Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:5597

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-05-2015
Datum publicatie
18-05-2015
Zaaknummer
VK-15_8402 -15_8376 -15_8401 -15_8373
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dublin-Bulgarije, interstatelijke vertrouwensbeginsel, bijzondere aandacht kwetsbare asielzoekers. Strijd met onderzoeks- en motiveringsplicht. Beroep gegrond, besluiten vernietigen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/207
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 15/8402, 15/8376 (voorlopige voorzieningen) en 15/8401, 15/8373 (bodemprocedures)

V-nummers: [nummer 1], [nummer 2], [nummer 3], [nummer 4], [nummer 5] en [nummer 6]

uitspraak van de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken van 12 mei 2015 in de zaak tussen

[naam 1] (tevens bekend als [naam 1]), eiseres 1, en

[naam 2] , eiseres 2,

gezamenlijk te noemen: eisers,

gemachtigde mr. S. Zwiers,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. J. Raaijmakers.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 22 april 2015 (hierna: de bestreden besluiten), genomen in de zogeheten algemene asielprocedure (AA-procedure), zijn de asielaanvragen van eisers afgewezen.

Op 22 april 2015 hebben eisers tegen de bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten totdat op hun beroepen is beslist..

De behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 7 mei 2015. Eisers zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. drs. J.M. Walls, kantoorgenoot van hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig D. Madjlessi, tolk in de Dari taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Aangezien nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zal met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onmiddellijk op het beroep worden beslist. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2. Eiseres 1 en 2 zijn moeder en dochter van elkaar en hebben gesteld te zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum 1] en [geboortedatum 2] en de Afghaanse nationaliteit te bezitten. Op 18 maart 2015 heeft eiseres 1 mede namens haar vier overige minderjarige kinderen [naam 3], geboren op [geboortedatum 3], [naam 4], geboren op [geboortedatum 4], [naam 5] ([naam 5]), geboren op [geboortedatum 5], en [naam 6] ([naam 6]), geboren op [geboortedatum 6], een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiseres 2 heeft op 17 maart 2015 een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eiseres 1 via Griekenland, Bulgarije en Oostenrijk naar Nederland is gereisd. Eiseres 1 heeft op 9 februari 2015 in Bulgarije en op 8 maart 2015 in Oostenrijk aanvragen om internationale bescherming ingediend. Eiseres 2 heeft gesteld niet via Bulgarije maar via Hongarije naar Nederland te zijn gereisd.

3. Verweerder heeft bij de bestreden besluiten de aanvragen afgewezen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielverzoeken van eisers. Op 25 maart 2015 is aan Bulgarije gevraagd om de behandelingen van de asielverzoeken van eisers over te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EG) nr. 604/2013 (Dublin III). Nu de autoriteiten van Bulgarije niet binnen de termijn van twee weken, genoemd in artikel 25, eerste lid, van Dublin III hebben gereageerd op het verzoek van verweerder om terugname van eisers, heeft Bulgarije zich op grond van het tweede lid van dit artikel op 9 april 2015 fictief akkoord verklaard met terugname en is Bulgarije verantwoordelijk. Verweerder stelt zich met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt dat ervan uitgegaan kan worden dat Bulgarije zijn internationale verdragsverplichtingen nakomt. Volgens verweerder hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat dit niet het geval is. Er is dan ook geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van Dublin III, aldus verweerder.

4. Eisers hebben aangevoerd dat eiseres 2 op een onjuiste grond is geclaimd bij de autoriteiten van Bulgarije, nu zij niet via Bulgarije heeft gereisd en daar nimmer een aanvraag om internationale bescherming heeft ingediend. Ten onrechte gaat verweerder ten opzichte van Bulgarije uit van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ter onderbouwing van dit standpunt hebben eisers (ten dele in de zienswijze) verwezen naar de volgende stukken:

  • -

    een bericht van het European Council on Refugees and Exiles (ECRE) van 7 april 2014;

  • -

    de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 5 december 2014 (AWB 14/25710) en de daarin genoemde landeninformatie;

  • -

    de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 18 december 2014 (AWB 14/22891) en de daarin genoemde landeninformatie;

  • -

    het rapport van Pro Asyl Duitsland van april 2015;

  • -

    het rapport van Bordermonitoring.eu van juni 2014

Eisers beroepen zich verder op de beleidsbrief van de toenmalig staatssecretaris van Justitie van 15 mei 2014, waaruit blijkt dat met betrekking tot de vraag of overdracht naar Bulgarije plaatsvindt er bijzondere aandacht zal uitgaan naar onder andere gezinnen met jonge kinderen (Vergaderjaar 2013-2014, 32 317, nr. 234). Eisers stellen zich op het standpunt dat een kenbare motivering hieromtrent ontbreekt in het bestreden besluit.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5. Ingevolge artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

In dit geval is van toepassing voornoemde Verordening Dublin III tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van Dublin III kan elke lidstaat, in afwijking van artikel 3, eerste lid, besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

Op grond van artikel 17, tweede lid, van Dublin III kan de lidstaat waarin een verzoek om internationale bescherming is gedaan en die bepaalt welke lidstaat verantwoordelijk is, of de verantwoordelijke lidstaat, te allen tijde voordat in eerste aanleg een beslissing ten gronde is genomen, een andere lidstaat vragen een verzoeker over te nemen teneinde familierelaties te verenigen op humanitaire gronden, in het bijzonder op grond van familiebanden of op culturele gronden, ook wanneer die laatste lidstaat niet verantwoordelijk is volgens de in de artikel 8 tot 11 en 16 vastgelegde criteria. De betrokkenen moeten hiermee schriftelijk instemmen.

6. De voorzieningenrechter stelt voorop dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielverzoeken van zowel eiseres 1 als die van eiseres 2, gelet op de door eiseres 1 aldaar ingediende asielaanvraag en het fictieve akkoord. Immers, eiseres 2 is een minderjarig gezinslid van eiseres 1 en het bijeenhouden van het gezin dient voorop te staan bij de toepassing van Dublin III. De ratio van het bijeenhouden van de gezinsleden als bedoeld in Dublin III is mede gelegen in de mogelijkheid dat zij gezamenlijk voor verlening van een verblijfsvergunning in aanmerking komen, dan wel - als is vastgesteld dat zij geen status dienen te krijgen - gezamenlijk kunnen worden uitgezet.

7. Ter beoordeling staat of verweerder de behandeling van de asielaanvragen van eisers aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van Dublin III omdat ten aanzien van Bulgarije niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Bulgarije zijn verdragsverplichtingen zal nakomen. Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat dit uitgangspunt voor Bulgarije moet worden verlaten. Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag van 3 februari 2015 (AWB 14/25709), het rapport van de UNHCR van 15 april 2014 en het in de hierboven genoemde uitspraak van 3 februari 2015 genoemde rapport van de European Union: European Asylum Support Office (EASO) van 5 december 2014, terecht op het standpunt gesteld dat eisers bij terugkeer naar Bulgarije geen risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Uit voornoemde rapporten blijkt dat de omstandigheden in de asielcentra en de leefomstandigheden voor asielzoekers in Bulgarije de laatste maanden duidelijk zijn verbeterd. Uit de door eisers overgelegde stukken blijkt niet dat de situatie in Bulgarije sindsdien is verslechterd.

8. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat de bij de zienswijze en de in de gronden van beroep overgelegde informatie ziet op (onderzoeksperioden in) de eerste helft van 2014 en daarmee op een periode van vóór de verbeteringen. De overige door eisers overgelegde documenten laten weliswaar zien dat de algemene situatie in Bulgarije van asielzoekers tekortkomingen kent, maar geen aan het systeem gerelateerde tekortkomingen. Het rapport van Pro Asyl van april 2015 ziet ook op de situatie tijdens de onderzoeksperiode in 2014, die ook is geschetst in het rapport van AESO van 5 december 2014 en waar sprake was van verbeteringen.

9. Gelet op het vorenstaande hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van Bulgarije niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verweerder heeft op deze grond geen aanleiding hoeven te zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van Dublin III.

10. Eisers hebben voorts een beroep gedaan op de brief van de staatssecretaris van 15 mei 2014. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat de inhoud van deze beleidsbrief nog steeds geldt. Uit de brief komt naar voren dat gelet op de verbeteringen van het Bulgaarse asiel- en opvangstelsel een ruimhartige toepassing van de soevereiniteitsclausule niet langer als uitgangspunt geldt. Op bladzijde twee wordt echter wel vermeld:

“ (…). Uiteraard kan in individuele zaken nog wel worden afgezien van een overdracht aan Bulgarije als de individuele omstandigheden van de vreemdeling daartoe aanleiding geven. Bijzondere aandacht zal daarbij zijn voor kwetsbare asielzoekers, zoals zwangere vrouwen, gezinnen met zeer jonge kinderen en personen met ernstige ziekten. Onder andere de duur van het verblijf in Bulgarije, de daar ontvangen voorzieningen en de stand van de asielprocedure zal de IND betrekken bij de beslissing om ten aanzien van een vreemdeling met een dergelijke kwetsbare achtergrond al dan niet af te zien van een overdracht aan Bulgarije.”

11. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder niet op een kenbare manier bijzondere aandacht getoond voor het feit dat hier sprake is van een alleenstaande vrouw met 5 minderjarige kinderen, waarvan twee kinderen beneden de 5 jaar zijn. Eiseres 1 heeft verklaard in Bulgarije papieren te hebben moeten ondertekenen maar geen gesprek te hebben gehad. Ook heeft zij verklaard dat zij niet op de hoogte werd gesteld van haar asielaanvraag en dat zij als een gevangene enkele dagen opgesloten heeft gezeten alvorens zij naar een opvanglocatie werd overgebracht, waarvandaan zij is doorgereisd. Verweerder heeft deze omstandigheden niet bij zijn besluitvorming betrokken. De voorzieningenrechter overweegt bij deze stand van zaken dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd.

12. De beroepen van eisers zullen gegrond worden verklaard en de bestreden besluiten worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 (onderzoeksplicht) en 3:46 (motiveringsplicht) van de Awb.

13. De voorzieningenrechter ziet gelet hierop geen aanleiding voor het treffen van voorlopige voorzieningen.

14. De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte kosten en gaat daarbij uit van samenhangende zaken. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.470,- (1 punt voor de verzoekschriften, 1 punt voor de beroepen en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten neemt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 1.470,- (veertienhonderdzeventig euro), te betalen aan eisers;

- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2015.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.