Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:400

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-01-2015
Datum publicatie
23-01-2015
Zaaknummer
14/12940
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Guinee, 1F, Rode Baretten, 3 EVRM, ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 14/12940

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 15 januari 2015 in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde mr. R.E. Temmen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. M.A.M. Janssen.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 22 mei 2014 (het bestreden besluit), waarbij zijn asielaanvraag is afgewezen. Tevens is een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 20 november 2014. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig M.L. Jalloh, tolk in de Mandingo taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak éénmaal verlengd.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] en de Guinese nationaliteit te bezitten. Op januari 2014 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Eiser heeft verklaard dat hij in januari 2013 is benaderd door een zekere [naam 2]. Deze persoon gaf hem wat geld en vertelde dat hij misschien ander werk voor eiser had dat beter verdiende dan zijn werk als kruier.[naam 2] heeft eiser later thuis bezocht. Hij kwam in een auto van de regering en was vergezeld van drie mannen in militair uniform. Ze droegen rode baretten.[naam 2] heeft vervolgens uitgelegd wat het werk inhield. Eiser moest zich bij demonstraties onder de deelnemers begeven en opletten of er personen waren die een wapen of drugs in hun bezit hadden. Eiser moest deze personen volgen en bij[naam 2] aangeven. Eiser is niet direct op het aanbod ingegaan, maar de vergoeding voor de werkzaamheden was dusdanig dat hij het aanbod van[naam 2] toch heeft geaccepteerd. Sinds februari 2013 heeft eiser tenminste vier personen aangegeven. Eiser vreest bij terugkeer te worden gedood door de militairen of door familieleden van de slachtoffers.

3. Op 22 mei 2014 heeft verweerder de aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en aan eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd.

Verweerder heeft op basis van de verklaringen van eiser en een aantal bronnen de werkzaamheden van eiser aangemerkt als misdrijven tegen de menselijkheid en absolute niet-politieke misdrijven in de zin van artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag. Volgens verweerder kan eiser in verband worden gebracht met marteling, buitengerechtelijke detentie en executie. Deze gedragingen maken onderdeel uit van een stelselmatige en of systematische aanval die is gericht tegen de burgerbevolking. Uit gezaghebbende rapportages komt naar voren dat in de periode waarin eiser genoemde werkzaamheden heeft verricht, de ‘Rode Baretten’ tijdens demonstraties van plan waren om deelnemers daaraan te arresteren. Hiervoor hebben ze niet alleen eiser maar ook andere informanten geworven. Ook blijkt dat de schaal waarop personen werden opgepakt als gevolg hiervan aanzienlijk was.

Volgens verweerder heeft eiser geweten en was hij ervan op de hoogte dat door de ‘Rode Baretten’ misdrijven werden begaan. Door het aangeven van demonstranten heeft eiser marteling, buitengerechtelijke detentie en executie direct gefaciliteerd. Verweerder heeft derhalve ten aanzien van eiser “knowing and personal participation” aangenomen.

Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Guinee een reëel risico loopt op een behandeling zoals bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De gestelde psychische klachten zijn bovendien niet onderbouwd, aldus verweerder.

4. Eiser heeft in de gronden van beroep, onder verwijzing naar de zienswijze, het volgende aangevoerd.

Volgens eiser is er geen sprake van “knowing en personal participation” omdat hij eerst nadien op de hoogte is geraakt van het feit dat[naam 2] werkzaam was bij de ‘Rode Baretten’. Voorts was de slechte reputatie van de ‘Rode Baretten’ gebaseerd op de gebeurtenissen uit de tijd van het militaire regime in 2009 en was de situatie daarna totaal anders. Eiser heeft derhalve te goeder trouw gehandeld. Bovendien is eiser beperkt ontwikkeld, dus heeft hij geen goede inschatting kunnen maken van de gevolgen van zijn handelen. Wat er uiteindelijk met de personen gebeurde heeft eiser pas later vernomen. Toen dit voor hem langzaam duidelijker werd, is eiser zijn land ontvlucht. Gezien het relaas van eiser is voorzienbaar dat bij terugkeer schending van artikel 3 van het EVRM dreigt van de zijde van familieleden van slachtoffers of van de ‘Rode Baretten’. Tot slot wijst hij nog op zijn psychische problemen en stelt dat ten onrechte een inreisverbod voor de duur van tien jaar is uitgevaardigd.

Ter zitting heeft eiser nog verklaard dat hij, op het moment dat hij wist wat er met de personen die hij had aangegeven gebeurde, voorzichtig is geworden. Hij gaf geen of valse informatie door, zodat personen niet meer konden worden opgepakt.

5. Verweerder heeft bij wijze van schriftelijk verweer volstaan met een verwijzing naar het bestreden besluit.

De rechtbank overweegt als volgt.

Procesbelang bij beoordeling afwijzing verblijfsvergunning asiel

6. De rechtbank stelt vast dat eiser door verweerder is aangemerkt als een gevaar voor de openbare orde, als bedoeld in artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Gelet op de in artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 beschreven rechtsgevolgen van het opleggen van een (zwaar) inreisverbod, dient de rechtbank allereerst ambtshalve een beslissing te nemen over de vraag of eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen de beslissing op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel.

7. De rechtbank is van oordeel dat eiser, zolang het inreisverbod voortduurt, geen procesbelang heeft bij onderhavig beroep, nu dit nimmer kan leiden tot de door eiser beoogde verblijfsvergunning. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:298) en een recentere uitspraak van 18 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:638. Of eiser voldoet aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning kan ten volle in het kader van de toetsing van het inreisverbod aan de orde worden gesteld, aldus deze uitspraken.

8. Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank dient te beoordelen of het inreisverbod terecht is opgelegd. Indien de rechtbank het inreisverbod vernietigt, herleeft het procesbelang bij de beoordeling van het bestreden besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel.

Het inreisverbod.

9. Eiser is van mening dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag niet op hem van toepassing is, zodat de grondslag aan het inreisverbod dient te vervallen.

10. Ingevolge artikel 1(F) van het vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van dat Verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c. (…).

In het destijds geldende beleid in hoofdstuk C4/3.11.3.3. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is, voor zover thans van belang, bepaald dat het aan verweerder is om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag valt.

Teneinde te kunnen bepalen of de betrokken vreemdeling individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven als bedoeld in voornoemd artikel 1(F), wordt de “knowing and personal participation-test” toegepast. Beoordeeld wordt daarbij of ten aanzien van de betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van de betreffende misdrijven (“knowing participation”) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (“personal participation”). Indien hiervan sprake is kan aan een vreemdeling artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag worden tegengeworpen.

Volgens dit beleid is onder meer sprake van "knowing participation" wanneer een vreemdeling werkzaam is geweest voor een orgaan of organisatie, welke volgens gezaghebbende en vrij toegankelijke rapportages op systematische wijze en/of op grote schaal misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) heeft gepleegd in de periode dat hij daar werkzaam was, tenzij de betreffende vreemdeling kan aantonen dat er in zijn individuele geval sprake is van een significante uitzondering.

Volgens het beleid is onder meer sprake van “personal participation” wanneer de vreemdeling een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) heeft gefaciliteerd, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het misdrijf. Onder wezenlijk bijdrage dient te worden verstaan dat de bijdrage een feitelijk effect heeft gehad op het begaan van een misdrijf en dat het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden indien niemand de rol van betrokkene had vervuld dan wel indien betrokkene gebruik had gemaakt van de mogelijkheden het misdrijf te voorkomen.

11. In geschil is of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat eiser betrokken is geweest bij misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op eisers eigen verklaringen en een aantal bronnen. Deze bronnen betreffen een Engelstalige brief van de Verenigde Naties van 18 december 2009 en een Engelstalig rapport van de US Department of State van 27 februari 2014 over de mensenrechtensituatie in Guinee in 2013.

Het gebruik van deze bronnen heeft eiser niet bestreden.

12. Teneinde te kunnen bepalen of eiser individueel verantwoordelijk voor de eerder omgeschreven gedragingen, heeft verweerder de voornoemde “personal and knowing participation-test” toegepast. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het voornemen en het bestreden besluit aannemelijk heeft gemaakt dat eiser in verband kan worden gebracht met misdrijven als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag.

Gelet op het feit dat eiser in het nader gehoor (bladzijden 6 en 7) heeft verklaard, dat hij, voordat hij inging op het aanbod van[naam 2], de militaire pas/id-kaart van[naam 2] heeft gezien waaruit hem bleek dat ook hij bij de ‘Rode Baretten’ hoorde, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser op dat moment wist dat[naam 2] voor de ‘Rode Baretten’ werkzaam was. Voorts blijkt uit eisers verklaringen, die in het voornemen van 14 april 2014 zijn geciteerd, dat hij wist dat de ‘Rode Baretten’ een dubieuze reputatie hadden. Zo heeft eiser, op de vraag van de rapporteur bij het nader gehoor waarom die mensen bang waren voor de ‘Rode Baretten’, geantwoord dat sinds de tijd van kapitein Dadis wordt gezegd dat de ‘Rode Baretten’ mensen in het stadion (rechtbank: lees op 28 september 2009) hebben gedood. Sinds die tijd is iedereen bang voor de ‘Rode Baretten’. Eiser heeft vervolgens niet aannemelijk gemaakt dat hun reputatie inmiddels is gewijzigd. Immers, hij heeft zelf verklaard dat de vier personen die hij heeft aangewezen door de ‘Rode Baretten’ zijn gedood. Verweerder heeft de stelling van eiser, dat hij vanwege zijn beperkte ontwikkeling, geen goede inschatting van de gevolgen van zijn handelen kon maken, terecht verworpen. Ook van een persoon die niet of nauwelijks geschoold is, mag worden verwacht dat hij weet dat moord een verboden handeling is. Voorts heeft verweerder daarbij terecht verwezen naar zijn eigen verklaringen waaruit blijkt dat eiser besefte wat er gebeurde met de personen die door zijn toedoen zijn opgepakt. Aan de verklaring ter zitting, dat eiser, toen hij wist wat er met de aangegeven personen gebeurde, geen of valse informatie meer heeft verschaft, hecht de rechtbank geen waarde, nu eiser dit niet eerder heeft verklaard. In het nader gehoor van 14 februari 2014 heeft eiser namelijk uitsluitend verklaard dat zij als informanten het werk bleven doen en dat zij daarbij heel voorzichtig en bezorgd waren. Deze verklaring is bij de aanvullingen en correcties van 17 februari 2014 niet gecorrigeerd. Gelet op het voorgaande is derhalve ook voldaan aan het vereiste van “knowing participation” van eiser bij de eerdergenoemde misdrijven.

13. Vervolgens heeft verweerder zich op basis van eisers verklaringen over zijn werkzaamheden tevens op het standpunt kunnen stellen dat eiser marteling, buitengerechtelijke detentie en buitengerechtelijke executie direct heeft gefaciliteerd. Eiser heeft dat in beroep niet bestreden. Gelet op het voorgaande is ook voldaan aan het vereiste van “personal participation” van eiser bij deze misdrijven.

14. Verweerder heeft derhalve onder verwijzing naar artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag op goede gronden besloten dat dit verdrag niet op eiser van toepassing is en hij dientengevolge niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

15. Eiser heeft eerst in beroep gesteld dat verweerder in het voornemen onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zijn beroep op artikel 3 van het EVRM niet slaagt. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat hij repercussies vreest van de zijde van de ‘Rode Baretten’ en/of de familieleden van de slachtoffers.

16. De rechtbank overweegt dat verweerder geen bezwaar heeft gemaakt tegen het feit dat eiser zich eerst in beroep op artikel 3 van het EVRM heeft beroepen. Verweerder heeft vervolgens verwezen naar het standpunt in het voornemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser louter van anderen heeft gehoord dat hij zou worden gezocht en worden gedood en dat hij, nadat hij de dreigementen had vernomen, nog contact heeft gehad met[naam 2] en andere ‘Rode Baretten’. Zelf heeft eiser tegenover anderen nimmer gepraat over zijn werk, zodat kan worden verondersteld dat dit niet algemeen bekend is geworden bij familieleden van slachtoffers. Voorts heeft verweerder terecht overwogen dat niet valt in te zien waarom de ‘Rode Baretten’, als zij bezwaren hadden tegen eiser, niet meteen tot zijn uitschakeling zijn overgegaan.

17. Gelet op de voorgaande rechtsoverwegingen met betrekking tot de toepasselijkheid van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag heeft verweerder kunnen besluiten tot het opleggen van een inreisverbod voor de duur van tien jaar. De rechtbank overweegt daarbij dat in artikel 66a, vierde lid, van de Vw 2000 is bepaald dat het inreisverbod wordt gegeven voor ten hoogste vijf jaren, tenzij de vreemdeling naar het oordeel van verweerder een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. De duur wordt berekend met ingang van de datum waarop de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten. Op grond van artikel 6.5a, vijfde lid, onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste tien jaren, indien het betreft een vreemdeling die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Deze ernstige bedreiging kan blijken uit onder meer de omstandigheid dat hem artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen.

18. Nu uit het voorgaande blijkt dat verweerder voornoemd artikel 1 (F) terecht heeft tegengeworpen, is het beroep voor zover dit zich richt tegen het inreisverbod, ongegrond.

Besluit tot afwijzing van de asielaanvraag van eiser

19. Het beroep met betrekking tot de afwijzing van de aanvraag zal niet-ontvankelijk verklaard worden vanwege het ontbreken van een belang bij de beoordeling van dat beroep, omdat eiser ingevolge artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, zolang het inreisverbod voortduurt, geen rechtmatig verblijf kan hebben. Eiser heeft pas (weer) belang bij toetsing van dit besluit als het besluit tot het opleggen van het inreisverbod wordt vernietigd of ingetrokken, of als het inreisverbod wordt opgeheven.

20. Het beroep met betrekking tot de afwijzing van de asielaanvraag is niet-ontvankelijk.

21. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond voor zover dit zich richt tegen het inreisverbod;

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dit zich richt tegen de afwijzing van de asielaanvraag.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Loonstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2015.

Afschrift verzonden aan partijen op: