerde uitgangspunten en methoden.

4.9.

B2B heeft enkele inhoudelijke bezwaren tegen het taxatierapport naar voren gebracht. De verwijten die zij in dit kader uit, zijn echter slechts blote stellingen die niet nader zijn onderbouwd. Dit kan er dan ook niet toe leiden dat het taxatierapport terzijde wordt gelegd omdat dit op ondeskundige wijze zou zijn opgesteld en resulteert in een kennelijk onredelijk bedrag, zoals B2B betoogt. Het vorenstaande geldt onder meer voor de stelling van B2B dat het rapport is opgesteld door iemand die niet deskundig was, onder meer omdat hij geen ervaring had met de waardering van horeca in Scheveningen. Daaraan wordt dan ook voorbij gegaan, waarbij de voorzieningenrechter ook acht heeft geslagen op de omstandigheden dat Troostwijk een onderneming is, die kennelijk gespecialiseerd is in waarderingen, waar partijen de opdracht gezamenlijk aan hebben verleend, en dat bij de taxatie een register makelaar-taxateur is betrokken. B2B heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de deskundige niet beschikte over de bijlagen bij de Fonkovereenkomst, waaruit blijkt dat Scheef in 2012 € 400.000,- heeft betaald voor de helft van de aandelen, zodat het getaxeerde bedrag niet kan kloppen, zo begrijpt de voorzieningenrechter B2B. Dit standpunt kan echter reeds niet worden gevolgd, omdat in het taxatierapport staat vermeld dat gebruik is gemaakt van de samenwerkingsovereenkomst met bijlagen. Overigens maakt de enkele omstandigheid dat Scheef in 2012 € 400.000,- voor de aandelen heeft betaald, ook nog niet dat de in het taxatierapport vastgestelde waarde in redelijkheid niet kan worden gevolgd. Gesteld noch gebleken is waar dat bedrag destijds op is gebaseerd. Daarnaast is in het taxatierapport de waarde vastgesteld per een datum enkele jaren later, te weten 31 december 2014, en valt in het rapport te lezen dat de onderneming gedurende de referentieperiode een verliesgevend resultaat heeft laten zien. Voorts wordt overwogen dat er verschillende methoden zijn om de waarde van een onderneming te berekenen. Geen enkele methode is zonder nadelen en een waarde is geen objectief vast te stellen bedrag. Uit de opdrachtverlening en het taxatierapport blijkt dat er in dit geval voor is gekozen om de genormaliseerde rentabiliteitswaarde als waarderingsgrondslag te nemen. Dat is een methode die veel wordt gebruikt voor waarderingen als deze en de voorzieningenrechter ziet voorshands geen aanwijzingen om aan te nemen dat de aldus berekende waarde een kennelijk onjuist of onredelijk resultaat oplevert.

4.10.

Al het vorenstaande in aanmerking nemende, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om voor de bepaling van het door Scheef te betalen bedrag aansluiting te zoeken bij de waardering van de aandelen zoals vermeld in het taxatierapport, zodat dit bedrag zal worden bepaald op € 250.000,-. De vordering in conventie sub II is gelet daarop toewijsbaar als na te melden. De voorzieningenrechter zal daarbij een redelijke termijn bepalen van drie weken na de datum van betekening van dit vonnis in plaats van vier weken na de waardebepaling die op 18 april 2015 heeft plaatsgevonden. De vorderingen in reconventie sub I tot en met V zullen gelet op het vorenstaande worden afgewezen.

4.11.

Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. De op te leggen dwangsom echter zal worden gemaximeerd. Voorts zal er worden bepaald dat de op te leggen dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan. Aan het subsidiair gevorderde dwangmiddel ten aanzien van de indeplaatsstelling van dit vonnis, komt de voorzieningenrechter gelet op het vorenstaande niet toe.

4.12.

De vordering in conventie sub III is niet gewijzigd of nader toegelicht met het oog op de gewijzigde omstandigheden, inhoudende dat Fonk opdracht heeft gegeven voor de taxatie door Troostwijk. Deze vordering zal derhalve worden afgewezen. Wat door B2B wordt beoogd met haar vordering ten aanzien van de kosten van de deskundige – te bepalen dat deze kosten 50/50 voor rekening komen van Fonk – is de voorzieningenrechter niet duidelijk, waarbij tevens heeft te gelden dat Fonk geen partij is bij deze procedure. Ook de vordering in reconventie sub VI zal derhalve worden afgewezen.

4.13.

Voor een veroordeling van Scheef in de buitengerechtelijke kosten van B2B bestaat in het licht van het vorenstaande geen aanleiding. Voor een verwijzing van deze zaak naar een bodemprocedure bij de rechtbank bestaat geen wettelijke grondslag. Het primair en subsidiair gevorderde onder VII en het meer subsidiair gevorderde onder VIII zal derhalve worden afgewezen.

4.14.

B2B zal, als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding, zowel in conventie als in reconventie. De kosten in reconventie zullen worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat Scheef als gevolg van deze vorderingen extra kosten heeft moeten maken. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie

5.1.

gelast B2B om de door haar gehouden aandelen in Fonk binnen drie weken na de datum van betekening van dit vonnis te leveren aan Scheef, tegen betaling door Scheef aan B2B van een bedrag van € 250.000,-, welk bedrag voorafgaand aan de levering dient te worden gestort op de rekening van de notaris die de leveringsakte zal passeren;

5.2.

bepaalt dat B2B een dwangsom van € 500,- verbeurt voor ieder dag of gedeelte daarvan dat zij in gebreke blijft aan het vorenstaande te voldoen, met een maximum van € 250.000,-;

5.3.

bepaalt dat bovenstaande dwangsom vatbaar is voor matiging op de wijze zoals onder 4.11 is vermeld;

5.4.

veroordeelt B2B in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van Scheef begroot op € 1.911,15, waarvan € 1.224,-- aan salaris advocaat, € 608,-- aan griffierecht en € 79,15 aan dagvaardingskosten;

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

5.7.

wijst het gevorderde af;

5.8.

veroordeelt B2B in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van Scheef begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2015.

ts