Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:5277

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-05-2015
Datum publicatie
07-05-2015
Zaaknummer
C-09-484213 KG ZA 15-306
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding - Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis naar aanleiding van opgelegde schadevergoedingsmaatregelen is onrechtmatig jegens eiser zolang deze een met zijn draagkracht overeenstemmende betalingsregeling nakomt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/484213 / KG ZA 15-306

Vonnis in kort geding van 7 mei 2015

in de zaak van

[eiser],

verblijvende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

eiser,

advocaat mr. M.F.P.M. Brogtrop te Bergen op Zoom,

tegen:

de Staat der Nederlanden, het Ministerie van Veiligheid en Justitie,

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. W.B. van Lingen te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, uitgebracht op 11 maart 2015, met twaalf producties;

  • -

    de brief van 31 maart 2015 van de zijde van [eiser];

  • -

    de brief d.d. 20 april 2015 met zes producties van de zijde van de Staat;

  • -

    de brief d.d. 13 april 2015 met bijlage, van de zijde van [eiser];

  • -

    de mondelinge behandeling, gehouden op 21 april 2015;

  • -

    de pleitnota van de zijde van [eiser];

  • -

    de pleitnota van de zijde van de Staat.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Bij onherroepelijk vonnis van 16 september 2004 van de rechtbank Breda (hierna: het vonnis) is [eiser] veroordeeld wegens opzettelijk brand stichten, meermalen gepleegd. Aan hem is een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van drie jaren. Daarnaast is de terbeschikkingstelling van hem gelast onder de in het vonnis genoemde voorwaarden. Er zijn vijf vorderingen van benadeelde partijen toegewezen en in dat kader zijn er schadevergoedingsmaatregelen opgelegd voor een totaalbedrag van € 97.373,25, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 360 dagen hechtenis.

2.2.

Ten behoeve van de strafzaak van [eiser] is er op 21 juli 2004 een psychologische rapportage over hem opgemaakt door de Forensisch Psychiatrische Dienst te Breda. Volgens dit rapport is bij [eiser] sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin dat hij lijdt aan een depressieve stoornis en alcoholafhankelijkheid. Daarnaast is sprake van een persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke en ontwijkende trekken bij een psychotische persoonlijkheidsstructuur.

2.3.

[eiser] heeft de aan hem opgelegde gevangenisstraf ondergaan waarna op

8 april 2006 de terbeschikkingstelling is aangevangen. Eind 2008 is [eiser] binnen het kader van de terbeschikkingstelling zelfstandig gaan wonen en heeft hij fulltime werkzaamheden opgepakt. De behandeling van [eiser] is in die periode doorgegaan.

2.4.

Vanaf het jaar 2009 heeft [eiser] af en toe een terugval gehad waardoor hij regelmatig moest worden opgenomen. Deze terugval had niet alleen te maken met zijn psychische gesteldheid, maar ook met zijn schuldenlast en de druk die dit op [eiser] legde. [eiser] is arbeidsongeschikt geworden en heeft zijn baan moeten opzeggen.

2.5.

Bij vonnis van 24 november 2011 is door de rechtbank Zeeland - West-Brabant de schuldsanering uitgesproken ten aanzien van [eiser] als gevolg van zijn schulden. Bij vonnis van 20 november 2014 is de schuldsanering beëindigd met een schone lei.

2.6.

[eiser] woont thans, in afwachting van een behandelplek op de klinische afdeling voor langdurige/blijvende zorg van de GGZ, op een camping. [eiser] is nog altijd onder behandeling vanwege zijn psychische gesteldheid en volgt thans een traject met intensieve begeleiding.

2.7.

Bij brief van 7 januari 2015 aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau (hierna: het CJIB) heeft [eiser] bericht dat hij het schuldsaneringstraject positief heeft afgerond. Hij informeert wat hem nu met betrekking tot de restschuld ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregelen te wachten staat en zet in de brief zijn financiële situatie uiteen en voegt daaraan toe: “Ik verneem graag een reactie van u terug om een regeling te treffen”.

2.8.

Bij brief van 14 januari 2015 heeft het CJIB het verzoek van [eiser] tot vaststelling van een betalingsregeling afgewezen, gelet op zijn beperkte draagkracht waardoor het niet mogelijk is om binnen 36 maanden een betalingsregeling te realiseren. Het CJIB heeft bericht dat de incasso op de normale wijze zal worden voortgezet. Deze procedure verloopt - zakelijk weergegeven - als volgt. Indien de veroordeelde (in dit geval [eiser]) het verschuldigde bedrag op de eerste aanschrijving niet (tijdig of volledig) heeft betaald, wordt hem na het verstrijken van de betalingstermijn een eerste wettelijke verhoging opgelegd. Voor betaling van het op dat moment verschuldigde bedrag wordt hem een eerste aanmaning gezonden. Indien de veroordeelde op de eerste aanmaning niet tijdig of volledig betaalt, wordt hem een tweede wettelijke verhoging opgelegd. Reageert de veroordeelde in de inningsfase niet door betaling of anderszins, dan gaat de zaak door naar de incassofase. Wanneer de innings- en incassofase niet voldoende financieel resultaat hebben opgeleverd, wordt een arrestatiebevel uitgevaardigd voor tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis. De tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis heft de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet op.

2.9.

Blijkens een overzicht van het CJIB van 19 januari 2015 heeft [eiser] in totaal € 6.779,- betaald op het openstaande bedrag van de schadevergoedingsmaatregelen.

2.10.

De behandelend psychiater van [eiser] heeft in een medische verklaring van
5 februari 2015 geschreven dat [eiser] sinds vele jaren aan een bipolaire stoornis lijdt, te weten een ernstige vorm van manische depressiviteit. Hij heeft hiervoor uitvoerige behandeling ondergaan. De psychiater ondersteunt een gratieverzoek van [eiser] en subsidiair een coulante terugbetalingsregeling zonder dreigende gijzeling. Bij brief van 13 april 2015 voegt de psychiater hieraan toe dat [eiser] zijn manische depressie nooit helemaal onder controle heeft kunnen krijgen en dat hij bij voortduring driftig, verbaal-agressief en ontregeld is.

2.11.

Bij brief van 6 februari 2015 heeft [eiser] aan het CJIB geschreven dat hij nog steeds betalingen wenst te verrichten ten behoeve van de schadevergoedingsmaatregelen. Hij heeft daartoe een betaling van € 50,- verricht en wenst zulks maandelijks en naar vermogen te doen. Het CJIB heeft naar aanleiding van zijn brief bericht dat de executie van de schadevergoedingsmaatregelen op de gebruikelijke wijze zal worden voortgezet omdat een betalingsregeling niet kan worden gerealiseerd binnen een aanvaardbare termijn.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – om bij vonnis te bepalen dat door de Staat niet mag worden overgegaan tot een tenuitvoerlegging van een vervangende hechtenis van [eiser] voor de bij vonnis van 16 september 2004 opgelegde schadevergoedingsmaatregelen, gedurende de tijd dat [eiser] een met zijn draagkracht overeenstemmende betalingsregeling zal nakomen, met veroordeling van de Staat in de kosten van dit geding.

3.2.

Daartoe voert [eiser] het volgende aan. [eiser] is bereid en in staat om bij zijn draagkracht passende betalingen te verrichten aan het CJIB. Dit heeft hij tot op heden naar vermogen gedaan en hij is bereid zulks te blijven doen. Een en ander moge reeds blijken uit de aflossingen die hij heeft verricht terwijl hij in de schuldsanering zat en uit zijn huidige betalingen. De dreiging van de vervangende hechtenis is nog immer een prikkel tot betaling voor hem. Doordat [eiser] echter niet binnen de door het CJIB gestelde termijnen tot voldoening van het gehele bedrag kan overgaan, dreigt voor hem de overgang van de inningsfase naar de incassofase, met de daarbij behorende tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis. Doordat hij niet in staat is meer af te dragen dan hij doet, strekt de vervangende hechtenis slechts nog tot bestraffing en leedtoevoeging. Volgens [eiser] dient de Staat de door hem aangeboden betalingsregeling te honoreren en de dreiging van vervangende hechtenis weg te nemen. Door zulks te weigeren, handelt de Staat onrechtmatig jegens hem.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Uitgangspunt is dat een veroordelend vonnis van de strafrechter, waar geen gewoon rechtsmiddel meer tegen open staat, ten uitvoer gelegd moet worden. Bij de tenuitvoerlegging dient op grond van artikel 561 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering bekwame spoed te worden betracht. Dit geldt eveneens voor de executie van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen.

4.2.

De Staat heeft betoogd dat het CJIB in deze zaak conform het voor hem geldende beleid handelt. Dit beleid houdt – kort samengevat in – dat het CJIB conform de Aanwijzing executie, die in de Staatscourant is gepubliceerd, in beginsel geen betalingsregelingen treft en dat een verzoek daartoe alleen op grond van bijzondere omstandigheden gehonoreerd kan worden. Daarbij heeft te gelden dat de termijn waarbinnen volledige betaling van de schadevergoedingsmaatregelen moet zijn gerealiseerd in beginsel maximaal 12 maanden is, dat deze in bijzondere gevallen tot 36 maanden kan worden verlengd en dat slechts in uitzonderingsgevallen van die laatste termijn kan worden afgeweken. Indien de inning en/of het verhaal niet succesvol kan worden afgesloten, wordt overgegaan van de inningsfase naar de incassofase en wordt er een arrestatiebevel uitgevaardigd.

4.3.

In de stellingen van [eiser] ligt besloten dat hij zich kan verenigen met de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen, maar dat hij het niet eens is met de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. Hoewel het door het CJIB gehanteerde beleid rechtvaardiging vindt in de wet en in jurisprudentie, is de voorzieningenrechter met [eiser] van oordeel dat onverkorte uitvoering van dit beleid in dit geval onrechtmatig is. Hiertoe acht de voorzieningenrechter het volgende redengevend.

4.4.

Aan [eiser] is in 2004 een terbeschikkingstelling met voorwaarden opgelegd als onderdeel van zijn straf. [eiser] heeft zich tot op heden altijd aan de aan hem opgelegde voorwaarden gehouden. Dat de terbeschikkingstelling formeel geëindigd is, laat onverlet dat [eiser] nog altijd voor dezelfde stoornis behandeld wordt. Zodra [eiser] binnen het kader van zijn strafvoorwaarden kon werken, heeft hij dit gedaan en is hij betalingen gaan verrichten aan het CJIB. In de periode 2011 tot en met 2014 heeft hij voorts, teneinde zijn schuldenlast op orde te krijgen, een schuldsaneringstraject doorlopen en dit met schone lei afgesloten. Binnen dit traject heeft [eiser] voor een fors bedrag betalingen verricht aan het CJIB. De schulden van [eiser] zijn gesaneerd, maar de schadevergoedingsmaatregelen zijn niet komen te vervallen doordat deze niet voor sanering in aanmerking komen. Na afloop van het schuldsaneringstraject heeft [eiser] zelf contact opgenomen met het CJIB om een regeling te treffen voor het resterende bedrag. De prikkel die uitgaat van de vervangende hechtenis wordt door [eiser] ervaren en hij is tot op heden telkens naar vermogen blijven betalen. De tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis, die volgens het beleid onvermijdelijk is doordat [eiser] niet in staat is binnen de gestelde termijnen tot volledige betaling te komen, dient in dit geval geen enkel rechtens te respecteren doel. Integendeel, het doorkruist de behandeling waar [eiser] nog altijd mee bezig is, het doet de betalingsverplichting niet vervallen en haalt enkel de prikkel tot betaling weg wanneer de vervangende hechtenis is ondergaan.

4.5.

Daarbij komt dat het, anders dan voor andere opgelegde straffen en maatregelen, voor een vervangende hechtenis van een opgelegde schadevergoedingsmaatregel niet mogelijk is om gratie te vragen, nu artikel 558 van het Wetboek van Strafvordering hiertoe niet de ruimte lijkt te bieden. Hoewel [eiser] op alle manieren heeft getracht om orde op zaken te stellen - door een schuldsaneringstraject succesvol te doorlopen en psychiatrische behandeling te ondergaan - kan hij niets beginnen tegen de vervangende hechtenis van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen anders dan mondjesmaat betalingen verrichten. Overgang van de inningsfase naar de incassofase krijgt in het geval van [eiser] derhalve een louter punitief karakter, terwijl hij zijn opgelegde straf reeds heeft ondergaan. Doordat in het geval van [eiser] de vervangende hechtenis niet meer het karakter draagt van extra waarborg voor de betalingsverplichting, maar veeleer als een extra gevangenisstraf moet worden aangemerkt, handelt de Staat onrechtmatig door deze vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen. Dit klemt temeer nu uit het vonnis niet valt op te maken dat de rechtbank heeft stilgestaan bij de duur van de vervangende hechtenis: de duur van de vervangende hechtenis is immers op geen enkele wijze gemotiveerd in het vonnis (vergelijk ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ8885).

4.6.

De vordering van [eiser] zal, gelet op het bovenstaande, worden toegewezen als na te melden, en de Staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- bepaalt dat de Staat niet mag overgaan tot tenuitvoerlegging van een vervangende hechtenis voor de bij vonnis van 16 september 2004 opgelegde schadevergoedingsmaatregelen, gedurende de tijd, dat [eiser] een met zijn draagkracht overeenstemmende betalingsregeling zal nakomen;

- veroordeelt de Staat in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.195,19, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 285,-- aan griffierecht en € 94,19 aan dagvaardingskosten;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2015.

imt