Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:5234

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-05-2015
Datum publicatie
19-05-2015
Zaaknummer
C-09-475036 - FA RK 14-7908
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

wijziging kinder- en partneralimentatie, wijziging van omstandigheden, man getrouwd met vrouw uit Rusland, behoefte van een minderjarige afkomstig uit het buitenland, behoefte partneralimentatie verminderd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Burgerlijk Wetboek Boek 1 404
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2015/124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 14-7908

Zaaknummer: C/09/475036

Datum beschikking: 7 mei 2015

Alimentatie

Beschikking op het op 8 oktober 2014 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. S.E.W.C.M. Kneepkens te Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. M.M. van Wijk te Leiden.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift tevens verzoekschrift;

  • -

    het verweer tegen het zelfstandig verzoek;

  • -

    de brief d.d. 28 oktober 2014, met bijlagen, van de zijde van de man;

  • -

    de brief d.d. 13 maart 2015, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief d.d. 24 maart 2015, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief d.d. 26 maart 2015, met bijlagen, van de zijde van de man.

Op 9 april 2014 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten. Van de zijde van de man zijn pleitnotities overgelegd en van de zijde van de vrouw zijn nadere stukken overgelegd.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum] tot [datum].

- Uit dit huwelijk zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren:

- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

- Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 23 januari 2006 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is – voor zover hier van belang – :

- bepaald dat de minderjarigen de gewone verblijfplaats hebben bij de vrouw;

- de kinderalimentatie bepaald op € 450,- per maand per kind;

- de partneralimentatie bepaald op € 1.076,- per maand tot aan de dag waarop de echtelijke woning zal zijn verkocht en geleverd en vanaf die dag op

€ 3.186,- per maand.

- Bij beschikking van het Gerechtshof ’s-Gravenhage d.d. 31 januari 2007 is het verzoek van de man om de beschikking van deze rechtbank d.d. 23 januari 2006 wat betreft de partneralimentatie te vernietigen afgewezen en is de bestreden beschikking bekrachtigd.

- Als gevolg van de wijziging van rechtswege ingevolge artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek bedraagt de door de man te betalen kinderalimentatie thans (2015) € 526,13 per maand per kind en de partneralimentatie € 3.724,84 per maand.

- De man is op 22 mei 2014 gehuwd met [naam echtgenote].

- De man is op grond van artikel 1:395 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) onderhoudsplichtig jegens het minderjarige kind van zijn echtgenote, [naam stiefdochter].

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man luidt thans – met wijziging de beschikking d.d. 23 januari 2006 –:

  • -

    met ingang van 20 mei 2014, althans met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, de kinderalimentatie op nihil te bepalen, althans op € 330,92 per maand per kind, althans op zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, alsmede te bepalen dat de vrouw de reeds ontvangen en teveel betaalde kinderalimentatie dient terug te betalen en dat deze bijdragen onverschuldigd zijn betaald;

  • -

    primair: de behoefte van de vrouw te bepalen op thans € 3.695,28 bruto per maand en met ingang van 20 mei 2014, althans met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift de partneralimentatie op nihil te bepalen, althans op zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, alsmede te bepalen dat de vrouw de reeds ontvangen en teveel betaalde partneralimentatie dient terug te betalen en dat deze bijdragen onverschuldigd zijn betaald;

  • -

    subsidiair: indien partneralimentatie wordt bepaald, deze bijdrage te limiteren voor de duur van een jaar;

  • -

    meer subsidiair: de partneralimentatie na een jaar op nihil te bepalen;

  • -

    te bepalen dat de vrouw op grond van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering haar financiële gegevens dient te overleggen,

een en ander uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.

De man stelt als grond voor dit verzoek een wijziging van omstandigheden waardoor na te melden beschikking niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven.

De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Tevens heeft de vrouw zelfstandig verzocht:

- de man te veroordelen in de proceskosten van de vrouw; primair de werkelijke kosten conform specificatie en subsidiair conform liquidatietarief;

en heeft de vrouw voorwaardelijk zelfstandig verzocht:

  • -

    indien de rechtbank overgaat tot nihilstelling van de partneralimentatie, met ingang van de datum van die nihilstelling de kinderalimentatie op € 636,- per maand per kind te bepalen;

  • -

    indien en voor zover de rechtbank overgaat tot verlaging van de partneralimentatie, met ingang van de datum van die wijziging de behoefte van de minderjarigen van

€ 1.420,- bij te stellen met het kindgebonden budget dat de vrouw op basis van dit lagere bedrag zal ontvangen, vervolgens ieder aandeel in de kosten van de kinderen te bepalen naar rato van ieders draagkracht, en de kinderbijdrage te bepalen op het aldus berekende aandeel van de man indien en voor zover dit hoger is dan de thans geldende € 522,- per maand per kind,

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De man voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken.

Beoordeling

Wijziging van omstandigheden

Ingevolge artikel 1:401, eerste lid, BW kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

Als wijziging van omstandigheden heeft de man aangevoerd dat zijn draagkracht is afgenomen, omdat hij op 22 mei 2014 is gehuwd en thans onderhoudsplichtig is jegens zijn echtgenote, die (nog) niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, en jegens zijn minderjarige stiefdochter. Daarnaast stelt de man als wijziging van omstandigheden dat de behoefte van de vrouw is verminderd, nu zij inmiddels redelijkerwijs in staat moet worden geacht in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

De vrouw heeft betwist dat sprake is van rechtens relevante wijzigingen van omstandigheden ten opzichte van de procedure in hoger beroep, omdat de man toen (ook) getrouwd was met een (andere) vrouw die niet in haar eigen levensonderhoud kon voorzien en het Gerechtshof ’s-Gravenhage toen heeft geoordeeld dat de draagkracht van de man moest worden bepaald op basis van de normen van een alleenstaande en dat hij zijn woonlasten kon delen. Het feit dat de man thans onderhoudsplichtig is jegens zijn echtgenote en stiefdochter is naar mening van de vrouw geen grond voor wijziging van de kinder- en partneralimentatie, omdat de man deze verplichting welbewust is aangegaan door te trouwen met een buitenlandse partner die niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Voorts betwist de vrouw dat zij niet meer behoeftig is.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een wijziging als bedoeld in artikel 1:401, eerste lid, BW die noopt tot een hernieuwde beoordeling van de alimentatie. Immers is de man, ten opzichte van de eerste vaststelling van de kinder- en partneralimentatie bij beschikking van 23 januari 2006 en de beoordeling van die vaststelling in hoger beroep, op 22 mei 2014 gehuwd met een vrouw die een minderjarig kind uit een vorige relatie heeft, waardoor de verdeling van de onderhoudsverplichtingen van de man is gewijzigd.

Bovendien maakt de man sinds de invoering van de Wet Hervorming Kindregelingen op

1 januari 2015 niet langer aanspraak op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen en is het – eventueel door de vrouw te ontvangen – kindgebonden budget verhoogd, welke wijziging van omstandigheden ook door de vrouw ter terechtzitting als zodanig is erkend.

Gelet op het voorgaande is de man ontvankelijk in zijn verzoek. De rechtbank zal hierna ingaan op de stellingen van partijen en bezien of de gestelde wijzigingen van omstandigheden aanleiding geven tot aanpassing van de kinder- en partneralimentatie.

Kinderalimentatie

Behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]

De rechtbank heeft bij beschikking van 23 januari 2006 de behoefte van de minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] niet vastgesteld, maar op verzoek van partijen een kinderalimentatie van

€ 450,- per maand per kind vastgelegd.

Partijen verschillen nu van mening over de hoogte van de behoefte van de minderjarigen, zodat de rechtbank de behoefte (alsnog) zal vaststellen conform de toen geldende uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de tabel eigen aandeel kosten van kinderen en de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen. Daartoe dient allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen ten tijde van het huwelijk te worden bepaald, waarvan bij het bepalen van dat eigen aandeel kosten kinderen moet worden uitgegaan. Het NBI is de som van het bruto-inkomen, inclusief vakantietoeslag en de werkelijke inkomsten uit vermogen, verminderd met de belastingen en premies die de onderhoudsgerechtigde daarover verschuldigd is, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking zijn genomen. Redelijke (aftrekbare) pensioenlasten en de premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering worden ook in aanmerking genomen, ongeacht of deze voortvloeien uit een collectief contract of een individuele pensioenregeling. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het hebben van een eigen woning in de zin van de Wet IB 2001 (eigenwoningforfait en aftrek van hypotheekrente) en/of met de voor de financiering van de woning noodzakelijke premies voor verzekeringen en aflossingen. Ook wordt geen rekening gehouden met de fiscale gevolgen van de bijtelling vanwege een auto van de zaak.

Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man ten tijde van het huwelijk op een bedrag ter hoogte van € 5.542,- per maand, uitgaande van een inkomen van € 118.402,- per jaar blijkens de jaaropgaaf 2004 en rekening houdende met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Nu partijen het erover eens zijn dat de vrouw ten tijde van het huwelijk geen inkomen had, becijfert de rechtbank het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen ten tijde van huwelijk op € 5.542,- per maand.

Dit gegeven, gevoegd bij het ten aanzien van de minderjarigen toepasselijke aantal kinderbijslagpunten (12), levert een tabelbedrag op van € 860,-- per maand. De rechtbank is hierbij uitgegaan van de tabel uit 2006, omdat partijen begin 2006 feitelijk uit elkaar zijn gegaan. De vrouw heeft niet aangetoond dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor thans moet worden afgeweken en geëxtrapoleerd naar een hoger bedrag dan de maximale behoefte die volgt uit de tabel. Geïndexeerd naar 2015 bedraagt de behoefte van de minderjarigen thans € 1.015,- per maand.

Sinds 1 januari 2013 bepaalt de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen dat het kindgebonden budget dat ouders ontvangen in mindering strekt op het gevonden tabelbedrag eigen aandeel kosten van kinderen. Met de invoering van de Wet hervorming kindregelingen per 1 januari 2015 hebben alleenstaande ouders die in aanmerking komen voor een kindgebonden budget recht op een verhoging van dit kindgebonden budget met maximaal € 3.050,- (voor 2015). Deze verhoging wordt de alleenstaande-ouderkop genoemd. De expertgroep alimentatienormen beveelt nog steeds aan om het totale kindgebonden budget (dus inclusief de alleenstaande-ouderkop) in mindering te doen strekken op het gevonden tabelbedrag eigen aandeel kosten van kinderen. Deze aanbeveling kan er in bepaalde gevallen toe leiden dat er geen behoefte meer resteert waarin de ouders moeten voorzien. In een dergelijk geval is er dus geen aanleiding voor het opleggen van een onderhoudsbijdrage ten laste van de andere niet-verzorgende ouder (vgl. Rapport alimentatienormen januari 2015, blz. 8).

Eén van de doelen van de Wet hervorming kindregelingen is het tegengaan van de armoedeval voor alleenstaande ouders die vanuit de bijstand gaan werken en het aantrekkelijker maken voor alleenstaande ouders om meer te gaan werken. In de wetsgeschiedenis is ten aanzien van de voorgestelde invoering van de alleenstaande-ouderkop het volgende opgemerkt: “Werkende alleenstaande ouders hebben in de huidige (tot 1 januari 2015) situatie recht op de aanvullende alleenstaande-ouderkorting. Doordat de alleenstaande-ouderkop hoger is dan het fiscale voordeel dat zij nu genieten, gaan werkende alleenstaande ouders rond het minimum er tot circa € 2.580 per jaar op vooruit. Dit komt mede doordat zij als gevolg van deze hervorming ook de voorgestelde intensivering op de arbeidskorting kunnen verzilveren. Het aanvaarden van werk vanuit een uitkering wordt daardoor veel aantrekkelijker.” (Kamerstukken 33716, nr. 3, blz. 8).

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat het in de bedoeling van de wetgever ligt dat de alleenstaande-ouderkop ten goede komt aan de alleenstaande verzorgende ouder. De hiervoor vermelde aanbeveling van de Expertgroep heeft in het onderhavige geval echter tot gevolg dat de vrouw als alimentatiegerechtigde ouder er minder dan de wetgever bedoeld heeft op vooruit gaat, omdat zij minder kinderalimentatie ontvangt. De man zou daarentegen minder hoeven te betalen, terwijl hij wel over draagkracht beschikt om meer bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen. De rechtbank zal bovenvermelde aanbeveling voor zover die ziet op de alleenstaande-ouderkop daarom niet opvolgen, en zal – anders dan de aanbeveling – bij het berekenen van de kinderalimentatie het bedrag van de alleenstaande-ouderkop buiten beschouwing laten.

Uitgaande van een toetsingsinkomen van de vrouw van € 42.349,- (bestaande uit partneralimentatie van € 3.724,84 per maand in de eerste zeven maanden van 2015 en een inkomen van € 750,- netto per maand en de in het vervolg van deze beschikking vast te stellen partneralimentatie van € 2.505,- per maand in de laatste vijf maanden van 2015) berekent de rechtbank het kindgebonden budget waar de vrouw in 2015 aanspraak op kan maken op € 296,- per maand. Hiervan trekt de rechtbank de alleenstaande-ouderkop (€ 125,- per maand) af, zodat een bedrag van € 171,- per maand aan kindgebonden budget resteert.

Na aftrek van het hiervoor berekende kindgebonden budget bedraagt het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de minderjarigen tezamen thans (afgerond) (€ 1.015 – € 171)

€ 844,- per maand.

Nu de vrouw geen inkomen en dus geen financiële draagkracht heeft, dient voormeld eigen aandeel in de kosten van de kinderen geheel voor rekening van de man te komen.

Behoefte van [naam stiefdochter] (stiefdochter)

Nu de man op grond van artikel 1:395 BW onderhoudsplichtig is jegens zijn stiefdochter [naam stiefdochter] dient zijn draagkracht naar het oordeel van de rechtbank te worden verdeeld over drie kinderen. Het feit dat de man de onderhoudsverplichting jegens [naam stiefdochter] bewust is aangegaan, zoals door de vrouw is gesteld, maakt deze wettelijke verplichting niet anders. De wet kent geen onderlinge rangorde voor het verdelen van de draagkracht van een onderhoudsgerechtigde over meerdere kinderen. Dit dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Het komt de rechtbank redelijk voor om de draagkracht van de man te verdelen naar rato van de behoefte van de kinderen, waartoe zij in het navolgende de behoefte van [naam stiefdochter] zal berekenen.

De man heeft aangevoerd dat de behoefte van [naam stiefdochter] € 622,- per maand is op basis van het NBI van de man van € 5.540,- en een nihil inkomen van zijn echtgenote [naam echtgenote]. De man stelt dat Nederlands recht van toepassing is vanaf het moment dat [naam stiefdochter] in Nederland is komen wonen.

De rechtbank gaat bij het vaststellen van de behoefte van [naam stiefdochter] niet uit van de berekeningswijze die de man heeft gevolgd. De rechtbank acht het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onredelijk dat aan [naam stiefdochter] een hogere behoefte zou worden toegekend dan aan de eigen kinderen van de man, terwijl de man pas op 22 mei 2014 is gehuwd met de moeder van [naam stiefdochter] en tussen de man en zijn biologische kinderen, die inmiddels 14 en 10 jaar oud zijn, een nauwere verwantschap bestaat (vgl. Rechtbank Overijssel d.d. 29 juli 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:4715).

Vast staat dat [naam stiefdochter] sinds 2014 in Nederland verblijft en dat zij daarvoor in Rusland heeft gewoond. Nu [naam stiefdochter] in Nederland verblijft, is Nederlands recht van toepassing en zal de rechtbank de behoefte van [naam stiefdochter] naar Nederlands recht vaststellen conform de uitgangspunten zoals deze zijn neergelegd in de tabel eigen aandeel kosten van kinderen en de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen. Algemeen uitgangspunt hierbij is dat de behoefte van een minderjarige wordt bepaald aan de hand van het netto besteedbaar inkomen van zijn of haar ouders ten tijde van hun samenleving dan wel huwelijk, in dit geval dus het inkomen dat haar moeder [naam echtgenote] en haar vader in Rusland genoten op het moment dat zij uit elkaar gingen.

Het is onbekend gebleven wat het inkomen van de ouders van [naam stiefdochter] in Rusland was. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vader van [naam stiefdochter] op dit moment (omgerekend) € 100,- per maand aan kinderalimentatie voor [naam stiefdochter] betaalt. De man heeft onbetwist gesteld dat in Rusland kinderalimentatie wordt vastgesteld op basis van een vast percentage van 25% van het netto inkomen en dat daaruit kan worden afgeleid dat de vader van [naam stiefdochter] in Rusland een inkomen van € 400,- netto per maand heeft. De rechtbank er gaat derhalve vanuit dat de vader op het moment van uiteengaan een inkomen van € 400,- netto per maand genoot.

Nu niets anders is gesteld, gaat de rechtbank ervan uit dat [naam echtgenote] in Rusland geen inkomen had, zodat de rechtbank het netto besteedbaar gezinsinkomen van de ouders van [naam stiefdochter] becijfert op € 400,- netto per maand.

Op grond van het feit dat [naam stiefdochter] sinds het schooljaar 2014-2015 naar klas 2 havo/vwo van het Erasmus college te Zoetermeer gaat, gaat de rechtbank ervan uit dat zij thans (ongeveer)

14 jaar oud is, zodat op haar thans 0 kinderbijslagpunten van toepassing zijn. Dit levert een tabelbedrag op van € 90,- per maand.

Omdat de levensstandaard in Rusland verschilt van die in Nederland, sluit de rechtbank voor het bepalen van de behoefte aan bij de Wet op het Woonlandbeginsel in de Sociale Zekerheid en de daarbij behorende Regeling (20 april 2012, Stcrt 2012, 8306), die op 1 juli 2012 in werking is getreden. Op grond van deze wet wordt de hoogte van een uitkering (o.a. AKW, kindgebonden budget, WIA) voor landen buiten de Europese Unie afgestemd op het kostenniveau van het land waar de belanghebbende woont. Voor een groot aantal landen is een percentage vastgesteld dat het kostenniveau aangeeft ten opzichte het kostenniveau in Nederland. Voor Rusland is deze zogenaamde woonlandfactor bepaald op 50%, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat de levensstandaard in dit land 50% lager ligt dan in Nederland, zodat de behoefte daarop wordt aangepast en wordt vastgesteld op (2 x € 90,-) € 180,-. Nu de vader van [naam stiefdochter] met een bedrag van € 100,- voorziet in haar behoefte, resteert een eigen aandeel in de kosten van [naam stiefdochter] van € 80,-.

Nu de moeder van [naam stiefdochter] geen inkomen en dus geen financiële draagkracht heeft, dient voormeld eigen aandeel in de kosten van de kinderen geheel voor rekening van de man te komen.

Draagkracht van de man

Vervolgens dient te worden beoordeeld in hoeverre de draagkracht van de man het toelaat om te voorzien in het eigen aandeel in de kosten van de drie minderjarigen.

De rechtbank gaat bij de berekening van de financiële draagkracht van de man uit van een inkomen van € 8.778,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld en een bonus van € 13.270,- bruto per jaar. De rechtbank gaat hierbij uit van de overgelegde salarisspecificaties uit 2014 en 2015 en gaat niet mee in het standpunt van de vrouw dat uitgegaan moet worden van het inkomen van de man in 2011, nu het huidige inkomen van de man hoger is dan zijn inkomen in 2004 (NBI van € 5.542,-), op basis waarvan de behoefte van de minderjarigen is vastgesteld, en het dus niet relevant is dat het inkomen van de man in de periode van 2011 tot 2014 is gedaald. Bovendien heeft de man naar het oordeel van de rechtbank voldoende aangetoond dat deze inkomensdaling niet verwijtbaar is.

Voorts gaat de rechtbank, anders dan de vrouw, uit van de bonus die de man blijkens de salarisspecificatie van juni 2014 in dat jaar heeft ontvangen en ziet zij geen reden om uit te gaan van het gemiddelde van de bonussen van de afgelopen jaren, te meer nu nog geen gegevens bekend zijn over de te ontvangen bonus in 2015.

De rechtbank houdt voorts rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het huidige netto besteedbaar inkomen van de man op € 5.587,- per maand.

De draagkracht van de man is volgens de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 875)]

€ 2.125,- per maand. Nu er op dit moment geen contact is tussen de man en de minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zal de rechtbank geen zorgkorting op het draagkrachtloos inkomen in mindering te brengen.

De man heeft derhalve voldoende draagkracht om te voorzien in de totale behoefte van de minderjarigen, te weten € 844,- per maand voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en € 80,- voor [naam stiefdochter].

De rechtbank zal bepalen dat de man € 844,- per maand, ofwel € 422,- per maand per kind zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding de minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2].

Ingangsdatum

De rechtbank zal de kinderalimentatie wijzigen met ingang van de datum van deze beschikking, gelet op het consumptieve karakter van kinderalimentatie waardoor de reeds ontvangen bedragen reeds zijn besteed aan de minderjarigen.

Partneralimentatie

Behoefte van de vrouw

Bij beschikking van 23 januari 2006 is behoefte van de vrouw op basis van de zogenoemde Hofnorm vastgesteld op € 2.784,- netto per maand. Geïndexeerd naar 2015 bedraagt de behoefte thans € 3.255,- netto per maand, zodat de rechtbank de behoefte vaststelt op dit bedrag. De rechtbank volgt derhalve niet de feitelijke behoefte zoals weergegeven op de door de vrouw overgelegde behoeftelijst, nu de welstand van partijen gedurende het huwelijk bepalend is voor de behoefte, terwijl op de behoeftelijst posten zijn opgenomen die nog niet bestonden ten tijde van het huwelijk, zoals kosten voor opleiding en pensioenopbouw, terwijl ook niet duidelijk is of die behoefte niet ook mede de kosten van de kinderen omvat.

Vast staat dat de vrouw geen enkel inkomen heeft en geheel leeft van de partneralimentatie.

De man heeft de behoeftigheid betwist, stellende dat de vrouw (inmiddels) zelf in haar levensonderhoud kan voorzien, nu de minderjarigen naar school gaan en de vrouw mede gelet op haar leeftijd, opleiding en werkervaring in staat is om te werken.

De vrouw heeft gesteld dat zij onverminderd behoefte heeft aan de huidige partneralimentatie. Zij heeft betwist dat thans van haar gevergd kan worden dat zij gaat werken, nu zij de volledige zorg voor de minderjarigen heeft en haar gedateerde werkervaring en leeftijd een belemmering vormen bij het vinden van een baan.

De rechtbank overweegt dat sinds de vaststelling van de partneralimentatie in 2006 bijna tien jaar zijn verstreken. De vrouw is thans 45 jaar oud en heeft de zorg voor twee schoolgaande kinderen van 14 en 10 jaar oud. De rechtbank is van oordeel dat inmiddels van de vrouw gevergd kan worden dat zij (deels) in haar eigen levensonderhoud gaat voorzien. Dat de vrouw daar ook zo over denkt, blijkt wel uit het feit dat zij naar haar zeggen al sinds drie jaar solliciteert. Zij zou steeds afgewezen worden omdat zij te oud zou zijn, maar uit de sollicitaties die de vrouw heeft overgelegd blijkt dat de vrouw reageert op functies die de rechtbank beneden haar niveau en werkervaring acht. Zo is een sollicitatie naar de functie van aankomend verkoper bij Etos niet realistisch te achten. De vrouw volgt inmiddels een opleiding en verwacht na afloop daarvan een eigen bedrijf te starten waarbij zij tegen het einde van de alimentatietermijn (24 maart 2018) € 1.600,- netto per maand verwacht te verdienen. Wat daarvan ook zij, de vrouw zal naar verwachting ook bij reguliere banen in loondienst moeten werken, nu het opzetten en uitbouwen van een eigen bedrijf een onzekere en langdurige kwestie is.

Gelet op haar omstandigheden ziet de rechtbank voor de vrouw voldoende mogelijkheden om op korte termijn een (parttime) baan te vinden. De rechtbank acht het redelijk dat de vrouw binnen drie maanden na de datum van deze beschikking twee dagen per week (16 uur) werkzaam zal zijn, zodat de rechtbank met ingang van 1 augustus 2015 uitgaat van een verdiencapaciteit van de vrouw van € 750,- netto per maand. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw die werkzaamheden medio 2016 kan uitbreiden naar 32 uur per week tegen een verwacht inkomen van € 1.500,- netto per maand en dat de vrouw vanaf 1 januari 2018 in staat is om € 1.600,- netto per maand te verdienen.

Uitgaande van deze verdiencapaciteit bedraagt de aanvullende behoefte van de vrouw derhalve van 1 augustus 2015 tot 1 augustus 2016 (€ 3.255 - € 750) € 2.505,- netto per maand, hetgeen correspondeert met een bedrag van € 2.505,- bruto per maand (omdat de verschuldigde belasting lager is dan de heffingskortingen bestaat er geen fiscaal voordeel).

Van 1 augustus 2016 tot 1 januari 2018 bedraagt de aanvullende behoefte (€ 3.255 –

€ 1.500) € 1.755,- netto per maand, en vanaf 1 januari 2018 bedraagt de aanvullende behoefte (€ 3.255 – € 1.600) € 1.655,- netto per maand. Gelet op de onzekerheid over fiscale bepalingen in de jaren 2016 en volgende, zal de rechtbank de partneralimentatie over de periode vanaf 1 augustus 2016 op netto-basis bepalen.

Limitering

Nu geenszins is gebleken dat sprake is van zwaarwegende omstandigheden op grond waarvan in dit geval een andere dan de wettelijke alimentatietermijn geldt, ziet de rechtbank geen aanleiding voor limitering van de onderhoudsverplichting.

Draagkracht van de man

De rechtbank gaat bij de berekening van de financiële draagkracht van de man uit van een inkomen van € 8.778,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld, een bonus van € 13.270,- bruto per jaar en de bijtelling voor het privégebruik van de auto van € 761,- bruto per maand. De rechtbank gaat hierbij uit van de overgelegde salarisspecificaties uit 2014 en 2105. Zoals hiervoor reeds is overwogen, gaat de rechtbank niet mee in het standpunt van de vrouw dat uitgegaan moet worden van het inkomen van de man in 2011 en gaat de rechtbank, anders dan de vrouw, uit van de bonus die de man blijkens de salarisspecificatie van juni 2014 in dat jaar heeft ontvangen.

De rechtbank houdt voorts rekening met:

  • -

    de pensioenpremie van € 401,- per maand;

  • -

    de bijtelling eigen-woningforfait van € 1.665,- (WOZ-waarde van € 222.000,-);

  • -

    de fiscaal aftrekbare hypotheekrente van € 1.311,- per maand.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:

- de algemene heffingskorting;

de arbeidskorting.

Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op € 6.549,- per maand.

De rechtbank neemt de volgende niet – dan wel onvoldoende – betwiste maandelijkse lasten in aanmerking:

- kinderalimentatie van € 844,- voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2];

- eigen aandeel in de kosten van [naam stiefdochter] van € 80,-.

De vrouw heeft de volgende opgevoerde maandelijkse lasten betwist:

a. bijstandsnorm voor een gezin;

b. woonlasten (hypotheekrente, premie levensverzekering en forfait eigenaarslasten);

c. premie zorgverzekering en eigen risico voor de echtgenote van de man;

d. studiekosten.

Ad a: bijstandsnorm

De man acht het redelijk om rekening te houden met de bijstandsnorm voor een gezin, gelet op het feit dat zijn echtgenote (nog) niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

De vrouw heeft dit betwist, nu de man er bewust voor heeft gekozen om te trouwen met een vrouw uit het buitenland die in Nederland niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

De rechtbank is van oordeel dat de man, door te trouwen met een vrouw die afkomstig is uit Rusland en de Nederlandse taal niet machtig is, er zelf voor heeft gekozen dat hij in haar levensonderhoud moet voorzien. Deze verplichting kan naar het oordeel van de rechtbank niet voorgaan op de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw. Derhalve zal de rechtbank rekening houden met de bijstandsnorm voor een alleenstaande. Daarbij geldt bovendien dat de man al deels in het levensonderhoud van zijn echtgenote voorziet doordat zij bij hem inwoont.

Ad b: woonlasten

De vrouw heeft gesteld dat de door de man aangevoerde woonlasten (hypotheekrente, premie levensverzekering en forfait eigenaarslasten) voor de helft meegenomen moeten worden, aangezien de man zijn woonlasten kan delen met zijn echtgenote.

Nu de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn echtgenote (nog) niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, gaat de rechtbank er niet vanuit dat de man zijn woonlasten kan delen. De rechtbank houdt derhalve ten aanzien van de woonlasten rekening de volgende maandelijkse lasten:

  • -

    hypotheekrente van € 1.311,-;

  • -

    premie levensverzekering van € 160,-;

  • -

    forfait overige eigenaarslasten van € 95,-.

Ad c: premie zorgverzekering en eigen risico

De man heeft naast de kosten voor zijn eigen zorgverzekering (premie en eigen risico) de kosten voor de zorgverzekering van zijn echtgenote (premie en eigen risico) opgevoerd, aangezien zij niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

De vrouw heeft dit betwist, nu de man er bewust voor heeft gekomen om te trouwen met een vrouw uit het buitenland die in Nederland niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

De rechtbank zal alleen rekening houden met de kosten voor de zorgverzekering van de man zelf (premie van € 166,- per maand en verplicht eigen risico van € 31,- per maand) en niet die van zijn echtgenote. De onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw heeft voorrang boven deze kosten, nu de man er zelf voor heeft gekozen om een partner uit het buitenland te laten overkomen die niet in haar eigen onderhoud kan voorzien.

Studiekosten

De man heeft € 225,- per maand aan studiekosten opgevoerd. Uit de overgelegde stukken blijkt dat dit ziet op de kosten voor inburgering van zijn echtgenote.

De rechtbank zal met deze kosten, gelet op de betwisting door de vrouw, geen rekening houden. De onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw heeft voorrang boven de kosten van inburgering van zijn echtgenote, te meer nu de man er zelf voor heeft gekozen om een partner uit het buitenland te laten overkomen die niet in haar eigen onderhoud kan voorzien. Bovendien blijkt uit de overgelegde stukken dat het mogelijk is om ten behoeve van deze kosten een lening af te sluiten.

Voor de man geldt een draagkrachtpercentage van 60%.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man voldoende draagkracht heeft voor een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw van € 2.505,- bruto per maand van 1 augustus 2015 tot 1 augustus 2016.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de man van 1 augustus 2016 tot 1 januari 2018 voldoende draagkracht heeft voor een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw van € 1.755,- netto per maand.

Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat de man vanaf 1 januari 2018 voldoende draagkracht heeft voor een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw van € 1.655,- netto per maand.

De rechtbank zal voornoemde bedragen aan partneralimentatie vastleggen.

Ingangsdatum

De rechtbank zal de partneralimentatie wijzigen met ingang van 1 augustus 2015, nu de rechtbank er bij de berekening van de partneralimentatie vanuit is gegaan dat de vrouw binnen drie maanden na de datum van deze beschikking een (parttime) baan heeft gevonden en haar werkzaamheden daarna zal uitbreiden. De rechtbank heeft zodoende getracht de periode tot aan het einde van de alimentatietermijn te overbruggen en acht het redelijk om de vrouw de tijd te gunnen om een baan te vinden.

Financiële gegevens overleggen

Nu de vrouw haar financiële gegevens heeft overgelegd, beschouwt de rechtbank het verzoek van de man als ingetrokken.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank d.d.

23 januari 2006 – :

bepaalt de door de man met ingang van heden te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen:

- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

op € 422,- per maand per kind, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

bepaalt de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 augustus 2015 tot 1 augustus 2016 op € 2.505,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 augustus 2016 tot 1 januari 2018 op € 1.755,-- netto per maand en met ingang van 1 januari 2018 op € 1.655,- netto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.R. van der Meer in tegenwoordigheid van

mr. J.M.N. Schrover als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 mei 2015.