Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:5691

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-05-2015
Datum publicatie
19-05-2015
Zaaknummer
C/09/485391 / KG ZA 15-406
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser vordert – zakelijk weergegeven en na wijziging van eis ter terechtzitting – (1) gedaagden te gebieden om een concepttekst houdende rectificatie aan eiser ter goedkeuring voor te leggen, welke rectificatie in ieder geval dient te vermelden waar de verdenking tegen eiser vandaan komt en dat het slechts om een verdenking gaat en niet om vaststaande feiten; (2) gedaagden te gebieden om de goedgekeurde rectificatie te verzenden naar een ieder die zij over de vermeende verkrachting van dochter benaderd en/of geïnformeerd hebben, waaronder in ieder geval de op de als productie 17 overgelegde lijst vermelde personen en (3) gedaagden te gebieden om hun excuses aan te bieden aan de familie, een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/485391 / KG ZA 15-406

Vonnis in kort geding van 19 mei 2015

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. R.A.M. Kamphuis-Jansen van Rosendaal te Leiden,

tegen:

1 [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2]

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. R.W.H. Teppema te Den Haag.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als respectievelijk ‘[eiser]’, ‘[gedaagde 1]’ en ‘[gedaagde 2]’.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 7 mei 2015 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

[eiser] en [gedaagde 1] zijn broers van elkaar. [gedaagde 2] is de echtgenote van [gedaagde 1]. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hebben een dochter, genaamd [dochter].

1.2.

Tijdens een bespreking bij gedaagden thuis op 13 januari 2014 heeft [dochter], in aanwezigheid van eiser en gedaagden, een door haar geschreven brief voorgelezen. In deze brief is – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“(…)

Het gaat om mijn logeerpartij bij jullie toen ik 7 jaar oud was. Ik heb het lange tijd weg weten te stoppen, al zijn bepaalde zaken me altijd heel helder en bewust bijgebleven, zoals het getrek aan mijn onderbroek en de zware dreigementen van de waterput.

(…)

Het is me gelukt de sleutel te vinden van deze ver weg verstopte zwarte gebeurtenis in mijn vroege onbezorgde leven. Middels een reïncarnatiesessie is het geluk alles opnieuw te beleven. Iedere blik, ieder woord de hele afschuwelijke situatie.

(…)

Voor mijn ouders zijn uiteraard ook héél veel puzzelstukjes op zijn plaats gevallen. ja, ik heb het ze al verteld.

(…)

Om het voor mij af te kunnen sluiten wil ik dat je toegeeft en verteld aan mijn ouders wat jullie mij destijds hebben aangedaan en waarom?

Vertel het maar…”.

Eiser heeft de beschuldigingen van [dochter] betwist.

1.3.

Partijen hebben uitgebreid met elkaar gecorrespondeerd over de ontstane situatie. In die correspondentie (soms ook (mede) gericht aan [dochter]) heeft eiser zich (samengevat) op het standpunt gesteld dat de beschuldigingen door [dochter] vals zijn, dat de therapie die [dochter] heeft gevolgd geen waarde heeft en dat gedaagden zich dienen te onthouden van het in de openbaarheid brengen van het verhaal van [dochter]. Daarbij heeft hij tevens verzocht om een rectificatie en excuses. Gedaagden hebben zich in hun correspondentie (samengevat) op het standpunt gesteld dat zij het verhaal van hun dochter slechts aan een beperkt aantal personen hebben verteld, omdat zij niet met eiser geconfronteerd wensen te worden op bijvoorbeeld verjaardagen, en dat het juist eiser zelf is die het verhaal naar buiten brengt. Voorts hebben zij voorgesteld dat eiser zijn medewerking verleent aan het ondergaan van een leugendetectoronderzoek, waarmee hij zijn onschuld kan aantonen. Partijen zijn er niet in geslaagd hun geschil in onderling overleg te beslechten en het door gedaagden voorgestelde onderzoek heeft niet plaatsgevonden.

1.4.

Op 18 september 2014 heeft eiser bij de politie aangifte tegen gedaagden gedaan wegens smaad. In het proces-verbaal van aangifte is (samengevat) vermeld dat eiser zich op het standpunt stelt dat zijn eer en goede naam door gedaagden is aangetast, doordat zij het verhaal van [dochter] als waarheid in de openbaarheid brengen. De aanklacht wegens smaad is inmiddels geseponeerd.

1.5.

Bij brief van 23 januari 2015 heeft de advocaat van eiser – voor zover hier van belang – aan gedaagden meegedeeld dat eiser heeft geconstateerd dat gedaagden het verhaal van [dochter] naar buiten hebben gebracht en heeft zij gedaagden namens eiser verzocht en voor zover nodig gesommeerd om een rectificatie te verzenden aan een ieder die door gedaagden met het verhaal van [dochter] is benaderd, zulks na een conceptbrief ter goedkeuring aan de advocaat te hebben voorgelegd, en om excuses aan te bieden aan de familie.

1.6.

[gedaagde 1] heeft in een brief van 3 februari 2015 aan de advocaat van eiser (samengevat) betwist dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan smaad en daarbij meegedeeld dat gedaagden niet zullen ingaan op het verzoek om een rectificatie en het aanbieden van excuses.

2 Het geschil

2.1.

Eiser vordert – zakelijk weergegeven en na wijziging van eis ter terechtzitting – (1) gedaagden te gebieden om een concepttekst houdende rectificatie aan eiser ter goedkeuring voor te leggen, welke rectificatie in ieder geval dient te vermelden waar de verdenking tegen eiser vandaan komt en dat het slechts om een verdenking gaat en niet om vaststaande feiten; (2) gedaagden te gebieden om de goedgekeurde rectificatie te verzenden naar een ieder die zij over de vermeende verkrachting van dochter [dochter] benaderd en/of geïnformeerd hebben, waaronder in ieder geval de op de als productie 17 overgelegde lijst vermelde personen en (3) gedaagden te gebieden om hun excuses aan te bieden aan de familie [familienaam], een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

2.2.

Daartoe stelt eiser het volgende. Tijdens de bespreking bij gedaagden thuis op 13 januari 2014 heeft [dochter] eiser ervan beschuldigd dat hij haar tijdens een logeerpartij toen zij 7 jaar was heeft verkracht, dit onder dwang van de toenmalige echtgenote van eiser en in aanwezigheid van nog een derde persoon. Eiser ontkent deze beschuldigingen met klem en heeft direct aan gedaagden meegedeeld dat hij zich niet herkent in het verhaal van [dochter]. Eiser heeft begrepen dat er bij [dochter] herinneringen naar boven zijn gekomen naar aanleiding van een door haar gevolgde reïncarnatietherapie, maar onduidelijk is wat de status is van een dergelijke therapie en welke waarde kan worden toegekend aan door die therapie opgekomen herinneringen. Eiser heeft geconstateerd dat gedaagden het verhaal van [dochter] naar buiten hebben gebracht binnen de familie en de kennissenkring van eiser. In [woonplaats] gaat het verhaal dat eiser ‘een raar mannetje is en het met kleine kinderen doet’. Gedaagden weigeren hun uitlatingen te rectificeren en bieden geen excuses aan. Nu eiser als gevolg van de valse beschuldigingen door gedaagden ernstig emotioneel lijdt, onder meer omdat diverse familieleden en vrienden eiser mijden en ieder contact met hem weigeren, heeft hij er belang bij een rectificatie en excuses in rechte af te dwingen.

2.3.

Gedaagden voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

Gedaagden hebben allereerst bezwaar gemaakt tegen de door eiser ter zitting aangekondigde eiswijziging. Volgens gedaagden is deze eiswijziging erg laat en is daarbij niet voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste. In artikel 11.1 van het toepasselijke ‘Procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie’ is bepaald dat een partij die een eis wenst te veranderen of vermeerderen, de inhoud van deze verandering of vermeerdering zo spoedig mogelijk en bij voorkeur vóór de terechtzitting schriftelijk meedeelt aan de wederpartij, aan de eventuele overige partijen en aan de voorzieningenrechter en voorts dat de eisverandering of -vermeerdering op schrift wordt gesteld en ter terechtzitting wordt ingediend. Hieruit volgt dat een eiswijziging ook nog ter zitting kan worden ingediend en dat deze desgewenst ter zitting nog op schrift kan worden gesteld. Hoewel dit laatste feitelijk niet is gebeurd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat gedaagden hierdoor niet in hun belangen zijn geschaad, aangezien de door eiser beoogde eiswijziging ter zitting uitvoerig is besproken en toegelicht en gedaagden voldoende gelegenheid hebben gehad om hiertegen verweer te voeren. Aan het bezwaar van gedaagden wordt dan ook voorbijgegaan.

3.2.

Voorts hebben gedaagden betwist dat eiser een spoedeisend belang heeft bij toewijzing van zijn vorderingen. Eiser heeft echter aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat hij ernstig emotioneel lijdt en dat hij hinder ondervindt in zijn sociale leven als gevolg van de door gedaagden verspreide smadelijke berichten. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven.

3.3.

De vraag die thans ter beantwoording voor ligt is of gedaagden zich op zodanige wijze over eiser hebben uitgelaten dat zij gehouden zijn deze uitlatingen te rectificeren en hun excuses aan te bieden. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag ontkennend. Redengevend daarvoor is het volgende.

3.4.

Nog daargelaten de vraag of de mededelingen door gedaagden aan derden kunnen worden aangemerkt als een onjuiste publicatie van gegevens van feitelijke aard, ter zake waarvan op de voet van artikel 6:167 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een veroordeling tot het openbaar maken van een rectificatie kan worden uitgesproken, is de voorzieningenrechter van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat gedaagden door het doen van die mededelingen jegens eiser aansprakelijk zijn in de zin van dit wetsartikel. Gedaagden hebben aangevoerd dat zij aan een aantal familieleden hebben meegedeeld dat zij geen contact meer willen met eiser, dat zij daarvoor als reden hebben gegeven dat [dochter] hun heeft verteld dat zij op zevenjarige leeftijd door eiser is verkracht, dat zij confrontaties met eiser, bijvoorbeeld op verjaardagen, wensen te voorkomen en voorts dat zij daarbij hebben meegedeeld dat eiser niet wenst mee te werken aan een onderzoek om de waarheid te achterhalen. Dat [dochter] aan eiser en gedaagden heeft verteld dat zij door eiser is verkracht en dat eiser niet heeft meegewerkt aan het door gedaagden voorgestelde onderzoek is tussen partijen niet in geschil, terwijl het gedaagden vrij staat ervoor te kiezen het contact met eiser te willen verbreken. Derhalve valt niet in te zien dat gedaagden zich, door hierover mededelingen te doen, schuldig hebben gemaakt aan het doen van onjuiste mededelingen aan derden, noch dat zij anderszins onrechtmatig jegens eiser hebben gehandeld. Tegen deze achtergrond is – anders dan eiser heeft betoogd – niet gebleken dat gedaagden aan derden hebben verteld dat eiser hun dochter heeft verkracht, maar is slechts aannemelijk geworden dat gedaagden hebben verteld wat zij van hun dochter hebben gehoord. Dat het verhaal dat [dochter] door eiser is verkracht wel de ronde doet in [woonplaats] en dat familieleden en kennissen eiser als gevolg daarvan mijden, is mogelijk mede het gevolg van de omstandigheid dat partijen samenleven in een hechte dorpsgemeenschap, waar men elkaar kent en verhalen aan elkaar doorvertelt. Dit een en ander kan echter niet zonder meer aan gedaagden worden toegerekend. De grote hoeveelheid verklaringen van familieleden die eiser heeft overgelegd, leidt niet tot een ander oordeel, aangezien in het kader van een kort geding niet kan worden vastgesteld in hoeverre deze verklaringen authentiek en betrouwbaar zijn. Voor het openbaar maken van een rectificatie of voor het aanbieden van excuses door gedaagden, nog daargelaten de vraag of dit laatste in rechte kan worden afgedwongen, bestaat dan ook geen aanleiding. Dit geldt te meer nu gedaagden ter zitting uitdrukkelijk hebben toegezegd dat zij geen verdere mededelingen over eiser aan derden zullen doen. De vorderingen worden daarom afgewezen. Hetgeen partijen overigens nog hebben gesteld en aangevoerd, bijvoorbeeld met betrekking tot de status van de door [dochter] gevolgde therapie, behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking.

3.5.

Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusver aan de zijde van gedaagden begroot op € 1.101,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 285,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2015.