Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:5725

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-05-2015
Datum publicatie
28-07-2015
Zaaknummer
SGR 14-5349
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag op andere gronden, artikel 99, eerste lid, van het ARAR, vertrouwensbreuk en impasse, geen verplichting tot het verrichten van een herplaatsingsonderzoek, toekenning van een minimumuitkering is toereikend.

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 98
Algemeen Rijksambtenarenreglement 99
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/5349

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 mei 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.J. Blanken),

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (alsmede zijn rechtsvoorganger), verweerder

(gemachtigden: [gemachtigden] ).

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2011 heeft verweerder eiser op grond van artikel 98, eerste lid, onder g van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) met ingang van 1 mei 2011 ontslag verleend wegens ongeschiktheid, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken, voor zijn functie van Hoofd Bedrijfsvoering bij het Agentschap Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten (BPR) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Bij besluit van 26 juli 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 4 juli 2012 (11/7028) heeft de rechtbank het door eiser tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft bij uitspraak van 3 april 2014 (12/4473) het door eiser tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard, deze uitspraak en het besluit van 26 juli 2011 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.

Bij besluit van 20 mei 2014 heeft verweerder, met gegrondverklaring van eisers bezwaar tegen het besluit van 21 maart 2011, eiser met ingang van 1 mei 2011 eervol ontslag verleend op grond van artikel 99, eerste lid, van het ARAR.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2015.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Ten aanzien van de feiten ontleent de rechtbank aan de uitspraak van de CRvB van 3 april 2014 het volgende.

Eiser was vanaf 1 april 2010 op basis van een aanstelling in vaste dienst werkzaam als hoofd bedrijfsvoering bij het agentschap BPR.

Op 2 augustus 2010 en 1 oktober 2010 heeft de leidinggevende van eiser met hem voortgangsgesprekken gevoerd. In beide gesprekken heeft de leidinggevende kritiek geuit op het functioneren van eiser. In het laatste gesprek heeft de leidinggevende eiser, gelet op diens onvoldoende functioneren, voorgesteld zijn functie neer te leggen. Voorts heeft de leidinggevende te kennen gegeven dat door integriteitskwesties waarbij eiser betrokken is sprake is van een vertrouwensbreuk in het managementteam.

Eiser heeft zich op 4 oktober 2010 ziek gemeld. Op 7 oktober 2010 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen eiser en zijn leidinggevende. Bij brief van 13 oktober 2010 heeft de leidinggevende eiser meegedeeld dat hij haar op 7 oktober 2010 telefonisch heeft laten weten dat hij naar aanleiding van de met hem gevoerde voortgangsgesprekken inziet dat geen vertrouwensbasis meer bestaat voor zijn functioneren als hoofd bedrijfsvoering en dat hij zijn functie wil neerleggen. Op 14 oktober 2010 heeft de leidinggevende binnen de organisatie bekend gemaakt dat eiser zijn functie zal neerleggen. Eiser heeft bij brief van 22 oktober 2010 de leidinggevende laten weten dat hij betwist dat hij op 7 oktober 2010 heeft meegedeeld zijn functie te willen neerleggen en haar verzocht het binnen de organisatie verspreide bericht te rectificeren. Vervolgens zijn diverse gesprekken gevoerd over oplossing van het conflict. In dat kader hebben beide partijen voorstellen gedaan om tot een minnelijke regeling te komen. Daarbij is onder andere de mogelijkheid besproken om eiser te detacheren bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie (ministerie van V en J). Een minnelijke regeling is niet tot stand gekomen.

Ten aanzien van de feiten gaat de rechtbank voorts uit van het volgende.

Op 8 maart 2011 heeft eiser melding gemaakt van vermoedens van integriteitsschendingen, begaan door zijn leidinggevende, de directeur BPR.

Naar aanleiding daarvan heeft het Bureau Beveiligingsambtenaar een vooronderzoek uitgevoerd waaruit gebleken is dat er geen sprake is geweest van ontoelaatbaar handelen van genoemde directeur. Bij brief van 28 maart 2011 heeft verweerder eiser hiervan op de hoogte gesteld en aangegeven dat hij van oordeel is dat er geen noodzaak is om een nader feitenonderzoek in te stellen. Voorts heeft verweerder medegedeeld dat er geen gronden zijn gevonden om eisers ontslag later te laten ingaan dan wel hem geen ontslag te verlenen.

In verband met eisers gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid op de ingangsdatum van het ontslag is zijn bezoldiging na die datum doorbetaald tot en met 25 mei 2011, zijnde de datum waarop hij door de bedrijfsarts volledig arbeidsgeschikt is verklaard.

2. Ten aanzien van de kritiek op eisers functioneren heeft de CRvB geoordeeld dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser zich, toen hij op 1 juli 2010 een presentatie gaf bij een ICT-adviesbureau, negatief heeft uitgelaten over BPR en over twee leden van het managementteam.

Wel heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat eiser zich op het punt van het lunchen op rekening van BPR niet steeds aan de regels heeft gehouden en dat hij daarvoor wisselende verklaringen heeft gegeven. Voorts heeft, aldus de CrvB, de stijl van communiceren van eiser herhaaldelijk aanleiding gegeven tot problemen met diens ondergeschikten, die zich daarover bij de leidinggevende van eiser hebben beklaagd. Ook heeft eiser voor zijn presentatie op 1 juli 2010 geen toestemming gevraagd aan zijn leidinggevende of de inhoud daarvan met haar afgestemd, terwijl dat wel van hem mocht worden verwacht. Gelet hierop alsmede op de meer inhoudelijke kritiek op eisers functioneren, zoals die uit de verslagen van de twee voortgangsgesprekken naar voren komt, is twijfel aan eisers geschiktheid voor de vervulling van zijn functie van hoofd bedrijfsvoering BPR gerechtvaardigd.

Voorts heeft de CRvB overwogen dat eiser ook op het punt van de bereikbaarheid bij ziekte kennelijk wat steken heeft laten vallen en dat de wijze waarop eiser heeft onderhandeld over zijn detachering bij het ministerie van V en J op zijn minst aanleiding heeft gegeven tot wrijving en misverstanden.

Concluderend komt de CRvB tot het oordeel dat verweerder niet bevoegd was eiser vanwege onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie te ontslaan, aangezien hem ten onrechte een reële kans op verbetering is onthouden. De CRvB heeft afgezien van toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet (oud) omdat verweerder zich er nog niet over had beraden of het ontslag op een andere grond kon worden gehandhaafd en daarnaar ook geen onderzoek had gedaan. Daarbij heeft de CRvB verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

3. Ter uitvoering van de uitspraak heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Met dat besluit is aan eiser ontslag verleend met toepassing van artikel 99, eerste lid, van het ARAR op grond van verstoorde arbeidsrelatie en vertrouwensbreuk zonder uitzicht op herstel van een vruchtbare samenwerking. Volgens verweerder is er sprake van een verstoorde arbeidsrelatie tussen eiser en diens werkgever, die sinds eisers aanstelling opgebouwd is en zich op 1 oktober 2010 acuut gemanifesteerd heeft in een vertrouwensbreuk. Die vertrouwensbreuk is door eisers toedoen vergroot met zijn verklaringen ten aanzien van zijn detachering bij het ministerie van V en J. Door eisers gedrag en handelen na deze datum heeft eiser er voor gezorgd dat deze vertrouwensbreuk is blijven bestaan. Verweerder heeft geen aandeel gehad in het ontstaan en blijven voortbestaan van de vertrouwensbreuk en de verstoorde arbeidsrelatie waardoor er geen reden is voor een nadere financiële regeling.

Ter motivering heeft verweerder gesteld – samengevat - dat zich in een tijdsbestek van enkele maanden vele incidenten hebben voorgedaan waardoor ernstige twijfel is ontstaan aan eisers geschiktheid voor de functie van Hoofd Bedrijfsvoering bij BPR. Daarbij heeft verweerder gewezen op de kritiekpunten die in de gesprekken met eiser op 2 augustus 2010 en 1 oktober 2010 aan de orde zijn geweest. Als voorbeelden noemt verweerder onder meer eisers houding ten opzichte van ondergeschikten, het zonder toestemming te vragen verzorgen van presentaties en het door eiser met zijn gezin lunchen op kosten van BPR. Verweerder wijst er op dat eiser in de periode van juli 2010 tot oktober 2010 naast deelname aan een programma voor nieuwe medewerkers van buiten de Rijksoverheid coaching heeft ontvangen van een bureau voor organisatieontwikkeling en persoonlijke ontwikkeling en dat de directeur van BPR regelmatig coachings- en begeleidingsgesprekken met hem heeft gevoerd. Voorts heeft verweerder de gang van zaken aangehaald rond het door eiser al dan niet expliciet te kennen gegeven hebben dat hij inzag dat er geen vertrouwensbasis meer was voor zijn functioneren en rond de gedurende een lange periode ondernomen pogingen in overleg met eiser tot een beëindigingsovereenkomst te komen. Daarbij heeft verweerder ook het handelen van eiser ten aanzien van zijn mogelijke detachering bij het ministerie van V en J beschreven; zo bleek eiser daar per 1 februari 2011 te kunnen gaan werken, maar informeerde hij de directeur BPR daar niet over, verscheen hij niet op de eerste werkdag en bleek hij aldaar aangegeven te hebben dat de directeur BPR niet met de detachering akkoord wilde gaan.

Naast de kwesties die zich vòòr de ingangsdatum van het ontslag hebben voorgedaan heeft verweerder in het bestreden besluit feiten aan de orde gesteld die na die datum bekend zijn geworden en wel onder meer de volgende.

-Per 2 mei 2011 heeft eiser naast zijn volledige bezoldiging een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangen.

-Op Linkedin profileert eiser zich als zijnde nog werkzaam bij BPR, aan een verzoek dit te corrigeren heeft eiser niet voldaan.

-In november 2012 is de directeur van BPR door het Openbaar Ministerie op de hoogte gebracht van een strafrechtelijk onderzoek tegen eiser. In april 2009 is eiser verdachte geweest in een verduisteringszaak en in juni 2011 heeft eiser samen met zijn echtgenote valsheid in geschrifte gepleegd. Bij een kredietaanvraag in juni 2011 heeft eiser geen mededeling gedaan van het hem verleende ontslag en valselijk de indruk gewekt nog steeds een dienstverband met verweerder te hebben.

-Eiser heeft valse informatie verstrekt ter verkrijging van zijn aanstelling bij verweerder: hij bekleedde bij de gemeente Den Haag tot april 2010 de functie van Teammanager Informatiemanagement en niet de functie van Hoofd Informatiemanagement tevens plaatsvervangend Hoofd Informatievoorziening, zoals hij op zijn CV had aangegeven; hij was aldaar niet ingeschaald in het maximum van schaal 14, maar van schaal 13.

4. Eiser voert aan – kort samengevat - dat de door verweerder gestelde feiten niet als zodanig kunnen worden gekwalificeerd. Volgens eiser is er geen feitelijke grondslag voor de gestelde vertrouwensbreuk die aan herstel van het dienstverband in de weg staat casu quo voor handhaving van het ontslag op een andere ontslaggrond. Ook het ontbreken van een herplaatsingsonderzoek staat aan ontslagverlening in de weg. Zo het ontslag al in stand zou kunnen blijven dient aan eiser gelet op de ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van verweerder, de korte duur van zijn dienstverband alsmede zijn gezondheidssituatie en de door hem geleden schade een passende uitkeringsregeling te worden geboden.

Eiser benadrukt dat “de zaak is gaan rollen” door een door hem reeds in juni 2010 gedane – maar eerst later geformaliseerde - klokkenluidersmelding tegen de directeur BPR. Hij heeft haar toen aangesproken op het feit dat zij gebruik maakte van de dienstauto voor het naar school brengen van haar kinderen.

Ten aanzien van de door verweerder na de ontslagdatum gestelde feiten voert eiser aan dat de strafzaak tegen zijn echtgenote is geseponeerd en dat hij een transactie heeft aanvaard. De aanvaarding van die transactie staat niet aan herstel van het dienstverband in de weg, te minder nu eiser op 3 oktober 2014 een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) heeft ontvangen.

Het bij zijn indiensttreding bij verweerder overgelegde CV is niet door hemzelf maar door een bemiddelingsbureau opgesteld.

Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat de door verweerder gehanteerde ontslaggrond, te weten verstoorde arbeidsverhoudingen en vertrouwensbreuk zonder uitzicht op herstel van een vruchtbare samenwerking twee verschillende ontslaggronden betreffen waarvoor verschillende toetsingskaders gelden. In dat verband heeft eiser verwezen naar de uitspraak van de Raad van 1 mei 2014 (ECLI:NL:CRVB:1501).

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. De rechtbank overweegt het volgende.

6.1.

Artikel 99 van het ARAR luidt als volgt.

  1. Aan de ambtenaar in vaste dienst kan ook op andere gronden dan die in artikel 98 zijn geregeld of waarnaar in dat artikel wordt verwezen, ontslag worden gegeven. Dat ontslag wordt eervol verleend.

  2. In geval van ontslag ingevolge het eerste lid wordt door het tot ontslagverlening bevoegde gezag een voorziening getroffen waarbij de ambtenaar een uitkering verleend wordt, die, naar het oordeel van dat bevoegde gezag, met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten. Deze uitkering zal ten minste gelijk zijn aan het voor de ambtenaar geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk, als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de Werkloosheidswet. Voor zover door het bevoegde gezag ten gunste van de ambtenaar niet anders is beslist, zijn op de uitkering voor het overige de Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk van overeenkomstige toepassing.

  3. Indien de ambtenaar terzake van zijn ontslag ingevolge het eerste lid recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk, wordt de in het tweede lid bedoelde uitkering met die uitkering verminderd.

6.2.

Verweerder heeft het ontslag verleend op grond van verstoorde arbeidsrelatie en vertrouwensbreuk zonder uitzicht op herstel van een vruchtbare samenwerking; ter zitting is daaraan de kwalificatie impasse toegevoegd.

Voor zover eiser heeft benadrukt dat het ten aanzien van enerzijds verstoorde arbeidsverhoudingen, anderzijds vertrouwensbreuk/impasse om twee afzonderlijke ontslaggronden gaat, overweegt de rechtbank dat het in de door eiser in dat verband genoemde uitspraak van de CRvB om een ontslagbesluit gaat dat door het betreffende bestuursorgaan primair was gebaseerd op een verstoorde arbeidsverhouding en subsidiair op een impasse in de arbeidsverhouding. In sommige gevallen zal een onderscheid in die kwalificaties geboden zijn; zo behoeft een verstoorde arbeidsrelatie geen vertrouwensbreuk of een impasse te betekenen en vice versa. Echter, er kan zich ook een situatie voordoen waar de verschillende kwalificaties alle passend zijn, althans in elkaars verlengde liggen. In de uitspraak van de CRvB van eveneens 1 mei 2014 ((ECLI:CRVB:2014:1500) komt de CRvB tot het oordeel dat in de betreffende situatie geen sprake is van onherstelbaar verstoorde verhoudingen en dat het ontslag op andere gronden (impasse) dan ook geen stand kan houden, waarmee de CRvB in dat geval beide kwalificaties kennelijk uitwisselbaar acht.

Ten aanzien van de feiten zoals die zich voor de ingangsdatum van het ontslag hebben voorgedaan overweegt de rechtbank dat in dat verband door de CrvB, zoals hierboven, onder 2. is weergegeven, diverse ernstige kritiekpunten omtrent eisers functioneren zijn vastgesteld. Voorts stelt de rechtbank vast dat de CRvB in het kader van de toetsing van het ongeschiktheidsontslag de door eiser gestelde klokkenluidersmelding kennelijk niet relevant heeft geacht. Voor zover gelet daarop die melding in het kader van de toetsing van het thans voorliggende ontslag nog een rol zou kunnen spelen overweegt de rechtbank dat er naar aanleiding van eisers melding een vooronderzoek is verricht door het Bureau beveiligingsambtenaren en dat dat geen grond voor nader onderzoek heeft opgeleverd. Zoals ook ter zitting is besproken gaat het hier met name om het feit dat de directeur BRP onderweg met de dienstauto haar kind bij school heeft afgezet. Daarbij is door verweerder onweersproken naar voren gebracht dat eiser bij de betreffende gelegenheid gevraagd had of hij ook voor een dienstauto in aanmerking kwam.

Ten aanzien van hetgeen zich na de ingangsdatum van het ontslag heeft voorgedaan dan wel is gebleken overweegt de rechtbank dat vaststaat dat eiser in mei 2011 naast zijn bezoldiging een WW-uitkering heeft genoten, zich op internet geprofileerd heeft als zijnde nog werkzaam bij BPR, een transactie heeft aanvaard in verband met het plegen van valsheid in geschrifte en onjuiste informatie heeft verstrekt bij zijn indiensttreding bij verweerder. Dat wat betreft dit laatste eiser niet zelf zijn CV heeft opgesteld betekent niet dat hem terzake geen verwijt treft, aangezien eiser zelf verantwoordelijk is voor de inhoud van zijn CV.

Waar eiser zich beroepen heeft op een hem verstrekte VOG overweegt de rechtbank dat ter zitting is gebleken dat het hier een VOG betreft die is verstrekt voor de functie van cateringmedewerker. Het gaat hier om een functie buiten overheidsdienst, zodat in het kader van de VOG-aanvraag andere toetsingscriteria gelden. Bovendien is eiser de betreffende functie niet gaan vervullen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder bevoegd was eiser ontslag op andere gronden te verlenen. Gelet op hetgeen zich rond eisers functioneren heeft voorgedaan voor 1 mei 2011 en gelet op de feiten zoals die nadien aan het licht zijn gekomen, zijn de door verweerder gehanteerde kwalificaties verstoorde verhoudingen, vertrouwensbreuk en impasse alle passend.

Het verrichten van een herplaatsingsonderzoek is geen voorwaarde voor het kunnen verlenen van ontslag op deze grond. Bovendien zijn er hier wel pogingen gedaan op andere wijze – door middel van detachering en overleg – tot een oplossing te komen.

Ten aanzien van het handhaven van de ingangsdatum van het ontslag overweegt de rechtbank dat dit volgens jurisprudentie van de Raad – zie bijvoorbeeld de eerder aangehaalde uitspraak van 1 mei 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1501) – niet ten principale ongeoorloofd is.

De handhaving hier van de oorspronkelijke ingangsdatum kan de rechterlijke toetsing doorstaan.

De rechtbank merkt terzijde nog op dat als illustratief voor het door verweerder gewraakte gedrag van eiser kan worden aangemerkt diens opmerking ter zitting dat hij zou kunnen terugkeren in zijn functie, omdat de directeur BPR naar een andere plaats in de organisatie zou rouleren, terwijl de directeur zelf daarvan niets bekend was.

Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een zodanig aandeel van verweerder in de aanleiding tot het ontslag dat verweerder tot het toekennen van een hogere dan de minimumuitkering had dienen te besluiten. Ook de overige in dat verband door eiser aangevoerde omstandigheden vormen daartoe geenszins aanleiding.

7. Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.G.J. Dop, voorzitter, en mr. G.P. Kleijn en
mr. A.E. Dutrieux, leden, in aanwezigheid van mr. B.J. Platenburg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.