Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:5533

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-05-2015
Datum publicatie
08-06-2015
Zaaknummer
C-09-485070 - KG ZA 15-377
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding. Informatieplicht ex artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/485070 / KG ZA 15-377

Vonnis in kort geding van 13 mei 2015

in de zaak van

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Belastingdienst),

zetelend te Den Haag,

eiser,

advocaat mr. W.I. Wisman te Den Haag,

tegen:

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat: eerst mr. A.J.F. Gonesh te Den Haag,

thans mr. S. Bharatsingh te Hilversum.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als 'de Staat' en '[gedaagde]'.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 1 mei 2015 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

Bij brief van 27 oktober 2000 ontving de Nederlandse belastingdienst (hierna 'de Belastingdienst') van de Belgische fiscale autoriteiten fotokopieën van afgedrukte microfiches, afkomstig uit de interne administratie van de Luxemburgse KB Luxbank (hierna: 'KB Lux'). De microfiches vermelden de saldi van bankrekeningen van Nederlandse ingezetenen bij KB Lux op 31 januari 1994.

1.2.

Op basis van onderzoek door de Belastingdienst naar de op de fiches vermelde namen en saldi ("het Rekeningenproject") is [gedaagde] geïdentificeerd als rekeninghouder van een rekening bij KB Lux.

1.3.

De inspecteur van de Belastingdienst (hierna 'de Inspecteur') heeft [gedaagde] meermalen aangeschreven - voor het eerst in 2002 en voor het laatst op 26 februari 2015 - met het verzoek, dan wel sommatie, om opgave te doen van (het verloop van) de door hem aangehouden buitenlandse bankrekening(en) ná 31 januari 1994. [gedaagde] heeft daarop steeds ontkend over buitenlandse banktegoeden te beschikken.

1.4.

Aan [gedaagde] zijn - op basis van schattingen - voor wat betreft de periode 1991 tot en met 2000 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en voor wat betreft de periode 1992 tot en met 2000 navorderingsaanslagen vermogensbelasting opgelegd. Ook zijn aan hem diverse fiscale boetes opgelegd.

1.5.

[gedaagde] heeft de aanslagen en boetes bestreden, wat heeft geleid tot een uitspraak van de belastingkamer van het gerechtshof Den Haag van 3 februari 2012. Daarin heeft het gerechtshof geoordeeld dat de Inspecteur heeft bewezen dat [gedaagde] op 31 januari 1994 houder was van een rekening bij KB Lux. Deze uitspraak heeft voor wat betreft de identificatie van [gedaagde] stand gehouden in cassatie.

2 Het geschil

2.1.

De Staat vordert [gedaagde] - op straffe van verbeurte van een dwangsom - te bevelen:

I. aan de Belastingdienst te verstrekken alle gegevens en inlichtingen betreffende de door hem in de periode van 31 januari 1994 tot heden in het buitenland aangehouden bankrekeningen, waaronder in ieder geval - maar niet uitsluitend - inlichtingen en gegevens over bankrekeningen aangehouden bij KB Lux;

II. verklaring en opgaaf te doen van zijn onder I bedoelde buitenlandse bankrekening(en) door middel van het invullen van het formulier "Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)", het beantwoorden van de vragen op het formulier "Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)" en het verstrekken van de op laatstgenoemd formulier vermelde bescheiden, waaronder kopieën van alle afschriften van de betreffende buitenlandse bankrekening(en) over de periode 1994 tot heden, daaronder begrepen - voor zover van toepassing - het bewijs van opheffing van de bankrekening(en), alsmede schriftelijk bewijs van de bestemming van het saldo, dan wel saldi, na opheffing;

III. een mondelinge toelichting te geven op de onder I en II omschreven gegevens, inlichtingen en/of verklaringen binnen een door de Inspecteur nader te bepalen termijn;

een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de proces- en nakosten, de proceskosten te vermeerderen met wettelijke rente.

2.2.

Naast de hiervoor vermelde feiten voert de Staat daartoe - samengevat - het volgende aan.

Uit de via de Belgische fiscale autoriteiten verkregen informatie blijkt dat [gedaagde] op 31 januari 1994 de beschikking had over één of meer bankrekeningen bij KB Lux. [gedaagde] weigert echter - in strijd met het bepaalde in artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ('AWR') - de Belastingdienst (volledig) te informeren over dat en eventueel ander buitenlands vermogen. In verband hiermee moet de Inspecteur voor wat betreft dat vermogen - noodgedwongen - volstaan met een redelijke schatting. Wegens het uitblijven van informatie kan niet worden uitgesloten dat die schatting te laag is, zodat te weinig belasting wordt geheven. Gelet op een en ander moet [gedaagde] op straffe van verbeurte van een dwangsom worden veroordeeld tot nakoming van zijn informatieplicht.

2.3.

[gedaagde] heeft de vorderingen gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig zal zijn verweer hierna worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

Vooraf

3.1.

Kern van het onderhavige geschil betreft de vraag of de Staat gerechtigd is op de voet van het bepaalde in artikel 47 AWR te vorderen dat [gedaagde] - onder oplegging van een dwangsom - wordt bevolen gegevens te verstrekken en daarop een mondelinge toelichting te geven met betrekking tot de door hem sinds 31 januari 1994 aangehouden bankrekeningen in het buitenland, waaronder in ieder geval (maar niet uitsluitend) een bankrekening bij KB Lux.

3.2.

[gedaagde] heeft tegen toewijzing van de vorderingen van de Staat een zestal verweren gevoerd. Alvorens deze hierna - telkens afzonderlijk - te bespreken, stelt de voorzieningenrechter het volgende voorop.

3.2.1.

Op grond van artikel 52a lid 5 AWR is de Inspecteur c.q. de Staat bevoegd bij de burgerlijke rechter een procedure aanhangig te maken, strekkende tot een veroordeling tot nakoming van de uit artikel 47 AWR voortvloeiende verplichtingen op straffe van een dwangsom.

3.2.2.

Met het oog op de verplichtingen ingevolge artikel 47 ARW heeft de Hoge Raad op 12 juli 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ3640) het volgende beslist:

a. In een civielrechtelijk kort geding kan de belastingplichtige onder last van een dwangsom worden veroordeeld al het materiaal te verschaffen dat van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsonafhankelijk of wilsafhankelijk materiaal, echter onder de restrictie dat materiaal van deze laatste soort uitsluitend mag worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing.

b. Voldoet de belastingplichtige niet aan dat bevel, dan verbeurt hij de daaraan verbonden dwangsom. Indien partijen van mening verschillen of de belastingplichtige aan het bevel heeft voldaan, rusten in een eventueel executiegeschil op de Staat de stelplicht en bewijslast ter zake. Dit brengt mee dat de Staat in geval van betwisting zal moeten bewijzen - in de zin van aannemelijk maken - dat de belastingplichtige daadwerkelijk het van hem verlangde, maar niet door hem afgestane, materiaal kon verschaffen.

c. Wilsafhankelijk materiaal dat door de belastingplichtige ingevolge het bevel van de voorzieningenrechter is verstrekt, mag niet worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging van de belastingplichtige. Zou dit laatste toch gebeuren, dan dient de belastingrechter of de strafrechter te bepalen welk gevolg aan dit gebruik moet worden verbonden.

De strekking van die uitspraak heeft de Hoge Raad herhaald in arresten van 24 april 2015 (o.a. ECLI:NL:HR:2015:1137), waarbij met betrekking tot bepaalde kwesties enige verduidelijking is aangebracht.

(i) Spoedeisend belang

3.3.

Allereerst heeft [gedaagde] aangevoerd dat de Staat geen spoedeisend belang heeft bij de vorderingen. Daarin kan hij echter om de navolgende redenen niet worden gevolgd.

3.4.

[gedaagde] is verplicht juiste informatie te verstrekken aan de Belastingdienst, zodat een correcte belastingheffing kan plaatsvinden. De Staat stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] die verplichting voor wat betreft zijn buitenlandse inkomsten en/of vermogen niet goed nakomt, zodat de belastingheffing dienaangaande - noodgedwongen - slechts schattenderwijs kan plaatsvinden, met het risico dat te weinig belasting wordt geheven. Nu gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] thans bereid is tot het verschaffen van informatie, is in feite reeds daarmee het spoedeisende belang bij de vorderingen gegeven. Dat klemt te meer nu de maximale termijn voor het opleggen van navorderingsaanslagen in verband met buitenlands inkomen en/of vermogen twaalf jaar bedraagt, zodat ieder jaar een termijn voor het opleggen van een correcte (niet geschatte) aanslag verstrijkt. Bovendien neemt de bewijskracht van de startinformatie uit 1994, waarover de Staat beschikt, met de jaren steeds verder af. Voorts is van belang dat de Belastingdienst [gedaagde] al vanaf 2002 heeft benaderd voor het verstrekken van juiste informatie. Verder heeft de Staat duidelijk gemaakt waarom niet reeds in 2002, dan wel kort daarna, kort gedingprocedures aanhangig zijn gemaakt jegens de in het kader van het Rekeningenproject geïdentificeerde rekeninghouders: om legitieme bedrijfsmatige redenen is prioriteit gegeven aan een grote groep rekeninghouders c.q. belastingplichtigen die - soms na enige aandrang - tot 'inkeer' zijn gekomen. Door de Staat is ook afdoende uiteengezet dat - met het oog op nog op te leggen aanslagen - op korte termijn duidelijkheid moet worden verschaft, opdat eindelijk een streep kan worden getrokken onder een zeer arbeidsintensief proces dat een onevenredige belasting voor de Belastingdienst meebrengt. Aan de vergelijking door [gedaagde] met het project "Bank zonder Naam", waarin de civielrechtelijke weg veel sneller werd bewandeld, wordt voorbijgaan, nu de Staat gemotiveerd heeft aangevoerd dat dat project niet kan worden vergeleken met het Rekeningenproject, wat [gedaagde] - in tweede termijn op de zitting - niet heeft weersproken.

(ii) Bewijslast Inspecteur

3.5.

In het hiervoor reeds aangehaalde arrest van 24 april 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1137) heeft de Hoge Raad - onder meer - het volgende overwogen:

"3.6.3. Het onderscheid tussen wilsafhankelijk materiaal en wilsonafhankelijk materiaal speelt geen rol voor zover het materiaal wordt gevorderd voor de belastingheffing. De omstandigheid dat art. 47 AWR een ieder verplicht om de Inspecteur 'de gegevens en inlichtingen te verstrekken die voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn' brengt echter nog niet mee dat de Staat in een civielrechtelijk kort geding tegen de betrokkene op straffe van verbeurte van dwangsommen aanspraak kan maken op die gegevens en inlichtingen in gevallen waarin de Staat onvoldoende aanknopingspunten verschaft om aannemelijk te achten dat de betrokkene die gegevens en inlichtingen daadwerkelijk kan verstrekken. Vorderingen tot het verstrekken van dergelijke gegevens en inlichtingen zijn niet toewijsbaar voor zover zij onvoldoende zijn onderbouwd of een zogenoemde ‘fishing expedition’ inhouden. Dat is niet anders indien die vorderingen alleen voor heffingsdoeleinden zijn ingesteld. De Staat zal derhalve aannemelijk moeten maken dat het gevorderde materiaal bestaat en dat de belastingplichtige daarover de beschikking heeft of, met de van hem redelijkerwijs te verwachten inspanning, kan verkrijgen.

3.6.4.

Voor zover de betrokkene in het geding voor de voorzieningenrechter een ontoereikend verweer voert dan wel sprake is van omstandigheden die pas na het kort geding blijken, is van belang dat ook in de executiefase de stelplicht en bewijslast van de beschikbaarheid van het materiaal voor de betrokkene op de Staat rusten (zie hiervoor in 3.6.1 onder b). De executierechter heeft bij de beoordeling van een en ander een eigen verantwoordelijkheid en is niet gebonden aan het oordeel van de rechter die afgifte heeft gelast."

3.6.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de Staat niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gevorderde informatie bestaat en dat hij ([gedaagde]) daarover de beschikking heeft, dan wel kan verkrijgen. Ook dat verweer wordt verworpen. Daarvoor is het volgende van belang.

3.7.

Op grond van het onder 1.5 vermelde arrest van 3 februari 2012 moet ervan worden uitgegaan dat [gedaagde] op 31 januari 1994 houder was van een rekening bij KB Lux. Dat betekent dat [gedaagde] dienaangaande niet kan volstaan met een blote ontkenning, wat hij wel steeds heeft gedaan. Verder is van belang dat [gedaagde] al vanaf 2002 ervan op de hoogte was dat de Belastingdienst de beschikking wilde hebben over de thans gevorderde informatie. Mede gelet op zijn verplichting ex artikel 47 AWR had hij er rekening mee moeten houden dat die - reeds in 2002 verlangde - informatie ooit zou moeten worden verstrekt. Daarop anticiperend had redelijkerwijs van hem mogen worden verwacht dat hij destijds informatie had opgevraagd bij KB Lux, zodat hij daarover vóór het verstrijken van de op KB Lux van toepassing zijnde wettelijke archiveringstermijn van tien jaar zou hebben beschikt. Voorts is van belang dat noch op grond van de door de Staat, noch op grond van de door [gedaagde] in het geding gebrachte producties kan worden aangenomen dat de door de Staat verlangde gegevens, voor zover ouder dan tien jaar, niet meer beschikbaar zijn (voor [gedaagde]). Integendeel, in haar brief van 15 november 2013 (prod. 5 van [gedaagde]) schrijft KB Lux immers: "It should be noted that KBL does keep, on discretionary basis, certain Data.". Uit de betreffende producties blijkt, dat in ieder geval (ongeacht het aantal verstreken jaren) bewijzen van opheffing van rekeningen bij KB Lux beschik- en verkrijgbaar zijn. Daar komt bij dat [gedaagde] geen enkel stuk heeft overgelegd, waaruit blijkt dat hij zelf actie heeft ondernomen jegens KB Lux tot het verkrijgen van de verlangde gegevens. Dat had minst genomen van hem mogen worden verwacht. Te meer nu - ook volgens zijn eigen stellingen - dergelijke informatie enkel door de begunstigden van de betreffende rekeningen kan worden opgevraagd. [gedaagde] heeft nog aangevoerd dat hij naar het kantoor van KB Lux in Luxemburg is gereden om de gewenste informatie op te halen, maar dat hij toen nul op het rekest kreeg. De juistheid van die - niet nader onderbouwde - stelling is echter niet controleerbaar, zodat daaraan wordt voorbijgegaan. Daar komt bij dat de vordering mede strekt tot het verstrekken van een mondelinge toelichting. Niet valt in te zien waarom [gedaagde] daartoe niet in staat zou zijn. Aangenomen moet worden dat hij - om hem moverende redenen - niet openstaat voor een dergelijk gesprek. In januari 2015 is hij immers uitgenodigd voor een gesprek, maar daarop is hij niet ingegaan, terwijl een deugdelijke reden daarvoor is gesteld noch gebleken. Tot slot is van belang dat uit het onder 3.5 geciteerde arrest volgt dat [gedaagde] in een eventueel executiegeschil nog aan de orde kan stellen dat hij, na gerichte pogingen daartoe, niet de beschikking heeft (kunnen krijgen) over de verlangde informatie.

(iii) Gegevens vanaf 1994

3.8.

[gedaagde] stelt dat de Staat geen belang heeft bij gegevens vanaf 1994. Gelet op de maximale navorderingstermijn van twaalf jaar kunnen thans enkel nog navorderingsaanslagen vanaf 2003 worden opgelegd, zodat alleen de gegevens vanaf dat jaar van belang kunnen zijn voor de Staat, aldus [gedaagde]. Om de hierna vermelde redenen kan [gedaagde] ook daarin niet worden gevolgd.

3.9.

Vooropgesteld wordt dat de verplichtingen ex artikel 47 AWR - anders dan de bewaarplicht van administratieplichtigen - niet zijn gebonden aan een termijn, zodat die verplichtingen zich - in beginsel - ook kunnen uitstrekken tot ver in het verleden liggende jaren. Vaststaat dat [gedaagde] op 31 januari 1994 houder was van in ieder geval één rekening bij KB Lux. De Staat heeft - onweersproken - gesteld dat de microfiches veelal zichtrekeningen ("vue-rekeningen") en rekeningcourant-rekeningen vermelden en dat in een groot deel van de gevallen - daarnaast - sprake is (geweest) van één of meer andere rekeningen, zoals een deposito- of een effectenrekening. Niet kan worden uitgesloten dat dat ten aanzien van [gedaagde] ook het geval is (geweest). Dat klemt te meer nu ervan moet worden uitgegaan dat [gedaagde] opzettelijk onjuiste informatie aan de Belastingdienst heeft verstrekt, door - in strijd met de waarheid - vanaf 2002 telkens aan te geven dat hij niet beschikt, dan wel beschikte, over buitenlandse banktegoeden. Mede bezien in het licht van het voorgaande, moet - zoals ook al overwogen in de door de Staat aangehaalde jurisprudentie - worden aangenomen dat elke mutatie ná 31 januari 1994 van belang kan zijn voor de belastingheffing over de periode waarop de Belastingdienst nog kan navorderen. Dat geldt in het bijzonder voor zover uit de door [gedaagde] te verstrekken informatie zou blijken dat (een deel van) het vermogen op de betreffende rekening bij KB Lux in enig jaar vóór 2003 is verplaatst naar een andere buitenlandse (bancaire) instelling of andersoortige instelling buiten het zicht van de Belastingdienst en nog steeds buiten het zicht van de Belastingdienst wordt gehouden. Een dergelijke situatie kan - gelet op de houding van [gedaagde] tot nu toe - niet worden uitgesloten.

(iv) Andere buitenlandse banken

3.10.

Het verweer van [gedaagde] dat de Staat zich schuldig maakt aan een - ontoelaatbare - fishing expedition door ook gegevens en inlichtingen te vorderen van bankrekeningen bij andere buitenlandse banken dan KB Lux, wordt reeds verworpen op grond van hetgeen hiervoor onder 3.9 is overwogen. Daaruit volgt immers dat de Staat recht heeft op en belang heeft bij die informatie.

(v) Restricties

3.11.

Volgens [gedaagde] dienen - voor zover de vorderingen van de Staat worden toegewezen - aan de veroordeling tot het verstrekken van informatie een tweetal restricties te worden verbonden, inhoudend dat:

a. het door hem te verstrekken 'wilsafhankelijke' materiaal uitsluitend mag worden gebruikt voor de belastingheffing en niet (ook) ten behoeve van een bestuurlijke boeteoplegging en/of strafvervolging;

b. de door hem te verstrekken informatie niet mag worden gebruikt in reeds onder de rechter aanhangige procedures, zoals bepaald door de Hoge Raad in zijn arrest van 10 februari 1988 (o.a. AB 1988, 547).

3.12.

Ingevolge vaste jurisprudentie (o.a. ECLI:NL:HR:2013:BZ3640 en ECLI:NL:HR:2015:1137) dient een restrictie zoals hiervoor onder a vermeld te worden opgenomen indien een belastingplichtige in een civielrechtelijk kort geding onder last van een dwangsom wordt veroordeeld al het materiaal te verschaffen dat van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, zoals in de onderhavige procedure. De Staat heeft geen verweer gevoerd tegen het opnemen van een dergelijke restrictie. Zo'n restrictie zal dan ook worden opgenomen in dit vonnis.

3.13.

Voor opname van de hiervoor onder b vermelde restrictie bestaat echter geen aanleiding. Feiten en/of omstandigheden op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat de Staat c.q. de Inspecteur het te verkrijgen materiaal - in strijd met voormeld arrest van 10 februari 1988 - zal gebruiken ten behoeve van de bewijsvoering in lopende gedingen zijn gesteld noch gebleken. In die situatie is geen aanleiding om reeds in de onderhavige procedure rekening te houden met die mogelijkheid. Voor zover de Belastingdienst de te verkrijgen informatie zou willen gebruiken in lopende procedures, is het aan de belastingrechter, bij wie die procedures aanhangig zijn, om te beoordelen of het verkregen materiaal - mede in het licht van het arrest van 10 februari 1988 - kan worden meegenomen (vgl.: ECLI:NL:HR:2015:1117).

(vi) Mondelinge toelichting

3.14.

Tot slot stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat de vordering tot het verstrekken van een mondelinge toelichting op straffe van verbeurte van een dwangsom niet toewijsbaar is, omdat de Inspecteur tot op heden geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid ex artikel 41 AWR om hem op te roepen voor een gesprek waarbij hij mondeling informatie kan verstrekken en/of de door hem verstrekte informatie mondeling nader kan toelichten.

3.15.

Ook dat verweer faalt. Nog los van het feit dat een verplichting tot zo'n gesprek niet valt te lezen in voormeld artikel, is van belang dat de Staat heeft gesteld dat [gedaagde] in januari 2015 voor de laatste keer is opgeroepen voor een gesprek met de Inspecteur om hem nogmaals in de gelegenheid te stellen openheid van zaken te geven over zijn buitenlands vermogen. [gedaagde] heeft dat niet betwist, zodat van de juistheid van die stelling moet worden uitgegaan. Daarmee ontvalt de feitelijke grondslag aan het onderhavige verweer.

Afronding

3.16.

Al het bovenstaande betekent dat de vorderingen van de Staat zullen worden toegewezen op de hieronder in het dictum vermelde wijze.

3.17.

Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. De op te leggen dwangsom zal wel worden gemaximeerd. Voorts zal worden bepaald dat de dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan.

3.18.

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten. Voor een veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI: NL:HR:2010: BL1116).

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. beveelt [gedaagde] aan de Belastingdienst te verstrekken alle gegevens en inlichtingen betreffende de door hem in de periode van 31 januari 1994 tot heden in het buitenland aangehouden bankrekeningen, waaronder in ieder geval - maar niet uitsluitend - inlichtingen en gegevens over bankrekeningen aangehouden bij KB Lux;

II. beveelt [gedaagde] verklaring en opgaaf te doen van de onder I bedoelde buitenlandse bankrekening(en) door middel van het invullen van het formulier "Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)", het beantwoorden van de vragen op het formulier "Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)" en het verstrekken van de op laatstgenoemd formulier vermelde bescheiden, waaronder kopieën van alle afschriften van de betreffende buitenlandse bankrekening(en) over de periode 1994 tot heden, daaronder begrepen - voor zover van toepassing - het bewijs van opheffing van de bankrekening(en), alsmede schriftelijk bewijs van de bestemming van het saldo, dan wel saldi na opheffing;

III. beveelt [gedaagde] een mondelinge toelichting te geven op de onder I en II omschreven gegevens, inlichtingen en/of verklaringen binnen een door de Inspecteur nader te bepalen termijn;

IV. bepaalt dat het door [gedaagde] te verstrekken wilsafhankelijke materiaal uitsluitend mag worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing;

V. bepaalt dat [gedaagde] één maand na het uitspreken van dit vonnis aan de onder I en II vermelde bevelen en binnen de door de Inspecteur nader te bepalen termijn aan het onder III vermelde bevel dient te voldoen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 500.000,--;

VI. bepaalt dat de dwangsom vatbaar is voor matiging op de wijze zoals onder 3.17 vermeld;

VII. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van de Staat begroot op € 1.523,19, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 613,-- aan griffierecht en € 94,19 aan dagvaardingskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het uitspreken van dit vonnis;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2015.

jvl