Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:4662

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-04-2015
Datum publicatie
23-04-2015
Zaaknummer
AWB 15-6673
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring, eerste beroep, motivering lichter middel en zicht op uitzetting

Wetsartikelen: artikel 6:22 Awb

Bewaring, eerste beroep. In de aan de inbewaringstelling ten grondslag gelegde motivering is niet tot uitdrukking gebracht waarom niet met toepassing van een lichter middel kan worden volstaan en waarom het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt, zoals is vereist volgens de uitspraak van de ABRvS van 10 april 2015 (zaaknummer 201502024/1/V3). Gelet hierop is sprake van een motiveringsgebrek. Verweerder heeft in een aan de rechtbank toegezonden aanvullend stuk, dat volgens de rechtbank niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb, alsnog een deugdelijke motivering gegeven. Gelet daarop en nu gesteld noch gebleken is dat eiser in zijn belangen is geschaad, ziet de rechtbank aanleiding het gebrek dat aan de maatregel van bewaring kleeft met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Eiser is immers in de gelegenheid gesteld te reageren op de nadere motivering en hij is daarmee in staat gesteld zijn rechten onder zo goed mogelijke omstandigheden te verdedigen en ook de rechter is ten volle in staat gesteld om de controle van de rechtmatigheid van de betrokken handeling uit te oefenen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/6673

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2015 in de zaak tussen

[eiser], geboren op [1985], van Servische nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: S. Faddach).

Procesverloop

Verweerder heeft op 30 maart 2015 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank. Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw strekt dit beroep tevens tot toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2015. Het beroep is ter zitting gezamenlijk behandeld met eisers beroep tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit en het aan hem uitgevaardigde inreisverbod, welk beroep is geregistreerd onder nummer AWB 15/6675. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. J.E. Groenenberg, in onderhavige zaak als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek in onderhavige procedure op 14 april 2015 heropend om verweerder in de gelegenheid te stellen een nadere reactie te geven. Verweerder heeft op 16 april 2015 een nadere reactie ingediend en eiser heeft daarop op 17 april 2015 gereageerd.

Verweerder heeft de maatregel van bewaring met ingang van 18 april 2015 opgeheven en eiser uitgezet.

Nadat eiser bij faxbericht van 17 april 2015 geen toestemming heeft verleend om uitspraak te doen zonder nader onderzoek ter zitting, is het onderzoek ter zitting op 23 april 2015 voortgezet. Eiser is hierbij niet verschenen, maar is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Nu de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling van dit geschil zich tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de oplegging of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.

2. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank, indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt, dan wel de bewaring reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. Eiser heeft erop gewezen dat de rechtbank in zijn strafzaak de vordering tot het verlenen van een bevel tot bewaring heeft afgewezen. Hij is niet strafrechtelijk veroordeeld en dat betekent volgens eiser dat hij ten onrechte strafrechtelijk is aangehouden. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 16 september 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3592), heeft eiser aangevoerd dat nu hij via een onrechtmatige vrijheidsontneming in de macht van verweerder is gekomen, een belangenafweging gemaakt had moeten worden. Voor die belangenafweging is volgens eiser van belang dat zijn paspoort echt is en dat hij onderweg was naar Belgrado en dus niet verbleef in Nederland. Op grond van die belangenafweging had de maatregel van bewaring niet opgelegd mogen worden, aldus eiser.

4. Gelet op vaste jurisprudentie, zie onder andere de uitspraak van de ABRvS van 26 juli 2001 (ECLI:NL:RVS:2001:AD6144) en de uitspraak van 17 juni 2002 (ECLI:NL:RVS:2002:AE6646), is het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw toegekende bevoegdheden. De bevoegdheid van de bijzondere rechter in vreemdelingenzaken is in de Vw beperkt tot de beoordeling van op die wet gebaseerde vrijheidsbeperking en vrijheidsontneming. Die wet biedt de rechtbank derhalve geen ruimte om zich een oordeel te vormen over de rechtmatigheid van aan de bewaring voorafgaande aanwending van strafrechtelijke bevoegdheden. Daartoe moet men zich wenden tot de ter zake van toetsing van strafvorderlijk optreden aangewezen rechter of tot een rechter met algemene bevoegdheid. De vreemdelingenrechter kan zich slechts indien de onrechtmatigheid van de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw toegekende bevoegdheden door een daartoe bevoegde rechter is vastgesteld, gesteld zien voor de vraag naar de gevolgen daarvan voor de rechtmatigheid van de vreemdelingenrechtelijke inbewaringstelling.

5. De rechtbank overweegt dat uit de zich in het dossier bevindende afwijzing van de vordering tot het verlenen van een bevel tot bewaring van 30 maart 2015 slechts blijkt dat de vordering door de rechter-commissaris is afgewezen. Nu uit die afwijzing niet zonder meer volgt dat de strafrechtelijke aanhouding onrechtmatig moet worden geacht, bestaat geen grond voor het oordeel dat eiser is heengezonden vanwege een onrechtmatige aanhouding. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de ABRvS van 28 april 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BQ380). Verder is niet gebleken dat een daartoe bevoegde rechter de onrechtmatigheid van de aanhouding heeft vastgesteld. Wat eiser heeft aangevoerd over het voortraject kan derhalve niet slagen en leidt dan ook niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht.

6. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom dat niet zou kunnen. Volgens eiser moet uit de motivering in de maatregel van bewaring blijken waarom niet met een lichter middel zou kunnen worden volstaan en waarom zicht op uitzetting binnen redelijke termijn niet ontbreekt. Verweerder heeft zich ten onrechte niet uitgelaten over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Gezien de constatering dat eiser over een geldig paspoort beschikte, is volgens eiser niet in te zien waarom uitzetting op korte termijn niet kon plaatsvinden.

7. Eiser heeft verder de rechtmatigheid van het aanvullende stuk dat verweerder op 16 april 2015 aan de rechtbank heeft gezonden betwist, nu dat stuk is gedagtekend op 30 maart 2015 en volgens eiser op hetzelfde moment is genomen als de maatregel van bewaring. Nergens blijkt uit dat dit aanvullende stuk is uitgereikt aan eiser en voorts stelt eiser zich op het standpunt dat dit stuk ten onrechte aanvankelijk uit het dossier is gehouden. Als de genoemde datum in het aanvullende stuk niet juist is, is volgens eiser sprake van een vals document. Voorts heeft eiser betoogd dat nu verweerder achteraf nog met een extra motivering komt, dit impliceert dat de maatregel van bewaring een zodanige motivering ontbeerde en daarmee onrechtmatig was. Dat betekent volgens eiser dat hij in ieder geval vanaf de inbewaringstelling tot aan het toezenden van het nieuwe stuk onrechtmatig in bewaring heeft verbleven.

8. Uit de uitspraak van de ABRvS van 10 april 2015 (zaaknummer 201502024/1/V3), volgt, voor zover hier van belang, dat verweerder in de aan de inbewaringstelling ten grondslag gelegde motivering tot uitdrukking moet brengen waarom niet met toepassing van een lichter middel kan worden volstaan en waarom het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt. De rechtbank stelt vast dat dat in de onderhavige zaak niet in de aan de inbewaringstelling ten grondslag gelegde motivering tot uitdrukking is gebracht. Gelet hierop is sprake van een motiveringsgebrek.

9. Bij brief van 16 april 2015 heeft verweerder een aanvullend stuk overgelegd waarin een nadere motivering is gegeven. In dat aanvullende stuk heeft verweerder geconstateerd dat in het licht van de hiervoor genoemde uitspraak van de ABRvS van 10 april 2015, het bevel tot oplegging van de maatregel niet kenbaar gemotiveerd is geweest. In verband hiermee wordt in het aanvullende besluit alsnog een kenbare motivering gegeven. Verweerder heeft in zijn aanvullende besluit, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“Ten tijde van de oplegging van de maatregel is overwogen of op betrokkene een afdoende minder dwingende maatregel doeltreffend is toe te passen.

Betrokkene heeft een vals/vervalst paspoort.

Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt waarom hij naar Nederland is gekomen.

Betrokkene is al enige tijd illegaal in het Schengen gebied.

Betrokkene heeft een inreisverbod van 5 jaar.

Gezien de gronden en motiveringen van de maatregel is overwogen dat daarvan in het onderhavige geval in beginsel geen sprake (meer) is.

Door betrokkene is ook niet (overtuigend) gesteld dat een dergelijke minder dwingende maatregel voor de daadwerkelijke effectuering van diens vertrek kan volstaan.

Evenmin is gebleken van omstandigheden die detentie voor betrokkene onredelijk bezwarend maken.

Voorts is geoordeeld dat ten tijde van de oplegging van de maatregel zicht op uitzetting bestaat omdat:

- niet is gebleken dat betrokkene de nationaliteit heeft van een staat die geen medewerking verleent aan gedwongen terugkeer of waarvoor een vertrekmoratorium of een andere beleidsmatige belemmering voor de uitzetting geldt.

- betrokkene beschikt over een geldig reisdocument op basis waarvan hij uitgezet kan worden.

- niet is gebleken dat het (mogelijke) land van herkomst geen (vervangende) reisdocumenten zal verstrekken voor gedwongen terugkeer.”

10. Gezien het procesverloop en de standpunten van partijen in deze zaak, ziet de rechtbank zich allereerst voor de vraag gesteld wat het rechtskarakter is van het op 16 april 2015 door verweerder aan de rechtbank toegezonden aanvullende stuk. De rechtbank stelt vast dat de aanvullende motivering van verweerder is neergelegd in een formulier M110-A en is genaamd ‘Aanvullend besluit op de Maatregel van bewaring’. Blijkens de inhoud van dit stuk wordt eerst vastgesteld dat jegens eiser eerder een maatregel van bewaring is genomen alsmede dat in het licht van de uitspraak van de ABRvS van 10 april 2015 het bevel tot oplegging van de maatregel niet kenbaar gemotiveerd is geweest. Het stuk eindigt met een conclusie dat de maatregel is opgelegd op 30 maart 2015 te Schiphol om 16.45 uur. Het is ook ondertekend door een Hulpofficier van Justitie. Gezien de opmaak van dit onderdeel, begrijpt de rechtbank dat dit niet meer is dan een verwijzing naar de eerdere maatregel van bewaring en dat de dagtekening niet de dagtekening betreft van het zogenaamde aanvullende besluit. Het aanvullende stuk zelf is niet gedagtekend maar is bij de rechtbank op 16 april 2015 binnengekomen met een aanbiedingsbrief gedateerd op diezelfde dag. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het zogenoemde aanvullende besluit tegelijkertijd met de maatregel van bewaring is genomen en evenmin ziet de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een vals document. Gezien het voorgaande is de rechtbank verder van oordeel dat het door verweerder overgelegde aanvullende stuk feitelijk niet meer is dan een aanvullende motivering op de eerder genomen maatregel van bewaring en dat het daarmee niet kan worden gezien als een nieuw besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eveneens kan het aanvullende stuk naar het oordeel van de rechtbank niet aangemerkt worden als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb, nu geen sprake is van een intrekking, wijziging of vervanging van de maatregel van bewaring. Er bestond dan ook geen verplichting voor verweerder om deze aanvullende motivering in persoon aan eiser uit te reiken. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding het aanvullende stuk buiten beschouwing te laten of onrechtmatig te verklaren.

11. De rechtbank overweegt verder dat gelet op wat hiervoor in rechtsoverweging 9 is overwogen, verweerder alsnog tot uitdrukking heeft gebracht waarom in het geval van eiser niet met toepassing van een lichter middel kan worden volstaan en waarom zicht op uitzetting binnen redelijk termijn niet ontbreekt. Gelet op de overweging “Nu in de aan de inbewaringstelling ten grondslag gelegde motivering niet tot uitdrukking is gebracht, en ook niet tot uitdrukking komt, waarom de staatssecretaris in het geval van de vreemdeling niet met toepassing van een lichter middel kan volstaan en waarom het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt (…)”, van de ABRvS in de hiervoor genoemde uitspraak van 10 april 2015, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet alsnog zijn aanvullende motivering op dit punt na het opleggen van de maatregel van bewaring naar voren kan brengen. De rechtbank stelt vast dat eiser inhoudelijk verweerders motivering over dat zicht op uitzetting binnen redelijke termijn niet ontbreekt, niet heeft betwist. De rechtbank stelt verder vast dat eiser de gronden die verweerder aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd niet inhoudelijk heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op die gronden die verweerder aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd, verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de aanvullende motivering voldoende gevolg gegeven aan de vereisten die zijn neergelegd in de uitspraak van de ABRvS van 10 april 2015. Ook overigens heeft de rechtbank aan deze aanvullende motivering geen gebreken gezien.

12. De rechtbank ziet aanleiding het gebrek dat aan de maatregel van bewaring kleeft met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, nu verweerder alsnog een (deugdelijke) motivering heeft gegeven en gesteld noch gebleken is dat eiser in zijn belangen is geschaad. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser ter zitting heeft kunnen reageren op de toelichting van verweerder en verder is eiser ook in de gelegenheid gesteld te reageren op het aanvullende besluit van verweerder. Eiser is dan ook in staat gesteld om zijn rechten onder zo goed mogelijke omstandigheden te verdedigen en ook de rechter is ten volle in staat gesteld om de controle van de rechtmatigheid van de betrokken handeling uit te oefenen.

13. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring niet in strijd is geweest met de Vw. Ook bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat, bij afweging van de betrokken belangen, de maatregel in redelijkheid niet gerechtvaardigd is geweest.

14. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

15. De rechtbank ziet in het voorgaande wel aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.225,- (1 punt voor het beroepschrift; 1 punt voor het verschijnen ter zitting en een 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting; waarde per punt € 490,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.225,-, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.H.M. Druijf, rechter, in aanwezigheid van
S.J. van Ravenhorst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2015.

griffier rechter

Afschrift aan partijen verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.