Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:5326

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-05-2015
Datum publicatie
08-05-2015
Zaaknummer
09/711508-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van mensenhandel wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs met betrekking tot de ten laste gelegde handelingen en dwangmiddelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/711508-12

Datum uitspraak: 1 mei 2015

Tegenspraak

(Promis vonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1977 te [geboorteplaats]

BRP-adres: [adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 20 april 2015.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. D.J. de Jong en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. Th.U. Hiddema, advocaat te Maastricht, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 mei 2012 tot en met 7 januari 2013 te 's-Gravenhage, in elk geval (telkens) in Nederland een ander, te weten [slachtoffer]

lid 1, onder 1

(telkens) door dwang en/of geweld en/of een of meerdere andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van [slachtoffer];

en/of

lid 1, onder 4

[slachtoffer] (telkens) door dwang en/of geweld en/of een of meerdere andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of een of meerdere andere feitelijkheden en/of door afpersing en/of door fraude en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten (van seksuele aard), danwel onder de voornoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer], zich daardoor beschikbaar stelde/zou stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten

en/of

lid 1, onder 6

- ( telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer]

en/of

lid 1, onder 9

(telkens) door dwang en/of geweld en/of een of meerdere andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of een of meerdere andere feitelijkheden en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie [slachtoffer] heeft gedwongen danwel bewogen hem, verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handeling(en) van [slachtoffer] met of voor een derde,

immers heeft hij, verdachte,

- [slachtoffer] (met twee van haar kinderen) vanuit Hongarije naar Nederland laten komen en/of

- haar (en de kinderen) in de woning waar hijzelf verbleef ([Verblijfadres]) gehuisvest en/of in die woning ruimte beschikbaar gesteld waar [slachtoffer] zich kon prostitueren en/of

- ( seks)advertenties, althans contactoproepen op internet geplaatst en/of afspraken gemaakt met klanten over gelegenheden en prijzen voor het tegen betaling verrichten van seksuele handelingen met [slachtoffer] en/of

- gecontroleerd en/of geadministreerd hoeveel klanten [slachtoffer] had en hoeveel geld ze daarmee had verdiend en/of betaalafspraken gemaakt met klanten en/of

- het door [slachtoffer] verdiende geld ingenomen, althans aan zich laten afdragen en/of dat geld beheerd en/of (deels) aangewend voor zijn eigen gebruik en/of

- de werktijden van [slachtoffer] als prostituee bepaald en/of

- privé-contacten en/of privé-bezigheden van [slachtoffer] gecontroleerd en/of belemmerd/belet (teneinde haar privé-leven te kunnen beheersen en haar in een geïsoleerde positie te brengen/houden) en/of

- [slachtoffer] gedreigd haar kinderen van haar af te laten nemen en/of

- [slachtoffer] mishandeld - onder meer - wanneer zij niet als prostituee wilde werken en/of wanneer zij hem aansprak op zijn gedrag;

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Op 26 september 2012 deed [Aangever] (hierna: [Aangever]) bij de politie Den Haag aangifte. Op grond van zijn aangifte is het vermoeden ontstaan dat een hier te lande verblijvende Hongaarse man, genaamd [verdachte] (hierna: verdachte) betrokken was bij de uitbuiting van een Hongaarse vrouw, genaamd [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]), in de prostitutie.

Naar aanleiding van deze aangifte is een onderzoek naar mogelijk door verdachte gepleegde mensenhandel gestart. Gedurende dit onderzoek zijn observaties verricht, mobiele telefoons afgeluisterd, historische en toekomstige verkeersgegevens opgevraagd en getuigen gehoord.

Uit vorenstaand onderzoek is bij de politie het vermoeden ontstaan dat [slachtoffer] door verdachte werd uitgebuit.

De vraag die aan de rechtbank ter beantwoording voorligt, is of verdachte ten aanzien van [slachtoffer] zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – mensenhandel in de zin van (een of meer van de subleden van) artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, zoals verwoord in zijn schriftelijke requisitoir, gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de onder eerste, tweede, derde en vierde cumulatief ten laste gelegde modaliteiten van mensenhandel heeft begaan en dat hij zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De officier van justitie heeft daarbij verwezen naar de verklaringen van [slachtoffer], die naar zijn mening voldoende ondersteund worden door de verklaringen van [Aangever] en van de getuige [Getuige] (hierna: [Getuige]). Diverse getuigen verklaren dat verdachte via de internetsite Badoo de klanten voor [slachtoffer] regelde door afspraken met hen te maken. Voorts heeft hij verwezen naar de opgenomen telefoongesprekken tussen verdachte en diverse vrouwen uit Hongarije over het aangaan van een relatie met verdachte en/of het verrichten van prostitutiewerk voor verdachte, nadat [slachtoffer] bij verdachte is weggegaan.

Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat [slachtoffer] door de druk en dwangmiddelen die verdachte op haar heeft toegepast, verminderd in staat was bewuste keuzes te maken. Verdachte heeft misbruik gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en van de kwetsbare positie van [slachtoffer]. Hij heeft haar daarmee geworven, gehuisvest en opgenomen. Voorts heeft verdachte haar prostitutiewerk opgezet en beheerd. Ook heeft verdachte haar gedreigd met de feitelijkheid dat hij zou zorgen dat de kinderen van [slachtoffer] van haar zouden worden afgenomen, indien zij zou stoppen met de prostitutie. Tevens heeft verdachte haar mishandeld.

De officier van justitie is derhalve van mening dat sprake is van een strafbaar feit, zoals omschreven in artikel 273f, eerste lid, sub 1, 4, 6 en 9 Sr, te weten:

  • -

    door geweld en dreiging met andere feitelijkheden en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie, geworven en gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting;

  • -

    [slachtoffer] met die middelen gedwongen en bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard;

  • -

    opzettelijk voordeel getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer];

  • -

    met die middelen [slachtoffer] gedwongen, dan wel bewogen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van haar met een derde.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, zoals verwoord in zijn pleitnota, vrijspraak van de onder eerste, tweede, derde en vierde cumulatief/alternatief ten laste gelegde modaliteiten van mensenhandel bepleit.

Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [slachtoffer] en [Aangever] onbetrouwbaar zijn en derhalve niet tot het bewijs mogen worden gebezigd. Met betrekking tot de verklaringen van de getuige[Getuige] is de raadsman van mening dat deze verklaringen ongeschikt zijn om als belastend (steun)bewijs te dienen, nu hij het belastende niet zelf heeft waargenomen maar achteraf van [slachtoffer] heeft gehoord. Zijn belastende informatie komt dus naar de mening van de raadsman uit een onbetrouwbare bron.

De raadsman heeft zich met betrekking tot de eerste ten laste gelegde modaliteit van mensenhandel op het standpunt gesteld dat het mishandelen van [slachtoffer] en dat verdachte zou hebben gezegd dat hij ervoor zou zorgen dat de kinderen van [slachtoffer] afgenomen zouden worden, niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Ook kunnen de ten laste gelegde handelingen, te weten werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en opnemen niet wettig en overtuigend bewezen worden. Voorts kan naar de mening van de raadsman het oogmerk tot uitbuiting niet wettig en overtuigend bewezen worden. Tevens ontbreekt volgens de raadsman het causaal verband tussen de ten laste gelegde middelen en de handelingen.

Met betrekking tot de tweede ten laste gelegde modaliteit van mensenhandel heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte één of meerdere ten laste gelegde dwangmiddelen heeft toegepast. Ook ontbreekt het causale verband tussen de dwangmiddelen en de ten laste gelegde gedragingen.

Nu er geen sprake is van een uitbuitingssituatie dient verdachte ook van de derde ten laste gelegde modaliteit van mensenhandel te worden vrijgesproken.

Aangezien de als eerste ten laste gelegde middelen naar de mening van de raadsman niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, dient verdachte vrijgesproken te worden van de vierde ten laste gelegde modaliteit van mensenhandel, nu dezelfde middelen ook onder dit feit ten laste zijn gelegd.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat de verklaringen van [slachtoffer] niet tot het bewijs mogen worden gebezigd. Weliswaar zijn er discrepanties tussen de door haar afgelegde verklaringen bij de politie en de rechter-commissaris aanwezig, maar deze zijn niet dermate groot om tot het oordeel te komen dat deze verklaringen onbetrouwbaar zijn. De rechtbank zal derhalve bij de beoordeling van de tenlastelegging mede uitgaan van de verklaringen van [slachtoffer].

Aan verdachte worden vier modaliteiten van mensenhandel verweten, kort gezegd:

a. het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en/of opnemen van [slachtoffer] met het oogmerk van uitbuiting, waarbij er sprake is van dwang, (bedreiging met) geweld en/of andere feitelijkheden, en/of door afpersing, fraude en/of misleiding en/of waarbij misbruik is gemaakt van overwicht en van de kwetsbare positie van die [slachtoffer];

b. door dwang, (bedreiging met) geweld, andere feitelijkheden, en/of afpersing en/of door fraude en/of door misleiding en/of waarbij misbruik is gemaakt van overwicht en van de kwetsbare positie, [slachtoffer] dwingen en/of bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard, dan wel handelingen ondernemen waarvan verdachte wist of had moeten vermoeden dat [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten;

c. het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van [slachtoffer];

d. door dwang, (bedreiging met) geweld of andere feitelijkheden, andere feitelijkheden, afpersing en/of fraude en/of waarbij misbruik is gemaakt van overwicht en van de kwetsbare positie, [slachtoffer] dwingen, dan wel bewegen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met of voor een derde.

Ad a. Artikel 273f, lid 1, sub 1 Sr

Bij de beoordeling van de vraag of in deze zaak mensenhandel als bedoeld in artikel 273f, lid 1, sub 1 Sr, bewezen kan worden, dient – gelet op hetgeen ten laste is gelegd – vastgesteld te worden of er sprake was van een handeling (werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en opnemen), van middelen (in dit geval bestaande uit dwang, geweld, bedreiging met geweld of andere feitelijkheden, andere feitelijkheden, afpersing, fraude, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van de kwetsbare positie). Indien zowel een of meer handelingen als een of meer middelen zijn bewezen, dan dient vervolgens nog worden beoordeeld of er sprake was van een oogmerk van uitbuiting.

Handeling

De rechtbank is – met de raadsman – van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] heeft vervoerd en overgebracht, en zal derhalve verdachte van deze onderdelen in de tenlastelegging vrijspreken. [slachtoffer] is immers op eigen gelegenheid en kosten naar Nederland gereisd.

Met betrekking tot de overige ten laste gelegde handelingen overweegt de rechtbank het navolgende.

Niet ter discussie staat dat verdachte ten tijde van de ten laste gelegde periode samen met [slachtoffer] in de woning aan de [Verblijfadres]heeft verbleven en dat [slachtoffer] in die woning als prostituee heeft gewerkt. Zowel verdachte als [slachtoffer] hebben dit verklaard. Verdachte heeft ook verklaard dat hij deze woning heeft gehuurd om met [slachtoffer] te kunnen samenwonen. Derhalve kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte [slachtoffer] heeft gehuisvest en opgenomen.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft geworven om haar in Nederland in de prostitutie te laten werken en met dat doel heeft gehuisvest. Onduidelijk is gebleven of [slachtoffer] op initiatief van verdachte, dan wel op eigen initiatief naar Nederland is komen, en of zij vanaf het begin al de bedoeling had om in Nederland in de prostitutie te gaan werken.

Op grond van het vorenstaande staat vast dat verdachte handelingen heeft verricht, te weten het huisvesten en opnemen van [slachtoffer], als bedoeld in artikel 273f, lid 1, sub 1 Sr.

Middelen

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat niet of althans onvoldoende is gebleken dat verdachte tegen [slachtoffer] dwang, bedreiging met geweld, afpersing, fraude en misleiding heeft toegepast zodat zij in de prostitutie zou gaan werken, en zal derhalve verdachte van deze onderdelen in de tenlastelegging vrijspreken.

Ook is onvoldoende gebleken dat verdachte geweld tegen [slachtoffer] heeft gebruikt. De verklaring van [slachtoffer] hieromtrent vindt onvoldoende steun in andere bewijsmiddelen. Daarbij overweegt de rechtbank dat zij in dit verband geen acht zal slaan op de verklaringen van [Aangever]. De verklaringen van [Aangever] hebben betrekking op de periode augustus – september 2012. [slachtoffer] heeft echter verklaard – wat hier verder ook van zij - dat zij december 2012 door verdachte is mishandeld. De verklaringen zijn derhalve onderling inconsistent zodat de verklaring van [Aangever] niet als steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer] kan dienen. Dit geldt ook voor de verklaringen van [Getuige]. Hetgeen [Getuige] over de mishandelingen van [slachtoffer], gepleegd door verdachte, heeft verklaard, betreffen immers niet zijn eigen waarnemingen. Hij heeft dit slechts van [slachtoffer] gehoord.

Anders dan de officier van justitie kan naar het oordeel van de rechtbank voorts niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of van de kwetsbare positie van [slachtoffer].

Onvoldoende is gebleken dat [slachtoffer] onder valse voorwendselen naar Nederland is gekomen. Verdachte en [slachtoffer] hadden voorts aanvankelijk een relatie, en toen [slachtoffer] naar Nederland kwam is niet reeds van tevoren afgesproken dat zij in de prostitutie zou gaan werken.

Uit het dossier en ter zitting is onvoldoende gebleken dat binnen deze relatie een ongelijke verhouding bestond, waarbij verdachte het overwicht had. [slachtoffer] was financieel niet afhankelijk van verdachte en zij was niet sociaal geïsoleerd door verdachte. [slachtoffer] kende diverse mensen in Nederland met wie zij regelmatig contact had, zij heeft voor een langere tijd familieleden ontvangen in de woning, zij heeft een taalcursus Nederlands gevolgd en zij was vrij om bijvoorbeeld boodschappen te doen of de kinderen naar school te brengen en van school te halen. Bovendien sprak zij regelmatig buiten de woning af met [Getuige]. Daarnaast is het rechtbank gebleken dat zij de vrije keuze had om bij verdachte te blijven, dan wel weg te gaan, hetgeen zij ook na een onenigheid met verdachte heeft gedaan. Verder is onvoldoende gebleken dat [slachtoffer] niet haar eigen werktijden en –dagen bepalen. Uit de administratie blijkt dat [slachtoffer] dagelijks slechts enkele – veelal vaste – klanten had. Bovendien kan uit diverse getuigenverklaringen worden opgemaakt dat [slachtoffer] alleen werkte als het geld op was en dat zij niet werkte tijdens haar menstruatie en in de periode dat er voldoende financiële middelen beschikbaar waren.

Wel staat voor de rechtbank vast dat verdachte [slachtoffer] heeft geholpen en ondersteund met het opzetten en bijhouden van haar advertenties op internet en mede haar inkomsten in een schrift heeft bijgehouden. De verklaring van verdachte dat hij hierbij op verzoek van [slachtoffer] te hulp is geschoten, acht de rechtbank niet onaannemelijk. Deze handelingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank echter niet gekwalificeerd worden als het controleren van [slachtoffer], dan wel haar faciliteren bij haar werkzaamheden, waardoor verdachte een (feitelijk) overwicht op [slachtoffer] had.

Verdachte heeft ook niet onder valse voorwendselen het door [slachtoffer] verdiende geld aan hem laten afstaan. Het door [slachtoffer] verdiende geld ging volgens haar eigen verklaring in een zogenaamde gezamenlijke “huishoudpot” waaruit zowel verdachte als [slachtoffer] geld konden halen om te besteden en vaste lasten te betalen.

Verdachte heeft aldus [slachtoffer] niet bewust in een positie gebracht en doen blijven, waarin zij in haar beleving, maar ook in de beleving van verdachte geen andere keuze had dan om in het huis van verdachte te blijven en prostitutiewerk te verrichten.

Aldus volgt dat [slachtoffer] niet door verdachte bewust in een situatie is gebracht, die ver verwijderd is van de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren waarbij hij misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of van haar kwetsbare positie.

Verder heeft [slachtoffer] verklaard dat verdachte tegen haar heeft gezegd dat hij ervoor zou zorgen dat haar kinderen van haar zouden worden weggenomen. De rechtbank overweegt dat uit het dossier onvoldoende naar voren komt dat deze opmerking als een bedreiging moet worden gekwalificeerd. De precieze tekst van de uitlating is niet komen vast te staan, hetgeen wel noodzakelijk is voor de beoordeling. Dit geldt te meer nu verdachte ter zitting verklaard [slachtoffer] te hebben gewaarschuwd dat, indien zij met haar vluchtige levensstijl zou doorgaan, hij de Raad voor de Kinderbescherming zou informeren. Bovendien kan niet worden vastgesteld of verdachte zijn uitlating heeft gedaan vóór of na het vertrek van [slachtoffer] uit de woning, zodat, zelfs als de lezing van [slachtoffer] wordt gevolgd, niet kan worden vastgesteld dat deze uitlating als een dwangmiddel moet worden aangemerkt. Ook voor het dreigen met een feitelijkheid ontbreekt derhalve voldoende wettig en overtuigend bewijs.

Nu de handelingen, noch de middelen bewezen kunnen worden, dient reeds voor dit feit vrijspraak te volgen.

Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de vraag of er bij verdachte sprake was van een oogmerk van uitbuiting.

De rechtbank spreekt verdachte derhalve van de onder eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde modaliteit van mensenhandel vrij.

Ad b. Artikel 273f, lid 1, sub 4 Sr

Naar het oordeel van de rechtbank is uit het dossier onvoldoende gebleken dat verdachte [slachtoffer] heeft gedwongen om in de prostitutie te werken. Zoals hierboven onder a. is overwogen, zijn er in het dossier onvoldoende feiten en omstandigheden aanwezig die de conclusie rechtvaardigen dat verdachte de keuzevrijheid van [slachtoffer] dermate heeft beperkt, dat vast is komen te staan zij zich gedwongen moet hebben gevoeld om in de prostitutie te gaan werken. Ook heeft verdachte niet door middel van één van de ten laste gelegde middelen [slachtoffer] bewogen om in de prostitutie te gaan werken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat onduidelijk is gebleven of [slachtoffer] op eigen initiatief of op initiatief van verdachte in de prostitutie is gaan werken. Zij heeft immers verklaard dat zij niet meer weet hoe zij aan het prostitutiewerk is begonnen en dat zij denkt dat waarschijnlijk verdachte op het idee is gekomen.

De rechtbank spreekt verdachte derhalve van de onder tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde modaliteit van mensenhandel vrij.

Ad c. Artikel 273f, lid 1, sub 6 Sr

Nu er geen sprake is van een uitbuitingssituatie, kan verdachte ook niet voordeel hebben getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer]. Vrijspraak dient derhalve ook ten aanzien hiervan te volgen.

Ad d. Artikel 273f, lid 1, sub 9 Sr

Niet is gebleken dat verdachte door één van de ten laste gelegde middelen [slachtoffer] heeft gedwongen, dan wel bewogen haar verdiensten als prostituee aan hem geheel of gedeeltelijk heeft doen afstaan. De rechtbank verwijst hierbij naar hetgeen reeds hierboven is overwogen.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank de onder vierde cumulatief/alternatief ten laste gelegde modaliteit van mensenhandel niet wettig en overtuigend bewezen, zodat ook hierbij vrijspraak dient te volgen.

4 De inbeslaggenomen goederen

4.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage A aan dit vonnis is gehecht) onder 6 en 23 genummerde voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard en dat de onder 1 tot en met 5 en 7 tot en met 22 genummerde voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de verdachte.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdachte heeft teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen verzocht.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan verdachte gelasten van de op de beslaglijst onder 1 tot en met 23 genummerde voorwerpen.

5 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder eerste, tweede, derde en vierde cumulatief/alternatief tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

gelast de teruggave aan verdachte van de op de beslaglijst onder 1 tot en met 23 genummerde voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R. Elkerbout, voorzitter,

mr. R.C. Hartendorp, rechter,

mr. H.J. van Harten, rechter,

in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 mei 2015.

Mr. Elkerbout is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.