Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:5295

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-05-2015
Datum publicatie
19-05-2015
Zaaknummer
C-09-423100 - FA RK 12-5165
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vaststelling huwelijksgemeenschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

6x

Rekestnummer: FA RK 12-5165 (echtscheiding) en FA RK 12-9017 (verdeling)

Zaaknummer: C/09/423100 (echtscheiding) en C/09/432110 (verdeling)

Datum beschikking: 7 mei 2015

Scheiding

Beschikking op het op 10 juli 2012 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. F.J.R. van der Linden te Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. S.W.F. Rouwette te Apeldoorn.

Procedure

Bij beschikking van 24 juli 2014 van deze rechtbank is – voor zover thans van belang:

- de behandeling van de verzoeken met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap en de proceskosten aangehouden, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen in overleg te treden, teneinde te bezien of zij tot een gemeenschappelijke waardering kunnen komen van de waarde van [de B.V.];

- bepaald dat, indien partijen geen overeenstemming hebben bereikt, de vrouw een onderbouwde schriftelijke reactie dient te geven op de door de man gestelde waarde van [de B.V.], inclusief de scheeps-CV’s, alsmede op de stelling van de man dat afstorting van het kapitaal dat nodig is ter dekking van dat deel dat aan vrouw als vereveningsgerechtigde partner dient te worden uitbetaald, bij een externe pensioenverzekeraar niet mogelijk is;

- bepaald dat de man zich schriftelijk dient uit te laten over het exacte bedrag dat vanuit de effectenportefeuille is gebruikt om een deel van de hypotheekschuld af te lossen en is iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap en de proceskosten aangehouden.

De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:

- de brief d.d. 30 september 2014, met bijlagen, van de zijde van de man;

- de brief d.d. 2 oktober 2014 van de zijde van de vrouw;

- de brief d.d. 17 oktober 2014, met bijlage, van de zijde van de vrouw;

- de brief d.d. 21 oktober 2014, met bijlage, van de zijde van de vrouw;

- de brief d.d. 23 oktober 2014 van de zijde van de vrouw;

- de brief d.d. 29 oktober 2014 van de zijde van de man;

- de brief d.d. 27 november 2014 van de zijde van de vrouw;

- de brief d.d. 1 december 2014, met bijlagen, van de zijde van de man;

- de brief d.d. 18 december 2014, met bijlagen, van de zijde van de vrouw.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

Aan de orde zijn thans alleen nog de verdeling van de huwelijksgemeenschap en de proceskostenveroordeling.

Verdeling

Na genoemde beschikking van 24 juli 2014 zijn een drietal punten tussen partijen in geschil en daarnaast heeft de man een nieuw verzoek gedaan.

De rechtbank zal deze punten, het nieuw gedane verzoek en de vaststelling van de wijze van verdeling hierna bespreken.

Afstorting van de pensioenaanspraak van de vrouw

In de beschikking d.d. 24 juli 2014 is overwogen dat de man niet betwist dat de vrouw recht heeft op afstorting van het kapitaal dat nodig is ter dekking van haar deel in het in [de B.V.] (verder: de BV) opgebouwde ouderdomspensioen en bijzonder partnerpensioen en dat tot 1 april 2011 een aanspraak is opgebouwd met een waarde in het economische verkeer van € 446.148,--, zodat dit vast staat. Tussen partijen is in geschil of afstorting bij een externe pensioenverzekeraar mogelijk is. De man heeft gesteld dat afstorting onaanvaardbaar is omdat dit de continuïteit van de onderneming in gevaar zou brengen. Door de vrouw is dit betwist.

De rechtbank stelt voorop dat de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen ex-echtgenoten beheersen, in het algemeen meebrengen dat de tot verevening verplichte echtgenoot, die als directeur en enig aandeelhouder de rechtspersoon beheerst waarin de te verevenen pensioenaanspraak is ondergebracht, dient zorg te dragen voor afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van het kapitaal dat nodig is voor het aan de andere echtgenoot toekomende deel van de pensioenaanspraak. Van de vereveningsgerechtigde echtgenoot kan in beginsel immers niet worden gevergd dat deze bij voortduring afhankelijk blijft van het beleid dat de andere echtgenoot ten aanzien van de betrokken rechtspersoon (en de onderneming waaraan deze verbonden is) voert en het risico moet blijven dragen dat het in eigen beheer opgebouwde pensioen te zijner tijd niet kan worden betaald.

De beantwoording van de vraag of op afstorting in een concreet geval aanspraak kan worden gemaakt, moet geschieden met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Daarbij zal de omstandigheid dat onvoldoende liquide middelen aanwezig zijn om de afstorting te effectueren slechts dan tot ontkennende beantwoording van die vraag kunnen leiden indien de vereveningsplichtige stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat de benodigde liquide middelen ook niet kunnen worden vrijgemaakt of van elders worden verkregen zonder de continuïteit van de bedrijfsvoering van de rechtspersoon en de onderneming waaraan deze is verbonden in gevaar te brengen.

De rechtbank gaat bij de bepaling van de waarde van de aanspraak van de vrouw uit van de waarde van het per peildatum, 1 januari 2012, totaal opgebouwde pensioen.

Blijkens de toelichting bij de balans van [de B.V.] over 2011 bedroeg de commerciële waarde van de pensioenvoorziening € 446.148,00. De man heeft dit bedrag zoals vermeld in de tussen beschikking d.d. 24 juli 2014 ook niet betwist. De rechtbank zal hier van uitgaan. Het aan de vrouw toekomende deel komt dus op € 223.074,00.

In de door de man overgelegde brief van 1 december 2014 van zijn adviseur en Register Valuator [naam] is vermeld dat de BV niet in staat de pensioenverplichting geheel onder te brengen bij een externe pensioenverzekering. De BV heeft daartoe volgens de man maximaal € 213.952,00 beschikbaar, zodat een tekort resteert van € 9.122,00.

De man heeft echter gesteld noch aannemelijk gemaakt dat de benodigde liquide middelen niet elders kunnen worden vrijgemaakt. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat na afstorting geen sprake zal zijn van een situatie waarin de continuïteit van de onderneming in gevaar wordt gebracht. Immers, in de onderneming bestaan geen andere activiteiten dan het beleggen van (pensioen-)gelden. Bij het ontbreken van daadwerkelijke bedrijfsvoering kan deze activiteit niet in gevaar komen.

De rechtbank concludeert dan ook dat de vrouw recht heeft op afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van het kapitaal dat nodig is ter dekking van dat deel dat aan haar als vereveningsgerechtigde partner dient te worden uitbetaald.

Ten overvloede overweegt de rechtbank als volgt.

In zijn brief d.d. 1 december 2014 stelt [naam], adviseur van de man, nog het volgende aan de orde:

“Na afstorting resteert binnen [de B.V.] aan pensioenverplichtingen jegens de heer [naam] (…) een bedrag van € 225.000. Duidelijk is dat deze pensioenaanspraken alsdan illusoir zijn. Hierdoor ontstaat het fiscale risico, dat door de Belastingdienst gesteld wordt, dat sprake is van het belastbaar prijsgeven van pensioenaanspraken. De fiscale sanctie voor de heer [naam] in dit geval bestaat uit de heffing inkomstenbelasting van maximaal 52% verhoogd met 20% revisierente. Daarmee bedraagt de sanctie maximaal 72% van € 225.000,--, dit is € 162.000,--.

Naast de fiscale risico’s zijn wij van mening dat het in de onderhavige situatie afstorten van de aanspraken van mevrouw [naam] op gespannen voet staat met de postrelationele solidariteitsgedachte. Immers na afstorting van de aanspraken van mevrouw [naam] bestaat er – zo blijkt uit voorgaande informatie in deze brief - geen mogelijkheid meer om de pensioenaanspraken van de heer [naam] te verwezenlijken. Er zijn immers geen andere activiteiten binnen [de B.V.] dan het beleggen van gelden.”

In de begeleidende brief van de advocaat van de man is niet (expliciet) verwezen naar deze passage uit de brief van [naam] zodat de rechtbank reeds daarom deze stellingen onbesproken laat. Overigens heeft te gelden dat – voor zover deze passage uit de brief van [naam] al moeten opgevat als een beroep van de man op de postrelationele solidariteit tussen ex-echtgenoten zoals verwoord in ECLI:NL:GHDHA:2014:3016 (Hof Den Haag 17 september 2014) – dit beroep en de onderliggende argumentatie tardief is gedaan en daarmee strijd met de procesorde oplevert. Beoordeling daarvan zou een onaanvaardbare vertraging van de procedure met zich brengen. Immers, in dat kader zou aan de vrouw de gelegenheid moeten worden gegeven om op die nieuwe stelling van de man inhoudelijk te reageren. Dit, terwijl de procedure reeds sinds 10 juli 2012 aanhangig is, er twee inhoudelijke behandelingen hebben plaatsgevonden waarin de man deze stellingen niet heeft ingenomen. Hetzelfde oordeel geldt voor de stellingen in de brief van [naam] met betrekking tot het risico voor de man dat sprake is van het belastbaar prijsgeven van pensioenaanspraken. Ook op deze stellingen zal de rechtbank – voor zover dit al de bedoeling van de man was – geen acht slaan als zijnde tardief gedaan en in strijd met de procesorde.

De waarde van [de B.V.], inclusief de daartoe behorende scheeps-CV’s

Uit hetgeen hiervoor overwogen met betrekking tot ‘afstorting van de pensioenaanspraak van de vrouw’ volgt dat de in de vennootschap belegde gelden voor het overgrote deel zullen worden aangewend voor het afstorten van het aandeel van de vrouw in het in de vennootschap opgebouwde pensioen; in de onderneming bestaan geen andere activiteiten dan het beleggen van (pensioen-)gelden. Gelet hierop acht de rechtbank het in strijd met de redelijkheid en billijkheid om daarnaast in het kader van de verdeling per de peildatum nog een waarde toe te kennen aan de aan de man toe te delen aandelen.

Bedrag dat uit de effectenportefeuille is gebruikt om een deel van de hypotheekschuld af te lossen

Blijkens de beschikking van 24 juli 2014 moest de man zich nog uitlaten over de hoogte van het bedrag dat vanuit de effectenportefeuille is gebruikt om een deel van de hypotheekschuld af te lossen, dit in het kader van de afwikkeling van de verkoop van de echtelijke woning en bedrijfshallen.

De man heeft bij zijn brief d.d. 30 september 2014 een bankafschrift van de Rabobank overgelegd waaruit blijkt dat er op 2 april 2014 een extra aflossing op de schuld uit hoofde van de hypothecaire geldlening heeft plaatsgevonden van € 45.378,--.

De vrouw heeft in haar brief d.d. 23 oktober 2014 aangegeven dat zij hiermee akkoord is.

Partijen zijn het er blijkens de inhoud van voornoemde brieven met elkaar over eens dat de man op 2 april 2014 € 45.378,-- heeft afgelost. Zij zullen hiermee in het kader van de afwikkeling van de verkoop van de echtelijke woning en de bedrijfshallen rekening houden.

Nieuw verzoek van de man met betrekking tot een lening bij de vader van de man

De man heeft bij brief van 30 september 2014 de rechtbank verzocht terug te komen van het oordeel in de beschikking van 24 juli 2014 ten aanzien van de (tweede) lening die de man bij zijn vader in 2000 zou zijn aangegaan ter hoogte van f. 50.000,--; de rechtbank oordeelde bij deze beschikking dat de man het bestaan van deze lening niet heeft aangetoond.

De man betoogt dat thans uit de administratie van de vader van de man, die op 16 augustus 2014 is overleden, de aangifte inkomstenbelasting 2000 boven water is gekomen en in deze aangifte de tweede lening uit 2000 is opgenomen. De man heeft deze aangifte inkomsten-belasting overgelegd en er op gewezen dat op pagina 1 de lening van f 50.000,-- is opgenomen. De man is van mening dat hij daarmee voldoende het bestaan van de tweede lening heeft aangetoond.

De vrouw heeft in haar brief van 23 oktober 2014 bezwaar gemaakt tegen het verzoek van de man om het oordeel met betrekking tot de tweede lening te herzien. De vrouw heeft naar voren gebracht dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de man geen gegevens heeft overgelegd waaruit de tweede lening zou blijken. De vrouw heeft voorts aangegeven dat zij de stukken ook niet vertrouwt, omdat sprake is van telkens andere lettertypes en de optelling van € 424.490,-- ook niet klopt met de bedragen in de kolom daarboven.

De rechtbank heeft in haar beschikking van 24 juli 2014 met betrekking tot de tweede lening een eindbeslissing gegeven. Van een eindbeslissing kan in dezelfde instantie niet meer worden teruggekomen, behoudens indien bijzondere, door de rechter in zijn desbetreffende beslissing nauwkeurig aan te geven omstandigheden het onaanvaardbaar zouden maken dat de rechter aan de eindbeslissing in kwestie zou zijn gebonden. De door de man overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2000 van de vader van de man geeft geen grond om af te wijken van genoemd uitgangspunt dat de rechtbank niet terugkomt van eindbeslissingen, in het bijzonder nu de bijbehorende aanslag ontbreekt.

V. Vaststelling wijze van verdeling huwelijksgemeenschap

Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank de wijze van verdeling vaststellen als na te melden, waarbij de rechtbank ten aanzien van de overige in de beschikkingen van 2 juli 2013 en 24 juli 2014 genoemde bestanddelen zal beslissen zoals overwogen in die beschikkingen.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

stelt de wijze van verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap als volgt vast:

1. aan de man wordt toegedeeld:

1.1

de helft van de (waarde van de) participaties in de scheeps-CV’s die partijen in privé bezitten;

1.2

de aandelen in [de B.V.], inclusief de daartoe behorende scheeps-CV’s;

1.3

de effectenrekening bij de Rabobank met een saldo van € 272.744,--, waarbij de man aan de vrouw – wegens overbedeling bij de verdeling van de in dit dictum onder 1.3 en 2.3 genoemde effectenrekeningen zal voldoen een bedrag van € 46.093,50;

1.4

de bankrekeningen bij de Rabobank met de nummers [nummer] en [nummer] en [nummer];

2. aan de vrouw wordt toegedeeld:

2.1

het onroerend goed te [adres], waarbij dit onroerend goed zal worden getaxeerd door Van Silfhout en Hogetoorn te 2611 CE Delft, Oude Delft 110a, per peildatum 1 januari 2012 en de man de helft van de getaxeerde waarde zal toekomen;

2.2

de helft van de (waarde van de) participaties in de scheeps-CV’s die partijen
in privé bezitten;

2.3

de effectenrekening bij Theodoor Gillissen met een saldo van € 180.557,--;

2.4

de bankrekeningen bij de ING Bank met nummer [nummer], bij de SNS Bank met de nummers [nummer] en [nummer]) en de Bank of Scotland met nummer [nummer] per peildatum;

3. de saldi van de onder 1.4 en 2.4 genoemde bankrekeningen zullen per peildatum tussen partijen bij helfte worden gedeeld; de bankrekening bij de Rabobank met nummer [nummer] zal, na verdeling van het saldo per peildatum tussen partijen bij helfte, worden opgeheven;

4. partijen zullen de echtelijke woning te [adres] en de bedrijfshallen te [adres] verkopen en met de verkoopopbrengst handelen zoals in de beschikking d.d. 24 juli 2014 op pagina 3, onder “ad 1 t/m 4 (…)” omschreven;

5. bepaalt dat in de onderlinge verhouding tussen partijen elk van hen de helft voor zijn/haar rekening dient te nemen van de volgende schulden:

- de lening van € 70.097,-- bij [de B.V.];

- de lening die de man in 1998 bij zijn (inmiddels overleden) vader is aangegaan van f. 50.000,-- (€ 22.689,);

- de rekening-courantschuld bij [de B.V.] van € 7.676,--;

bepaalt dat de man dient zorg te dragen voor afstorting bij een externe pensioenverzekeraar

van een bedrag van € 223.074,--, als kapitaal ter dekking van dat deel van het pensioen dat

aan de vrouw als vereveningsgerechtigde partner dient te worden uitbetaald;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. Olland, M. van Paridon en C.G. Meeder, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

7 mei 2015.