Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:3943

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-03-2015
Datum publicatie
03-08-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 7843
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 3.21, tweede lid, Wet studiefinanciering 2000, studiefinanciering wordt niet toegekend voor een periode die gelegen is voor de datum van indiening van de aanvraag.

Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet.

Verweerder heeft in hetgeen eiser aan feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht geen aanleiding hoeven te zien de in artikel 11.5 van de Wsf vervatte hardheidsclausule toe te passen nu de aanvraag per maart 2014 conform de wettelijke bepalingen is toegekend

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000 3.21
Wet studiefinanciering 2000 11.5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/7843

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2015 in de zaak tussen

[eiser] wonende te [plaats] , eiser

(gemachtigde [gemachtigde 1] )

en

[verweerder] , verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft tegen het hierna onder 5 te noemen besluit bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij besluit van 1 juli 2014 (het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2015.

Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde 2] .

Overwegingen

Feiten

1. Verweerder heeft bij bericht van 6 juli 2013 eiser meegedeeld dat hij vanaf

1 september 2013 recht heeft op studiefinanciering.

2. Op 24 februari 2014 heeft de vader van eiser, tevens de gemachtigde van eiser, een verzoek tot verlegging van het peiljaar naar 2014 ingediend, met als reden een inkomensdaling vanaf 1 juni 2014 wegens met pensioen gaan.

3. Eiser heeft op 26 februari 2014 een aanvullende beurs aangevraagd.

4. Verweerder heeft bij bericht van 28 februari 2014 eiser meegedeeld dat hij vanaf

1 maart 2014 de hoogte van de studiefinanciering heeft aangepast voor zover hier van belang door toekenning van een aanvullende beurs per die datum. De aanvullende beurs is op nihil vastgesteld per die datum wegens vaststelling van een nieuwe ouderbijdrage.

5. Verweerder heeft bij bericht van 5 april 2014 de hoogte van de studiefinanciering per 1 maart 2014 aangepast door toekenning van een aanvullende beurs van € 98,07 per die datum.

Geschil
6. In geschil is of verweerder eiser terecht eerst vanaf maart 2014 een aanvullende beurs heeft toegekend.

7. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn vader als zijn gemachtigde naar aanleiding van de telefonische gesprekken met de klantenservice van DUO ervan uit is gegaan dat het aangepaste peiljaar zou ingaan op 1 januari 2014. In een telefonisch gesprek in februari 2014 met één van de medewerksters van het klantenservice heeft hij informatie gevraagd over de aanvraag voor wijziging van het peiljaar en over de consequenties die dit zou hebbend voor de aanvullende beurs. De medewerkster deelde zijn vader mee dat de aanvullende beurs niet met terugwerkende kracht kon worden verleend. Dit was bij hem en zijn zuster niet bekend. Er is sprake van onvolledige informatievoorziening op de website van DUO.

De gemachtigde van eiser heeft ook tegengestelde berichten en onjuiste informatie gekregen na contacten met de klantenservice van DUO, die hem op het verkeerde spoor hebben gezet.

Zijn vader heeft de aanvraag voor herziening van het peiljaar niet eerder kunnen doen dan op 24 februari 2014 daar hij op 14 februari 2014 bericht heeft gekregen van het ABP over de definitieve hoogte van zijn inkomen.

Eiser doet tevens een beroep op de hardheidsclausule in artikel 11.5 van de Wsf 2000.

8. Verweerder neemt het standpunt in dat eiser op 26 februari 2014 een aanvullende beurs heeft aangevraagd en dat de aanvullende beurs hem op grond van artikel 3.21, tweede lid, van de Wsf 2000 terecht met ingang van maart 2014 is toegekend.

Beoordeling van het geschil

9. Volgens artikel 3.21, tweede lid, van de Wet studiefinanciering (hierna: Wsf 2000) wordt studiefinanciering niet toegekend voor een periode die gelegen is voor de datum van indiening van de aanvraag. Eiser heeft de aanvraag om een aanvullende beurs ingediend op 26 februari 2014. De aanvullende beurs is hem overeenkomstig genoemd artikel toegekend met ingang van maart 2014.

10. Eiser doet, naar de rechtbank begrijpt, naar aanleiding van de met de klantenservice gevoerde telefoongesprekken en de daarbij verkregen informatie (en een mail van 4 maart 2014 van DUO, waarin bevestigd werd dat een nieuwe aanvraag voor zijn zus niet nodig was), een beroep op het vertrouwensbeginsel en verzoekt alsnog om toekenning van een aanvullende beurs per 1 januari 2014. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser geen geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel, daar er wel sprake geweest kan zijn van enige verwarring in de communicatie maar er geen sprake is geweest van een ondubbelzinnige toezegging van verweerder dat in strijd met de wettelijke bepalingen een aanvullende beurs zonder aanvraag zou worden toegekend. Het niet eerder aangevraagd hebben van een aanvullende beurs door eiser komt voor eigen rekening en risico van eiser.

11. In artikel 11.5 van de Wsf is aan verweerder de bevoegdheid verleend om deze wet in bepaalde gevallen buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Deze hardheidsclausule biedt verweerder niet de mogelijkheid om een uitzondering te maken op een in de Wsf opgenomen wettelijke bepaling, indien de onverkorte toepassing van die wettelijke bepaling in het concrete geval in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in hetgeen eiser aan feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht geen aanleiding hoeven te zien de in artikel 11.5 van de Wsf vervatte hardheidsclausule toe te passen nu de aanvraag per maart 2014 conform de wettelijke bepalingen is toegekend.

12. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

13. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Batelaan-Boomsma, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.M. van Duijvendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

31 maart 2015.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.