Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:4514

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-04-2015
Datum publicatie
06-05-2015
Zaaknummer
C-09-392380 - HA ZA 11-1241
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omvangrijke procedure inzake onbetaald gebleven facturen steigerbouw. Vervolg op tussenvonnis 25 september 2013. Kaefer heeft ter uitvoering van de door de rechtbank gevraagde toelichting op haar vordering op zes punten een specificatie verstrekt. De specificatie is opgesteld aan de hand van opdrachtbonnen van de reeds door Kaefer overgelegde urenstaten en/of met verklaringen van medewerkers. De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling wordt uitgegaan van de urenstaten zoals deze door Kaefer zijn opgesteld, ook al zijn ze niet door Imtech NL ondertekend. De conclusie luidt dat Kaefer voor de geleverde steigerwerkzaamheden in beginsel de afgesproken uurprijs en uren zoals vermeld op de urenstaten in rekening heeft mogen brengen. De verschillende verweren van Imtech NL op dit punt worden beoordeeld en verworpen. Kaefer heeft in voldoende mate inzichtelijk gemaakt hoe zij tot de aan haar vordering ten grondslag liggende berekening is gekomen. De vordering wordt dan ook toegewezen. De vorderingen van Imtech NL in reconventie worden afgewezen, aangezien Imtech NL geen akte in reconventie heeft genomen en dus aan de in het tussenvonnis van 25 september 2013 geformuleerde opdrachten geen uitvoering heeft gegeven.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 668a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2015/119
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/392380 / HA ZA 11-1241

Vonnis van 15 april 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap

KAEFER NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. H.W. Gierman te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IMTECH NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.O. Berlage te Utrecht.

Partijen zullen hierna Kaefer en Imtech NL genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 25 september 2013;

  • -

    de akte na tussenvonnis van 12 maart 2014 van de zijde van Kaefer, met producties (genummerd 37 t/m 44);

  • -

    de antwoord akte van 2 juli 2014 van de zijde van Imtech.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in conventie

2.1.

Bij tussenvonnis van 25 september 2013 heeft de rechtbank Kaefer in de gelegenheid gesteld om zich – kort gezegd – op een aantal in de betreffende rechtsoverwegingen omschreven punten nader uit te laten respectievelijk haar vordering nader te onderbouwen. Kaefer heeft daarvan in haar akte gebruikgemaakt.

2.2.

De vordering van Kaefer tot veroordeling van Imtech NL tot betaling van

€ 152.332,15 valt volgens het tussenvonnis in vier (deel)vorderingen uiteen:

  • -

    A: de vordering van € 86.511,74 (steigerwerkzaamheden ter zake van niet ondertekende urenstaten)

  • -

    B: de vordering van € 14.481,21 (steigerhuur langer dan dertien weken)

  • -

    C: de vordering van € 6.500,-- (steigerhuur separate opdracht)

  • -

    D: de vordering van € 44.839,20 (demontage steigerwerkzaamheden na aanvullende afspraak).

2.3.

In het navolgende zal de rechtbank deze vorderingen – mede aan de hand van hetgeen Kaefer en Imtech NL in hun aktes naar voren hebben gebracht – verder bespreken en beoordelen.

A. Steigerwerkzaamheden ter zake van niet ondertekende urenstaten (€ 86.511,74)

2.4.

Kaefer heeft in haar akte allereerst betoogd dat de vordering ter zake van niet ondertekende urenstaten niet € 86.511,74 maar € 87.150,94 bedraagt. Het verschil van

€ 639,20 houdt verband met urenstaat 108 (factuur nr. 1600000503, productie 10). In deze factuur is behalve een bedrag van € 44.200,-- wegens demontage steigerwerk na aanvullende afspraak (de vordering onder D.) tevens een bedrag van € 639,20 in rekening gebracht, welk bedrag evenwel niet ziet op de demontagewerkzaamheden maar op het steigerwerk wegens niet ondertekende urenstaten. De rechtbank zal hierna van het gewijzigde bedrag uitgaan, nu Imtech NL de wijziging op zichzelf niet gemotiveerd heeft betwist; vgl. ook hierna onder vordering D.

2.5.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis (in ro. 4.9) overwogen dat Kaefer slechts een prijsindicatie had gegeven voor de opbouwtijd van normaal steigerwerk (blijkens het contract een steiger van 1,5 m breed en 10 m hoog), waarbij met een normale steiger in de bouwwereld wordt bedoeld een steiger die van de grond wordt opgebouwd, met één vloer en een trapopgang. In dat geval zou Kaefer globaal realiseren 80 m² (120 m³) per manuur per dag, inclusief inspectie. Voor het overige is volgens de rechtbank sprake van regie en zijn grondslag voor de betaling van verrichte steigerwerkzaamheden de ondertekende urenstaten (artikel 7 raamovereenkomst). De in het geding zijnde urenstaten zijn echter niet door Imtech NL ondertekend. Zij vormen daarentegen wel de basis voor het standpunt van Kaefer, zodat eerst vastgesteld dient te worden wat de betekenis is van de niet ondertekende urenstaten.

Verplichtingen Imtech NL en Kaefer

2.6.

In de situatie waarin op regiebasis wordt gedeclareerd, heeft te gelden dat Imtech NL in belangrijke mate moet kunnen vertrouwen op Kaefer en dat Kaefer het in haar gestelde vertrouwen dient te honoreren. Imtech NL dient zodra zij meent dat Kaefer tekort- schiet in productiviteit en dientengevolge te veel declareert dit terstond, althans zo spoedig mogelijk, bij Kaefer aan de orde te stellen. Imtech NL is daartoe als professionele bouwer die (blijkens verklaring ter comparitie) dagelijks op de werkvloer aanwezig was, toezicht hield op de werkzaamheden en de voortgang, ook in staat. Kaefer zal op haar beurt naar redelijkheid inzicht dienen te verstrekken in de afrekening van de onder regie uitgevoerde werken. Van haar kan worden gevergd dat zij, zoals ook in artikel 7 raamovereenkomst is overeengekomen, staten van verantwoording van de bestede uren verstrekt, met het daartoe verrichte werk alsmede facturen opmaakt die daarmee corresponderen. Ter beoordeling ligt dus voor in hoeverre Kaefer respectievelijk Imtech NL aan hun verbintenissen hebben voldaan.

2.7.

Volgens artikel 7 van de raamovereenkomst kan Kaefer de door haar geleverde diensten factureren op basis van “time sheets”, urenstaten, die door de aangewezen bevoegde (onder)aannemer naar behoren zijn ondertekend. Anders dan Imtech NL betoogt, stelt de raamovereenkomst geen andere vereisten, in het bijzonder niet dat Kaefer op grond van artikel 4 raamovereenkomst exact moest bijhouden welke steigers zij heeft opgebouwd.

Uit de over en weer niet betwiste stellingen en uit hetgeen ter comparitie naar voren is gebracht, kan over de gang van zaken op de werkvloer het volgende worden afgeleid. Dagelijks werd besproken wat moest gebeuren. Kaefer schreef op aanwijzing van Imtech NL (overigens zonder tekening) op de bouwplaats een opdrachtbon uit met behulp van een bonnenboekje dat was verstrekt door een ander lid van het consortium, Visser & Smit Hanab. Op elke afzonderlijk genummerde opdrachtbon staat voorgedrukt welke gegevens kunnen worden ingevuld. Het gaat om: naam van het project, de datum, de naam van de uitvoerder/voorman, akkoord opdrachtgever en een omschrijving van de opgedragen werkzaamheden/te nemen actie. De gegevens werden ter plaatse ingevuld, bijvoorbeeld: “RGR 17m demontage steig 063 tegen zijkant”, in beginsel gevolgd door een (handgeschreven) datum met handtekening of paraaf. Kaefer overhandigde direct aan Imtech NL een kopie van de aldus opgemaakte opdrachtbon. Imtech NL wist dan dat een steiger op 17 meter hoogte in de RGR (rookgasruimte) zou worden gedemonteerd en dat deze steiger het nummer 063 had. Op basis van de aldus door Imtech NL verstrekte opdracht legde Kaefer in de urenstaat vervolgens verantwoording af.

2.8.

Kaefer hanteerde, naar niet is betwist, standaard urenstaten, die door haar altijd bij regiecontracten worden gebruikt. De urenstaat bevat steeds een overzicht van één week. Op de urenstaat is per werknemer per dag het gewerkte aantal uren vermeld, het totaal is per dag getotaliseerd, en onder het kopje “Remarks” zijn de werkzaamheden vermeld en zo nodig uitgesplitst naar werkzaamheid. Op urenstaat nr. 93 bijvoorbeeld staat vermeld:

“Montage/demontage leuningwerk op 35 metervloer op 22-4-2010 in avonduren: 6 uur

Demontage steigernrs: 063, 098, 123 en 143: 38 uur (inclusief ankeringen)

Diverse aanpassingen en ombouw in ketelhuis en RGR: 64 uur

Transport en safety 38 uur [rest tekst door stempel slecht leesbaar].”

En op urenstaat nr. 99

“Werkzaamheden tbv Imtech nl all areas en liftboy. (…) Liftboy 8 uur

montage steigernrs. 155 en 156: 12 uur

Demontage steigernrs. 080, 134, 044, 045, 104, 102, 113, 011, 141, 155, 156, 002, 153, 019, 099: 148 uur

Aanpassingen: 21 uur

Transport en safety: 18 [? niet leesbaar door stempel] uur.”

De urenstaat werd vervolgens door de daartoe door Imtech NL aangewezen persoon ondertekend.

2.9.

Uit de onder 2.7 en 2.8 geschetste werkwijze kan op zichzelf niet worden afgeleid dat Imtech NL, zoals zij stelt, geen idee had wat Kaefer aan werkzaamheden in de urenstaten zou hebben opgevoerd. Imtech NL was op de werkvloer aanwezig en gaf immers zelf steeds ad hoc opdracht tot het monteren of demonteren van een steiger op een bepaalde plaats, waarbij een opdrachtbon werd uitgeschreven. Kaefer zond bij de factuur in beginsel nogmaals een kopie van de betreffende opdrachtbon alsmede de urenstaat mee. Dat de door Kaefer in het geding gebrachte opdrachtbonnen (productie 37) thans slecht leesbaar zijn, zoals Imtech NL betoogt, maakt zulks niet anders. Niet, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft Imtech NL namelijk betwist dat zij steeds direct een doordruk heeft ontvangen van de opdrachtbon alsmede nogmaals een kopie bij de factuur. Kaefer heeft Imtech NL dus naar aanleiding van een verstrekte opdracht van meet af aan op de hoogte gesteld van de door haar verrichte werkzaamheden, terwijl Imtech NL tot het moment waarop zij de urenstaten niet langer ondertekende nooit bezwaar heeft gemaakt tegen de wijze waarop door Kaefer de opdrachtbonnen zijn uitgeschreven en de urenstaten zijn opgemaakt. Alle omstandigheden in aanmerking genomen, is de rechtbank van oordeel dat Kaefer met deze wijze van factureren in beginsel naar redelijkheid aan Imtech NL inzicht heeft gegeven in de uitgevoerde werkzaamheden.

2.10.

Vervolgens ligt ter beoordeling voor in hoeverre Imtech NL aan haar verbintenis heeft voldaan. De volgende onweersproken feiten en omstandigheden zijn daartoe van belang. Kaefer heeft vanaf 2 juni 2009 in opdracht van Imtech NL steigers gemonteerd, gedemonteerd en aangepast. Betaling van de werkzaamheden geschiedde, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7 van de raamovereenkomst, steeds op basis van door Imtech NL ondertekende urenstaten. Het aftekenen van urenstaten voor werkzaamheden die na 22 maart 2010 in opdracht van Imtech NL door Kaefer werden verricht, hield vanaf week 13 op. Imtech NL had voordien niet om nadere specificaties gevraagd, terwijl zij ook na het staken van de ondertekening geen inhoudelijke vragen aan Kaefer stelde en/of concrete bezwaren naar voren bracht. Kaefer heeft Imtech NL bij e-mails van 22 en 29 maart 2010 verzocht tot aftekening over te gaan, maar daarop is geen reactie gekomen (productie 4). Daarentegen werden door Imtech NL nadien nog wel steeds opdrachten tot het bouwen van nieuwe steigers verstrekt, waarvan de opdrachtbonnen wél maar de urenstaten niet werden ondertekend. Eerst op 3 juni 2010, dat wil zeggen vrijwel aan het einde van de geplande werkzaamheden – namelijk (volgens artikel 5 raamovereenkomst) in juni 2010 –, laten Imtech NL en twee andere Nederlandse leden van het consortium aan Kaefer weten dat zij de urenstaten weigerden te ondertekenen omdat zij van mening zijn dat zij teveel zouden hebben betaald.

2.11.

De rechtbank is van oordeel dat Imtech NL niet zo spoedig mogelijk als van haar in de omstandigheden verwacht mocht worden aan Kaefer kenbaar heeft gemaakt waarom zij de urenstaten niet heeft willen accorderen. Imtech NL heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat eerst na twee maanden een inhoudelijke reactie kwam, behalve dan dat zij betoogt dat het steigerwerk te duur werd en dat Kaefer daarvan al eerder op de hoogte was gesteld. Juist in een situatie waarin Imtech NL wel dagelijks doorging met het verstrekken van opdrachten aan Kaefer had het op haar weg gelegen duidelijk te maken wat zij van Kaefer op het punt van facturatie verlangde, temeer ook omdat gedurende een lange daaraan voorafgaande periode de wijze van facturatie door Imtech NL was geaccordeerd. Kaefer had dan ook geen reden om anders dan op dezelfde voet te blijven factureren. Het feit dat Imtech NL van mening verschilde met Kaefer over de grondslag van de betalingen, namelijk volgens haar niet op regiebasis maar op basis van een vaste prijs (prestatienorm), en dat Imtech NL daarom weigerde te betalen, kan evenwel niet aan Kaefer worden tegengeworpen. De rechtbank zal daarom bij de beoordeling uitgaan van de urenstaten zoals die door Kaefer zijn opgesteld, ook al zijn ze niet door Imtech NL ondertekend.

Opdrachten aan Kaefer

2.12.

Kaefer heeft ter uitvoering van de door de rechtbank gevraagde toelichting op zes punten een specificatie verstrekt (productie 41). De specificatie is opgesteld aan de hand van 47 in het geding gebrachte opdrachtbonnen, van de urenstaten 90-105 en 108 en/of met behulp van verklaringen van medewerkers. Van de opdrachtbonnen is slechts een enkele niet ondertekend. De opdrachtbonnen bij urenstaten 90 en 100 heeft zij niet meer kunnen achterhalen, maar Kaefer heeft de benodigde gegevens aangevuld op basis van andere informatie. Elke specificatie bevat zes rubrieken. De specificatie zal hierna bij elk te bespreken punt uitgangspunt van beoordeling zijn.

Normaal steigerwerk (ro. 4.12.1)

2.13.

Kaefer diende bij akte allereerst te preciseren welk percentage van het geleverde steigerwerk in de periode eind maart 2010 (week 13) tot en met week 23 (begin juni 2010) normaal steigerwerk heeft betroffen. Kaefer heeft ter voldoening aan deze opdracht gesteld dat zij slechts één normale steiger heeft gebouwd, te weten in week 20 van 2010 (urenstaat 99), en dat het percentage normaal steigerwerk dus verwaarloosbaar is. Zij verwijst daartoe naar de eerste rubriek op de specificatie “Afmetingen en level van de te monteren steigers”. Imtech NL heeft hiertegen diverse verweren gevoerd, die de rechtbank hierna zal beoordelen.

2.14.

Het meest verstrekkende verweer van Imtech NL behelst de stelling dat bij afwijkend steigerwerk slechts de ontwerpkosten behoeven te worden vergoed. Dit verweer wordt verworpen. In artikel 7 van de raamovereenkomst is de prijs van de dienstverlening gedetailleerd beschreven, in het bijzonder wat wel en wat niet onder het uurtarief valt. Aan het slot van het artikel staat: “In case of specific scaffold (eg. higher than 30 meters or support scaffold) a specific calculation note will be established by the Vendor at the cost of 550,- EUR drawing excl VAT”. In het tussenvonnis heeft de rechtbank (ro. 4.10) reeds overwogen dat deze bepaling in de context van de gehele overeenkomst naar redelijkheid en billijkheid niet anders is te begrijpen dan dat Kaefer aanspraak heeft op vergoeding van de kosten die gemoeid zijn met het ontwerp van complexe steigers (bijvoorbeeld hoger dan 30 meter of een hulpsteiger) bovenop de reguliere kosten van montage en demontage, te weten een vast bedrag van € 550,--. Daarmee is dus niet bedoeld, zoals Imtech NL betoogt, dat zelfs afwijkend steigerwerk geen aanleiding geeft af te mogen wijken van de norm en dat slechts het uitdenken van de daartoe benodigde opbouw zou worden vergoed.

2.15.

Evenmin gaat het verweer van Imtech NL op dat Kaefer nooit kenbaar heeft gemaakt dat sprake was van afwijkend steigerwerk en dat Imtech NL daar niet op bedacht had hoeven zijn omdat Kaefer geen aanspraak op ontwerpkosten heeft gemaakt, zoals artikel 7 van de raamovereenkomst bepaalt. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 7 ziet op de situatie dat een aparte tekening en berekening moeten worden gemaakt voor steigers die geen standaardconfiguratie betreffen, waarbij als voorbeeld in de raamovereenkomst genoemd worden steigers hoger dan 30 meter of een hulpsteiger. Strekking van de bepaling is dat Kaefer in een dergelijk geval slechts een vaste prijs voor de ontwerpkosten daarvan in rekening mag brengen, zoals reeds hiervoor in ro. 2.14 is overwogen. Kaefer heeft onbetwist gesteld dat, uitgaande van een normale steiger van 1,5 meter breed en 10 meter hoog, de gemiddelde voor Imtech NL gebouwde steiger uiteindelijk een factor 1,3 breder was dan de referentiesteiger die in de overeenkomst was opgenomen (tussenvonnis ro. 4.11). Voor dergelijke steigers zijn dus geen aparte tekening en berekening vereist. Weliswaar heeft Kaefer gesteld dat zij diverse ingewikkelde steigers heeft moeten bouwen en is uit de stukken gebleken dat het daarbij in enkele gevallen ging om steigers hoger dan 30 meter, maar uit het enkele feit dat Kaefer daarvoor kennelijk geen ontwerpkosten in rekening heeft gebracht, kan niet worden afgeleid dat Imtech NL als professioneel opdrachtgever niet bedacht hoefde te zijn op ander dan normaal steigerwerk. Bovendien heeft Kaefer in de brief van 2 november 2009 (tussenvonnis ro. 2.9), derhalve vijf maanden na de start van de werkzaamheden, al omstandig aan een lid van het consortium uitgelegd dat het contract uitgaat van een ideale situatie, maar dat de omstandigheden op de bouwplaats voor het merendeel van het steigerwerk verre van ideaal zijn. Imtech NL wist dus in elk geval toen al dat geen sprake was van normaal steigerwerk in de zin van het contract en dat Kaefer zich op het standpunt stelde dat het steigerwerk op regiebasis diende te worden voldaan.

2.16.

Imtech NL voert ten slotte als verweer dat de conclusie van Kaefer is gebaseerd op niet ondertekende en dus niet geaccordeerde urenstaten, terwijl ook niet alle opdrachtbonnen zijn ondertekend. Kaefer verwijst volgens Imtech slechts naar het excessieve aantal gevorderde uren en concludeert vervolgens dat dús sprake moet zijn geweest van abnormaal steigerwerk. Volgens Imtech NL heeft Kaefer exact bijgehouden welke steigers zij heeft opgebouwd, waartoe zij ook op grond van artikel 4 van de raamovereenkomst was gehouden. Zodoende weet Kaefer precies welke steigerwerkzaamheden, ook in m³, zij heeft uitgevoerd. De steigers kenden een eigen – Kaefer specifieke – omschrijving en nummers (zie bijlage bij productie 27). Hieruit blijkt dat Kaefer de (de)montage uren én het aantal m³ heeft bijgehouden. De steigernummers kwamen overeen met overzichten waarop exact was weergegeven welke steiger hoe was gebouwd. Kaefer legt deze overzichten bewust niet over en voldoet daarmee niet aan haar substantiëringsplicht, aldus Imtech NL.

2.17.

De rechtbank stelt bij de beoordeling van dit verweer voorop dat, zoals hiervoor onder ro. 2.11 is overwogen, de urenstaten uitgangspunt blijven om tot vaststelling te kunnen komen van het door Imtech NL verschuldigde, ook al zijn ze niet ondertekend. Imtech NL heeft niet betwist dát de steigers door Kaefer zijn gebouwd en nodig waren, zodat het feit dat enkele opdrachtbonnen niet zijn getekend en dat in twee gevallen gegevens zijn ontleend aan andere bronnen in beginsel geen beletsel is om aan Kaefer betaling daarvan te ontzeggen.

Imtech NL betwist niet dat de steigers de afmetingen kenden zoals vermeld onder de rubriek “Afmetingen en level van de te monteren steigers” op elke specificatie. Daaronder zijn achtereenvolgens de volgende gegevens opgenomen: weeknummer, datum, aanvrager, opdrachtbon, opgedragen werk volgens opdrachtbonnen en urenstaten, level in meters, plaats van de te monteren steigers. Onder het kopje ‘opgedragen werk’ staat vermeld of sprake is van montage, demontage of aanpassingen. Uit de verstrekte gegevens blijkt dat veel steigers niet op level 0 zijn gebouwd, dat het gaat om aanpassingen en/of demontage, en/of dat de steigers afmetingen hebben die afwijken van de normale steiger, die van de grond is opgebouwd met afmetingen van 1,5 meter breed en 10 meter hoog. De rechtbank volgt Kaefer in haar stelling dat alleen uit urenstaat 99 is af te leiden dat een normale steiger (van 18 m³) is gebouwd. De andere steigers die ten behoeve van Imtech NL werden gebouwd, wijken namelijk af van de contractuele definitie van het normale steigerwerk. De afmetingen van het geleverde steigerwerk zijn dus bepalend geweest voor de facturatie door Kaefer, welk steigerwerk niet geschaard kon worden onder de prestatienorm.

De rechtbank vermag dan ook niet in te zien waarom, zoals Imtech NL verzoekt, Kaefer alsnog een overzicht zoals bij productie 27 overgelegd in het geding zou moeten brengen. Nog afgezien van het feit dat in dat overzicht niet staat vermeld op welke hoogte de steiger is gebouwd, hetgeen van belang is om te kunnen bepalen of sprake is van een normale steiger, blijkt ook uit dat overzicht dat verreweg de meeste van de door Kaefer gebouwde steigers breder zijn dan de afmetingen van een normale steiger uit het contract, hetgeen ook al blijkt uit de door Kaefer verstrekte specificatie. Imtech NL gaat er kennelijk nog steeds van uit dat Kaefer tot een prestatienorm is gehouden, welk standpunt de rechtbank reeds in haar tussenvonnis heeft verworpen. De rechtbank passeert dan ook dit verweer van Imtech NL als irrelevant.

Evenmin is relevant de stelling van Imtech Nl dat voor haar niet duidelijk is hoeveel m³ steigerwerk werd verricht voor de in rekening gebrachte uren. Immers die vraag komt pas aan de orde wanneer sprake is van normaal steigerwerk in de zin van de raamovereenkomst. Een en ander betekent ook dat de rechtbank de stelling van Imtech NL passeert dat in de overgelegde foto’s – waarvan Imtech NL betwist dat deze betrekking hebben op het project HVC en in opdracht van Imtech NL gerealiseerd steigerwerk betreft – geen steun kan worden gevonden voor de stelling dat vrijwel geen normaal steigerwerk zou zijn verricht omdat ook deze stelling in het licht van het voorgaande irrelevant is.

2.18.

De conclusie van de rechtbank is dat Kaefer voor de geleverde steigerwerkzaamheden in beginsel de afgesproken uurprijs en de uren zoals vermeld op de urenstaten in rekening heeft mogen brengen, waarbij rekening dient te worden gehouden met één door Kaefer geplaatste normale steiger. Thans dient beoordeeld te worden in hoeverre de door Kaefer in rekening gebrachte prijs voor het geleverde steigerwerk redelijk is.

Gebrek aan planning en coördinatie (ro. 4.12.2)

2.19.

De rechtbank is er in het tussenvonnis van uitgegaan dat het ontbreken van een duidelijke planning aan de zijde van Imtech NL, zoals wel in het raamcontract was afgesproken, heeft geleid tot uitvoeringsproblemen aan de zijde van Kaefer, te weten extra inzet van manuren. Kaefer is in de gelegenheid gesteld bij akte een en ander toe te lichten, in het bijzonder hoeveel extra uren ten behoeve van Imtech NL hiermee gemoeid zijn geweest. Kaefer berekent op basis van gegevens in urenstaten 91 tot en met 94 (periode 5 april 2010 tot en met 29 april 2010) dat zij in totaal 98 uur extra heeft moeten inzetten. Zij stelt dat de werkzaamheden betrekking hebben op het handmatig verrichten van opruimwerkzaamheden vanwege het feit dat het dak van de turbinehal inmiddels dicht zat en er dus geen gebruik meer kon worden gemaakt van de kraan. Voorts is sprake van extra kosten omdat het aanbrengen van een leuning niet tijdig was doorgegeven aan Kaefer. Ten slotte heeft zij extra werk moeten verrichten omdat de onderaannemer van Imtech NL te laat en onduidelijk aangaf welke aanpassingen zij wenste aan de steigers.

2.20.

Imtech NL betoogt allereerst dat zij reeds in haar conclusie van repliek onweersproken heeft gesteld dat zij op grond van artikel 5 inzicht heeft verschaft in de door haar benodigde steigerwerken en de toegezegde planningen heeft verstrekt. Zij betoogt dat Kaefer haar hierop nooit heeft aangesproken en haar evenmin in gebreke heeft gesteld. Imtech NL miskent evenwel met haar verweer – dat overigens niet in conventie maar in reconventie (2.10-2.12) is gevoerd – dat de rechtbank in het tussenvonnis reeds heeft overwogen dat de gebrekkige coördinatie en planning bij diverse besprekingen door Kaefer naar voren is gebracht en dat Imtech NL niet te werk is gegaan zoals in artikel 5 raamovereenkomst is overeengekomen; een en ander blijkt ook in het bijzonder uit productie 9. De rechtbank ziet geen aanleiding om van deze bindende eindbeslissing terug te komen, zodat ter beoordeling resteert het verweer van Imtech NL met betrekking tot de door Kaefer verrichte extra werkzaamheden.

Imtech NL betwist in algemene termen de 98 gedeclareerde uren. Imtech NL doet ook in dit verband een beroep op het feit dat de urenstaten niet zijn ondertekend en zijn betwist, welk verweer de rechtbank reeds hiervoor heeft verworpen. Haar stellingen dat Kaefer geen ingebrekestelling heeft verstuurd en geen aanspraak heeft gemaakt op meerwerk hangen samen met het reeds door de rechtbank in het tussenvonnis verworpen standpunt dat sprake zou zijn van een vaste prijs.

Het verweer ten slotte van Imtech NL dat zij niet bekend is met handmatige opruimwerkzaamheden omdat het dak dicht zou zijn en met late aanpassingen, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Van Imtech NL mag immers worden verwacht dat zij concreet ingaat op de gespecificeerde stellingen van Kaefer, maar dit heeft zij in het geheel nagelaten. Het betekent dat de rechtbank op dit punt zal uitgaan van het aantal door Kaefer gedeclareerde uren.

Uren coördinatie- en veiligheidsmanager (ro. 4.12.3 – 4.12.5)

2.21.

De rechtbank heeft in haar tussenvonnis (ro. 4.12.5) ten aanzien van het geschil over de in rekening gebrachte uren van de coördinatie- en veiligheidsmanager overwogen dat de door Kaefer overgelegde urenstaat (productie 25) aanpassing behoefde omdat Kaefer de inzet van een coördinatie/veiligheidsmanager had verdeeld over leden van het consortium. Kaefer diende inzichtelijk te maken aan de hand van een strikte toepassing van de contractuele staffel welke uren aan coördinatie/veiligheid en supervisor bij inzet van méér dan zes steigerbouwers in rekening is gebracht én alleen die uren die samenhangen met door Imtech NL verstrekte opdrachten.

Kaefer heeft daartoe in elke specificatie een rubriek opgenomen onder het kopje “Apart extra kosten volgens staffel”. Daarin staan de volgende gegevens opgesomd: in de linkerkolom per dag het aantal personeelsleden voor het consortium, vervolgens het aantal voor Imtech, en daarvan het aantal steigerbouwers. In de rechterkolom zijn de uren voor coördinatie/veiligheid en die voor de supervisor uitgesplitst in “uren recht op” en in “uren gerekend”. De specificatie behelst voorts de namen van de coördinatie/veiligheidsmanager ([A]) en de twee supervisoren [B] en [C] (als bedoeld in artikel 7 raamovereenkomst). Kaefer stelt dat zij 93 uur te weinig in rekening heeft gebracht in de urenstaten voor uren inzet coördinatie/veiligheidsmanager en supervisor.

Imtech NL betwist de specificatie en betoogt daartoe dat Kaefer – en mogelijk ook de rechtbank – eraan voorbijgaat dat de uren van coördinatie worden berekend op basis van de met de (de)montage-uren in rekening te brengen uren. De uren van de coördinatie- en veiligheidsmanager kunnen dus niet eerder worden berekend dan nadat vast staat of, en zo ja hoeveel manuren Kaefer terzake (de)montage in rekening mag brengen.

2.22.

De rechtbank overweegt dat Kaefer in de uitvoerige specificatie inzichtelijk heeft gemaakt hoe zij te werk is gegaan in de berekening, waarbij zij opgave heeft gedaan van de namen van de coördinatie/veiligheidsmanager en de supervisor. Nu is komen vast te staan dat het geleverde (niet complexe maar) normale steigerwerk op het geheel slechts een verwaarloosbaar percentage behelst en de urenstaten dus uitgangspunt kunnen zijn voor de berekening, kan, anders dan Imtech NL betoogt, thans worden berekend hoeveel uren Kaefer volgens de staffel in rekening heeft mogen brengen voor de coördinatie- en veiligheidsmanager alsmede de supervisor. Nu Imtech NL enerzijds geen ander verweer heeft aangevoerd en Kaefer anderzijds geen rechtsgevolgen heeft verbonden aan het feit dat zij 93 uur te weinig in rekening heeft gebracht, behoeven de facturen op dit punt geen aanpassing.

Uren horizontaal transport (ro. 4.12.6 – 4.12.8)

2.23.

Om duidelijkheid te verschaffen over het vraagpunt of Kaefer ten onrechte kosten van horizontaal transport in rekening had gebracht, zoals Imtech NL betoogde, diende Kaefer daaromtrent inzicht te verschaffen. Kaefer had volgens Imtech NL namelijk alle uren ondergebracht als steigerbouwer (“stb”), terwijl het bij horizontaal transport in feite om steigersjouwers gaat. Kaefer diende daarom inzichtelijk te maken of de gedeclareerde uren als (regulier) transport aangemerkt konden worden, omdat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen (ro. 4.12.8).

Kaefer heeft in haar akte toegelicht dat het gaat om in totaal 335 uur van heftruckchauffeurs – [D], [C], [E] en [F] – en uren van een liftboy ([G]), die zij op verzoek van het consortium had geregeld. Deze uren mocht zij op grond van het contract in rekening brengen

Imtech NL betwist de specificatie omdat zij is gebaseerd op de betwiste urenstaat. Voorts betoogt zij dat niet inzichtelijk is hoeveel uur ten onrechte in rekening zijn gebracht omdat alle uren opzettelijk als “stb” in rekening zijn gebracht. De bedoelde overzichten waarover Kaefer beschikt, worden niet in het geding gebracht. De rechtbank overweegt als volgt.

2.24.

Kaefer heeft op iedere specificatie onder de rubriek “Doorberekend transport” per dag vermeld de uren van de chauffeurs en van de liftboy. Deze zijn ook uit de urenstaten te halen. Onder kopje “remarks” op de urenstaat staat dan de opmerking: “Liftboy [x] uur [naam liftboy en/of] (vetgedrukt). et DDhh \DDDDDDHet gaat om urenstaten: 90, 93, 94, 97, 98, 99,101,102,104 (productie 22). De inzet van de betrokkenen wordt door Imtech NL niet betwist en is op zichzelf ook overeengekomen in artikel 7 van de raamovereenkomst, zodat de rechtbank het verweer van Imtech NL op dit punt als onvoldoende onderbouwd passeert. De rechtbank zal uitgaan van het aantal door Kaefer gedeclareerde uren.

Extra uren door werkhinder (ro. 4.12.9)

2.25.

Kaefer diende bij akte inzicht te verschaffen in haar stelling dat sprake is geweest van veel werkhinder waarmee extra kosten zijn gemoeid die niet waren voorzien in de uurprijs. Zij diende in het bijzonder op te geven hoeveel uren daarmee gemoeid zijn geweest en waarom deze ten laste van Imtech NL zouden moeten komen, mede gelet op hetgeen onder ro. 4.12.2 en 4.12.5 in het tussenvonnis is overwogen (ro. 4.12.9).

Kaefer stelt in haar akte dat het in totaal om 316 uren gaat. Deze uren hangen samen met het feit dat Imtech ofwel (1) aanpassingen aan reeds gebouwde steigers verlangde ofwel (2) een steiger wilde laten demonteren die niet op “ground level” stond, maar op een “floor”, hetgeen uit de opdrachtbonnen (productie 37) en urenstaten blijkt. Op het moment dat Imtech NL de aanpassingen en demontages verlangde, was het verticale transport (de kraanfaciliteit) niet meer aanwezig of de werkzaamheden waren niet direct te bereiken vanaf de lift, die nog wel beschikbaar was. Hierdoor moest Kaefer het steigermateriaal met de hand versjouwen tot de plek waar de heftruck het weer kon oppakken om af te voeren naar de “storage area”. Aanpassingen aan een steiger (extra vloer, uitbouw maken, leuning) betreffen geen opdracht om te monteren of demonteren en vallen dus buiten het contractuele bereik. Kaefer stelt dat Imtech deze uren blijkens artikel 7 raamovereenkomst moet vergoeden omdat het gaat om aan- en afvoer van het benodigde materiaal.

Imtech NL betwist in algemene termen de werkhinder. Zij betoogt voorts dat geen opgave is verstrekt met betrekking tot het aantal uren dat ten onrechte aan Imtech in rekening is gebracht en door Imtech al is voldaan. Kaefer schaart onder uren van werkhinder wederom kosten van aan- en afvoer, ter zake waarvan de rechtbank nu juist heeft overwogen dat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ook als Imtech NL om een aanpassing heeft verzocht, valt volgens haar niet in te zien waarom meer dan enkel de (de)montage in rekening zou kunnen worden gebracht. De rechtbank overweegt als volgt.

2.26.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank onder 4.12.7 en 4.12.8 overwogen dat de uren van regulier (horizontaal) transport – transportkosten die betrekking hebben op vervoer tussen opslagruimte en werkplaats – niet door Kaefer apart in rekening konden worden gebracht. Dit oordeel hield verband met het betoog van Kaefer dat ter plaatse te weinig opslagruimte aanwezig was. Uit het betoog van Kaefer leidt de rechtbank af dat het in dit geval gaat om transportkosten in de zin van verticaal transport: het heffen van het materiaal met de heftruck en de lift. Artikel 7 van de raamovereenkomst bepaalt in dit verband: “The hourly charge includes everything such as but not limited to: (…) Excepted site accommodations such as: sanatary room, cloakroom, canteen, storage area, crane service to lift the material till the erection ground when it is on a floor, that will be provided by the Consortium”. Een redelijke uitleg van deze bepaling brengt met zich dat het consortium – en dus ook Imtech NL – zou zorgen voor een voorziening als een kraandienst voor het heffen van het materiaal tot een steigervloer. Kaefer vordert dus geen vergoeding van uren van horizontaal transport, zoals Imtech NL betoogt, maar van uren van verticaal transport.

2.27.

Imtech NL heeft niet betwist dát Kaefer vaak aanpassingen aan reeds gebouwde steigers verlangde en dat zij vaak conform de wensen van Imtech NL complex steigerwerk moest verrichten. Evenmin heeft zij iets ingebracht tegen het betoog van Kaefer dat de kraan en de lift niet steeds bereikbaar waren voor de heftruck, waardoor zij zelf het materiaal moest vervoeren vanaf de vorkheftruck en/of de lift tot de plek waar de aanpassing aan de steiger werd uitgevoerd, of de steiger werd gedemonteerd. In dit licht bezien, heeft Imtech NL het betoog van Kaefer op dit punt onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat de rechtbank op dit punt zal uitgaan van het aantal door Kaefer gedeclareerde uren.

Uren wegens aanpassingen en herkeuringen (ro. 4.12.12)

2.28.

Kaefer diende inzichtelijk te maken dat zij uren in rekening heeft mogen brengen als gevolg van herkeuringen die zien op opgedragen aanpassingen en ongeoorloofde modificaties door (onder)aannemers van Imtech NL. Zij diende te verduidelijken hoeveel uren op de urenstaten daarvoor aan Imtech NL in rekening zijn gebracht (ro. 4.12.12).

Kaefer heeft in haar akte betoogd dat het gaat om 160 uur en dat de in die uren verrichte werkzaamheden zowel zien op tijd gemoeid met de aanpassingen als op de herkeuringen van steigers. Zij heeft gepreciseerd dat het gaat om de stellinginspecteurs [H], [C], [G], [B], [I] en [A], welke mensen blijkens certificaten bevoegd waren om herkeuringen uit te voeren.

Imtech NL betoogt dat uit de door Kaefer overgelegde certificaten niet blijkt of deze personen in opdracht van Imtech NL additionele keuringen hebben verricht als gevolg van ongeoorloofde aanpassingen door of vanwege onderaannemers van Imtech NL noch welke steiger dat zou hebben betroffen en hoeveel tijd daarmee gemoeid was. Kaefer heeft Imtech NL terzake nooit gewaarschuwd of in gebreke gesteld of aanspraak gemaakt op vergoeding van meerwerk. De stelling dat keuringen zijn uitgevoerd op dagen dat Imtech NL om een aanpassing vroeg, is – aldus nog steeds Imtech NL – niet onderbouwd. De rechtbank overweegt als volgt.

2.29.

De rechtbank stelt voorop dat, zoals zij eerder heeft overwogen, bij een regiecontract geen sprake is van meerwerk en dat een ingebrekestelling niet is vereist. Hoewel Kaefer inderdaad geen volledige helderheid heeft verschaft over wie precies de opdrachten tot de herkeuringen hebben verstrekt, heeft de rechtbank in haar tussenvonnis overwogen dat veiligheid een belangrijk punt is en dat Kaefer de verplichting heeft steigers te bouwen in overeenstemming met bestaande wet- en regelgeving. Kaefer is gehouden tot correctie indien steigers in strijd daarmee zijn aangepast. Kaefer heeft de leden van het consortium hier ook diverse malen voor gewaarschuwd (vergelijk productie 18 en 19). Het verweer van Imtech NL dat zij hierop nooit is aangesproken, snijdt daarom geen hout.

In de specificatie heeft Kaefer onder de rubriek “”Extra uren aanpassen steigers mbt veiligheid op steigers” gereconstrueerd welke steigerinspecteur op welke dag hoeveel uren heeft besteed; de keurende medeweker maakte, al dan niet met hulp van een of twee andere medewerkers, eerst de aanpassing. Kaefer heeft deze gegevens ontleend aan de urenstaten en combineerde gegevens met elkaar. Op deze wijze heeft ze kunnen vaststellen dat de aanpassingen geen betrekking hadden op steigers van andere leden van het consortium omdat herkeuringen zijn uitgevoerd op dagen dat veelal in opdracht van Imtech aanpassingen aan (reeds) gekeurde steigers werden verricht. Ook hier heeft te gelden dat Kaefer in redelijkheid de door haar geclaimde uren inzichtelijk heeft gemaakt waartegenover Imtech NL slechts heel globaal verweer heeft gevoerd.

2.30.

Al het voorgaande brengt de rechtbank tot de slotsom dat Kaefer in voldoende mate inzichtelijk heeft gemaakt hoe zij tot de aan haar (onder A. geformuleerde) vordering ten grondslag gelegde berekening is gekomen. In het tussenvonnis heeft de rechtbank weliswaar overwogen dat met de door Kaefer gewekte verwachtingen rekening dient te worden gehouden voor de uiteindelijk door Imtech NL te betalen prijs, maar daaromtrent zijn door Imtech NL geen, althans onvoldoende concrete feiten naar voren gebracht, bijvoorbeeld dat de in rekening gebrachte uren voor het door Kaefer geleverde steigerwerk buitensporig zouden zijn geweest. Imtech NL blijft, ondanks het feit dat de rechtbank daaromtrent al een beslissing had gegeven, vasthouden aan haar stelling dat Kaefer niet aan de prestatienorm heeft voldaan, hetgeen op zichzelf onvoldoende reden is omdat deze, zoals eerder is overwogen, niet als richtprijs in juridische zin kan worden beschouwd. Het financiële risico dat vooraf niet goed de aard en omvang van de door Kaefer te leveren prestatie waren in te schatten, rust op Imtech NL. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de vordering tot een lager bedrag dan het gevorderde, namelijk € 87.150,94, toe te wijzen.

B. Steigerhuur langer dan dertien weken (€ 14.481,21)

2.31.

Kaefer vordert op grond van artikel 7 raamovereenkomst betaling van een huurprijs voor steigers in de periode 16 juni tot en met 18 augustus 2010 die langer dan dertien weken op de bouwplaats hebben gestaan. Kaefer is in het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld per steigernummer aan te geven welke urenstaten daaraan ten grondslag liggen en haar is verzocht daarbij inzicht te verschaffen in de berekening van de op het overzicht vermelde huurprijzen, in het bijzonder met betrekking tot het aantal uren montage en demontage (r.o. 4.14). Deze opdracht hing ten nauwste samen met hetgeen de rechtbank in ro. 4.12.3 - 4.12.9 omtrent management- en transporturen had overwogen, omdat de huurprijs 7% betrof van de kosten van monteren en demonteren. Nu de rechtbank thans heeft vastgesteld dat slechts een verwaarloosbaar percentage steigers onder de categorie normaal steigerwerk viel en de door Kaefer in rekening gebrachte bedragen redelijk zijn, behoeft geen afwijking van de te berekenen kosten te worden gemaakt en volstaat de door Kaefer in het geding gebrachte factuur ter onderbouwing van haar stelling (produktie 27). Kaefer stelt voorts dat zij niet te veel montage-uren heeft opgevoerd en dat, gelet op de afmetingen van sommige steigers, een redelijke prijs voor montage en demontage in rekening is gebracht.

2.32.

Imtech NL herhaalt haar verweer dat zij geen opdracht heeft gegeven de steiger in kwestie te bouwen dan wel een steiger langer dan dertien weken op de bouwplaats te laten staan. De rechtbank heeft het verweer reeds in het tussenvonnis verworpen, terwijl Imtech NL geen nadere feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die moeten leiden tot de conclusie dat de rechtbank op deze bindende eindbeslissing moet terugkomen, zodat ook deze vordering voor toewijzing gereed ligt.

C. Steigerhuur separate opdracht (€ 6.500,--)

2.33.

Tussen partijen staat voorts ter discussie of Imtech NL gehouden is een bedrag van € 6.500,-- te voldoen ter zake van een separate opdracht (op 30 november 2009) tot het bouwen van een speciale steiger. De rechtbank heeft in het tussenvonnis overwogen (ro. 4.15) dat blijkens de prijsopgave sprake is van aanneming van werk waarvoor een van de raamovereenkomst afwijkende prijsafspraak geldt, namelijk een vaste aanneemsom van € 42.000,-- en een huurprijs van € 500,-- per week na montage van de steiger. De rechtbank heeft Kaefer, mede gelet op het feit dat de vordering is gebaseerd op een niet door Imtech NL ondertekende urenstaat en de in geschil zijnde wijze van opmaak van de urenstaten, in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de stelling van Imtech NL dat het bedrag van (€ 42.000,-- en van) € 6.500,-- via urenstaten is verrekend.

2.34.

Kaefer betoogt allereerst dat het verweer van Imtech NL dat de verschuldigde steigerhuur al door verrekening is voldaan een zogenaamd bevrijdend verweer is, zodat op Imtech NL de stelplicht en de bewijslast van deze stelling rust. Vervolgens heeft Kaefer het gevorderde bedrag van € 6.500,-- gemotiveerd toegelicht. Volgens Kaefer zijn partijen overeengekomen dat Kaefer één week extra huur in rekening mag brengen in verband met de demontage, hetgeen blijkt uit artikel 4 van de aanvullende opdracht, waar staat: “de huur van de steiger gaat in na oplevering en wordt gerekend in volle weken (afgerond naar boven) + 1 week ivm de demontage” (productie 29). Kaefer komt vervolgens tot de volgende berekening:

  • -

    De kraansteiger is in week 52 van 2009 gemonteerd, zodat de huur inging per week 1 van 2010. De montagekosten zijn in rekening gebracht bij factuur nr. 1600000225 d.d. 31 maart 2010 (samen met een door Imtech NL ondertekende urenstaat 47), te weten een bedrag van € 25.000,-- (productie 43). Dit bedrag is door Imtech NL voldaan.

  • -

    De kraansteiger is in week 13 van 2010 gedemonteerd. Deze kosten zijn in rekening gebracht bij factuur nr. 1600000310 d.d. 27 april 2010 (samen met een door Imtech NL ondertekende urenstaat 87), te weten een bedrag van € 17.500,-- (productie 44). Dit bedrag is door Imtech NL voldaan.

  • -

    De verschuldigde huur van € 500,-- per week, ingaande na montage, dus van week 1 tot en met week 13, ad € 6.500,-- heeft Kaefer bij factuur van 20 augustus 2010 bij Imtech NL in rekening gebracht (productie 28), welke factuur volgens Kaefer niet door Imtech NL is voldaan.

2.35.

Tegenover deze uitvoerige toelichting van Kaefer heeft Imtech NL slechts haar eerdere stelling herhaald dat het bedrag al is voldaan “via de (valse) urenstaten en de daarop gebaseerde facturen”, zonder concreet in te gaan op hetgeen door Kaefer is aangevoerd. Voorts neemt zij thans voor het eerst het standpunt in dat de factuur voor dertien weken huur haar niet bekend is en betwist zij dat de steigers dertien weken hebben gestaan.

2.36.

De rechtbank stelt voorop dat het betoog van Imtech NL innerlijk tegenstrijdig is.

Door te stellen dat zij het bedrag heeft verrekend en dus al heeft voldaan, erkent zij impliciet dat zij het bedrag verschuldigd is en kan zij niet thans het standpunt innemen dat de factuur haar niet bekend is en dat zij betwist dat de steiger dertien weken heeft gestaan. Belangrijker is echter dat Imtech NL beide urenstaten waaruit het tijdstip van montage en demontage blijkt, heeft ondertekend, en dus heeft ingestemd met de huurperiode van dertien weken. Hoewel Imtech NL het rechtsgevolg inroept en op haar derhalve de stelplicht en de bewijslast rust, heeft Imtech NL tegenover de gespecificeerde toelichting van Kaefer haar stellingen onvoldoende geconcretiseerd, zodat bewijslevering achterwege kan blijven en de vordering van Kaefer ook op dit punt toewijsbaar is.

D. Demontage steigerwerkzaamheden na aanvullende afspraak (€ 44.839,20)

2.37.

Kaefer heeft in haar akte na tussenvonnis toegelicht dat de vordering op basis van aanvullende afspraken een bedrag van € 44.200,-- moet behelzen. In het aanvankelijk gevorderde bedrag van € 44.839,20 was namelijk ten onrechte een bedrag van € 639,20 opgenomen ter zake van ‘steigerwerk niet ondertekende urenstaten’. De rechtbank zal, zoals hierboven reeds overwogen (vordering A.), van dit aangepaste bedrag uitgaan.

Ten aanzien van de vordering heeft de rechtbank in haar tussenvonnis (ro. 4.16) overwogen – kort gezegd – dat dit bedrag in beginsel toewijsbaar is, tenzij het beroep van Imtech NL op opschorting en verrekening met betrekking tot het mogelijk door Imtech NL teveel betaalde opgaat en de beslissing daaromtrent aangehouden. Nu, zoals hiervoor is overwogen, daarvan geen sprake is, zal de rechtbank ook deze vordering van Kaefer toewijzen.

E. Totale vordering

2.38.

Al het voorgaande brengt de rechtbank tot de slotsom dat de vordering van Kaefer toewijsbaar is tot een bedrag van € 152.332, 15, welk bedrag is opgebouwd als volgt.

A. betaling van een bedrag van € € 87.150,94 ter zake van steigerwerkzaamheden van niet ondertekende urenstaten;

B. betaling van een bedrag van € 14.481,21 voor steigerhuur langer dan dertien weken;

C. betaling van een bedrag van € 6.500,-- ter zake van steigerhuur;

D. betaling van een bedrag van € € 44.200,- ter zake van demontage steigerwerkzaamheden.

Imtech NL is daarover de wettelijke handelsrente, als niet betwist, verschuldigd vanaf de respectieve vervaldata van de facturen.

2.39.

Imtech NL zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie, tarief V (€ 1.421 per punt) x drie punten = € 4.263,--.

in reconventie

2.40.

De rechtbank heeft Imtech NL in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over haar reconventionele vordering. Zij diende toe te lichten of de beschikkingen waarbij de WAV-boetes zijn opgelegd inmiddels onherroepelijk zijn geworden (ro. 4.31). Voorts is Imtech NL verzocht (ro. 4.33) een berekening in het geding te brengen van het aantal overtredingen (volgens Imtech NL zijn het er 71 ten aanzien van Imtech DE en 648 ten aanzien van Imtech NL) teneinde de hoogte van de boete eventueel te kunnen vaststellen. Aangezien Imtech NL geen akte in reconventie heeft genomen en dus aan deze opdrachten geen uitvoering heeft gegeven, is reeds hierom de grondslag aan haar vorderingen komen te ontvallen. Haar vorderingen zullen derhalve worden afgewezen.

2.41.

Imtech Nl zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in reconventie, tarief VIII (€ 3.211,-- per punt) x vierenhalf punt =

€ 14.449,50.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

veroordeelt Imtech NL tot betaling aan Kaefer van een bedrag van € 152.332,15, met de daarover verschenen wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf de respectieve vervaldata van de facturen, te voldoen binnen tien dagen na dit vonnis;

3.2.

veroordeelt Imtech NL in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van Kaefer vastgesteld op € 3.537,- aan griffierecht en op € 4.263,--. aan salaris advocaat;

3.3.

verklaart beide veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

3.4.

wijst de vordering van Imtech NL af;

3.5.

veroordeelt Imtech NL in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van Kaefer vastgesteld op € 14.449,50 aan salaris advocaat;

3.6.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.A.M. Ahsmann en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.