Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:3979

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-04-2015
Datum publicatie
09-04-2015
Zaaknummer
C/09/484554 / KG ZA 15-327
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De Staat hoeft de renovatie van het overheidsgebouw aan de Bezuidenhoutseweg 30 in Den Haag niet stil te leggen. Dat heeft de rechter vandaag beslist in een kort geding dat door de architect is aangespannen. De architect was van mening dat de verbouwing zijn ontwerp van een eerdere renovatie aantast, maar de rechter wijst de bouwstop af. Naar het oordeel van de rechter is eiser te laat. Het werk is al voor een substantieel deel gesloopt en eiser had volgens de rechter eerder bezwaar kunnen maken tegen de renovatie.

De rechter beveelt de Staat wel eiser een kopie te verstrekken van de bouwtekeningen van de verbouwing. Die informatie kan eiser gebruiken in het kader van een eventuele bodemprocedure.

Het monumentale gebouw dat het onderwerp van het geschil vormt, dateert van 1911 en is decennialang gebruikt door het Ministerie van Economische Zaken. Het is in de jaren ’90 gerenoveerd op basis een ontwerp van eiser. In 2010 is besloten dat het gebouw opnieuw moet worden verbouwd, onder meer omdat het een nieuwe bestemming krijgt. Het wordt de nieuwe huisvesting voor onder meer het Centraal Planbureau, het Planbureau voor de Leefomgeving en het Sociaal en Cultureel Planbureau. Na een aanbesteding is het verbouwingsproject gegund aan een consortium waarvan eiser geen deel uitmaakt. De sloop- en bouwwerkzaamheden zijn medio januari 2015 gestart.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2015/64
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rolnummer: C/09/484554 / KG ZA 15-327

Vonnis in kort geding van 9 april 2015

in de zaak van

1 [eiser],

wonende te [plaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X] ARCHITECTEN B.V.,

gevestigd te [plaats],

eisers,

advocaten mr. C. Wildeman en J.R. Spauwen te Amsterdam,,

tegentegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKRELATIES),

zetelend te Den Haag,

gedaagdegedaagde,

advocaten mr. G.J. Huith en R.S.I. Lawant te Den Haag.

Partijen zullen hierna (gezamenlijk in enkelvoud) [eiser] en de Staat genoemd worden. Waar nodig zullen eisers afzonderlijk worden aangeduid als [eiser] en [X] Architecten.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 16 maart 2015;

  • -

    de akte overlegging producties van [eiser] met producties 1-52;

  • -

    de aanvullende productie 53 (kostenspecificatie);

  • -

    de bij brief van 23 maart 2015 overgelegde akte overlegging producties van de Staat met producties 1-17;

  • -

    de conclusie van antwoord van de Staat met aanvullende producties 18-20;

  • -

    de mondelinge behandeling van 26 maart 2015 met de daarbij door de advocaten overgelegde pleitnotities.

1.2.

Het vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is architect. Hij is werkzaam bij [X] Architecten B.V.

2.2.

De Staat is eigenaar van het gebouw aan de Bezuidenhoutseweg 30 te Den Haag (hierna: B30), welk gebouw in 1911 door Rijksbouwmeester [A] (hierna: [A]) is ontworpen ten behoeve van het Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel. Hierna worden afbeeldingen weergegeven van B30 zoals door [A] ontworpen.

2.3.

In de jaren ’80 van de 20e eeuw bleek dat B30, inmiddels in gebruik bij het Ministerie van Economische Zaken, niet geschikt was voor de inmiddels 700 medewerkers van het Ministerie van Economische Zaken. De toenmalige Rijksgebouwendienst (hierna: RGD), thans na fusie het Rijksvastgoedbedrijf (hierna: RVB), had studies laten maken waaruit bleek dat de gevraagde capaciteit alleen kon worden bereikt door de vleugel aan het Haagse Bos te slopen en te vervangen door een nieuwe vleugel van tien verdiepingen. [eiser] kreeg na voorselectie uit vier architecten in 1989 opdracht een structuurplan te maken voor de huisvesting van 700 ambtenaren in B30. [eiser] heeft een ontwerp gemaakt uitgaande van hergebruik van het gebouw van [A]. Hierna worden ontwerptekeningen van [eiser] weergegeven, waarbij in het groen de nieuwe delen zijn aangegeven.

2.4.

De aanbesteding en uitvoering van het ontwerp van [eiser] hebben van begin 1991 tot augustus 1993 plaatsgevonden. Hierna wordt een afbeelding weergegeven van een luchtfoto, waarop het gebouw na de renovatie door [eiser] in zijn geheel zichtbaar is en een afbeelding van het atrium dat op de plaats is gekomen van het patio zoals hiervoor weergegeven rechts onder 2.2.

2.5.

In 1992 is B30 in te renoveren staat aangemerkt als Rijksmonument.

2.6.

In juli 2010 is een persbericht verschenen dat de ministeries van VROM, EZ en VWS een intentieverklaring hebben getekend voor het gemeenschappelijk gebruik van B30 voor drie planbureaus, zijnde het Centraal Planbureau, het Planbureau voor de Leefomgeving en het Sociaal en Cultureel Planbureau.

2.7.

Rijksbouwmeester [B] (hierna: [B]) heeft daaropvolgend contact opgenomen met [eiser] en aangegeven dat er werk aan de winkel is voor [eiser]. In een telefoongesprek op 19 oktober 2010 is [B] op die uitspraak terugkomen. Het stond niet vast dat [eiser] opnieuw zal worden gevraagd. Ze heeft [eiser] aangeraden een gesprek aan te vragen met de Directeur-generaal van de RGD, de heer [C] (hierna: [C]). [eiser] heeft dat advies opvolgd en een afspraak gemaakt met [C].

2.8.

Tijdens een gesprek op 5 november 2010 heeft [C] gemeld dat de RGD de verschillende mogelijkheden onderzoekt. In april 2011 heeft [eiser] het bericht ontvangen dat de RGD voornemens is de DBFMO-methodiek (Design, Build, Finance, Maintain & Operate) te hanteren voor de verbouwing van B30.

2.9.

[eiser] heeft bij brief van 28 april 2011 zijn bezwaren tegen het gebruik van de DBFMO-methodiek kenbaar gemaakt. In deze brief staat onder meer het volgende:

(…) Hoewel ik daar niet van houd, zie ik mij, gelet op de voorgenomen koers van uw ministerie, toch genoodzaakt formeel protest aan te tekenen tegen de keuze om de architect bij deze grote verbouwing van B30 te delegeren aan de consortia die mogen inschrijven op dit project en daarbij een eigen architect mogen kiezen. Door die weg te kiezen schept u de situatie dat mijn persoonlijkheidsrechten op het werk aangetast gaan worden. Dat is onrechtmatig. U heeft het in de hand om een dergelijke situatie te voorkomen. Uw keuze kan er zelfs toe leiden dat ik mij op enig moment tot de rechter zal moeten wenden om een verbod te vorderen. Ik hoop echter dat het zover niet hoeft te komen en dat u – gelet op mijn persoonlijkheidsrechten – alsnog besluit om mij wel als architect bij het project te betrekken. (…)

2.10.

Bij brief van 18 mei 2011 heeft [C] geantwoord op de brief van [eiser]. Hij schrijft onder meer:

(…) Over uw rechten op grond van de Auteurswet bestaan geen twijfels. De Rijksgebouwendienst erkent uw persoonlijkheidsrechten en zal deze derhalve respecteren binnen de door het bevoegd gezag vastgestelde kaders. Hiertoe zullen wij in ieder geval in de aanbestedingsdocumenten de eis opnemen dat uw persoonlijkheidsrechten binnen de hiervoor aangegeven marges dienen te worden gerespecteerd. (…)

Rest mij u er nog op te wijzen dat u kunt overwegen zich aan te sluiten bij een consortium om als deelnemer mee te dingen naar de opdracht.

2.11.

De Staat heeft ervoor gekozen het project aan te besteden via een zogeheten concurrentiegerichte dialoog. Dat houdt in dat de Staat met de geselecteerde consortia tijdens twee dialoogrondes de mogelijke oplossingen verkent die voldoen aan de eisen van de Staat. Tijdens de eerste ronde dienen de consortia hun visie op het project te presenteren, waarna die wordt besproken met de Staat. Tijdens de tweede ronde moeten de plannen verder worden uitgewerkt. Aan het einde van de tweede ronde dienen de consortia een indicatieve aanbieding te doen, waarvan een uitgewerkt ontwerp deel uitmaakt.

2.12.

Ter voorbereiding van de aanbesteding heeft de Staat een bouwhistorisch onderzoek laten uitvoeren naar de waarde van B30. [eiser] is in dat kader geïnterviewd. De uitslag van het onderzoek is neergelegd in een rapport dat op 25 november 2011 is verschenen. In het BHO is onder meer het volgende opgenomen:

2.13.

Op 5 december 2011 heeft [eiser], naar aanleiding van een gesprek tussen RGD en [eiser] op 20 oktober 2011, een brief aan [C] gezonden, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

In het gesprek is door de RGD nogmaals onomwonden erkend dat ik als architect persoonlijkheidsrechten heb op het ontwerp van het pand Bezuidenhoutseweg 30. Voorts wordt door de RGD meegedeeld dat er zorgvuldig met mijn persoonlijkheidsrechten zal worden omgegaan. Die zorgvuldigheid zou eruit bestaan dat aan de architect die het ontwerp voor de renovatie gaat uitvoeren wordt verzocht rekening te houden met mijn persoonlijkheidsrechten. Dat is een nobel streven, maar miskent mijn persoonlijkheidsrechten en mijn positie als architect en uw verantwoordelijkheid als eigenaar van het pand volkomen. U dient te voorkomen dat mijn rechten worden geschonden.

De renovatie op basis van een ontwerp van een andere architect zal zonder dat daar enige twijfel over hoeft te bestaan leiden tot wijzigingen/aanpassingen van het ontwerp waarop mijn persoonlijkheidsrechten rusten. Het hoeft geen betoog dat bij een renovatie waarbij een Europese aanbesteding wordt gehouden en waarbij wordt gekozen voor een DBFMO-contract er sprake is van een financieel omvangrijk en bouwkundig ingrijpend project. Er zullen wijzigingen/aantastingen van mijn werk doorgevoerd worden. Ik ben bij het ontwerp niet betrokken en zal achteraf moeten vaststellen of (lees: dat) er sprake is van schending van mijn persoonlijkheidsrechten. Of en op welke wijze ik dit kan controleren is mij thans volkomen onduidelijk. Deze gang van zaken wringt echter ook met de door u gestelde zorgvuldigheid waarmee met mijn rechten zou worden omgegaan. Daar komt straks in de praktijk niets van terecht. Ik word feitelijk in de positie gemanoeuvreerd om mijn rechten via de rechter veilig te stellen.

2.14.

[C] heeft bij brief van 30 januari 2012 onder meer het volgende geantwoord:

Het ontwerpwerk zal dus niet zonder aanbesteding aan de oorspronkelijke architect worden gegund. Wel moeten diens persoonlijkheidsrechten gerespecteerd worden. (…)

Wij hebben steeds aangegeven uw persoonlijkheidsrechten te erkennen en te respecteren. Daartoe zullen wij de nodige maatregelen treffen. Het opnemen van de eis in de aanbestedingsdocumenten dat uw persoonlijkheidsrechten moeten worden gerespecteerd is slechts één van de maatregelen. In onze brief hebben wij ook aangeboden met u van gedachten te wisselen over hoe u bij het aanbestedingsproces betrokken kan worden. Dit aanbod wees u van de hand: u ziet als enige mogelijkheid een rechtstreeks verstrekking van de ontwerpopdracht. Desalniettemin is er door een onafhankelijk adviesbureau een bouwhistorisch onderzoek en waardestelling betreffende het gebouw uitgevoerd; daarvoor bent u geïnterviewd. Het deel over uw ontwerp heeft u kunnen controleren en u heeft hierop kunnen reageren. Daarnaast worden bij het opstellen van de selectie-eisen en de beoordelingen deskundigen op het gebied van architectuur ingeschakeld. Ook zullen wij onder andere van de architect verlangen dat hij soortgelijke gedragsregels als van de Beroepsvereniging Nederlandse Architecten in acht neemt betreffende collegiaal overleg. Voorts zullen wij u uiteraard op de hoogte houden van de voortgang van het aanbestedingsproces.

2.15.

[eiser] heeft daarop gereageerd bij brief van 9 februari 2012, waarin onder meer staat:

Ik kan mij geen voorstel/aanbod van de kant van de RGD herinneren hoe ik bij het aanbestedingsproces betrokken kan worden. Wel heb ik in de discussies over het proces opgemerkt dat mijn persoonlijkheidsrechten in alle gevallen onverlet dienen te blijven.

[eiser] verzoekt in deze brief ook om een afschrift van het bouwhistorisch onderzoek en waardestelling van het gebouw B30. Op 16 maart 2012 heeft de RGD geantwoord dat de waardestelling vooralsnog een vertrouwelijk document betreft.

2.16.

In het kader van de voorbereiding van de aanbesteding heeft de Staat een zogeheten ambitiedocument opgesteld waarin geïnteresseerden een beeld wordt gegeven van de hoofdlijnen van het project. In het ambitiedocument is onder meer opgenomen:

(dat) … bij de renovatie van B30 een balans gevonden (moet) worden tussen het behouden van historische karakteristieken en de essenties van het ontwerp van [X], en het realiseren van eigentijdse kwaliteitseisen op het gebied van functionaliteit, techniek en uitstraling.

2.17.

Op 19 april 2012 heeft Facilicom [eiser] bericht dat zij voornemens was zich in te schrijven voor de aanbesteding van B30. Facilicom had op dat moment nog geen architecten geselecteerd. Facilicom verzocht om een afspraak met [eiser] voor het collegiaal overleg over architectuuraspecten. In reactie daarop heeft [eiser] laten weten dat overleg in dat stadium – waarin door Facilicom nog geen architect was geselecteerd en niet duidelijk was welke partij de opdracht uiteindelijk zal verkrijgen – wat [eiser] betreft niet aan de orde was.

2.18.

Op 25 april 2012 heeft [eiser] een emailbericht van de RGD ontvangen waarin hij wordt geïnformeerd dat de waardestelling openbaar was gemaakt, met een link naar het document.

2.19.

Op 31 juli 2012 worden door de RGD drie consortia bekend gemaakt die strijden om de opdracht voor de verbouwing van B30 volgens het DBFMO-concept. Eén van de drie consortia is Facilicom.

2.20.

Op 6 september 2012 heeft Facilicom [eiser] geïnformeerd over de samenstelling van het ontwerp- en tenderteam en laat Facilicom weten dat mevrouw [D] van [Y] Architecten de architect voor het project is. [eiser] heeft op 10 september 2012 geantwoord onder verwijzing naar het eerdere contact met Facilicom.

2.21.

In het kader van de eerste dialoogronde van de aanbesteding heeft Facilicom een zogeheten visiedocument ontwikkeld. Dat document bevat onder meer de hierna weergegeven pagina’s:

2.22.

De architecten van de twee ander consortia, mevrouw [E] en de heer [F], hebben in januari 2013 contact opgenomen met [eiser]. [eiser] heeft daarop geantwoord dat hij van mening is dat overleg in dat stadium – waarin nog niet bekend is welke partij uiteindelijk de opdracht zal verkrijgen – niet aan de orde was.

2.23.

Op 20 september 2013 heeft architect [E] [eiser] een brief gestuurd met onder meer de volgende inhoud:

Hierbij bevestig ik ons telefoongesprek van 10 september 2013 betreffende mijn herhaalde verzoek tot collegiaal overleg in relatief tot het project PPS Bezuidenhoutseweg 30 te Den Haag waarvoor ons bureau binnen het consortium TBI B30 als gegadigde geselecteerd is.

De reden voor het overleg is de toevoegingen die u in de jaren ’90 heeft gedaan aan het oorspronkelijke gebouw van de architect [A]. Zoals de gedragsregels van de BNA voorschrijven, hebben wij u de gelegenheid geboden tot overleg over de wijzigingen die ons ontwerp t.o.v. uw ontwerp inhouden. Van ons consortium wordt verlangd dat wij bij definitieve inschrijving een nagenoeg volledig uitgewerkt ontwerp indienen. Als het project aan het consortium TBI B30 wordt gegund, dan zal er feitelijk geen gelegenheid meer bestaan om aanpassingen in het ontwerp door te voeren. Aanpassingen zullen voor ons consortium leiden tot zeer hoge boetes en schade, waaronder aanzienlijke financieringskosten.

In ons telefoongesprek van 10 september 2013 heeft u echter wederom aangegeven dat u niet bereid bent tot dit overleg. Pas nadat de plannen openbaar zijn na gunning, zou u hiertoe bereid zijn. Naar ik van u heb begrepen, speelt in uw afweging mee dat naar uw mening de Rgd u een rol in de aanbesteding had moeten geven, doch dat niet heeft gedaan. Mijn eerste telefonisch verzoek tot collegiaal overleg heb ik gedaan op 15 oktober 2012 voorafgaand aan ons ontwerptraject. U heeft dit verzoek destijds ook, en met dezelfde argumentatie, afgewezen en aangegeven aan de architecten van de twee andere gegadigde consortia. Uit ons laatste gesprek begrijp ik echter dat uw standpunt in deze definitief is.

Naar mijn mening bestaat er op basis van de door ons opgestelde ontwerpdocumenten voldoende basis voor collegiaal overleg. Gezien de grote (financiële) belangen van het consortium en de zeer beperkte mogelijkheden om het ontwerp na definitieve inschrijving nog te wijzigen, kan collegiaal overleg niet langer worden uitgesteld. Graag nodig ik u een laatste maal uit om dit collegiaal overleg uiterlijk op 11 oktober 2013 te voeren. Graag verneem ik uiterlijk op 27 september 2013 of u daartoe bereid bent. Als ik dan niet van u heb vernomen, dan zullen wij verder gaan met het ontwerp en zal met uw zienswijze geen rekening gehouden kunnen worden. Ik zou het betreuren als wij uw visie ten aanzien van de aanpassingen van het gebouw niet mee kunnen nemen in onze ontwerpafwegingen.

2.24.

Op 30 september 2013 is de uiterste termijn verlopen waarbinnen de geselecteerde consortia hun indicatieve aanbieding moesten indienen in het kader van de aanbesteding.

2.25.

In antwoord op de brief van [E] van 20 september 2013 heeft [eiser] bij emailbericht van 10 oktober 2013 laten weten dat hij bereid is om een afspraak te maken voor een bespreking. [E] heeft in een reactie van 28 oktober 2013 gemeld de invulling van het overleg met [eiser] voor te bespreken met de RGD.

2.26.

Op 22 november 2013 heeft [E] [eiser] als volgt geïnformeerd:

In vervolg op ons bericht van 28 oktober jl. bericht ik u dat wij overleg hebben gehad met de Rgd over het voeren van een collegiaal overleg met u over het project PPS B30. Gezamenlijk met de Rgd zijn wij tot de conclusie gekomen dat het voeren van collegiaal overleg op dit moment van de Aanbesteding, kort voor Inschrijving, niet wenselijk is. In de overwegingen van de Rgd speelt daarin mee dat het delen van informatie door de gegadigde consortia t.a.v. de door hen reeds vergaand gemaakte ontwerpkeuzes in een dergelijk collegiaal overleg, op gespannen voet zal staan met de noodzakelijk in de Aanbesteding te waarborgen vertrouwelijkheid. Onze plannen zijn inmiddels dermate ver uitgewerkt dat wezenlijke aanpassingen in het architectonisch ontwerp in dit stadium van de Aanbesteding niet haalbaar worden geacht. Afhankelijk van de uitkomsten van de Aanbesteding zal met de Rgd worden afgestemd in hoeverre dit overleg alsnog na gunning in de eerste helft van 2014 kan plaatsvinden.

2.27.

In maart 2014 heeft [eiser] uit de pers vernomen dat de RGD het project B30 aan Facilicom heeft gegund.

2.28.

Op een nieuwjaarsreceptie op 8 januari 2015 is [eiser] in gesprek geraakt met een medewerker van de firma Breijer, het uitvoerend bouwbedrijf van Facilicom. De medewerker heeft hem verteld dat de verbouwing kort daarna van start zal gaan.

2.29.

Op 9 januari 2015 heeft [eiser] bij de gemeente Den Haag nagevraagd of een bouwvergunning is verstrekt. Het antwoord luidde dat de vergunning de dag ervoor onherroepelijk was geworden.

2.30.

Op 14 januari 2015 heeft de gemeente Den Haag een verzoek van [eiser] om de tekeningen waarop de bouwvergunning is verstrekt, in te mogen zien van de hand gewezen omdat deze geheim zijn.

2.31.

Medio januari 2015 is Facilicom begonnen met de uitvoering van de sloop- en bouwwerkzaamheden.

2.32.

Op 26 januari 2015 heeft [eiser] van Facilicom een link gekregen naar het elektronische dossier zoals dat door de gemeente Den Haag is gepubliceerd.

2.33.

Bij brief van 25 februari 2015 heeft de advocaat van [eiser] de RGD verzocht de verbouwing aan B30 met onmiddellijke ingang te staken totdat de rechter zich over de zaak heeft uitgesproken. De RGD heeft daarop laten weten dat aanpassing van het ontwerp niet meer aan de orde is.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Staat beveelt zich met onmiddellijke ingang te onthouden van het (laten) uitvoeren van sloop- en/of bouwwerkzaamheden met betrekking tot B30 en zich te onthouden van het op andere wijze schenden van de persoonlijkheidsrechten van [eiser]. Daarnaast vordert [eiser] dat de voorzieningenrechter de Staat beveelt [eiser] direct schriftelijk te informeren over de volledige details van het verbouwplan en over iedere wijziging in dit plan, alsmede de uitvoering daarvan, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van de Staat in de kosten van dit geding conform artikel 1019h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en met bepaling van een termijn zoals bedoeld in artikel 1019i Rv op twaalf maanden na betekening van het vonnis.

3.2.

[eiser] legt hieraan ten grondslag dat de verbouwing inbreuk maakt op zijn persoonlijkheidsrecht in de zin van artikel 25 lid 1 sub c en d Auteurswet, althans dat de Staat misbruik maakt van zijn recht.

3.3.

De Staat voertvoert verweer. Volgens de Staat is er geen sprake van een schending van het persoonlijkheidsrecht van [eiser] omdat zijn werk wordt vernietigd. Daarnaast betoogt de Staat onder meer dat hij gegronde redenen heeft voor de verbouwing en dat een belangenafweging zich verzet tegen toewijzing van de vorderingen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De aard van het kort geding brengt mee dat als naar het voorlopig oordeel van de rechter de gedaagde verplicht is bepaalde gedragingen na te laten, toewijzing van een verbod afhankelijk is van een belangenafweging, waarbij onder meer in aanmerking moeten worden genomen enerzijds het voorlopig karakter van het rechterlijk oordeel in kort geding en de ingrijpendheid van de gevolgen van een eventueel verbod voor de gedaagde en anderzijds de omvang van de schade die voor de eiser dreigt, indien een verbod zou uitblijven (zie o.m. HR 15 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1919).

4.2.

Toetsend aan deze maatstaf moet de gevorderde bouwstop in deze zaak worden afgewezen. Voor zover de verbouwing van B30 het persoonlijkheidsrecht van [eiser] schendt of anderszins onrechtmatig is, is het gelet op de belangen van partijen te laat om de verbouwing nu nog te stoppen. Een en ander zal hierna worden toegelicht.

4.3.

Ten eerste is van belang dat de verbouwing al is aangevangen en dat het werk van [eiser] inmiddels voor een substantieel deel is gesloopt. Ter zitting is duidelijk geworden dat de volgende elementen van het werk van [eiser] al zijn verwijderd:

- de stalen kapconstructie boven het atrium;

- een deel van de verdiepingen bovenop de oudbouw;

- de paviljoens in de ‘oksels’ van het gebouw;

- de liftschachten in het atrium;

- het bovenste deel van de verticale kolommen langs de wanden van het atrium;

- de tussenvloeren in de kapverdiepingen.

Toewijzing van de gevorderde bouwstop voorkomt de sloop van die elementen, die [eiser] rekent tot de belangrijkste onderdelen van zijn ontwerp, niet. In zoverre is het belang van [eiser] niet gediend met toewijzing van de vordering.

4.4.

Daar staat tegenover dat toewijzing van een bouwstop ingrijpende consequenties heeft. De Staat heeft onbestreden aangevoerd dat de bouwstop circa € 200.000,- per maand zal kosten, onder meer vanwege extra voorfinancieringskosten en huisvestingkosten. Aangenomen moet worden dat de schade zal oplopen tot een veelvoud van dat maandelijkse bedrag, omdat het lang zal duren voordat de verbouwing kan worden hervat. De Staat heeft onbestreden aangevoerd dat, zelfs als partijen zonder rechtszaak overeenstemming kunnen bereiken over de noodzakelijke wijzigingen, het doorrekenen en bespreken van wijzigingen veel tijd vergt en mogelijk zal meebrengen dat het project opnieuw moet worden aanbesteed. Als het geschil in een bodemzaak moet worden beslecht, komt daar de duur van die procedure nog bij. Al die tijd zou het gebouw half-gesloopt leeg staan en zouden de kosten door lopen.

4.5.

Daar komt bij dat [eiser] zich eerder had kunnen en moeten verzetten tegen de verbouwing. Vast staat immers dat [eiser] al in 2010 is geïnformeerd over de aanstaande verbouwing van B30, dat hij in 2012 wist dat drie consortia in het kader van de aanbesteding van het project bezig waren met nieuwe ontwerpen en dat hij in maart 2014 ervan op de hoogte was dat de Staat het project had gegund aan Facilicom en dat de verbouwing dus daadwerkelijk uitgevoerd zou gaan worden. Uit zijn eigen stellingen volgt ook dat [eiser] zich ervan bewust was dat de verbouwing van B30 onder leiding van een andere architect het risico in zich draagt dat zijn persoonlijkheidsrechten zouden worden aangetast en dat hij een rechtszaak zou moeten starten om zijn rechten veilig te stellen. Toch heeft hij tot begin 2015 gewacht met het onderzoeken van de verbouwplannen en het aanhangig maken van dit kort geding.

4.6.

Het betoog van [eiser] dat hij heeft gewacht omdat hij ervan uitging dat de Staat en/of de architect van de consortia het initiatief zou nemen voor een overleg met hem, kan niet leiden tot een ander oordeel. Vast staat immers dat de Staat in het kader van de aanbesteding overleg met [eiser] heeft voorgeschreven en dat de drie geselecteerde consortia [eiser] ook daadwerkelijk hebben benaderd voor collegiaal overleg in een fase van het project dat overleg zinvol was. [eiser] heeft dat overleg echter uitdrukkelijk geweigerd. Dit geldt, anders dan [eiser] suggereert, ook voor het consortium aan wie het project is gegund, te weten Facilicom. Tussen partijen staat vast dat Facilicom [eiser] op 19 april 2012 heeft verzocht om collegiaal overleg en op 6 september 2012 [eiser] heeft geïnformeerd over het ontwerpteam. In antwoord op beide berichten heeft [eiser] laten weten dat hij vond dat overleg niet aan de orde was.

4.7.

Ook het betoog van [eiser] dat hij heeft gewacht omdat hij pas op basis van het definitieve ontwerp van de partij aan wie het project was gegund kon vaststellen of zijn rechten zouden worden geschonden, moet voorshands worden verworpen. Ten eerste is, zoals de Staat heeft aangevoerd, aannemelijk dat [eiser] ook op basis van de niet-definitieve ontwerpen die de architect van Facilicom in het kader van de aanbesteding heeft ontwikkeld, zich een beeld had kunnen vormen van de voorgenomen wijzigingen en de gevolgen daarvan voor zijn persoonlijkheidsrechten. De bezwaren die [eiser] nu naar voren brengt, richten zich immers voornamelijk tegen de hoofdlijnen van het nieuwe ontwerp. Die lagen al in een vroeg stadium vast. Ten tweede was het voor de consortia juist in de fase dat de ontwerpen nog niet definitief waren, relatief eenvoudig om de bezwaren van [eiser] te verwerken en de ontwerpen daarop aan te passen. Verzet door [eiser] in die fase van het project zou het nadeel dat de Staat daardoor lijdt, dus aanzienlijk hebben verkleind. Ten derde heeft [eiser] ook geen actie ondernomen toen hij in maart 2014 hoorde dat het project was gegund aan Facilicom. Zelfs indien ervan zou worden uitgegaan dat [eiser] verschoonbaar in de veronderstelling leefde dat de gunning moest worden afgewacht, biedt dat geen rechtvaardiging voor zijn stilzitten na maart 2014.

4.8.

Voor zover [eiser] heeft bedoeld aan te voeren dat de Staat hem een verdergaande rol had moeten gunnen bij de verbouwplannen, meer precies dat de Staat hem had moeten aanwijzen als architect, kan dat niet leiden tot een andere conclusie. Zoals [eiser] ter zitting uitdrukkelijk heeft erkend, was de Staat niet verplicht om het ontwerp van de verbouwplannen aan [eiser] te gunnen.

4.9.

Ten slotte is van belang dat nader onderzoek nodig is om vast te kunnen stellen of de verbouwing het persoonlijkheidsrecht van [eiser] schendt of misbruik van recht oplevert. Het oordeel over die schending en dat misbruik is onder meer afhankelijk van de mogelijkheden die de Staat had om het gebouw te renoveren met behoud van de essenties van het werk van [eiser]. Als het behoud van de essenties geen reële optie was, is het verzet door [eiser] naar voorlopig oordeel namelijk niet redelijk in de zin artikel 25 lid 1 sub c Aw, is voorshands niet aannemelijk dat de verbouwing de naam en waarde van [eiser] nadeel toebrengt in de zin van artikel 25 lid 1 sub d Aw, en is zeker geen sprake van misbruik van recht.

4.10.

Er is echter maar beperkt debat gevoerd over de vraag of behoud van de essenties van het werk van [eiser] in dit geval redelijkerwijs mogelijk was. [eiser] heeft wel benadrukt dat de wijzigingen ingrijpend zijn, maar heeft onvoldoende laten zien dat de Staat de hoofdlijnen van zijn ontwerp overeind had kunnen houden. De Staat bestrijdt dat laatste uitdrukkelijk. In dat verband heeft de Staat onbetwist aangevoerd dat juist de elementen die [eiser] aan het gebouw heeft toegevoegd, hun technische levensduur hebben bereikt. Daarnaast staat vast dat alle geselecteerde consortia tot de conclusie zijn gekomen dat de gewijzigde eisen op gebied van functionaliteit, capaciteit en duurzaamheid haaks staan op het werk van [eiser]. In het licht van een ander kan niet zonder nader onderzoek, waarvoor dit kort geding geen ruimte biedt, worden vastgesteld of de Staat kan worden verweten dat hij heeft gekozen voor het verbouwplan van Facilicom.

4.11.

Op grond van het voorgaande moet de gevorderde bouwstop worden afgewezen. Het gevorderde bevel tot het informeren van [eiser] over wijzigingen in het verbouwplan kan evenmin worden toegewezen, alleen al omdat voorshands niet aannemelijk is dat nieuwe wijzigingen dreigen.

4.12.

De gevorderde informatie over ‘de volledige details’ van het verbouwplan, kan deels wel worden toegewezen. De Staat heeft tegen deze vordering slechts ingebracht dat [eiser] hiermee een vetorecht op het ontwerp claimt. Dat is geen redelijke uitleg van de vordering. Mede gelet op het feit dat [eiser] in de dagvaarding stelt dat hij niet beschikt over alle tekeningen van de verbouwing, begrijpt de rechter dat [eiser] met de vordering beoogt een kopie van alle bouwtekeningen te verkrijgen zodat hij – mede ten behoeve van een eventuele bodemprocedure – beter kan vaststellen in hoeverre zijn rechten worden geschonden. Aldus begrepen kan deze vordering, ambtshalve de rechtsgronden aanvullend, naar voorlopig oordeel worden gebaseerd op artikel 843a Rv. Deze vordering zal daarom worden toegewezen, zij het dat, om executiegeschillen te voorkomen, het onbepaalde begrip ‘volledige details’ zal worden gepreciseerd tot ‘een kopie van alle bouwtekeningen’. Aan de uitvoering van het bevel zal een termijn van vijf werkdagen worden verbonden. Daarnaast zal de gevorderde dwangsom worden verbonden aan de nakoming van het bevel, nu de Staat de noodzaak van een dwangsom in deze zaak niet heeft bestreden. De dwangsom zal wel worden gematigd en gemaximeerd.

4.13.

Aangezien partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in die zin worden gecompenseerd dat elke partij zijn eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

beveelt de Staat binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis [eiser] een kopie van alle bouwtekeningen van de verbouwing van B30 te verstrekken;

5.2.

veroordeelt de Staat tot betaling van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag dat de Staat in strijd handelt met het hiervoor gegeven bevel, met een maximum van € 250.000,-;

5.3.

wijst af wat meer of anders is gevorderd;

5.4.

compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij zijn eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H. Blok en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2015.