Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:5392

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-05-2015
Datum publicatie
12-05-2015
Zaaknummer
09/819094-14 & 09/157243-14 (ttz.gev.)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is een in Den Haag bekende activist, die al bijna 10 jaar demonstreert – onder meer in de Grote Marktstraat – tegen de bezetting door de staat Israël in de Palestijnse gebieden. Hij maakt daarbij gebruik van een protestbord met daarop teksten die voor sommige voorbijgangers provocerend kunnen zijn. Tussen één voorbijganger en verdachte is een heftige woordenwisseling ontstaan, waarna verdachte die voorbijganger een duw heeft gegeven en een trap in diens buik, waardoor deze ten val is gekomen. Deze mishandeling heeft voor het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel tot gevolg gehad. De rechtbank heeft verdachte hiervoor veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank heeft verdachte van de overige twee feiten waarvoor hij is vervolgd – zakelijk weergegeven als: het in het openbaar aanzetten tot gewelddadig optreden tegen c.q. het zich in het openbaar opzettelijk beledigend uitlaten over Joden wegens hun ras en/of godsdienst alsmede het opzettelijk beledigen van een bevriend staatshoofd – vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/819094-14 (dagvaarding I);

09/157243-14 (dagvaarding II; ttz. gev.)

Datum uitspraak: 12 mei 2015

Tegenspraak

(Promis vonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1940 te ‘s-Gravenhage,

BRP-adres: [adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 28 april 2015.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie
mr. I. Doves en van wat door de raadsvrouw van verdachte mr. C.J.M. van den Brûle, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

(bij dagvaarding I)

hij op of omstreeks 10 augustus 2014 te Den Haag aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten het syndroom van Ogilvie althans paralytische ileus, althans een verwijde dikke darm en/of één althans meerdere breuken in het bekken), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met geschoeide voet en met kracht in de buik en/of maag te trappen en/of schoppen en/of tegen het lichaam te duwen waardoor die [slachtoffer 1] op de grond is gevallen;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 augustus 2014 te Den Haag opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), met geschoeide voet en met kracht in de buik en/of maag heeft getrapt en/of geschopt en/of tegen het lichaam heeft geduwd waardoor die [slachtoffer 1] op de grond viel, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (te weten het syndroom van Ogilvie althans paralytische ileus, althans een verwijde dikke darm en/of één althans meerdere breuken in het bekken), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(bij dagvaarding II)

1.

hij op of omstreeks 16 juli 2014 te 's-Gravenhage, in het openbaar (namelijk op het Buitenhof te Den Haag), mondeling, heeft aangezet tot discriminatie van mensen, te weten Joden, en/of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen, te weten Joden, wegens hun ras en/of godsdienst, door te roepen/zeggen, ‘ze moeten alle joden de strot afsnijden’ en/of ‘'ze moeten alle Nederlandse Joden de strot afsnijden' of woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

en/of

hij op of omstreeks 16 juli 2014 te 's-Gravenhage, zich in het openbaar, (namelijk op het Buitenhof te Den Haag), mondeling, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden, wegens hun ras en/of godsdienst, door opzettelijk beledigend te roepen/zeggen, ‘ze moeten alle joden de strot afsnijden’ en/of 'ze moeten alle Nederlandse Joden de strot afsnijden', of woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 juli 2014 te 's-Gravenhage, opzettelijk beledigend [slachtoffer 2] in diens/dier tegenwoordigheid en/of in het openbaar (namelijk op het Buitenhof te Den Haag) mondeling heeft toegevoegd de woorden, ‘ze moeten alle joden de strot afsnijden’ en/of 'ze moeten alle Nederlandse Joden de strot afsnijden', althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

2.

ter berechting gevoegd: 09-214987-13

hij op of omstreeks 30 september 2013 te 's-Gravenhage opzettelijk het hoofd en/of lid van de regering van een bevriende staat, te weten Shimon Peres, de president van Israël, heeft beledigd door in diens tegenwoordigheid en/of in het openbaar (te weten op het Carnegieplein 2 althans in de directe omgeving van het Vredespaleis) een bord te tonen althans bij zich te houden met daarop een afbeelding van de Palestijnse vlag met daarbij de tekst 'Free Palestine' en een afbeelding van de Israëlische vlag met daaroverheen een verbodsteken geplaatst met boven de afbeelding de tekst 'Boycott' en onder de afbeelding de tekst 'Israël' en met daaronder de tekst 'JUDEO, NAZI, NOT WELCOME' terwijl president Shimon Peres op dat moment in de uitoefening van zijn ambt in Nederland verbleef.

3. Vrijspraak ten aanzien van het bij dagvaarding II onder 1 primair, eerste en tweede cumulatief/alternatief, en 1 subsidiair ten laste gelegde

3.1

Inleiding

Op 16 juli 2014 stond verdachte met een protestbord met daarop teksten – onder meer – gericht tegen de aanwezigheid van Israël in de Palestijnse gebieden op het Buitenhof in Den Haag. Tussen verdachte en een voorbijganger heeft vervolgens een woordenwisseling plaatsgevonden.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het bij dagvaarding II onder 1 primair, eerste en tweede cumulatief ten laste gelegde – te kwalificeren als het in het openbaar aanzetten tot gewelddadig optreden tegen Joden wegens hun ras en/of godsdienst respectievelijk het zich mondeling in het openbaar beledigend uitlaten over Joden wegens hun ras en/of godsdienst – wordt bewezen verklaard. Zij acht op basis van de verklaring van getuige [getuige 1] bewezen dat verdachte “ze moeten alle joden de strot afsnijden” heeft gezegd.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het bij dagvaarding II onder 1 primair, eerste en tweede cumulatief/alternatief, en 1 subsidiair ten laste gelegde vrijspraak bepleit.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de voorhanden zijnde dossierstukken en het verhandelde ter terechtzitting weliswaar vaststaat dat er op 16 juli 2014 op het Buitenhof in Den Haag een woordenwisseling tussen verdachte en de aangever [slachtoffer 2] heeft plaatsgevonden, maar dat op grond daarvan niet kan worden vastgesteld wat er precies door de verdachte is gezegd en in welke context dat is geschied.

Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij door verdachte werd aangesproken met de vraag of hij Joods was. Toen aangever deze vraag bevestigend beantwoordde, heeft verdachte vervolgens tegen hem gezegd: “Ze moeten alle Nederlandse Joden de strot afsnijden”. Vervolgens heeft verdachte de aangever met het protestbord dat hij bij zich had, geslagen, waarna de aangever een klap op zijn schouder voelde.

Getuige [getuige 2], die samen met aangever was, heeft verklaard dat aangever verdachte aansprak. Vervolgens zei verdachte dat ze alle Nederlandse Joden de keel moesten doorsnijden. Deze getuige heeft daarna gezien dat verdachte met het protestbord slaande bewegingen richting aangever maakte en dat aangever zich uit de voeten maakte.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat aangever [slachtoffer 2] en getuige [getuige 2]zijn protestbord wilden afpakken en dat hij zich daartegen heeft verdedigd door het bord vast te houden. Hij ontkent dat hij tegen hen zou hebben gezegd: “Ze moeten alle Nederlandse Joden de strot afsnijden”. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij, in reactie op een opmerking van [getuige 2] “Israel forever”, gezegd heeft dat ze de 700.000 Joden die illegaal in de door Israël bezette gebieden wonen ’s nachts de strot moeten afsnijden.

Getuige [getuige 1] bevestigt de lezing van verdachte over het gebeuren in zoverre dat aangever [slachtoffer 2]en getuige [getuige 2] het protestbord van verdachte wilden afpakken, maar deze getuige heeft ook verklaard dat daaraan een gesprek tussen verdachte en hem is vooraf gegaan, waarbij verdachte in reactie op zijn vraag wat hij ervan zou vinden als de Israëliërs hun wapens neer zouden leggen, antwoordde dat hij hoopt dat ze alle Joden hun strot afsnijden. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij getuige [getuige 1] niet heeft gehoord en ook niet met hem heeft gesproken. [slachtoffer 2] en [getuige 2] hebben evenmin verklaard over de aanwezigheid van een andere omstander.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van aangever [slachtoffer 2], getuige [getuige 2], getuige [getuige 1] en verdachte onderling te zeer uiteenlopen om precies te kunnen vaststellen wat verdachte heeft gezegd en in welke context dit is gebeurd. Voor een beoordeling van het tenlastegelegde is het echter noodzakelijk dat de gebruikte bewoordingen met voldoende zekerheid vaststaan. Nu dit niet het geval is zal verdachte van het bij dagvaarding I onder 1 primair, eerste en tweede cumulatief, of het onder 1 subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

4 Vrijspraak ten aanzien van het bij dagvaarding II onder 2 ten laste gelegde

4.1.

Inleiding

Op 30 september 2013 omstreeks 09.50 uur is verdachte aangekomen op het Carnegieplein om te protesteren tegen een bezoek van Shimon Peres, indertijd president van Israël, aan het Vredespaleis. Verdachte had pamfletten en een groot protestbord, voorzien van een steel, met daarop diverse teksten gericht tegen Israël bij zich. Nadat de verdachte het bord ondersteboven op de grond tegen een betonblok had neergezet om zijn handen vrij te maken om een meegenomen Palestijnse vlag uit het foedraal te halen, is een surveillerende agent naar verdachte toegelopen om te vragen wat er op het bord stond. Deze agent zag dat op de achterzijde van het bord het woord “NAZI” zichtbaar was. Verdachte heeft toen het bord uit de handen van de agent getrokken. Deze agent zag vervolgens dat er op de achterzijde van het bord de volgende tekst stond: “JUDEO NAZI NOT WELCOME”. Verdachte is toen aangehouden. Kort na zijn aanhouding arriveerde Shimon Peres op het Carnegieplein voor zijn bezoek aan het Vredespaleis. De agenten hebben verdachte daarop belet het bord omhoog te houden.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het bij dagvaarding II onder 2 ten laste gelegde wordt bewezenverklaard.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het bij dagvaarding II onder 2 ten laste gelegde vrijspraak bepleit.

4.4

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank is van oordeel dat het bij dagvaarding II onder 2 tenlastegelegde niet kan worden bewezen en dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

Voor een bewezenverklaring van een in artikel 118 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde gedraging, in dit geval belediging van een bevriend staatshoofd, zijnde een bijzondere vorm van belediging is vereist, dat ook de bestanddelen van de delictsomschrijving van eenvoudige belediging als bedoeld in artikel 266 van het Wetboek van Strafrecht worden vervuld. Een belediging bij afbeelding, zoals ten laste gelegd, moet niet alleen opzettelijk, maar ook in tegenwoordigheid van de beledigde dan wel in het openbaar zijn gedaan.

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting staat vast dat voorafgaand aan de aanhouding van de verdachte ter zake van overtreding van genoemd wetsartikel, Shimon Peres, de president van Israël, niet tegenwoordig is geweest. Verdachte is immers aangehouden vóórdat Shimon Peres arriveerde bij het Vredespaleis en heeft het bord niet kunnen tonen.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of verdachte het in de tenlastelegging genoemde bord in het openbaar heeft getoond dan wel het bord in het openbaar bij zich heeft gehouden. Uit het proces-verbaal van aanhouding en uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting leidt de rechtbank af dat verdachte voorafgaand aan het tijdstip van zijn aanhouding het in de tenlastelegging genoemde bord nog niet had getoond. Integendeel, op het moment dat de verbalisanten naar verdachte toeliepen, had verdachte het bord ondersteboven neergezet tegen een betonblok met de tekst aan de achterzijde. Op dat moment was de tenlastegelegde tekst van het bord niet zichtbaar voor derden. Verdachte heeft door ingrijpen van de politie het bord niet kunnen tonen.

Evenmin kan op grond van dit proces-verbaal en de verklaring van verdachte worden vastgesteld dat verdachte voorafgaand aan zijn aanhouding in de directe omgeving van het Vredespaleis – de tenlastegelegde locatie – het bord bij zich heeft gehouden op een wijze dat de tekst van dat bord voor anderen zichtbaar is geweest. Dit betekent dat het delictsbestanddeel ‘in het openbaar’ niet is vervuld, zodat het ten laste gelegde feit reeds om deze reden niet is bewezen. Nu dit het geval is komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de vraag of de tekst op het bord dat verdachte bij zich had voor

Shimon Peres een beledigend karakter heeft.

5 Bewijsoverwegingen ten aanzien van het bij dagvaarding I ten laste gelegde

5.1

Inleiding1

De rechtbank gaat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 10 augustus 2014 stond verdachte in de Grote Markstraat in Den Haag ter hoogte van de Albert Heijn met een protestbord met daarop de tekst “ Stand up Palestina”2 te demonstreren tegen de staat Israël.3 [slachtoffer 1] zag verdachte daar staan en sprak verdachte aan4, waarop een woordenwisseling tussen hen is ontstaan.5

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of kan worden bewezen dat verdachte vervolgens [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht (primair tenlastegelegde feit) dan wel dat de door de verdachte gepleegde handeling(en) als mishandeling kan c.q. kunnen worden gekwalificeerd, terwijl die mishandeling zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad (subsidiair ten laste gelegd feit).

5.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het bij dagvaarding I als primair ten laste gelegde feit wordt bewezenverklaard.

De officier van justitie acht op basis van de verklaring van getuige [getuige 3] bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] een zet heeft gegeven en vervolgens een harde trap tegen de buik van [slachtoffer 1], waardoor deze op de grond is gevallen.
De forensisch arts constateert dat er zeer waarschijnlijk een causaal verband bestaat tussen de trap in de buik met als gevolg dat [slachtoffer 1] is gevallen en twee breuken in het bekken heeft opgelopen en het bij [slachtoffer 1] ontstane syndroom van Ogilvie. Door met verharde en verzwaarde bergschoenen een trap te geven tegen de buik van een oudere met een wandelstok lopende man en daardoor een kwetsbaar slachtoffer, heeft verdachte willens en wetens de kans genomen dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, nu voorzienbaar was dat een dergelijke trap zo hard zou aankomen dat die voor ernstig letsel zou kunnen zorgen.

5.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak ten aanzien van het bij dagvaarding I als primair en als subsidiair ten laste gelegde feit bepleit.

Daartoe is door de verdediging gesteld dat verdachte – nadat een korte woordenwisseling tussen [slachtoffer 1]en verdachte was ontstaan – [slachtoffer 1] in een reflex van schrik en angst van zich heeft afgeduwd, waarna deze ten val is gekomen. Verdachte heeft niet getrapt en is daar gelet op zijn fysieke beperkingen ook niet toe in staat. Ten aanzien van het van zich afduwen is opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet bewezen. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde is door de verdediging aangevoerd dat het causaal verband tussen de gedraging van de verdachte en het bij aangever door de forensisch arts D. Botter geconstateerde lichamelijk letsel (het syndroom van Ogilvie, een paralytische ileus, een verwijde dikke darm en/of één althans meerdere breuken in het bekken) niet als vaststaand kan worden aangemerkt, aangezien dit later ontstane letsel niet noodzakelijkerwijs het gevolg is van de duw en het daaruit ontstane letsel.

5.4

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank is van oordeel dat de lezing van aangever met betrekking tot wat na de woordenwisseling is voorgevallen voldoende wordt ondersteund door de verklaringen van de getuige [getuige 3]. Dat de verklaringen verschillen over de precieze plaats waar de trap is gegeven - buik of borst - , maakt niet dat die verklaringen niet bruikbaar zijn, zoals de verdediging heeft aangevoerd. Daarbij komt dat de getuige [getuige 3] zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat verdachte aangever eerst heeft geduwd voordat hij de trap gaf, hetgeen aansluit bij de verklaring van verdachte.

Uit deze verklaringen en de voorhanden zijnde NFI-rapportages over het lichamelijk letsel van [slachtoffer 1] leidt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden af.

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte na de woordenwisseling plotseling met zijn voet en met kracht een voorwaartse trap gaf in zijn buikstreek.6 Getuige [getuige 3] verklaart dat verdachte een frontkick, die hij omschrijft als een voorwaartse trap met de onderkant van de schoen, gaf die op de bovenborst van aangever terechtkwam, maar verklaart ook te hebben gezien dat verdachte daaraan voorafgaand aangever een duw heeft gegeven.7

Verdachte heeft aangevoerd dat hij kunstknieën heeft en om die reden niet in staat is om een trap te geven. Nu deze stelling niet nader is onderbouwd met medische stukken, zal de rechtbank evenwel uitgaan van de duidelijke verklaringen van [slachtoffer 1] en [getuige 3]. Volgens verdachte heeft hij aangever die duw gegeven, nadat deze tegen hem had gezegd:

"I kill you". Getuige [getuige 3] heeft dat niet gehoord, maar wel wat verdachte vervolgens naar eigen zeggen tegen de aangever heeft gezegd: "Kill me then".8 In zoverre wordt de lezing van verdachte ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige 3]. Volgens aangever is hij na die trap achterover op zijn rug op de grond gevallen,9 hetgeen eveneens door getuige [getuige 3] wordt bevestigd.10

Uit het NFI-rapport van 22 december 2014 van forensisch arts D. Botter blijkt dat er op de dag van de mishandeling in het ziekenhuis een röntgenfoto van het bekken van [slachtoffer 1] is gemaakt, waarop twee breuken in het bekken zijn te zien.11 Twee dagen na de mishandeling is aangever in verband met acute buikklachten in het ziekenhuis opgenomen. Als mogelijke oorzaak van die klachten – de rechtbank begrijpt diagnose – is in het medisch dossier van [slachtoffer 1] het syndroom van Ogilvie vermeld. Gelet op het ontstaan van die klachten in directe aansluiting op het bekkentrauma, is het volgens deskundige Botter zeer waarschijnlijk dat het syndroom van Ogilvie daardoor bij de heer [slachtoffer 1] is veroorzaakt. Eén dag nadat hij in het ziekenhuis was opgenomen, heeft aangever een buikoperatie ondergaan, waarbij de diagnose werd bevestigd.12 Het syndroom van Ogilvie is een darmaandoening, bestaande uit een opgezette buik en een sterk uitgezette dikke darm.13

Deskundige Botter concludeert in zijn rapport dat er een causaal verband bestaat tussen het letsel en de trap in de maag. Daartoe stelt hij dat de breuken in het bekken zeer waarschijnlijk zijn veroorzaakt door de val die het gevolg zou zijn geweest van een trap tegen de buik. Daarbij is het eveneens zeer waarschijnlijk dat het opgetreden syndroom van Ogilvie het gevolg was van het bekkentrauma.14

In zijn aanvullend rapport van 1 april 2015 dat naar aanleiding van de door de verdediging gestelde vragen is opgemaakt, vermeldt deskundige Botter nog het volgende. De fracturen in het bekken zijn veroorzaakt door inwerking van uitwendig stomp botsend mechanisch geweld. Meest waarschijnlijk is de fractuur het gevolg geweest van een val tegen harde ondergrond. De oorzaak van de val (schop, duw of anderszins) is niet herleidbaar uit de bekkenbreuk. Het is echter niet geheel uit te sluiten dat de breuken in het bekken rechtstreeks zijn ontstaan door een harde trap tegen de buik ter hoogte van het bekken.15

Op grond hiervan staat voor de rechtbank genoegzaam vast dat de door de verdachte gepleegde mishandeling waardoor het slachtoffer achterover op straat is gevallen, zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad. De dubbele bekkenbreuk in combinatie met de darmaandoening waarvoor een buikoperatie noodzakelijk was, merkt de rechtbank aan als zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank is evenwel met de verdediging van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzet - ook niet in voorwaardelijke zin - heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever [slachtoffer 1]. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken ter zake van het aan hem bij dagvaarding I onder primair tenlastegelegde feit. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals in deze zaak zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld heeft verdachte het slachtoffer één keer geduwd en hem vervolgens met geschoeide voet een trap in zijn buik gegeven.

Dat het slachtoffer daardoor is gevallen is een gevolg dat voor verdachte voorzienbaar was en hem redelijkerwijs kan worden toegerekend, maar dat die val vervolgens het bij het slachtoffer ontstane zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad, had verdachte niet kunnen dan wel moeten voorzien. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank zal daarom verdachte vrijspreken van het bij dagvaarding I primair ten laste gelegde feit.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bij dagvaarding I subsidiair ten laste gelegde kan worden bewezenverklaard.

5.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

op 10 augustus 2014 te Den Haag opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer 1], met geschoeide voet en met kracht in de buik heeft getrapt en tegen het lichaam heeft geduwd waardoor die [slachtoffer 1] op de grond viel, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (te weten het syndroom van Ogilvie en meerdere breuken in het bekken) heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging betoogd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aangezien sprake is geweest van noodweer. Daartoe is aangevoerd dat verdachte aangever een duw heeft gegeven nadat hij door aangever werd belaagd en bedreigd met de dood.

De rechtbank verwerpt het verweer, aangezien niet aannemelijk is gemaakt c.q. geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijk aanranding door aangever, waartegen noodzakelijke verdediging was geboden. Zelfs indien wordt uitgegaan van de verklaring van verdachte, dat hij van achter bij zijn schouder werd vastgepakt en dat [slachtoffer 1] zou hebben gezegd “I kill you” levert dat niet zo’n situatie op. Van een fysieke aanval is immers met het vastpakken bij de schouder geen sprake. De reactie van verdachte met de opmerking “well, kill me then” past ook niet bij de door de verdediging geschetste aanranding. Daarbij komt dat uit de verklaring van getuige [getuige 3] bij de rechter-commissaris volgt dat verdachte één a twee minuten met [slachtoffer 1] in gesprek is geweest en dat [slachtoffer 1] verdachte na voornoemde woorden van verdachte heeft gezegd “dat/het is niet mijn bedoeling”. Ook daaruit volgt niet dat van een noodweersituatie sprake was zoals door de verdediging geschetst.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

7 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

Door de verdediging is subsidiair ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 1 subsidiair ten laste gelegde een beroep gedaan op noodweerexces.

Daartoe is aangevoerd dat verdachte de noodzakelijke verdediging heeft overschreden als gevolg van de hevige gemoedsbeweging die aangever door zijn opdringen en bedreiging met de dood heeft veroorzaakt. Nu, zoals overwogen onder 6 van dit vonnis, een noodweersituatie niet aannemelijk is geworden, kan ook het beroep op noodweerexces niet slagen.

8 De strafoplegging

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot 180 uur taakstraf subsidiair 90 dagen hechtenis en 180 dagen gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, waarvan 156 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft na een korte woordenwisseling op straat een hem onbekende man geduwd en een trap in diens buik gegeven, waardoor deze op straat is gevallen. Deze mishandeling heeft ernstig en blijvend lichamelijk letsel voor het slachtoffer tot gevolg gehad.

Door de val heeft het slachtoffer breuken in het bekken opgelopen, welke breuken hebben geleid tot het syndroom van Ogilvie, een complexe darmaandoening, die ernstige gevolgen kan hebben.

Voor dit agressieve handelen is geen enkele rechtvaardiging, ook niet, zoals verdachte heeft aangevoerd, in het geval dat het slachtoffer heftige woorden tegen verdachte heeft geuit. In het nadeel van verdachte laat de rechtbank meewegen dat de mishandeling op straat in aanwezigheid van omstanders heeft plaatsgevonden.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met het op naam van verdachte staande uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 31 maart 2015, waaruit blijkt dat verdachte geen recente veroordelingen heeft en niet eerder is veroordeeld voor mishandeling.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. In het bijzonder overweegt de rechtbank dat verdachte inmiddels tien jaar demonstreert op – onder meer – de Grote Marktstraat tegen Israël en daarbij gebruik maakt van een protestbord met daarop teksten die voor sommige voorbijgangers provocerend kunnen zijn. Niet gebleken is dat dit eenmansprotest eerder heeft geleid tot gewelddadige incidenten. Tegen deze achtergrond ziet de rechtbank geen aanleiding om een gedeeltelijk voorwaardelijke straf op te leggen. Omdat de rechtbank het (voorwaardelijk) opzet tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet bewezen acht, acht zij een kortere taakstraf dan door de officier van justitie is gevorderd passend en geboden.

9 De vordering van de benadeelde partij

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding met verwijzing van de benadeelde partij naar de civiele rechter. Daartoe heeft zij gesteld dat de vordering onduidelijk is, nu de daarbij gevoegde casus uit de Smartengeldgids niet vergelijkbaar is, waardoor de vordering onvoldoende is onderbouwd en om die reden een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in de vordering bepleit. Daarbij is verwezen naar wat de officier van justitie over de vordering heeft gesteld en ook dat er teveel onduidelijkheden zijn over het causale verband en de gevorderde immateriële schade.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

[slachtoffer 1], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot vergoeding van immateriële schade van € 3.500,- wegens het bij dagvaarding I ten laste gelegde feit, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

De rechtbank acht deze vordering, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van € 1.000,00 als vergoeding van de immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar, nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij tot dit bedrag rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bij dagvaarding I subsidiair bewezenverklaarde feit, nu hij fysiek letsel in de vorm van een dubbele bekkenbreuk en darmletsel heeft opgelopen.
De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 10 augustus 2014 is ontstaan.

De rechtbank zal het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat onduidelijk is in welke mate de medische predispositie van het slachtoffer en zijn opstelling tijdens de behandeling van invloed zijn geweest op de ernst van de klachten, het ontstaan van medische complicaties en de snelheid en mate van medisch herstel. Aldus is niet vast te stellen in hoeverre verdachte aansprakelijk is voor schade die uitstijgt boven het hierboven genoemde bedrag van € 1.000,00. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

10 De schadevergoedingsmaatregel

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bij dagvaarding I subsidiair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.000,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 10 augustus 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1].

11 De inbeslaggenomen goederen

11.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 1 en 2 genummerde voorwerpen, te weten een vlaggenstok (met zwarte vlag) en een protestbord, zullen worden teruggegeven aan de verdachte.

11.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de onder 1 en 2 genummerde voorwerpen aan de verdachte terug te geven.

11.3

Het oordeel van de rechtbank

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van de op de beslaglijst onder 1 en 2 genummerde voorwerpen.

12 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 22c, 22d, 36f, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

13 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I primair tenlastegelegde feit en de bij dagvaarding II onder 1 primair, eerste en tweede cumulatief/alternatief, en onder 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

- mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 150 (HONDERDVIJFTIG) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 75 (VIJFENZEVENTIG) DAGEN;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1], een bedrag van € 1.000,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 10 augustus 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan.

bepaalt dat de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.000,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 10 augustus 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen.

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

gelast de teruggave aan de verdachte van de op de beslaglijst onder 1 en 2 genummerde voorwerpen, te weten:

1. STK Vlaggenstok, met zwarte vlag;

1. STK Bord, protestbord.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.C. Hartendorp, voorzitter,

mr. G.P. Verbeek, rechter,

mr. M.J.J Visser, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Gest, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 mei 2015.

Mr. Visser is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een bundel processen-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL 1500-2014183809, van de politie eenheid Den Haag, HGL district Den Haag/Centrum, HGL bureau Jan Hendrikstraat, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 55 en ongenummerd Vervolg-Proces-Verbaal (-1, -2 en -3)).

2 Proces-verbaal van verhoor getuige[getuige 3], p. 38.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 53.

4 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1], p. 23.

5 Proces-verbaal van verhoor van getuige[getuige 3], op 8 januari 2015 opgemaakt door C.H.M. Royakkers, rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag, en I.M. Sinon, griffier, alineanr. 5.

6 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] p. 23-24.

7 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] op 8 januari 2015 opgemaakt door C.H.M. Royakkers, rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag, en I.M. Sinon, griffier, alineanrs. 5 en 19.

8 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3], op 8 januari 2015 opgemaakt door C.H.M. Royakkers, rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag, en I.M. Sinon, griffier, alineanr. 5 en 15.

9 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1], p. 24.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige[getuige 3], p. 39.

11 Verslag van een deskundige, zijnde een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, kenmerk 2014.10.06.081, op 22 december 2014 opgemaakt door D. Botter, forensisch arts KNMG (hierna: NFI rapport), p. 4.

12 NFI rapport, p. 6-7.

13 NFI rapport, p. 5-6.

14 NFI rapport, p. 7.

15 Verslag van een deskundige, zijnde een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, kenmerk 2014.10.06.081, op 1 april 2015 opgemaakt door D. Botter, forensisch arts KNMG), p. 1.