Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:4153

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-04-2015
Datum publicatie
06-08-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 183
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet tijdig stopzetten van reisrecht. Rapport MA. Geen sprake van aantoonbaar niet kunnen toerekenen. Beroep ongegrond

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000 3.27
Wet studiefinanciering 2000 4.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 15/183

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2015 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [plaats] , eiser

(gemachtigde [gemachtigde 1] )

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft tegen de hierna onder 1 en 2 te noemen besluiten bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij besluit van 1 december 2014 het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2015.

Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde (vader), vergezeld van zijn echtgenote

[naam] . Verweerder is vertegenwoordigd door [gemachtigde 2] .

Overwegingen

Feiten

1. Bij bericht van 11 december 2013 heeft verweerder ten aanzien van eiser een ov-schuld vastgesteld van € 194.

2. Bij bericht van 14 december 2013 is de ov-schuld nader vastgesteld op een totaal bedrag van € 582. Bij bericht van 24 december 2013 is de ov-schuld nader vastgesteld op € 776.

Geschil
3. In geschil is of verweerder terecht de ov-schuld heeft gehandhaafd.

Eiser stelt dat het hem vanwege zijn psychische problemen niet kan worden verweten dat hij het reisrecht na het beëindigen van zijn studie niet tijdig heeft stopgezet.

3.1.

Verweerder stelt dat op grond van de rapportage van de Medisch Adviseur (MA) geconcludeerd is dat eiser in staat was om het studentenreisproduct tijdig stop te zetten.

Beoordeling van het geschil

4. Artikel 3.27 van de Wet op de studiefinanciering 2000 (hierna: Wsf 2000) luidt, ten tijde van het geding en voor zover hier van belang, als volgt:
“Artikel 3.27. Beëindiging reisrecht

1. De studerende is verplicht het reisproduct stop te zetten uiterlijk op de vijfde werkdag nadat:

a. zijn aanspraak op reisrecht is beëindigd, of

b. zijn reisproduct op grond van artikel 3.7, tweede of derde lid, is vervangen door een reisvoorziening in de vorm van geld.

2. Bij het ten onrechte beschikken over een op een OV-chipkaart geladen reisproduct, is degene aan wie het reisrecht is toegekend aan Onze Minister een bedrag van € 97,00 per halve kalendermaand of een deel van een halve kalendermaand verschuldigd, ongeacht of gebruik is gemaakt van het reisrecht. De eerste helft van een kalendermaand loopt tot en met de vijftiende dag van een maand. De tweede helft loopt tot en met het einde van die maand.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op een periode waarin het niet tijdig beëindigen van het reisrecht aantoonbaar niet kan worden toegerekend aan degene aan wie het reisrecht is toegekend.

(…)”

4.1.

Artikel 4.2 van de Regeling studiefinanciering 2000 luidt, ten tijde van het geding en voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 4.2. Beëindiging reisrecht

1.

Het reisrecht wordt beëindigd door het reisproduct dat op de ov-chipkaart is geladen,
stop te zetten.

2.

Het reisproduct wordt stopgezet bij een daartoe bestemde automaat van de
vervoersbedrijven.

3.

(…)”

5. Vast staat dat eiser vanaf 1 september 2013 geen recht meer had op studiefinanciering en derhalve ook niet op een studentenreisproduct. Tevens staat vast dat eiser niet vijf dagen na het einde van zijn aanspraak daarop zijn reisrecht heeft stopgezet, maar dat dit eerst op 5 juni 2014 is gedaan.

Op grond hiervan heeft verweerder terecht -voor zover hier van belang- over de maanden september tot en met december 2013 een ov-schuld van € 776 vastgesteld.

5.1.

Op grond van het derde lid van artikel 3.27 van de Wsf 2000 is het eerste lid niet van toepassing op een periode waarin het niet tijdig beëindigen van het reisrecht aantoonbaar niet kan worden toegerekend. Gezien de formulering van artikel 3.27, derde lid van de Wsf, wordt slechts in evidente gevallen van overmacht reden gezien voor een uitzondering op het niet tijdig stopzetten. (vgl. Centrale Raad van Beroep, 9 november 2007; ECLI:NL:CRVB:2007:BB8091).

6. Naar aanleiding van het verweer van eiser dat hij vanwege zijn psychische problematiek niet in staat was om zijn reisrecht stop te zetten, heeft verweerder advies ingewonnen bij de medisch adviseur (MA) F. Knol. Verzocht is om advies te geven over de vraag in hoeverre eiser in staat moest worden geacht zijn reisrecht (tijdig) stop te zetten.

In zijn rapportage van 25 november 2014 komt de MA op grond van de tot zijn beschikking staande medische gegevens tot de conclusie dat eiser in staat was om het studenten- reisproduct tijdig en adequaat stop te zetten, al dan niet met hulp van derden.

Bij brief van 18 maart 2015 heeft verweerder nog een nader rapport van de MA overgelegd, naar aanleiding van onlangs verkregen (nadere) medische informatie. In dit rapport van 16 maart 2015 trekt de MA de conclusie dat de nu aangeleverde medische informatie geen aanknopingspunten biedt om tot een andere conclusie te komen dan eerder verwoord.

De rechtbank stelt voorop dat de MA in zaken als deze de aangewezen deskundige is. Verweerder mag in beginsel afgaan op een door de MA gegeven advies. Niet aannemelijk is geworden dat het advies op onzorgvuldige of gebrekkige wijze tot stand is gekomen.

7. Hoewel de rechtbank het zeer wel voorstelbaar acht dat zeker vanwege de opname van eiser in een gesloten afdeling in de periode van 11 september 2013 tot en met 23 september 2013, bij hem en zijn familie voor het stopzetten van het reisrecht geen aandacht is geweest, maakt dit niet dat het niet stopzetten van het reisrecht hem op geen enkele wijze kan worden toegerekend. Eiser is met zijn studie gestopt in augustus en diende voor 5 september 2013 zijn reisrecht te beëindigen. Niet aannemelijk is geworden - mede gelet op het advies van de MA - dat het voor eiser in de periode vóór zijn opname volstrekt onmogelijk was om zijn reisrecht stop te zetten. Ook na de opname moet het voor eiser op enig moment mogelijk zijn geweest om zijn reisrecht, eventueel door een derde, stop te (laten) zetten.

8. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.C. Stroebel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2015.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.