Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:5534

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-05-2015
Datum publicatie
13-05-2015
Zaaknummer
C-09-484702 KG ZA 15-336
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser is tot levenslang veroordeeld voor een schietpartij in 1983 waarbij zes doden vielen. Sinds 2001 wordt hij behandeld in de Van der Hoevenkliniek, waar hij op verzoek van de Staat is geplaatst om hem geschikt te maken voor zijn terugkeer in de samenleving. De voorzieningenrechter oordeelt in dit kort geding dat de Staat gehouden is overleg te voeren met de advocaat van eiser en de kliniek waar eiser wordt behandeld over het voorwaardelijke einddoel van zijn resocialisatietraject. Overleg tussen partijen en de kliniek ligt in de lijn van de afspraken die in 2001 zijn gemaakt. De bedoeling is steeds geweest om de resocialisatie van eiser gezamenlijk vorm te geven. Daarnaast bestaat bij de kliniek onduidelijkheid over de invulling van de verdere behandeling van eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/484702 / KG ZA 15/336

Vonnis in kort geding van 7 mei 2015

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. R.J. Wybenga te Rotterdam,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘eiser’ en ‘de Staat’.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 22 april 2015 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

Bij op 1 juli 1985 onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Den Haag van 14 oktober 1984 is eiser veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens een schietpartij in café “Het Koetsiertje” in Delft op 5 april 1983, waarbij zes doden vielen en enkele gewonden. Eiser is sinds 7 april 1983 gedetineerd.

1.2.

Een op 11 maart 1998 ingediend gratieverzoek is aanleiding geweest voor een onderzoek naar eiser en een advies hem te laten opnemen in een tbs-kliniek. Overleg tussen de toenmalige Minister van Justitie (hierna: de Minister) en het Forensisch Psychiatrisch Centrum Dr. Henri van der Hoevenkliniek (hierna: de kliniek) heeft geleid tot een memo van de Staat van 9 juli 2001. Voor zover hier van belang vermeldt het memo:

“Deze kliniek is bereid tot opname, mits er op voorhand duidelijkheid wordt geboden over de haalbaarheid van een resocialisatietraject in relatie met het omzetten van de levenslange gevangenisstraf in een eindige gevangenisstraf middels gratie.

(...)

Afspraken rond beëindiging van de behandeling

Algemene behandelingsstrategie van de kliniek is behandeling met het oog op verantwoorde terugkeer in de samenleving. De kliniek heeft geen “bewaarfunctie”.

Wanneer mocht blijken dat behandeling – om wat voor redenen dan ook – onvoldoende doel treft, zal terugplaatsing naar het gevangeniswezen onvermijdelijk zijn.

(...)

Horizonbepaling gratieprocedure

Uitgaande van de optie dat behandeling succesvol verloopt en er sprake is van een gunstige prognose voor wat de terugkeer in de samenleving betreft, is tijdige indiening van een gratieverzoek een belangrijk punt van aandacht. Er kunnen zich binnen deze optie twee situaties ontwikkelen, die ieder afzonderlijk de inhoud van het gratieverzoek kunnen beïnvloeden:

1. De behandeling (intra- dan wel transmuraal) nadert haar voltooiing waarbij het van belang blijft de inbedding in de samenleving zodanig in te richten dat betrokkene de dwang blijft voelen om daaraan maximale medewerking te verlenen.

2. De behandeling (intra- dan wel transmuraal) is zodanig progressief verlopen dat betrokkene voldoende gemotiveerd is aanwijzingen te volgen die de gewenste inbedding ondersteunen, zonder dat daartoe een dwangkader benodigd is.

Ad 1: Omzetting van de levenslange gevangenisstraf naar een gevangenisstraf met een einddatum middels gratieverlening, gevolgd door het verlenen van gratie voor het resterend gedeelte van de gevangenisstraf onder voorwaarde. Bij het niet volgen van de voorwaarde herleeft de eindige gevangenisstraf.

Ad 2: Omzetting van de levenslange gevangenisstraf naar een gevangenisstraf met een einddatum middels gratieverlening. De aldus omgezette gevangenisstraf dient zodanig aangepast te zijn dat de VI-datum passeert op het moment van ontslag uit de kliniek.

Het aldus in te dienen gratieverzoek zal in de kliniek haar startpunt krijgen, d.w.z. er zal een plan van aanpak rond de afronding van de klinische behandeling worden voorgelegd aan de heer [A] (voorzieningenrechter: de – toenmalige – directeur sectordirectie TBS van (toen) het Ministerie van Justitie).

Hij zal vervolgens het plan om advies voorleggen aan de heer [B], die zal beoordelen of er voldoende elementen zijn om een ambtshalve gratieverzoek in te dienen vanuit zijn positie als psychiatrisch adviseur. Gelet op de haalbaarheid van een dergelijk verzoek is wederzijdse overeenstemming omtrent het verloop / afloop van de behandeling wenselijk. Indien het gratieverzoek niet wordt gehonoreerd kan betrokkene niet langer in de kliniek verblijven en zal terugplaatsing naar het gevangeniswezen plaatsvinden.

(...)

Afgesproken is voorts dat de UNIT Garantie vanaf de aanvang van de behandeling voortdurend op de hoogte wordt gehouden van relevante ontwikkelingen en adviezen.”

1.3.

Op 20 juli 2001 heeft de Minister aan eiser bericht dat eiser in een tbs-inrichting wordt geplaatst. Bij deze mededeling is gevoegd een afschrift van de brief van eveneens 20 juli 2001 van de Minister aan de kliniek waarin onder meer staat vermeld:

“Tijdens (...) mondeling en schriftelijk contact met uw kliniek, waarbij ook de advocate van de gedetineerde was betrokken, toonde u zich bereid een opname toch in overweging te nemen, mits er op voorhand duidelijkheid wordt geboden over de haalbaarheid van een resocialisatietraject in relatie met het omzetten van de levenslange gevangenisstraf in een eindige gevangenisstraf middels gratie.

Dit was aanleiding voor overleg tussen uw kliniek, de advocate van betrokkene en de GGG-commissie. De uitkomsten van dit overleg op 3 mei 2001 werden, na een consultatieronde langs alle deelnemers, vastgelegd in een memo d.d. 9 juli 2001. Deze memo is reeds in uw bezit.

Op basis van de afspraken in de memo, verzoek ik u thans betrokkene met voorrang in uw kliniek op te nemen en het behandelingstraject te beginnen met een observatieperiode.

Na afronding van de observatieperiode ontvang ik graag het verslag van uw bevindingen naar aanleiding van deze observatie.

Het verslag zal de eerste aanzet betekenen voor de overige actiepunten zoals vastgelegd in de memo.

Over de voortgang van de gemaakte afspraken in de memo zullen alle deelnemers aan het eerdergenoemde overleg steeds worden geïnformeerd rond het moment dat zich daarbij relevante ontwikkelingen voordoen.”

1.4.

Eiser is op 31 augustus 2001 opgenomen in de kliniek. Op 13 september 2002 is aan hem een machtiging begeleid verlof afgegeven. Die machtiging is later weer ingetrokken.

1.5.

Op 3 juni 2013 heeft eiser een gratieverzoek ingediend, dat hij op 5 augustus 2013 en 16 juni 2014 heeft aangevuld.

1.6.

Op 14 november 2013 heeft het Ressortsparket een advies uitgebracht in de gratieprocedure. Daarin wordt geconcludeerd dat het gratieverzoek niet voor inwilliging vatbaar is.

1.7.

Eiser heeft diverse procedures gevoerd om een machtiging onbegeleid verlof te verkrijgen. Bij vonnis van 10 juli 2014 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is de Staat veroordeeld om ten behoeve van eiser aan de kliniek een machtiging onbegeleid verlof voor onbepaalde duur te verstrekken. Tegen dat vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

1.8.

Op 9 oktober 2014 heeft het Ressortsparket gepersisteerd bij het eerdere advies tot afwijzing van het gratieverzoek van eiser. Het gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) heeft op 28 oktober 2014 geadviseerd het gratieverzoek van eiser “thans” af te wijzen.

1.9.

Bij vonnis van 20 januari 2015 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vordering van eiser afgewezen om de Staat te veroordelen overleg met hem en de kliniek te voeren. Daartoe heeft de voorzieningenrechter onder meer overwogen:

“3.7. De vordering van eiser strekt er (...) toe overleg te voeren, waarbij hij dat overleg uitdrukkelijk koppelt aan het lopende gratieverzoek. In de 2001-afspaken wordt weliswaar melding gemaakt van wederzijdse overeenstemming, informatievoorziening en overleg, maar die afspraken zijn gemaakt gelet op de TBS-behandeling die eiser zou ondergaan, die zou uitmonden in een gratieverzoek waarvan het startpunt in de kliniek zou liggen. Geconcludeerd kan dan ook worden dat voormelde afspraken zijn gemaakt met het oog op afstemming van de behandeling richting een gratieverzoek. Nu reeds (om hem moverende redenen door eiser) een gratieverzoek is ingediend, waarover het Ressortsparket en het Hof al adviezen hebben uitgebracht, doet die situatie zich niet meer voor. Het traject waarin overleg had moeten plaatsvinden is immers al afgerond. Thans ligt het op de weg van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie om aan de Koning een voorstel te doen voor een beslissing op het gratieverzoek.

3.8.

Uit de 2001-afspraken kan op grond van het voorgaande niet worden afgeleid dat de Staat zich heeft gebonden overleg te voeren in het stadium waarin het voorliggende gratieverzoek zich nu bevindt. Een dergelijke verplichting kan evenmin op een wettelijke bepaling worden gegrond. Eiser heeft gesteld dat de Staat zich in een eerder stadium eenzijdig aan het overleg heeft onttrokken. Voordat door het Hof was geadviseerd over het gratieverzoek, heeft eiser evenwel niet verzocht om overleg. De deugdelijkheid van het advies van het Hof staat in deze procedure niet ter discussie en zou dat overigens ook niet kunnen staan. Voorts heeft eiser niet aannemelijk gemaakt waar overleg over het gratieverzoek, in dit stadium van het gratieverzoek, toe zou kunnen en moeten leiden. Het afstemmen van een behandelplan op een gezamenlijk te bepalen traject richting een gratieverzoek is immers thans niet aan de orde. Niet valt in te zien dat overleg in dit stadium zou leiden tot een andere – voor eiser positieve – invulling van het gratieverzoek, zodat de weigering van de Staat om in dit kader overleg te voeren geen schending van artikel 3 EVRM oplevert. (...)”

1.10.

Op 31 maart 2015 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: de staatssecretaris) de geneesheer-directeur van de kliniek op non-actief gesteld naar aanleiding van een geconstateerd incident waarbij de kliniek eiser meer vrijheden heeft verleend dan op grond van een door de voormalig staatsecretaris verleende machtiging was toegestaan.

1.11.

Bij brief van 2 april 2015 heeft de staatssecretaris het gratieverzoek van eiser met Koninklijke machtiging afgewezen.

1.12.

Op 20 april 2015 is namens de staatssecretaris gereageerd op het verzoek van de advocaat van eiser om overleg met onder meer de volgende woorden:

“Ten behoeve van de resocialisatie is op basis van het aan de aanvraag ten grondslag gelegde verlofplan aan de kliniek een machtiging onbegeleid verlof afgegeven. Op basis daarvan kan de heer [eiser] met goedvinden van de kliniek verder werken aan zijn resocialisatie. Over aanpassingen van het verlofplan en over een aanvraag voor een machtiging voor een volgende stap en een nieuwe vorm van verlof zal in voorkomend geval worden beslist na advies van het Adviescollege verloftoetsingen TBS. Inhoudelijk is voor mij geen rol weggelegd in de behandeling van individuele TBS-gestelden of veroordeelden door TBS-klinieken en in een resocialisatietraject zoals de heer [eiser] dat op dit moment volgt. Ik zie daarom nu ook geen reden voor overleg over resocialisatie zoals u vraagt.

Dan kan in het midden blijven dat het incident dat zich onlangs bij de Van der Hoevenkliniek heeft voorgedaan in verband met het onbegeleid verlof van de heer [eiser], dat niet in overeenstemming was met het verlofplan dat aan de aanvraag voor de machtiging ten grondslag was gelegd, mijn vertrouwen in de kliniek heeft geschaad en dat er daarom op dit moment ook zeker geen ruimte is voor enige overleg over de heer [eiser], waarbij de kliniek betrokken zou moeten worden. (...)”

2 Het geschil

2.1.

Eiser vordert – zakelijk weergegeven – te bepalen dat de Staat binnen twee dagen na de betekening van dit vonnis (het hoofd van) de kliniek waar eiser wordt verpleegd en de advocaat van eiser schriftelijk uitnodigt voor overleg dat binnen vijf dagen na de betekening van dit vonnis dient plaats te vinden, waarbij onder meer de afspraken zoals die in 2001 tussen de Staat, de kliniek en eiser tot stand zijn gekomen uitgangspunt zijn, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

2.2.

Daartoe voert eiser het volgende aan. Eiser heeft de Staat tevergeefs verzocht om overleg. Om het vervolg van het resocialisatieproces op een normale en verantwoorde wijze te doen verlopen, is het noodzakelijk dat op korte termijn overleg plaatsvindt tussen de Staat, de kliniek en (de advocaat van) eiser. De Staat laat onduidelijkheid bestaan over het vervolg van het resocialisatieproces. Dat is schadelijk voor eiser en trekt een disproportioneel zware wissel op hem en zijn gezin. Eiser moet kunnen rekenen op de medewerking van de Staat bij de vervolgstappen in het resocialisatieproces. Het is van belang dat de kliniek bij het overleg zal worden betrokken, aangezien de kliniek partij is bij de afspraken zoals die in 2001 tot stand zijn gekomen (hierna: de 2001-afspraken). De kliniek vindt overleg ook noodzakelijk voor de verdere invulling van het resocialisatietraject. Door het overleg te weigeren, handelt de Staat in strijd met de 2001-afspraken die behelzen dat partijen met elkaar samenwerken in het kader van het resocialisatieproces en elkaar waar nodig op de hoogte houden van relevante ontwikkelingen. Overleg is geboden over het vervolg van het traject.

2.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

Partijen twisten in het kader van deze procedure over de vraag of de Staat gehouden is overleg te voeren met eiser en de kliniek over het resocialisatietraject van eiser. Volgens eiser vloeit dat voort uit de 2001-afspraken. De Staat betwist dat.

3.2.

De Staat heeft zich op het standpunt gesteld dat de 2001-afspraken niet als een civielrechtelijke overeenkomst kunnen worden gekwalificeerd, waarmee hij kennelijk betoogt dat daar hoe dan ook geen verplichtingen uit kunnen voortvloeien. Dat betoog wordt gepasseerd. Het Hof heeft in zijn arrest van 13 december 2011 weliswaar geoordeeld dat het memo van 9 juli 2001 niet kan worden aangemerkt als civielrechtelijke overeenkomst tussen de Staat, de kliniek en eiser, en evenmin als een, in een civielrechtelijke overeenkomst tussen de Staat en de kliniek opgenomen, civielrechtelijk derdenbeding ten gunste van eiser, maar dat neemt volgens het Hof niet weg dat de Staat in bedoelde stukken (memo en correspondentie rondom dat memo) zijn beleid met betrekking tot de detentie en verpleging van eiser heeft weergegeven en daardoor bepaalde verwachtingen bij eiser heeft gewekt, waaraan hij in beginsel is gebonden (Gerechtshof ’s-Gravenhage 13 december 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BU7546).

3.3.

De Staat heeft voorts aangevoerd dat niet kan worden vooruitgelopen op beslissingen in het resocialisatietraject, waarvoor de voorgeschreven procedures gevolgd moeten worden. In die procedures is een belangrijke rol weggelegd voor het Adviescollege Verloftoetsing TBS (AVT) als onafhankelijk en deskundig adviesorgaan. Het AVT kan niet worden gepasseerd. Voorts beschikt de Staat niet (meer) over de benodigde kennis en expertise, aldus de Staat.

3.4.

Dat in het geval van eiser enkel de gebruikelijke stappen bij een resocialisatietraject strikt moeten worden gevolgd zonder dat daarbij ruimte is voor overleg, valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet te rijmen met de inhoud van de 2001-afspraken. In de 2001-afspaken wordt melding gemaakt van wederzijdse overeenstemming, informatievoorziening en overleg in het kader van de TBS-behandeling van eiser die zou uitmonden in een gratieverzoek. Eiser mocht daar dan ook de verwachting aan ontlenen dat gezamenlijke afstemming van zijn behandeling beoogd werd richting een gratieverzoek. Dat reeds een gratieverzoek is afgewezen, maakt dat niet anders. In de 2001-afspraken staat immers dat die onverlet laten dat eiser zelf gratie aanvraagt. Daarbij komt dat de behandeling van eiser ook nadien is voortgezet en de Staat heeft bevestigd dat de resocialisatieactiviteiten van eiser hun voortgang kunnen hebben. De Staat heeft ook niet betoogd dat het memo van 9 juli 2001 niet meer van toepassing is. Uit de 2001-afspraken vloeit daarnaast voort dat de Staat een actieve rol heeft in het kader van een mogelijk gratieverzoek. De Staat kan zich niet aan die actieve rol onttrekken met enkel een verwijzing naar veranderingen in zijn organisatie.

3.5.

Op grond van de 2001-afspraken bestond tussen partijen duidelijkheid over de voorwaarden waaronder gratie zou kunnen worden verleend en was voor de kliniek helder hoe het resocialisatietraject van eiser moest worden ingevuld. Sinds enige tijd ontbreekt die duidelijkheid. Dat de kliniek behoefte heeft aan concretisering van de mogelijkheden is uitdrukkelijk aan de orde gekomen op de zitting van 7 januari 2015. Door overleg te voeren, gericht op het opnieuw bepalen van een voorwaardelijk einddoel van het resocialisatietraject van eiser wordt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet vooruitgelopen op beslissingen die op mogelijke aanvragen vanuit de kliniek moeten worden gegeven, en wordt het AVT evenmin gepasseerd. Overleg laat immers onverlet dat voor het zetten van concrete vervolgstappen in het resocialisatietraject de formele weg moet worden gevolgd, waarvan de uitkomst niet op voorhand vaststaat. De Staat voert op zichzelf terecht aan dat de inhoud van de behandeling de verantwoordelijkheid is van de kliniek, maar niet valt in te zien dat overleg over het einddoel iets afdoet aan dit uitgangspunt.

3.6.

Dat de Staat gehouden is overleg te voeren in de hiervoor geschetste situatie van onduidelijkheid over een mogelijk einddoel van de behandeling, vloeit daarnaast voort uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM). In een uitspraak van 9 juli 2013 in de zaak Vinter e.a. vs. VK, appl. nrs. 66069/09, 130/10, 3896/10 heeft het EHRM immers – voor zover hier relevant en kort weergegeven – geoordeeld dat een veroordeelde vanaf het begin van zijn gevangenisstraf recht heeft om te weten op welke wijze hij voor invrijheidstelling in aanmerking kan komen. Het arrest legt de overheid bovendien de positieve verplichting op de rehabilitatie van de veroordeelde mogelijk te maken en een daarop gebaseerd resocialisatiebeleid te voeren. Of de rehabilitatie (resocialisatie) van eiser op enig moment mogelijk is en onder welke voorwaarden dat het geval is, zal de Staat met hem en de kliniek moeten bespreken.

3.7.

Het feit dat de geneesheer-directeur van de kliniek, die tot voor kort verantwoordelijk was voor de behandeling van eiser, recent is geschorst, zal overleg in een constructieve sfeer weliswaar niet vergemakkelijken, maar vormt geen reden voor afwijzing van de vordering. Vaststaat immers dat de behandeling van eiser door de kliniek zal worden gecontinueerd. Daarbij komt dat voormeld feit niet aan eiser kan worden tegengeworpen.

3.8.

Een en ander leidt tot de conclusie dat de vordering van eiser zal worden toegewezen op de wijze als hierna vermeld. Daarbij zullen de gevraagde termijnen worden verruimd naar twee, respectievelijk zes weken. De inhoud van het overleg zal het voorwaardelijke einddoel van het resocialisatietraject van eiser moeten betreffen. Oplegging van een dwangsom is niet nodig, aangezien van de Staat mag worden verwacht dat hij gerechtelijke uitspraken nakomt.

3.9.

De Staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116).

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- gebiedt de Staat binnen twee weken na de betekening van dit vonnis (het hoofd van) de kliniek en de advocaat van eiser schriftelijk uit te nodigen voor overleg over het voorwaardelijke einddoel van het resocialisatietraject van eiser, dat uiterlijk binnen zes weken na de betekening van dit vonnis dient plaats te vinden;

- veroordeelt de Staat in de proceskosten, tot op dit vonnis in totaal begroot op € 988,19, waarvan:

a. € 894,-- te voldoen aan eiser (€ 816,-- aan salaris advocaat en € 78,-- aan griffierecht);

b. € 94,19, inclusief BTW, wegens explootkosten, aan de griffier van de rechtbank, na ontvangst van een nota;

- bepaalt dat de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is indien de Staat deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2015.

hvd