Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:5437

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-05-2015
Datum publicatie
19-05-2015
Zaaknummer
C-09-475172 - FA RK 14-7972
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Alimentatie; in dit specifieke geval wijkt de rechtbank af van de aanbevelingen van de expertgroep Alimentatienormen; alleenstaande ouder-kop buiten beschouwing gelaten i.v.m. onaanvaardbaar resultaat

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 160
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Burgerlijk Wetboek Boek 1 397
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2015/111

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 14-7972

Zaaknummer: C/09/475172

Datum beschikking: 12 mei 2015

Alimentatie

Beschikking op het op 11 oktober 2014 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. M. Ferwerda te Zoetermeer.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. A.J.H.M. Hopmans te [geboorteplaats].

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift;

- het F9-formulier d.d. 10 november 2014 met bijlagen van de zijde van de man;

- het F9-formulier d.d. 21 januari 2015 met bijlagen van de zijde van de vrouw;

- het F9-formulier d.d. 22 januari 2015 met bijlagen van de zijde van de man;

- het F9-formulier d.d. 26 januari 2015 met bijlagen van de zijde van de man;

- het F9-formulier d.d. 24 maart 2015 met bijlagen van de zijde van de vrouw.

De minderjarige [de minderjarige 1] heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.

Op 26 maart 2015 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen en hun advocaten. Van de zijde van de man zijn pleitnotities overgelegd.

De minderjarige is op 9 april 2015 in de gelegenheid gesteld zijn mening over een eventuele benoeming van een bijzonder curator kenbaar te maken, doch is niet verschenen.

Op 9 april 2015 is een brief ingekomen van de minderjarige [de minderjarige 1].

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man luidt thans – met wijziging van na te melden beschikking – met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, de partneralimentatie en kinderalimentatie op nihil te stellen, althans op zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, en de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van de door haar krachtens de in deze te wijzen beschikking teveel ontvangen alimentatie, althans de man toestemming te verlenen om met onmiddellijke ingang de teveel betaalde bedragen te verrekenen met toekomstige alimentatietermijnen, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, kosten rechtens.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum] tot [datum].

- Uit dit huwelijk is het volgende thans nog minderjarige kind geboren:

- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], die door de man is erkend.

- De minderjarige verblijft thans bij de vrouw.

- Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 28 februari 2011 is – voor zover hier van

belang – bepaalt dat de man met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand een kinderalimentatie en partneralimentatie zal betalen van respectievelijk € 408,50 en € 837,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

- Als gevolg van de wijziging van rechtswege ingevolge artikel 1:402a van het

Burgerlijk Wetboek bedraagt de door de man te betalen kinder- en

partneralimentatie per 1 januari 2014 respectievelijk € 424,63 en € 870,06 per

maand. Per 1 januari 2015 wordt uitgegaan van respectievelijk € 428,03 en

€ 877,02 per maand.

Beoordeling

Ter terechtzitting is met partijen besproken dat, hoewel er geen verzoek is ingediend

betreffende het zorgcontact tussen de man en [de minderjarige 1] en de rechtbank met partijen constateert dat er al een tijd geen contact meer plaatsvindt tussen de man en [de minderjarige 1],

er vanuit de rechtbank de mogelijkheid bestaat tot de benoeming van een bijzondere curator, die de mogelijkheden kan bezien om dit contact weer op gang te brengen.

Nu de minderjarige om te kennen heeft gegeven geen prijs te stellen op hervatting van het contact met de man, zal de rechtbank niet overgaan tot een benoeming van een bijzondere curator.

Het verzoek

De man legt aan zijn verzoek ten aanzien van de nihilstelling van de partner- en kinderalimentatie - kort gezegd - ten grondslag dat ingevolge de overwegingen van de echtscheidingsbeschikking d.d. 28 februari 2011 van de vrouw kan worden verwacht dat zij na verloop van drie jaar beschikt over een minimumloon bij fulltime dienstverband waarmee zij geacht kan worden in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Bovendien stelt de man dat de vrouw samenwoont met een ander als waren zij gehuwd, zodat op de voet van het bepaalde in artikel 1:160 Burgerlijk Wetboek (BW) zijn onderhoudsplicht voor de vrouw is komen te vervallen. Voorts voert de man als wijziging van omstandigheden aan dat, nu uit de relatie van hem en zijn nieuwe partner in juni 2013 een kind genaamd [de minderjarige 2] is geboren, hij ook voor dit kind onderhoudsplichtig is.

De ontvankelijkheid

Nu door de man een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1: 401 lid 4 Burgerlijke Wetboek (BW) is gesteld, kan hij worden ontvangen in zijn verzoek. Beoordeeld dient vervolgens te worden of er sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die een herbeoordeling van behoefte en draagkracht met zich brengt.

Niet-rechtens relevante wijzigingen

Ten aanzien van de aangevoerde en gestelde wijziging van omstandigheden met betrekking tot de partneralimentatie, is de rechtbank van oordeel dat uit de overwegingen van voormelde beschikking niet kan worden afgeleid dat de verplichting van de man tot betaling van partneralimentatie maar drie jaar zou duren, zodat op dit punt niet kan worden gesproken van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. Immers, uitgaande van het minimum-loon van een fulltimer, moet worden geoordeeld dat de vrouw daarmee niet volledig in haar behoefte van destijds € 1694,- netto kan voorzien.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de door de vrouw overgelegde stukken betreffende haar sollicitaties, de vrouw voldoende inspanningen heeft verricht om een zo ruim mogelijke verdiencapaciteit te realiseren. Ter terechtzitting is komen vast te staan dat de vrouw de afgelopen jaren met tussenpozen werkzaam is geweest bij [naam] met een dienstverband van 6,15 uur per week. Ook recent is de vrouw, nadat haar contract bij genoemde werkgever in november 2014 niet was verlengd, per 2 maart 2015 wederom in dienst getreden bij deze werkgever voor dezelfde arbeidsduur. Uit de overgelegde stukken is bovendien niet komen vast te staan – zoals de man stelt – dat de vrouw alleen op parttime functies heeft gesolliciteerd. Voorts neemt de rechtbank ten aanzien van de verdiencapaciteit van de vrouw in aanmerking dat, nu door de vrouw onweersproken is verklaard dat de oudere broer [naam] zodanig last had van de gedragsproblemen bij [de minderjarige 1] dat hij het huis uit heeft moeten gaan, [de minderjarige 1] zodanig extra veel zorg nodig had en nog heeft dat hierdoor de verdiencapaciteit van de vrouw is beperkt en zij niet fulltime werkzaam kan zijn. Dat de vrouw als gevolg van medische beperkingen niet in staat is haar verdiencapaciteit te realiseren, acht de rechtbank, gelet op de betwisting daarvan door de man, niet dan wel onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.

De vrouw heeft de stelling van de man dat zij samenwoont met een andere partner als waren zij gehuwd gemotiveerd betwist en acht de rechtbank overigens niet aangetoond.

Dat de vrouw samen met haar vriend op vakantie gaat en zij elkaar tussendoor veel zien, is naar het oordeel van de rechtbank een onvoldoende onderbouwing voor de stellingname van de man. Gelet op het vorenstaande is er naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de behoefte van de vrouw, geen sprake van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. In voormelde beschikking d.d. 28 februari 2011 is de behoefte van de vrouw berekend op € 1.680,- bruto per maand, ervan uitgaande dat zij een inkomen ontvangt van € 334,16 bruto per maand. Geïndexeerd naar 2014 bedraagt de behoefte van de vrouw

(afgerond) € 1.746,- bruto per maand, nu het huidige inkomen van de vrouw nagenoeg gelijk is aan het inkomen ten tijde van de echtscheiding.

Rechtens relevante wijziging

Tussen partijen staat als niet betwist vast dat, als gevolg van de uit de relatie van de man met zijn nieuwe partner geboren dochter [de minderjarige 2] in juni 2013, de man mede onderhoudsplichtig is ten aanzien van dit minderjarige kind. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die een herbeoordeling van de behoefte van [de minderjarige 1] en de draagkracht van de man en de vrouw met zich brengt.

Behoefte [de minderjarige 1]

Ten aanzien van de behoefte van [de minderjarige 1] gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van de man dat moet worden uitgegaan van een lagere behoefte gelet op de geëxpireerde

Spaarkasovereenkomst van Aegon. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de vrouw onweersproken heeft gesteld dat de gelden van deze spaarkasovereenkomst voor 2/3 deel bijeen zijn gebracht door de grootouders van partijen aan beiden zijden en 1/3 van het geld is afkomstig is uit de huwelijksgoederengemeenschap van partijen. De rechtbank acht het met de vrouw aannemelijk dat deze gelden bedoeld zijn als aanvulling voor de in de toekomst te verwachten kosten van levensonderhoud en studie indien [de minderjarige 1] de jong-meerderjarige leeftijd zal hebben bereikt. Gelet hierop zal de rechtbank de behoefte van [de minderjarige 1] conform voormelde beschikking vaststellen op € 408,50 per maand. Geïndexeerd naar 2014 bedraagt zijn behoefte 424,63 per maand. Hierop dient in mindering te worden gebracht het kindgebondenbudget (KGB) dat de vrouw in 2014 heeft ontvangen. Voor de berekening hiervan zal de rechtbank uitgaan van het loon voor loonheffing dat de vrouw heeft ontvangen uit haar werkzaamheden tot 30 november 2014 voor eerder genoemde werkgever van € 4.282,02, aangevuld met een WW-uitkering overeenkomstig haar WW-specificatie van 19 december 2014 van € 321,40 bruto voor de duur van vier weken. Voorts wordt in ieder geval voor de periode tot en met september 2014 uitgegaan van een door de vrouw ontvangen partneralimentatie van € 870,- bruto per maand. Uitgaande van een NBI van de vrouw van € 807,- per maand bedroeg het aan de vrouw toekomende KGB

€ 109,- per maand. Na aftrek van dit KGB van de behoefte van [de minderjarige 1], wordt een behoefte van [de minderjarige 1] voor 2014 in aanmerking genomen van (afgerond) € 316,- per maand.

Voor de vaststelling van de behoefte van [de minderjarige 1] voor 2015 wordt het volgende overwogen.

Zijn geïndexeerde behoefte per 1 januari 2015 bedraagt € 428,03 per maand.

Met ingang van 1 januari 2015 hebben alleenstaande ouders die in aanmerking komen voor een kindgebonden budget recht op een verhoging van dit kindgebonden budget met maximaal € 3.050,00 (voor 2015). Deze verhoging wordt de alleenstaande-ouderkop genoemd. In eerdere beschikkingen van deze rechtbank is ten aanzien van de alleenstaande-ouderkop als algemene lijn afgeweken van de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen. In de vergadering van de Expertgroep van 17 april jl. is de aanbeveling besproken en bevestigd. De rechtbank verwacht dat binnen afzienbare tijd aan de Hoge Raad prejudiciële vragen worden gesteld over de wijze van behandeling van het kindgebonden budget en de alleenstaande-ouderkop. Onder beide hiervoor genoemde omstandigheden en in het belang van de rechtseenheid acht de rechtbank het niet aangewezen om thans in zijn algemeenheid nog langer af te wijken van de aanbeveling. In beginsel volgt zij dus de betreffende aanbeveling, tenzij dat in een concreet geval tot een onaanvaardbaar resultaat zou leiden.

Door de vrouw is een toeslagenoverzicht 2015 van de belastingdienst overgelegd waaruit blijkt dat het aan haar toegekende kindgebonden budget (inclusief alleenstaande ouder kop) voor [de minderjarige 1] € 4.426,- bedraagt. De alleenstaande-ouderkop bedraagt € 3.050 op jaarbasis.

Aangaande de vraag of het volgen van de aanbeveling van de expertgroep, inhoudende dat het gehele kindgebonden budget (dus inclusief de alleenstaande-ouderkop) op de behoefte van de minderjarige [de minderjarige 1] in mindering komt, in dit concrete geval tot een onaanvaardbaar resultaat leidt, overweegt de rechtbank het volgende. Hierna zal de rechtbank vaststellen dat behoefte van [de minderjarige 2] geïndexeerd naar 2015 afgerond € 930,- per maand bedraagt en de draagkracht van de man voor 2015 € 1.176,- per maand.

Door het onverkort toepassen van de aanbeveling zou de resterende behoefte van [de minderjarige 1] waar de man in zou moeten voorzien € 59,- per maand bedragen. Gelet op de behoefte van [de minderjarige 2] van € 930,- per maand waar de man en zijn partner ruimschoots in kunnen voorzien, acht de rechtbank dit resultaat onaanvaardbaar, in de zin dat wat van de zijde van de man aan [de minderjarige 1] respectievelijk aan [de minderjarige 2] toevalt volkomen scheef is. Om die reden zal de rechtbank bij de berekening van de behoefte van [de minderjarige 1] de alleenstaande-ouderkop buiten beschouwing laten, waardoor de rechtbank de behoefte van [de minderjarige 1] vaststelt op (afgerond) € 313,- per maand

Behoefte [de minderjarige 2]

Aangaande de behoefte van de minderjarige [de minderjarige 2], het kind van de man en mevrouw [naam] overweegt de rechtbank het volgende.

Bij het bepalen van de behoefte aan een kinderbijdrage hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de tabel eigen aandeel kosten van kinderen en de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen. Daartoe dient allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man en zijn nieuwe partner te worden bepaald voor 2014, waarvan bij het bepalen van dat eigen aandeel kosten kinderen moet worden uitgegaan. Het NBI is de som van het bruto-inkomen, inclusief vakantietoeslag en de werkelijke inkomsten uit vermogen, verminderd met de belastingen en premies die de onderhoudsgerechtigde daarover verschuldigd is, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking zijn genomen. Redelijke (aftrekbare) pensioenlasten en de premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering worden ook in aanmerking genomen, ongeacht of deze voortvloeien uit een collectief contract of een individuele pensioenregeling. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het hebben van een eigen woning in de zin van de Wet IB 2001 (eigenwoningforfait en aftrek van hypotheekrente) en/of met de voor de financiering van de woning noodzakelijke premies voor verzekeringen en aflossingen. Ook wordt geen rekening gehouden met de fiscale gevolgen van de bijtelling vanwege een auto van de zaak.

Aan de zijde van de man zal daartoe worden uitgegaan van zijn salarisstrook over december 2014 waaruit een loon voor loonheffing naar voren komt van € 82.736,28 minus de fiscale bijtelling van € 10.376,32 voor het gebruik van een privé-auto. Derhalve wordt een loon voorn loonheffing in aanmerking genomen van € 72.359,96. Uitgaande van de algemene heffingskorting en arbeidskorting bedraagt het NBI van de man aldus: € 3.608,- per maand.

Aan de zijde van de partner van de man, mevrouw [naam], wordt blijkens haar salarisstrook over periode 11 van 2014, uitgegaan van een bruto salaris van € 2.459,- per vier weken, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Voorts wordt rekening gehouden met een inhouding van € 159,48 per maand aan pensioenpremie. Uitgaande van de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting, bedraagt het NBI van de partner van de man aldus: € 2.177,- per maand.

Op grond van het gezamenlijk netto besteedbaar inkomen van de man en zijn partner en uitgaande van 4 KB-punten bedraagt de behoefte van [de minderjarige 2] in 2014 € 923,- per maand. De man en zijn partner komen niet in aanmerking voor een KGB. Geïndexeerd naar 2015 heeft [de minderjarige 2] een behoefte van afgerond € 930,- per maand.

De vrouw heeft, uitgaande van het inkomen in 2014, vermeerderd met de partneralimentatie van de man, alsmede uitgaande van haar huidige inkomen per 2 maart 2015 bij genoemde werkgever, een inkomen dat lager ligt dan de bijstandsnorm voor een alleenstaande. Gelet hierop heeft de vrouw geen draagkracht om in de kosten van [de minderjarige 1] bij te dragen.

Vervolgens dient te worden beoordeeld in hoeverre de man financiële draagkracht heeft om naar rato van de behoeftes van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1], in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] bij te dragen.

Draagkracht 2014

Het bedrag aan draagkracht wordt voor 2014 vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 860)]. Indien sprake is van fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, dient de draagkracht met dit bedrag te worden verhoogd. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 1.500,- dan wel € 1525,-) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing. Uitgaande van de hiervoor vermelde gegevens betreffende de salarisstrook van de man over december 2014 en rekening houdend met de aftrek van de fiscale bijtelling voor het gebruik van een privé-auto, alsmede uitgaande van de algemene heffingskorting en arbeidskorting, bedraagt het NBI van de man van € 3.608,- per maand. Op grond van voormelde formule heeft de man een draagkracht van € 1.215,- - inclusief fiscaal voordeel. De partner van de man heeft bij een NBI van € 2.177,- een draagkracht van (afgerond) € 464,- per maand.

Gelet op het voorgaande komt van de behoefte van [de minderjarige 2] naar rato van de draagkracht van de man en zijn partner in 2014 op een bedrag van 1215/1679 x € 923 = (afgerond)

€ 668,- voor rekening van de man. Gelet op het voorgaande beschikt de man in 2014 ruimschoots over voldoende draagkracht om in de behoefte van beide kinderen te kunnen voorzien. Nu geen sprake is van een zorgregeling tussen de man en de [de minderjarige 1] wordt geen rekening gehouden met zorgkorting aan de zijde van de man.

Draagkracht 2015

De draagkracht van de man voor 2015 wordt vastgesteld aan de hand van de formule

70% x [NBI – (0,3 NBI + 875)]. Voor wat betreft 2015 ziet de rechtbank eveneens aanleiding om van het hiervoor in aanmerking bedrag aan loon voor loonheffing van

€ 72.359,96 uit te gaan. Uitgaande van algemene heffingskorting en arbeidskorting bedraagt het NBI van de man per 1 januari 2015 op grond hiervan € 3.652,- per maand. Uitgaande van de draagkrachtformule voor 2015 heeft de man een draagkracht van € 1.176,- per maand. Ten aanzien van de partner van de man gaat de rechtbank bij gebrek

aan gegevens uit van een draagkracht gelijk aan dezelfde gegevens als in in 2014. Uitgaande van de algemene heffingskorting en arbeidskorting bedraagt het NBI van de partner van de man € 2190,- per maand, hetgeen een draagkracht met zich brengt van € 460,- per maand. Gelet op het voorgaande komt van de behoefte van [de minderjarige 2] in 2015 naar rato van de draagkracht van de man en zijn partner een bedrag van 1176/1636 x € 930,-= (afgerond) = € 670,- per maand voor rekening van de man. Gelet op het voorgaande beschikt de man in 2015 over voldoende draagkracht om in de behoefte van beide kinderen te voorzien. Nu geen sprake is van een zorgregeling tussen de man en de [de minderjarige 1] wordt geen rekening gehouden met zorgkorting aan de zijde van de man.

Vervolgens zal de rechtbank beoordelen in hoeverre de man financiële draagkracht heeft voor de voldoening van een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw.

Partneralimentatie

De rechtbank gaat wederom uit van hiervoor genoemde bedrag aan loon voor loonheffing van € 72.359,96 aan de zijde van de man. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is, of per 1 maart 2015 rekening dient te worden gehouden met de door de man opgevoerde helft van de hypotheekrente van € 8.136,- per jaar en de helft van het eigen woningforfait van € 1.181,-. Daargelaten of de aankoop van een woning door de man en zijn partner als een rechtens relevante wijziging van omstandigheden is aan te merken, toont de enkele overlegging van een hypotheekofferte naar het oordeel van de rechtbank nog niet aan dat de man hypotheekrente is verschuldigd per 1 maart 2015, zodat de rechtbank hier niet van zal uit gaan. Uitgaande van de algemene heffingskorting en arbeidskorting bedraagt het NBI van de man op grond van vorenstaande gegevens € 3.656,- per maand.

De rechtbank houdt in 2014 en 2015 rekening met de volgende niet betwiste maandlasten van de man:

- de helft van kale huur, zijnde (afgerond): € 403,-;

- de nominale premie zorgverzekering: € 95,-;

- de premie voor een aanvullende zorgverzekering: € 54,-

- verplicht eigen risico: € 31,-.

De rechtbank houdt geen rekening met de helft van de ondergrens huursubsidie. Uit het rapport van de expertgroep Alimentatienormen volgt niet dat bij het delen van de woonlasten, tevens de ondergrens huursubsidie voor de helft in aanmerking moet worden genomen, zodat aan deze stelling van de man voorbij zal worden voorbij gegaan. Van een aanpassing van het bedrag van de ondergrens huursubsidie zou pas sprake zijn indien bij het delen van de woonlast wordt uitgekomen op een bedrag lager dan de ondergrens hetgeen hier niet het geval is.

Uitgaande van vorenstaande financiële gegevens en rekening houdend met de algemene heffingskorting en arbeidskorting, de bijstandsnorm voor een alleenstaande, de fiscale consequenties, en een draagkrachtpercentage van 60, is de man naast de betaling van de hiervoor becijferde kinderalimentatie voor [de minderjarige 1] en naast de door hem bij te dragen kosten voor [de minderjarige 2], met ingang van 11 oktober 2014 tevens in staat tot betaling van de hiervoor vermelde geïndexeerde bedragen aan partneralimentatie voor 2014 en 2015.

De rechtbank acht deze bedragen redelijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Dit brengt met zich dat het verzoek tot wijziging van de partneralimentatie zal worden afgewezen.

Terugbetaling

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het beperkte inkomen van de vrouw, ervan uit moet worden gegaan dat de inmiddels ontvangen bedragen aan kinderalimentatie zullen zijn geconsumeerd en van de vrouw niet kan worden gevergd dat zij de teveel ontvangen bedragen aan kinderalimentatie aan de man dient terug te betalen. Derhalve zal de rechtbank met ingang van heden de kinderalimentatie voor [de minderjarige 1] bepalen op € 316,- per maand.

Proceskosten

Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank d.d. 28 februari 2011 – :

bepaalt de door de man met ingang van heden te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige:

- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

op € 316,- per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.M. Braun, in tegenwoordigheid van P.J. Kolenbrander als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 mei 2015.