Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:5222

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-05-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
15-139
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:1379, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 28
Vreemdelingenwet 2000 14 en 3.6a
Vreemdelingenwet 2000 64
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/139

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2015 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, V-nummer [V-nr.]

(gemachtigde: mr. H. Yousef),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P. de Boo).

Procesverloop

Bij besluit van 30 december 2014 heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2015. Eiseres is verschenen en is bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig de echtgenoot en de twee minderjarige kinderen van eiseres alsmede [tolk], tolk in de Arabische taal.

Overwegingen

1. Aan haar asielaanvraag heeft eiseres ten grondslag gelegd dat zij in [Land] in de plaats [plaats 1] werkzaam was als anesthesist in het [plaats 1] ziekenhuis. Begin juli 2008 was eiseres aanwezig bij een keizersnedeoperatie van een moslima van wie de baarmoeder verwijderd moest worden. De echtgenoot van de patiënte, genaamd [echtgenoot], ondertekende een formulier om hiervoor akkoord te geven. De dag na de operatie stelde [echtgenoot] eiseres verantwoordelijk voor het verwijderen van de baarmoeder, terwijl niet zij maar een moslim gynaecoloog die had verwijderd. Een week later werd eiseres gedurende een week dagelijks telefonisch bedreigd met de dood. Er werd 500.000 [ponden] geëist. Eiseres heeft aangifte gedaan van de dreigementen. Toen de behandelend politieambtenaar begreep dat het ging om een aangifte tegen een invloedrijke man binnen het politieapparaat en het rechtssysteem, adviseerde de desbetreffende agent eiseres het geëiste bedrag te betalen. Eiseres slaagde er niet in het gewenste bedrag bij elkaar te krijgen en is naar [plaats 2] gevlucht waar zijn ongeveer twee maanden heeft verbleven alvorens zij naar Nederland is gevlucht.

2 Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres met toepassing van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 afgewezen. Voorts heeft verweerder besloten eiseres niet een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, in verbinding met artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit 2000, te verlenen. Ten slotte heeft verweerder eiseres geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 verleend.

3 De rechtbank oordeelt als volgt over de door eiseres geformuleerde beroepsgronden.

3.1

In de brief van 11 juli 2012 van de rechtsvoorganger van verweerder aan de voorzitter van de Tweede Kamer (kenmerk 2012-0000386005), die een actualisering betreft van het beleid van christelijke asielzoekers in [plaats 1] neergelegd in het thematisch ambtsbericht van juni 2012, staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Uit het thematisch ambtsbericht blijkt dat “hoewel het voor christenen mogelijk is om bij de politie aangifte te doen van een misdrijf met een politieke achtergrond, met een dergelijke aangifte in de praktijk nauwelijks iets wordt gedaan. In veel gevallen initieert de overheid zogenaamde ‘verzoeningssessies’ tussen kopten en moslims, maar vindt er geen daadwerkelijke strafvervolging van de daders plaats. Voor zover bekend kunnen christenen (en andere Egyptenaren), wanneer de politie in gebreke blijft, geen bescherming zoeken bij andere (hogere) autoriteiten”. Om deze reden heb ik in het beleid opgenomen dat van christelijke asielzoekers die aan de hand van hun individuele asielrelaas aannemelijk hebben gemaakt in [plaats 1] te vrezen voor vervolging niet wordt verlangd dat zij zich, voorafgaande aan hun vertrek uit [plaats 1], tot de [plaats 1] autoriteiten hebben gewend.

Tot slot wijs ik er volledigheidshalve op dat bij de beoordeling of een (christelijke) asielzoeker in aanmerking komt voor asielvergunning, conform het algemene beleid, wel wordt betrokken of hij onder de ervaren problemen had kunnen uitkomen door zich elders in [plaats 1] te vestigen. In zo’n geval wordt gesproken van een binnenlands vluchtalternatief. De aanwezigheid van een dergelijk vluchtalternatief zal per individueel geval worden beoordeeld.”

3.2

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) wordt de geloofwaardigheid van vermoedens over wat een vreemdeling bij terugkeer naar zijn of haar land van herkomst te wachten staat door de rechtbank vol getoetst.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling mag van een vreemdeling worden verlangd dat hij zich, alvorens hij zijn land van herkomst verlaat om hier te lande bescherming te zoeken, om bescherming tot de autoriteiten van dat land wendt, tenzij hij aannemelijk maakt dat dit voor hem gevaarlijk of bij voorbaat zinloos is. Indien dat laatste niet aannemelijk is gemaakt, kan slechts het tevergeefs inroepen van de bescherming van die autoriteiten aannemelijk maken dat zij niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden.

3.3

De rechtbank stelt vast dat verweerder de asielaanvraag van eiseres integraal heeft beoordeeld en daarbij niet in twijfel heeft getrokken dat eiseres de [plaats 1] nationaliteit heeft, koptisch christen is, werkzaam is geweest als hoofdanesthesist in het [plaats 1] ziekenhuis in de gelijkluidende plaats [plaats 1]. Verweerder heeft aannemelijk geacht dat eiseres vanwege haar religieuze achtergrond is lastiggevallen door een moslim omdat hij eiseres verantwoordelijk hield voor de verwijdering van de baarmoeder van zijn echtgenote door een (moslim) gynaecoloog.

3.4

Uit de door eiseres overgelegde stukken, met name het krantenartikel over de ontvoering van een koptische arts in het [plaats 1] ziekenhuis, blijkt dat in de plaats [plaats 1] koptische christenen vanwege hun religieuze achtergrond grote problemen ondervinden en slachtoffer zijn van willekeurig geweld.

Uit voornoemde beleidsbrief van 11 juli 2012 blijkt dat koptische christenen in [plaats 1] bij problemen niet de bescherming van de [plaats 1] autoriteiten kunnen inroepen.

Ook in het geval van eiseres heeft verweerder eiseres niet tegengeworpen dat zij zich voor haar problemen diende te wenden tot de [plaats 1] autoriteiten voor bescherming.

3.5

De rechtbank is vervolgens van oordeel dat gezien de in onderlinge samenhang beziene feiten dat eiseres als hoofdanesthesist werkzaam is geweest in het [plaats 1] ziekenhuis, daarbij uitsluitend vanwege haar koptisch christelijke achtergrond is lastiggevallen door een moslim medeburger, uit de door eiseres overgelegde stukken blijkt dat in de plaats [plaats 1] koptische christenen vanwege hun religieuze achtergrond slachtoffer zijn van willekeurig geweld en de autoriteiten in die situaties geen bescherming bieden tegen deze medeburgers, verweerder zijn standpunt dat de door eiseres ondervonden problemen zijn te kwalificeren als louter een private kwestie en eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet kan terugkeren naar [plaats 1], onvoldoende heeft gemotiveerd.

3.6

Ten aanzien van het vestigingsalternatief [plaats 2] dat verweerder eiseres heeft tegengeworpen omdat eiseres voor haar vertrek naar Nederland twee maanden in [plaats 2] heeft verbleven, overweegt de rechtbank als volgt.

Nu eiseres ook bij voorkomende problemen in [plaats 2] bescherming van de [plaats 1] autoriteiten niet kan inroepen omdat zij koptisch christenen is, dient de tegenwerping van het vestigingsalternatief [plaats 2] deugdelijk te zijn gemotiveerd.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de tegenwerping van het vestigingsalternatief onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de persoonlijke en bijzondere (familie)omstandigheden van eiseres. Het gaat hierbij om de volgende bijzondere omstandigheden.

Uit de door eiseres overgelegde brief van psychiater [psychiater] en sociaal psychiatrisch verpleegkundige [arts] van Parnassia Den Haag van 12 november 2014 blijkt allereerst dat eiseres, die lijdt aan paranoïde schizofrenie en daarvoor onder behandeling staat, mantelzorg behoeft voor de klachten van haar aandoening en dat zij deze mantelzorg krijgt van haar echtgenoot. Haar echtgenoot ziet er op toe dat eiseres haar afspraken nakomt en haar medicatie krijgt in aanvulling op de huidige behandeling. Zonder dat zal de behandeling te kort schieten met als risico ernstige decompensatie van psychotische klachten en depressieve klachten. Eerder heeft dit geleid tot suïcidaliteit, risicovol gedrag naar anderen en bizar gedrag waarvoor ze met een inbewaringstelling opgenomen is geweest.

Voorts is van belang dat eiseres en haar echtgenoot gezamenlijk het gezag over hun twee minderjarige kinderen hebben en dat haar echtgenoot en de kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben.

Dat verweerder in de medische en gezinssituatie van eiseres, te weten dat de echtgenoot van eiseres mantelzorg verleent, onvoldoende aanleiding heeft gezien om eiseres voor een reguliere medische vergunning in aanmerking te brengen danwel haar uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 te verlenen, laat, wat daar ook verder van zij, onverlet dat verweerder deze omstandigheid wel diende te betrekken en mee te wegen bij de vraag of eiseres het vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen. Dit klemt temeer nu eiseres en haar echtgenoot gezamenlijk het gezag uitoefen over hun twee minderjarige kinderen en de echtgenoot met de kinderen eiseres dus genoodzaakt zijn te volgen naar [plaats 1].

Bij zijn standpunt dat er geen objectieve belemmering bestaat voor de echtgenoot en de kinderen om zich met eiseres in [plaats 2] te vestigen, heeft verweerder onvoldoende rekenschap gegeven van het feit dat het gaat om drie gezinsleden van eiseres die allen de Nederlandse nationaliteit hebben en koptisch christen zijn en dat zij bij voorkomende problemen niet de bescherming van de [plaats 1] autoriteiten kunnen inroepen.

Gezien voorgaande bijzondere individuele (familie)omstandigheden - in onderlinge samenhang bezien – is de rechtbank van oordeel dat verweerder zijn standpunt dat eiseres zich eventueel vergezeld met haar gezin in [plaats 2] kan vestigen evenmin voldoende heeft gemotiveerd. Dat eiseres bij haar inreis in Nederland in 2008 zich niet onmiddellijk tot verweerder heeft gewend met een asielverzoek, is niet van een zodanig gewicht om aan het vorenstaande voorbij te gaan.

3.7

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het beroep van eiseres gegrond verklaren wegens strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Gelet op het vorenstaande behoeven de overige onderdelen van het besluit alsmede de daartegen ingebrachte gronden geen bespreking.

3.8

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit van 30 december 2014;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 980,-, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Zanlier-Erkan, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2015.

Rechtmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).