Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:5595

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-05-2015
Datum publicatie
18-05-2015
Zaaknummer
481255 HA ZA 15-86
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ondervrijwaring toegestaan. Vrees dat de oorspronkelijke hoofdzaak en de hoofd(vrijwarings)zaak niet langer gelijk lopen is thans geen reden om de ondervrijwaring te weigeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rolnummer: C/09/481255 / HA ZA 15-86

Vonnis in incident van 13 mei 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GOEIEMODE B.V.,

gevestigd te Leiden,

eiseres in de hoofd(vrijwarings)zaak,

verweerster in het incident,

advocaat voorheen mr. W.E. Boonk te Rotterdam, thans mr. J.D. de Rooij, advocaat te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] SPORTS B.V.,

gevestigd te Leiden,

gedaagde in de hoofd(vrijwarings)zaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. J.P. Heering te Den Haag.

Partijen zullen hierna Goeiemode en VCS genoemd worden. De zaak is voor Goeiemode inhoudelijk behandeld door mr. Boonk voornoemd en voor VCS door mr. M.A. Overman, advocaat te Rotterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 13 januari 2015 met vier producties;

  • -

    de incidentele conclusie tot (onder)vrijwaring van 11 maart 2015 met vier producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in het (onder)vrijwaringsincident van 25 maart 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Vorderingen en grondslagen in de oorspronkelijke hoofdzaak en de hoofdvrijwaringszaak

oorspronkelijke hoofdzaak

2.1.

In de oorspronkelijke hoofdzaak met zaaknummer C/09/454667 HA ZA 13-1291, welke door Converse Inc. en All Star C.V. (hierna gezamenlijk: Converse) is ingesteld tegen VCS en Goeiemode, vordert Converse onder meer een verklaring voor recht dat VCS en Goeiemode inbreuk hebben gemaakt op een aantal Gemeenschaps-, Benelux- en internationale merkregistraties van Converse, alsmede schadevergoeding en een inbreukverbod.

2.2.

Ter onderbouwing van haar vorderingen voert Converse onder meer aan dat Goeiemode schoenen heeft aangeboden waarmee inbreuk is gemaakt op de merken van Converse. Converse heeft toegelicht dat zij vervolgens beslag heeft gelegd op de bij Goeiemode aanwezige schoenen en dat gebleken is dat de schoenen door VCS aan Goeiemode zijn geleverd. Omdat VCS niet heeft aangetoond dat de schoenen met toestemming van Converse in de EER in het verkeer zijn gebracht, heeft Converse ook VCS gedagvaard wegens merkinbreuk.

hoofdvrijwaringszaak

2.3.

Bij dagvaarding van 13 januari 2015 heeft Goeiemode haar medegedaagde VCS in vrijwaring opgeroepen tegen de zittingsdatum 21 januari 2015.

2.4.

Goeiemode vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat VCS tekort is geschoten in de nakoming van haar verbintenissen uit de koopovereenkomst met Goeiemode door schoenen te leveren die naar Converse stelt inbreuk maken op de merkrechten van Converse en dat VCS gehouden is de schade die Goeiemode als gevolg daarvan lijdt, te vergoeden. Zij vordert daarnaast veroordeling van VCS tot betaling aan Goeiemode van al hetgeen waartoe Goeiemode in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, alsmede tot overige schadevergoeding, met veroordeling van VCS in de kosten van de hoofdvrijwaringsprocedure conform artikel 1019h van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) en de buitengerechtelijke kosten.

2.5.

Goeiemode legt aan haar vorderingen ten grondslag dat VCS de schoenen aan Goeiemode heeft geleverd onder de garantie dat de schoenen origineel waren en vrij verkoopbaar binnen de EU. Als Goeiemode in de hoofdzaak zou worden veroordeeld wegens merkinbreuk, is er sprake van non-conformiteit, zodat VCS gehouden is de als gevolg van de tekortkoming in de nakoming te lijden schade aan Goeiemode te vergoeden, aldus Goeiemode.

3 De vordering in het incident tot (onder)vrijwaring

3.1.

VCS vordert incidenteel dat haar wordt toegestaan om de in Monaco (MC 9800) aan het adres [adres] woonachtige heer [B] (hierna: [B]), eigenaar van eenmanszaak EN-S Sports, in vrijwaring op te roepen met bepaling van een dagvaardingstermijn van tien weken.

3.2.

VCS voert daartoe aan dat EN-S Sports haar begin 2013 de schoenen heeft geleverd, die VCS in 2013 aan Goeiemode heeft verkocht met de mededeling dat het uitgeputte goederen betrof die bestemd waren voor verhandeling in de EER. VCS stelt dat EN-S Sports onder meer heeft verklaard:

“Seller (EN-S-Sports) will take full responsibility in case of merchandise being copies and on demand of Van came Sports, will take back counterfeit stock and will pay all costs arisen due to products being copies. EN-S Sports indemnifies in case the sale and circulation is restricted and/or infringements of intellectual property rights (authenticity of the products).”

3.3.

VCS stelt dat zij daarom een rechtmatig belang heeft om EN-S Sports in ondervrijwaring te mogen oproepen ten aanzien van de door Goeiemode te haren laste ingestelde vrijwaringsvorderingen, omdat VCS bij een voor haar ongunstige uitkomst van de vrijwaringsprocedure EN-S Sports kan aanspreken op basis van een tekortschieten in de nakoming van de overeenkomst met betrekking tot de levering door EN-S Sports aan VCS.

3.4.

VCS vordert veroordeling van Goeiemode in de kosten van dit incident, tenzij Goeiemode concludeert tot toewijzing van de incidentele vordering, dan wel zich refereert aan het oordeel van de rechtbank.

3.5.

VCS verzoekt, voor het geval haar incidentele vordering niet wordt toegewezen, te mogen pleiten in het incident.

3.6.

Goeiemode refereert zich aan het oordeel van de rechtbank, op voorwaarde dat de hoofdzaak tussen Converse enerzijds en Goeiemode en VCS anderzijds gelijktijdig behandeld zal worden met de hoofdvrijwaringszaak. Indien toewijzing van de vordering tot oproeping in ondervrijwaring van [B] het risico met zich brengt dat deze zaken niet meer gelijktijdig worden behandeld, concludeert Goeiemode tot afwijzing van de incidentele vordering. Zij licht dit toe met het argument dat als Goeiemode in de hoofdzaak wordt veroordeeld tot betaling aan Converse, zij deze veroordeling onverwijld op VCS zal wensen te verhalen. De rechtbank begrijpt dat Goeiemode stelt dat door een ondervrijwaringsprocedure de voortgang van de hoofdvrijwaringsprocedure in gevaar kan komen en daardoor mogelijk ook gelijktijdige behandeling met de hoofdzaak.

4 De beoordeling in het incident

vrijwaring

4.1.

Een vordering tot oproeping van een derde in (onder)vrijwaring is in beginsel toewijsbaar indien men krachtens een rechtsverhouding met die derde recht en belang heeft om de nadelige gevolgen van een ongunstige afloop van de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk op deze derde te verhalen. VCS heeft voldoende gemotiveerd en concreet gesteld dat zij, indien de beslissing in de hoofd(vrijwarings)zaak voor haar nadelig zal uitvallen, geheel of gedeeltelijk verhaal heeft op [B].

4.2.

Het verweer van Goeiemode dat de vordering tot ondervrijwaring dient te worden afgewezen, indien deze het risico meebrengt dat de oorspronkelijke hoofdzaak niet meer gelijktijdig behandeld zal kunnen worden met de (hoofd)vrijwaringszaak, treft geen doel. De rechtbank streeft ernaar om de oorspronkelijke hoofdzaak en de hoofd(vrijwarings)zaak om redenen van proces-economie gelijktijdig te behandelen. Op voorhand kan evenwel niet worden uitgesloten dat zich omstandigheden voordoen waardoor van gelijktijdige behandeling moet worden afgezien. Het door Goeiemond bedoelde risico kan op voorhand evenmin worden uitgesloten. Deze enkele omstandigheid vormt naar het oordeel van de rechtbank echter geen reden om de gevorderde oproeping in (onder)vrijwaring thans af te wijzen, zodat het VCS zal worden toegestaan [B] in ondervrijwaring op te roepen.

proceskosten

4.3.

Omdat het verweer van Goeiemode wordt verworpen, zal zij als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit incident, met toepassing van het liquidatietarief te begroten op € 452,-.

4.4.

De rechtbank zal, gelet op de vestigingsplaats in het buitenland van [B], de termijn voor het in vrijwaring oproepen bepalen op tien weken.

voorwaardelijk pleitverzoek

4.5.

Nu de incidentele vordering van VCS zal worden toegewezen, komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van het voorwaardelijke verzoek om pleidooi in het incident.

5 De beslissing

De rechtbank:

in het ondervrijwaringsincident

5.1.

staat toe dat [B] door VCS wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van

22 juli 2015;

5.2.

veroordeelt Goeiemode in de kosten van het incident aan de zijde van VCS tot dit vonnis begroot op € 452,-;

5.3.

verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.T. Aalbers en in het openbaar uitgesproken op

13 mei 2015.