Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:4403

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-02-2015
Datum publicatie
20-04-2015
Zaaknummer
C/09/480766 / KG RK 15-634
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot wraking van de kantonrechter die in het kader van het algemeen toezicht op curatoren en bewindvoerders dient te beslissen of verzoekster moet worden ontslagen als curator en bewindvoerder in al haar bij deze rechtbank lopende zaken. Hiertoe is redengevend dat het voorgenomen besluit van de kantonrechter geen procedure is die valt binnen het bereik van artikel 112, eerste lid, van de Grondwet, maar is te kwalificeren als een bestuurlijk besluit. Dit betekent dat het geschil buiten het bereik valt van het bepaalde in artikel 36 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (de wrakingsbepaling). Daarbij komt dat verzoekster geen partij is in een bij de rechtbank aanhangig geschil, noch verzoekster of betrokkene in een verzoekschriftprocedure. Het voorgaande is in lijn met het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2015/2

zaak-/rekestnummer: C/09/480766 / KG RK 15-64

kenmerk: algemeen toezicht op curatoren en bewindvoerders

datum beschikking: 10 februari 2015

BESLISSING

op het schriftelijke verzoek tot wraking van de zijde van:

[verzoekster] h.o.d.n. [X],

kantoorhoudende te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg,

verzoekster,

advocaat: mr. L.F. Delfgaauw te Delft;

strekkende tot wraking van:

mr. F.A.M. Veraart,

kantonrechter in de rechtbank Den Haag.

1 De voorgeschiedenis en het procesverloop

De kantonrechter wier wraking is verzocht is binnen de rechtbank Den Haag, team kanton, belast met het algemeen toezicht op curatoren, bewindvoerders en mentoren. In het kader van dit algemeen toezicht heeft zij op 30 augustus 2012 een kennismakingsgesprek gevoerd met [verzoekster], die sinds 2007 door de rechtbank Den Haag wordt benoemd tot curator en bewindvoerder. Bij brief van 15 november 2012 is namens de kantonrechter aan [verzoekster] gevraagd om een Verklaring omtrent het Gedrag (hierna: VOG) over te leggen. Op 29 maart 2013 heeft een volgend gesprek tussen de kantonrechter en [verzoekster] plaatsgevonden, waarin de kantonrechter opnieuw heeft gevraagd om een VOG te overleggen aangezien zij deze nog niet had ontvangen. Na een rappel op 15 oktober 2013 heeft de kantonrechter op 7 november 2013 de op 23 oktober 2013 afgegeven VOG ontvangen. In juni 2014 is de kantonrechter via de rechtbank Gelderland op de hoogte geraakt van een strafrechtelijke veroordeling van [verzoekster]. [verzoekster] is in hoger beroep door het gerechtshof Den Haag op 12 juli 2013 veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van zestig uur ter zake van valsheid in geschrift en oplichting, beide gepleegd in 2005. Op 27 juni 2014 heeft de kantonrechter [verzoekster] hierover gehoord, in aanwezigheid van haar raadsvrouw in de strafprocedure, mr. N. Harlequin. De kantonrechter heeft daarbij medegedeeld dat [verzoekster] niet in aanmerking kwam voor benoeming in nieuwe zaken en dat het de vraag was of zij kon aanblijven in de lopende zaken. Van deze mondelinge behandeling op 27 juni 2014 is proces-verbaal opgemaakt. Op 30 juni 2014 heeft de kantonrechter een ‘eigen verklaring’ van [verzoekster] ontvangen. Bij brief van 25 juli 2014 aan [verzoekster] heeft de kantonrechter een aantal eisen gesteld aan de wijze waarop het vertrouwen in [verzoekster] hersteld zou kunnen worden. Op of omstreeks 26 september 2014 heeft [verzoekster] een tweede ‘eigen verklaring’ aan de kantonrechter doen toekomen, terwijl de kantonrechter op 1 oktober 2014 een accountantsverslag heeft ontvangen. Nadat haar een termijn voor het indienen van ontbrekende stukken was gegund, heeft [verzoekster] op 5 november 2014 via haar accountant een ‘rapport van feitelijke bevindingen’ ingediend. Vervolgens heeft de kantonrechter [verzoekster] opgeroepen om te worden gehoord op haar voornemen om haar te ontslaan als curator of bewindvoerder in de lopende zaken bij de rechtbank Den Haag. Nadat de kantonrechter op 10 december 2014 de beschikking had gekregen over een aantal stukken betreffende de privébezittingen en -schulden van [verzoekster], heeft op 11 december 2014 het gehoor plaatsgevonden in aanwezigheid van mr. Delfgaauw. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Op deze zitting heeft mr. Delfgaauw de kantonrechter verzocht in overweging te nemen zich te verschonen en hij heeft daarbij meegedeeld dat als de kantonrechter daartoe geen aanleiding ziet, hij een wrakingsverzoek zal indienen. Bij brief van 18 december 2014 heeft de kantonrechter aan mr. Delfgaauw bericht dat zij geen verzoek zal doen zich te mogen verschonen en heeft zij mr. Delfgaauw verzocht om uiterlijk 5 januari 2015 te berichten of hij een wrakingsverzoek wil indien. Bij brief van 30 december 2014, ontvangen ter griffie van deze rechtbank op 31 december 2014, heeft mr. Delfgaauw namens [verzoekster] een verzoek tot wraking van de kantonrechter ingediend.

2 De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 20 januari 2015 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. [verzoekster], bijgestaan door haar advocaat mr. Delfgaauw, is verschenen. Het wrakingsverzoek is door de advocaat aan de hand van door hem overgelegde pleitaantekeningen toegelicht. De kantonrechter is eveneens verschenen en heeft haar standpunt aan de hand van door haar overgelegde pleitaantekeningen toegelicht.

3 Het standpunt van verzoekster

Aan het wrakingsverzoek is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. [verzoekster] bestrijdt de door de kantonrechter ingenomen stelling dat het wrakingsverzoek te laat zou zijn ingediend. Pas bij brief van 2 december 2014 heeft de kantonrechter haar voornemen tot het ontslag van [verzoekster] als curator en bewindvoerder in al haar bij deze rechtbank lopende zaken kenbaar gemaakt. Op 11 december 2014 vond de zitting plaats waarop [verzoekster] is gehoord over dat voornemen en op die zitting is het wrakingsverzoek gedaan.

Bij het algemene toezicht op [verzoekster] door de kantonrechter en het voorgenomen besluit om [verzoekster] te ontslaan als curator of bewindvoerder in lopende zaken bij deze rechtbank is de rechterlijke onafhankelijkheid in het geding. De kantonrechter heeft immers voorafgaand aan haar voorgenomen besluit aan [verzoekster] maatregelen opgelegd die in strijd zijn met de wet (inzicht geven in financiële privésituatie van [verzoekster], reeds van toepassing verklaren van de vernieuwde kwaliteitseisen vóór afloop van de overgangsperiode en het ondanks afgifte van een VOG onderzoeken of [verzoekster] aan de eisen hiervoor voldoet en in het verleden voldeed). Ook heeft de kantonrechter voorwaarden gesteld terwijl niet duidelijk is of het door de kantonrechter gestelde geschade vertrouwen zal zijn hersteld als aan die voorwaarden is voldaan. Daarbij komt dat de kantonrechter niet het wettelijke criterium voor ontslag van een curator of bewindvoerder heeft gehanteerd, te weten dat er daarvoor gewichtige redenen moeten zijn. Deze gewichtige redenen ontbreken in het geval van [verzoekster], nu uit het onderzoek van de accountant over 2013 en 2014 geen onregelmatigheden zijn gebleken, [verzoekster] nooit aanmerkingen heeft gekregen op haar overigens altijd tijdig ingediende stukken waarin zij rekening en verantwoording heeft afgelegd en er door cliënten van [verzoekster] nooit klachten tegen haar zijn ingediend. De door de kantonrechter voorgenomen maatregel is dan ook disproportioneel. [verzoekster] doet nog opmerken dat door de wijze waarop het toezicht op curatoren en bewindvoerders is geregeld vermenging optreedt van de uitvoerende en rechterlijke macht. Hierdoor wordt de rechterlijke onafhankelijkheid geschaad. [verzoekster] heeft tot slot de indruk dat de kantonrechter zich laat leiden door een gevoel of doordat zij beledigd zou zijn.

4 Het standpunt van de kantonrechter

De kantonrechter heeft – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende naar voren gebracht. Primair stelt zij zich op het standpunt dat het wrakingsverzoek niet tijdig is ingediend, reden waarom [verzoekster] niet-ontvankelijk is in haar verzoek. De vraag of [verzoekster] moet worden ontslagen in al haar bij deze rechtbank lopende zaken is immers opgeworpen in het gehoor van 27 juni 2014 en alle feiten en omstandigheden waarop [verzoekster] thans een beroep doet zijn uiterlijk bij brief van 25 juli 2014 kenbaar geworden aan [verzoekster], terwijl het wrakingsverzoek op 30 december 2014 is gedateerd.

Subsidiair stelt de kantonrechter dat zij in staat is om zonder vooringenomenheid te oordelen over de bezwaren van [verzoekster] tegen de door de kantonrechter gestelde verzwaarde eisen en om op basis van de door [verzoekster] verstrekte informatie te oordelen of sprake is van gewichtige redenen die moeten leiden tot het ontslag van [verzoekster] als curator en bewindvoerder in al haar bij deze rechtbank lopende zaken. Het toezicht tot aan juni 2014 was in geen enkel opzicht controversieel en is dat ook achteraf niet geworden. Het nadien stellen van verzwaarde eisen aan [verzoekster] is een inhoudelijke beslissing die zij genomen heeft in haar kwaliteit van toezichthoudend kantonrechter, waarmee zij niet buiten de bevoegdheden van de kantonrechter is getreden. Dergelijke inhoudelijke beslissingen kunnen niet bij de wrakingskamer ter discussie worden gesteld. De verzwaarde eisen zijn niet gesteld om bevestiging te vinden voor het standpunt dat [verzoekster] moet worden ontslagen, maar zijn juist gesteld om [verzoekster] de gelegenheid te geven aan te tonen dat zij als curator en bewindvoerder kon aanblijven. De door [verzoekster] in december 2014 gemaakte bezwaren tegen de verzwaarde eisen zullen door de kantonrechter in haar beslissing worden betrokken. Daarbij merkt de kantonrechter op dat zij als toezichthoudend kantonrechter gehouden is om onderzoek te doen naar de financiële privésituatie van een curator of bewindvoerder wanneer er aanwijzingen zijn dat die situatie wankel is.

5 De beoordeling

5.1.

Ambtshalve overweegt de wrakingskamer omtrent de ontvankelijkheid van [verzoekster] in haar verzoek het volgende.

5.2.

Aan de rechterlijke macht is, voor zover hier van belang, blijkens artikel 112, eerste lid, van de Grondwet opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen. De wrakingskamer stelt vast dat het voorgenomen besluit van de kantonrechter betreffende de benoeming van verzoekster tot bewindvoerder in het kader waarvan het onderhavige wrakingsverzoek is gedaan niet een procedure is die valt binnen het bereik van genoemd artikellid. Immers, noch de burgerlijke rechten van verzoekster noch een schuldvordering van of op haar zijn in het geding; er is ook geen sprake van de ‘berechting’ van enig geschil. Weliswaar wordt in de artikelen 1:383, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (Bw) en 1:435, eerste lid, van het BW aan de kantonrechter de bevoegdheid toebedeeld een curator respectievelijk bewindvoerder te benoemen, echter deze taak valt niet onder het begrip berechting maar is te kwalificeren als een bestuurlijk besluit, ook wel aangeduid als gracieuze jurisdictie. Het voornemen van de kantonrechter verzoekster te ontslaan in haar lopende zaken dan wel haar niet meer te benoemen in toekomstige zaken moet worden gezien als een dergelijke bestuurlijke beslissing van (het team kanton van) de rechtbank – in het onderhavige geval gemandateerd aan de kantonrechter in kwestie – in het kader van het door de rechtbank gevoerde beleid ter bevordering van een kwalitatief toereikende en integere samenstelling van het bestand van curatoren, bewindvoerders en mentoren. Deze vaststelling betekent dat het onderhavige geschil buiten het bereik valt van het bepaalde in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) – de wrakingsbepaling –, nu die bepaling ziet op de dagvaardings- en beroepschriftprocedure in burgerlijke zaken. Het bedoelde geschil kan daar, ook wanneer die bepaling in de meest ruime zin wordt opgevat, niet onder worden gebracht.

5.3.

Voorts heeft het volgende te gelden. Blijkens het reeds genoemde artikel 36 Rv wordt de mogelijkheid om wraking te verzoeken toegekend aan ‘een partij’. Blijkens de Memorie van Toelichting (kamerstuk 26 855 no. 3, p. 18) moet dit begrip weliswaar ruim worden opgevat, zodat ook verzoeker en de betrokkene in een verzoekschriftprocedure geacht worden de wraking van een rechter te kunnen verzoeken, maar het zou naar het oordeel van de wrakingskamer te ver voeren wanneer ook aan verzoekster in het onderhavige geval de mogelijkheid om de rechter te wraken zou worden toegekend. Verzoekster is immers geen partij in enig bij de rechtbank aanhangig geschil noch verzoekster of betrokkene in een verzoekschriftprocedure.

5.4.

Een en ander is in lijn met het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), waarin het recht op berechting door een onpartijdig gerecht wordt gewaarborgd ‘bij het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging’. Van geen van beide is in het geval van verzoekster sprake.

5.5.

De slotsom luidt dat verzoekster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek.

6 De beslissing

De wrakingskamer:

- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing wordt toegezonden aan:

• de verzoeker p/a haar advocaat mr. L.F. Delfgaauw;

• de kantonrechter mr. F.A.M. Veraart.

Deze beslissing is gegeven door mrs. G.P. van Ham, E. Rabbie en M. Soffers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.I. Geerling als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2015.