Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:4648

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-02-2015
Datum publicatie
11-08-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 8684
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om een persoonlijke betalingsregeling terecht afgewezen in verband met grove schuld.

Eiseres heeft verzocht om een persoonlijke betalingsregeling voor de terugbetaling van de ontvangen kinderopvangtoeslag. De rechtbank oordeelt dat het onderscheid dat gemaakt wordt in de Uitvoeringsregeling Awir en de Leidraad Invordering 2008 tussen de wijzen waarop de toeslagschuld is ontstaan – te goeder of ter kwader trouw -, niet verboden is en er derhalve geen sprake is van strijd met een hoger wettelijk voorschrift dan wel een algemeen rechtsbeginsel. Vervolgens oordeelt zij dat het aan grove schuld, in de zin van ernstige nalatigheid, van eiseres te wijten is dat teveel kinderopvangtoeslag is uitbetaald. Het beroep van eiseres op overmacht kan niet slagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-2030
V-N Vandaag 2015/1756

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 14/8684

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.G.P. Glas),

en

de Belastingdienst/Toeslagen, kantoor [plaats], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij beschikking van 9 mei 2014 afwijzend beslist op het verzoek van eiseres om een persoonlijke betalingsregeling.

Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar van 2 augustus 2014 het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep bij de rechtbank ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2015 te Den Haag.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

Feiten

1. Verweerder heeft ten name van eiseres beschikkingen kinderopvangtoeslag 2011 en 2012 genomen op basis waarvan hij respectievelijk € 9.079 en € 2.469 van eiseres terugvordert.

2. Eiseres heeft verzocht om een persoonlijke betalingsregeling voor de terugbetaling van de bedragen genoemd onder 1.

Geschil
3.In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder terecht heeft geweigerd eiseres een persoonlijke betalingsregeling te verlene.n

4. Eiseres neemt het standpunt in dat verweerder ten onrechte haar verzoek om een betalingsregeling - gebaseerd op haar betalingscapaciteit - heeft afgewezen. Primair stelt eiseres zich op het standpunt dat de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Uitvoeringsregeling Awir) buiten toepassing dient te worden gelaten bij de beoordeling van het verzoek om een persoonlijke betalingsregeling. Subsidiair is eiseres van mening dat verweerder zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd, met name waarom eiseres opzet of grove schuld valt te verwijten.

5. Verweerder neemt het standpunt in dat de Uitvoeringsregeling Awir niet buiten toepassing dient te worden gelaten en eiseres opzet dan wel grove schuld valt te verwijten bij het ontstaan van de toeslagschuld. Er is derhalve geen mogelijkheid om een persoonlijke betalingsregeling op basis van betalingscapaciteit toe te kennen.

Beoordeling van het geschil

6. Hoewel buiten het bestek van deze procedure heeft verweerder met dagtekening 27 januari 2015 het recht op kinderopvangtoeslag 2011 alsnog verhoogd, hetgeen uiteindelijk ook invloed heeft op de omvang van de hier aan de orde zijnde betalingsregeling.

7. Artikel 26 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) bepaalt dat, indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd is. Het bedrag van de terugvordering moet op grond van artikel 28 van de Awir binnen zes weken na dagtekening van de beschikking tot terugvordering, worden betaald. Ingevolge artikel 31 van de Awir in samenhang met artikel 7 en artikel 8 van de Uitvoeringsregeling Awir is bepaald dat belanghebbende kan verzoeken om uitstel van betaling. In artikel 7, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Awir is bepaald dat op schriftelijk verzoek van belanghebbende een betaling in termijnen wordt toegestaan gebaseerd op diens betalingscapaciteit zoals bedoeld in artikel 13 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Deze bepaling is niet van toepassing indien het ontstaan van de terugvordering is te wijten aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner, aldus het bepaalde in artikel 7, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Awir.

8. Eiseres verwijst, ter onderbouwing van haar primaire standpunt naar de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 17 april 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:2804), waarin de rechtbank Rotterdam aanleiding ziet om de Uitvoeringsregeling Awir en de Leidraad Invordering 2008 (Leidraad) buiten toepassing te laten omdat zij - zakelijk weergegeven - in de wet noch de totstandkomingsgeschiedenis van de Awir argumentatie heeft gevonden voor een rechtvaardiging voor het verschil in toekenning van een betalingsregeling naar draagkracht aan belanghebbenden wiens toeslagschuld ter goeder trouw is ontstaan of wegens opzet of grove schuld (te kwader trouw). De rechtbank overweegt echter, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) eerder heeft overwogen, dat aan een algemeen verbindend voorschrift slechts verbindende kracht kan worden ontzegd, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel (vgl. ABRvS 21 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:809). Ingevolge de Memorie van Toelichting bij artikel 31 Awir (Kamerstukken II, 2004/05, 29 764, nr.3, p.57) zullen op grond van de delegatiebepaling van het tweede lid de uitvoeringsvoorschriften voor de Belastingdienst Toeslagen worden vastgelegd met betrekking tot de procedure voor het in aanmerking komen voor uitstel van betaling, de periode waarover het uitstel zich uitstrekt alsmede de voorwaarden waaronder uitstel van betaling wordt verleend. Gelet op de tekst van de delegatiebepaling komt de minister - naar het oordeel van de rechtbank - bij de uitoefening van die bevoegdheid beleids- en beoordelingsvrijheid toe. Nu het maken van een onderscheid tussen de wijze waarop de toeslagschuld is ontstaan – te goeder of te kwader trouw- aldus niet verboden is, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van strijd met een hoger wettelijk voorschrift dan wel een algemeen rechtsbeginsel. Het betoog van eiseres faalt derhalve.

9. Gelet op het hiervoor beschreven wettelijk kader en hetgeen is overwogen onder 8, dient de rechtbank een oordeel te geven over de vraag of het ontstaan van de terugvordering van kinderopvangtoeslag voor de jaren 2011 en 2012 is te wijten aan opzet of grove schuld van eiseres.

10. Aangezien eiseres ten onrechte niet aan verweerder heeft doorgegeven dat zij niet langer gebruik maakte van kinderopvang voor één van haar kinderen en de kinderopvangtoeslag dus niet heeft stopgezet met betrekking tot de opvang van dit kind, is het haar in beginsel te verwijten dat verweerder ten onrechte kinderopvangtoeslag heeft uitbetaald. Eiseres had redelijkerwijs moeten begrijpen dat haar gedrag tot gevolg kon hebben dat een te hoog bedrag aan kinderopvangtoeslag zou worden toegekend. Daarmee is het aan grove schuld, in de zin van ernstige nalatigheid, van eiseres te wijten dat teveel kinderopvangtoeslag is uitbetaald.

11. Eiseres heeft daartegen aangevoerd dat haar geen blaam treft aangezien zij door overmacht - vanwege psychische klachten - de juiste wijzigingen niet tijdig heeft doorgegeven. Ter zitting heeft de gemachtigde dat toegelicht. De rechtbank is van oordeel dat eiseres daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar geen verwijt te maken valt. Uit de omstandigheid dat eiseres de afgelopen jaren heeft getracht een mentor te zoeken en daarover ook contact met haar gemachtigde heeft gehad blijkt dat zij zich bewust is geweest van haar kennelijk broze gezondheid. Eiseres heeft bovendien enkele malen juiste wijzigingen aan verweerder doorgegeven. Daaruit blijkt dat zij in beginsel in staat is geweest aan haar verplichtingen te voldoen. Dat betekent dat eiseres heeft nagelaten maatregelen te treffen die ertoe zouden leiden dat zij - met behulp van wie dan ook - ook op andere tijdstippen aan haar verplichtingen zou kunnen blijven voldoen. Dat zij zich daarvoor niet kon wenden tot haar familie en het haar overigens ontbrak aan een sociaal netwerk waarop zij terug kon vallen doet daaraan niet af. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de penibele persoonlijke situatie waarin eiseres zich destijds bevond, rust op eiseres gelet op het vorenstaande de plicht relevante wijzigingen door te (laten) geven. Het beroep op overmacht kan daarom niet slagen.

12. Nu het ontstaan van de terugvordering is te wijten aan grove schuld van eiseres heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank op juiste wijze toepassing gegeven aan artikel 79.8a van de Leidraad door eiseres een betalingsregeling toe te staan welke inhoudt dat de schuld in 24 gelijke maandelijkse termijnen volledig terugbetaald wordt.

13. Van een motiveringsgebrek is de rechtbank overigens niet gebleken. Eiseres heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

14. Gezien het voorstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht aan eiseres geen persoonlijke betalingsregeling heeft verleend.

Proceskosten

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Andrea, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2015.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.