Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:3786

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-04-2015
Datum publicatie
14-07-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1729
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder mag bij een verzoek om opvang op grond van de Wmo 2015 niet volstaan met een papieren doorverwijzing naar een andere gemeente met een beroep op het criterium van regiobinding. Gelet op de wetsgeschiedenis van de Wmo 2015 en de Handreiking van de VNG is de gemeente tot welke iemand zich heeft gewend verantwoordelijk voor een warme overdracht. Deze gemeente moet opvang bieden tot duidelijk is welke gemeente uiteindelijk de opvang zal verzorgen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Wet maatschappelijke ondersteuning 1.2.1
Wet maatschappelijke ondersteuning 5.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/155
RSV 2015/200
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/1729

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 april 2015 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker] te [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. N.C. Blomjous),

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Delft, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Maâtoug).

Procesverloop

Bij meldingsformulier van 26 januari 2015 heeft verweerder verzoeker voor het krijgen van maatschappelijke ondersteuning doorverwezen naar een andere gemeente.

Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter kan, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Op 1 januari 2015 is de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) in werking getreden en is de Wet maatschappelijke ondersteuning ingetrokken.

3. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat geen sprake is van een besluit. Subsidiair betoogt verweerder, onder verwijzing naar zijn Beleidsregels postadres en toegang tot de maatschappelijke opvang voor daklozen (de Beleidsregels), dat hij verzoeker mocht doorverwijzen naar een andere gemeente. In de Beleidsregels is aan het verkrijgen van toegang tot maatschappelijke opvang immers onder meer het criterium van regiobinding neergelegd en verzoeker voldeed daar volgens verweerder niet aan.

4. Verzoeker voert primair aan dat sprake is van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat hij opvang bij de gemeente Delft heeft gevraagd en verweerder deze heeft geweigerd. Verder betoogt verzoeker dat het criterium van regiobinding in strijd is met de Wmo 2015. Daarin is immers neergelegd dat de keuzevrijheid van de cliënt voorop staat en dat iedere ingezetene op verzoek toegang moet hebben tot de maatschappelijke ondersteuning indien dit noodzakelijk is. Subsidiair voert verzoeker aan dat het begrip regiobinding niet in de wet is omschreven. Hij verwijst naar de “Handreiking landelijke toegankelijkheid in de maatschappelijke opvang” (de Handreiking) die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) waarin is neergelegd dat als uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag in welke gemeente opvang moet worden geboden gekozen dient te worden voor de regio waar de betrokkene een positief netwerk heeft, en dus de beste kans van slagen aanwezig is. Hij betoogt dat hij wel degelijk binding heeft met de regio Delft aangezien zijn zoon in de gemeente Delft woont. Verzoeker heeft geen positieve relaties of netwerk in andere gemeenten. Verzoeker beroept zich verder op artikel 4:84 van de Awb. Ten slotte betoogt hij dat zelfs als hij in de gemeente Delft niet in aanmerking komt voor opvang, de Handreiking van de VNG voorziet in een ‘warme overdracht’ aan de gemeente waar hij wel voor opvang in aanmerking komt, en dat verweerder een voorziening dient te treffen totdat deze overdracht is gerealiseerd.

5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

5.1

Ingevolge artikel 1:3 van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

5.2

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het meldingsformulier van 26 januari 2015 een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Het betreft immers een schriftelijke beslissing van verweerder met als rechtsgevolg dat verzoeker geen opvang in de gemeente Delft krijgt. De bevoegdheid van verweerder tot het al dan niet bieden van opvang is te herleiden tot de Wmo 2015 en daarom publiekrechtelijk van aard.

5.3

Ingevolge artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015 komt een ingezetene van Nederland overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit opvang, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, indien hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving.

5.4

Volgens artikel 2 van de Beleidsregels zijn het verkrijgen van een postadres voor dak- en thuislozen en de toegang tot maatschappelijke opvang gekoppeld aan de volgende criteria:

 De aanvrager dient 18 jaar of ouder te zijn

 De aanvrager verblijft rechtmatig in Nederland

 Uit onderzoek blijkt dat de aanvrager geen vast verblijfadres heeft

 Er is een aantoonbare binding met een van de gemeenten binnen de regio Delft, Westland, Oostland

 Bij het vaststellen van de binding met de regio worden de volgende afwegingscriteria gehanteerd:

- de aanvrager heeft gedurende drie jaar voorafgaand aan het moment van aanmelding minimaal twee jaar aantoonbaar zijn of haar hoofdverblijf in de centrumgemeente of regio gehad. Dit moet blijken uit inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie-, of het bekend en geregistreerd zijn bij zorginstellingen;

- bekendheid bij de lokale zorginstellingen of maatschappelijke opvang instelling;

- bekendheid bij de lokale politie;

- geboorteplaats binnen de regio Delft, Westland, Oostland;

- de aanwezigheid van een positief sociaal netwerk;

- redenen om de cliënt uit zijn oude sociale netwerk te halen.

5.5

De voorzieningenrechter merkt op dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat de afwijzing is gebaseerd op deze beleidsregels. Desgevraagd heeft verweerder geen actuele nadere regelgeving kunnen melden waarop deze beleidsregels zijn gebaseerd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is, zoals onder 5.2 vermeld, de Wmo 2015 op het verzoek van eiser om opvang van toepassing. Ten aanzien van deze wet merkt de regering in de Nota naar aanleiding van het verslag bij de vaststelling van de Wmo 2015 (TK, 2013‑2014, 33 841, nr. 34, p. 123-124) op in reactie op de vraag van leden van de VVD‑fractie of uit de passage rondom maatschappelijke opvang geconcludeerd kan worden dat de huidige uitwerking van landelijke toegankelijkheid middels regiobinding wordt losgelaten:

“De regering hecht eraan dat er geen misverstand bestaat over de verantwoordelijkheid van gemeenten voor opvang en beschermd wonen. Alle gemeenten zijn op grond van artikel 1.2.1 verantwoordelijk voor opvang en beschermd wonen. […] De landelijke toegankelijkheid van opvang en beschermd wonen blijft het wettelijke uitgangspunt. De uitwerking die hier voor maatschappelijke opvang aan wordt gegeven, is dat de opvang bij voorkeur wordt verstrekt door het college van de (centrum)gemeente waar een opvangtraject en bijbehorende ketenbenadering voor de betrokkene de meeste kans van slagen heeft. Dit geeft de gemeente van aanmelding echter geen vrijheid om alleen maar door te verwijzen. Vanzelfsprekend wordt ook de wens van de cliënt in het onderzoek betrokken. Is het college van oordeel dat de opvang en het bijbehorende traject richting re-integratie meer kans van slagen heeft in een andere gemeente (bijvoorbeeld omdat daar nog een positief sociaal netwerk is), dan is de gemeente tot welke iemand zich heeft gewend, verantwoordelijk voor een «warme» overdracht naar de andere gemeente. Tot aan dat moment is eerstbedoeld college verantwoordelijk voor opvang. Dit wijkt niet af van de huidige uitwerking van de landelijke toegankelijkheid van de maatschappelijke opvang. Onlangs zijn deze uitgangspunten nog eens expliciet onderschreven door de wethouders van de centrumgemeenten. De landelijke toegankelijkheid is hiermee geborgd, terwijl tegelijkertijd kan worden voorkomen dat dakloze cliënten in groten getale naar de grote steden trekken.”

5.6

Eenzelfde strekking leidt de voorzieningenrechter af uit de door verzoeker genoemde Handreiking, waaraan ook verweerder zich, blijkens het betoogde ter zitting, gebonden acht. Onder het kopje ‘Doel en reikwijdte’ van de Beleidsregels is tevens expliciet opgenomen dat de gemeente Delft bij het bepalen van de criteria voor regiobinding genoemde Handreiking volgt. In de Handreiking is het volgende opgenomen:

Om de landelijke toegankelijkheid van de maatschappelijke opvang te garanderen is afgesproken dat iedereen uit de doelgroep zich in elke gemeente kan aanmelden voor maatschappelijke opvang. De centrumgemeente van aanmelding verzorgt indien nodig de eerste opvang (bed, bad en brood). De centrumgemeente bepaalt vervolgens na overleg met de cliënt in welke plaats een individueel traject het meest kansrijk is. Deze gemeente gaat de maatschappelijke opvang verzorgen.”

5.7

Uit de hiervoor weergegeven passage uit de wetsgeschiedenis en de Handreiking maakt de voorzieningenrechter op dat de gemeente van aanmelding niet de vrijheid heeft om alleen maar door te verwijzen, zoals in het onderhavige geval heeft plaatsgevonden. De gemeente tot welke iemand zich heeft gewend, is in elk geval verantwoordelijk voor een ‘warme’ overdracht naar de andere gemeente. Tot aan dat moment is het college van die gemeente verantwoordelijk voor opvang. Nu verzoeker zich in de gemeente Delft heeft gemeld met het verzoek om maatschappelijke opvang, zal verweerder naar voorlopig oordeel dus opvang moeten bieden aan verzoeker, totdat duidelijk is welke gemeente uiteindelijk de opvang zal verzorgen. Daartoe zal verweerder een onderzoek moeten starten. De hiervoor beschreven handelwijze is tevens in overeenstemming met artikel 7 van de Beleidsregels, waarin een ‘warme’ overdracht is opgenomen voor het geval de aanvrager niet voldoet aan de toelatingscriteria van artikel 2 van die Beleidsregels.

5.8

In het kader van het onderzoek naar de vraag in welke gemeente een individueel traject het meest kansrijk is, wijst de voorzieningenrechter nog op het uitgangspunt, zoals in de wetsgeschiedenis vermeld, te weten dat gekozen dient te worden voor de regio waar de betrokkene een positief netwerk heeft, en dus de beste kans van slagen aanwezig is. Volgens de wetsgeschiedenis en de handreiking dient bovendien ook de wens van de betrokkene in het onderzoek te worden betrokken. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter vastgesteld dat verzoeker in de gemeente Delft een positief netwerk heeft, omdat zijn zoon daar woont en studeert en heeft verzoeker zijn uitdrukkelijke wens geuit om bij zijn zoon in de buurt te verblijven.

6. Gelet op het bovenstaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Deze houdt in dat verweerder verzoeker opvang biedt tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

7. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8. Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 980,- 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank:

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verweerder wordt opgedragen verzoeker opvang te bieden tot zes weken na de beslissing op het bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 980,- welke kosten verweerder aan verzoeker moet vergoeden;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht, te weten € 45,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.W. Griffioen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2015.

griffier voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.