Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:3750

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-04-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
09-837200-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overval op bloemenkiosk, gepleegd in 2010. Minderjarige daders pas in 2014 na anonieme melding verhoord. Veroordeeld tot werkstraf en toewijzing van vordering benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/6.9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/837200-14

Datum uitspraak 2 april 2015

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats 1] ,

wonende te [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 19 maart 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. D. de Jong en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. R. Jethoe, advocaat te Hoofddorp, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks [datum] te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldkistje en/of een geldbedrag van ca. 300,-, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welke bedreiging met geweld bestond uit het:

 met een sjaal voor het gezicht, althans met bedekt gelaat, op [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 1] aflopen en/of

 richten van een pistool, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 1] en/of

 tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 1] zeggen "geef het geld" althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

3. Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Deze zaak betreft een overval op een bloemenkiosk (gelegen op een begraafplaats) op

[datum] in [plaats 1] , waar op dat moment alleen één jonge medewerkster en haar vriendin (beiden destijds 15 jaar oud) aanwezig waren.

Een jongen met een sjaal voor zijn gezicht kwam de bloemenkiosk binnen, richtte met zijn rechterhand een wapen op de meisjes en nam vervolgens een geldkistje met inhoud weg. Deze jongen rende hierna naar een andere jongen, die klaar stond met een scooter en zij reden samen weg.

Door de eigenaar van de bloemenkiosk is aangifte gedaan en aangever en de beide meisjes hebben verklaringen bij de politie afgelegd. Daarnaast zijn er nog getuigen ter plaatse gehoord die de jongens voorafgaand dan wel naderhand hebben gezien.

Het onderzoek is op 15 november 2010 gesloten, omdat er geen aanwijzingen waren die leidden naar de identiteit van de daders.

Het onderzoek is, nadat de politie op 22 juli 2013 een proces-verbaal van de CIE heeft ontvangen, heropend. Door de CIE is gerelateerd dat er een anonieme melding is gedaan, waarbij de naam van [verdachte] uit [plaats 2] wordt genoemd als de dader van de overval. Deze overval zou hij gepleegd hebben met zijn schoolvriend [medeverdachte 1] vermoedelijk ‘ [medeverdachte 1] .

Na onderzoek zijn zowel [verdachte] en [medeverdachte 1] aangemerkt als verdachten in deze zaak.

Op 13 februari 2014 is er door de officier van justitie toestemming verleend voor aanhouding buiten heterdaad.

Tevens zijn er telefoontaps op 20 februari 2014 aangesloten op de telefoonnummers van de verdachten.

Uit tactische overweging is er voor gekozen om de verdachten afzonderlijk van elkaar persoonlijk te ontbieden op het politiebureau.

Op 26 februari 2014 kreeg [medeverdachte 1] de ontbieding uitgereikt, waarop hij direct telefonisch contact opnam met [verdachte] .

Uit de telefoongesprekken tussen de jongens die volgden, blijkt de betrokkenheid van de beide jongens en valt er nog een derde verdachte aan te merken: [medeverdachte 2]

De gesprekken die over en weer plaats vonden gaan over de proceshouding die men bij de politie zal innemen, de buit, het wapen en welke gevolgen het nu vier jaar later voor hen heeft.

Alle drie de jongens hebben vervolgens bij de politie (hun betrokkenheid bij) de overval bekend.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte het feit heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is betoogd dat ten aanzien van het onderdeel ‘tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 1] zeggen "geef het geld"’ vrijspraak dient te volgen, nu voor dit deel van de tenlastelegging slechts de verklaring van de verdachte in het dossier aanwezig is en dat uitsluitend een opgaaf van de verdachte ingevolge artikel 341, lid 4 Wetboek van Strafvordering (Sv.) onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Voor het overige heeft de raadsman geen verweer gevoerd.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging.

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend. Voorts heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsman van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

 de bekennende verklaring door de verdachte afgelegd ter terechtzitting van

19 maart 2015;

 een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, d.d.

[datum] , opgenomen in het dossier met het nummer PL1251 2010076202-1, inhoudende de verklaring van [benadeelde] (p. 213-214);

 een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, d.d.

12 juli 2010, opgenomen in het dossier met het nummer PL1257 2010076202-4, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] (p. 222-226);

 een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, d.d.

12 juli 2010, opgenomen in het dossier met het nummer PL1257 2010076202-5, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] p. 240-242);

 een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d.

3 maart 2014, opgenomen in het dossier met het nummer PL2010076202, inhoudende de verklaring van D. Hegman (p. 119-125);

 een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d.

3 maart 2014, opgenomen in het dossier met het nummer PL2010076202, inhoudende de verklaring van R.M. Oerlemans (p. 185--190).

Nadere bewijsoverweging met betrekking tot het derde gedachtestreepje in de tenlastelegging (tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 1] zeggen “geef het geld”).

Door de verdediging is het verweer gevoerd dat dit onderdeel van de tenlastelegging slechts gebaseerd is op de verklaring van de verdachte en dat uitsluitend een opgaaf van de verdachte volgens artikel 341, lid 4 Sv. onvoldoende is om te komen tot een bewezenverklaring.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Volgens vaste rechtspraak geldt het voorschrift ingevolge artikel 341, lid 4 Sv. ten aanzien van de tenlastelegging en bewezenverklaring als geheel en niet voor elk afzonderlijk onderdeel.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat is voldaan aan het bewijsminimum dat de wet voorschrijft.

Conclusie

Op grond van bovengenoemde verklaringen komt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een diefstal met bedreiging met geweld.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

hij op [datum] te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldkistje en een geldbedrag van ca. € 300,-, toebehorende aan [benadeelde] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld bestond uit het:

 met een sjaal voor het gezicht op [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 1] aflopen en

 richten van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 1] en

 tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 1] zeggen "geef het geld".

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een werkstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen jeugddetentie met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht en voorts tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van twee jaar.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn is overschreden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat tussen de dag van het eerste verhoor van de verdachte (op 3 maart 2014) en de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting een periode van 381 dagen ligt. De vertraging kan niet aan de verdachte verweten worden noch aan een andere omstandigheid. De raadsman is dan ook de mening toegedaan dat het Openbaar Ministerie de zaak niet met de vereiste voortvarendheid heeft behandeld en dat er derhalve sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.

Er dient dan ook in strafverlagende zin rekening gehouden te worden met deze termijnoverschrijding. Gelet op deze omstandigheid, alsmede op het ontbreken van een strafblad en de goede persoonlijke omstandigheden van de verdachte, wordt verzocht om de verdachte wel schuldig te verklaren, maar om hem geen straf op te leggen.

Daarnaast heeft de raadsman opgemerkt dat een veroordeling in de toekomst kan leiden tot het weigeren van een verklaring omtrent het gedrag (VOG). De raadsman heeft dan ook verzocht een expliciete overweging hieromtrent door de rechtbank in het vonnis op te nemen, zodat de verdachte bij het aanvragen van een VOG geen problemen ondervindt.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De verdachte heeft zich samen met twee andere jongens schuldig gemaakt aan een overval op een bloemenkiosk met gebruikmaking van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.

De verdachten zijn daarbij planmatig te werk gegaan. Nadat zij het plan hadden opgevat om de overval te plegen zijn zij in de week voorafgaand aan de overval eerst op verkenning geweest om de omgeving in en rond de bloemenkiosk te bekijken. Zij zagen dat er in de kiosk een oudere man stond - de eigenaar van de bloemenkiosk is geboren in 1926 zo blijkt uit de aangifte - en dat hier alleen met contant geld kon worden betaald. Besloten werd om een balletjespistool, wat op een echt wapen leek, mee te nemen om meer dreigend over te komen. Met z’n drieën zouden de jongens op twee scooters naar de bloemenkiosk te rijden. De verdachte zou achterop de (snelle) scooter van één van de medeverdachten ( [medeverdachte 2] ) meerijden en hij zou met het nepwapen naar binnen gaan om het geld afhandig te maken. De andere medeverdachte ( [medeverdachte 1] zou in de wijk op de andere twee jongens wachten om daar de buit over te nemen, zodat bij een eventuele aanhouding de buit niet meer bij de twee andere jongens aanwezig zou zijn. Naderhand zou de buit dan worden verdeeld. Dit plan is vervolgens ook zo uitgevoerd.

Waar de jongens echter geen rekening mee hadden gehouden, was het feit dat niet de eigenaar in de kiosk aanwezig was, maar dat alleen een jonge medewerkster, die haar eerste werkdag had, en haar vriendin aanwezig waren.

Deze meisjes zijn, zoals te lezen valt in hun schriftelijke slachtofferverklaringen, die dag en nog lange tijd daarna zeer angstig geweest en hebben nog lang last ondervonden van hetgeen hen is overkomen. De aanhouding van de verdachten, vier jaar later, heeft deze angst weer bij de slachtoffers naar boven gebracht en wordt door hen als zeer belastend ervaren.

Los van de angst die het dreigen met geweld met een wapen gehad heeft, moet het voor de jonge medewerkster vooral beangstigend geweest zijn om na zo’n beroving steeds weer te moeten terugkeren naar de plek waar het geweld op haar is uitgeoefend. Dit maakt de gevolgen voor haar extra groot.

De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij en zijn mededaders alleen gedacht hebben aan hun eigen geldelijk gewin en zich geen rekenschap hebben gegeven van de gevolgen voor de slachtoffers.

Wat voor de verdachte ten voordele pleit is dat hij – na zijn aanhouding – via zijn raadsman contact heeft opgenomen met de weduwe van de aangever, zijn excuses heeft aangeboden en zijn aandeel in de buit aan haar heeft vergoed.

Verder weegt de rechtbank in het voordeel van de verdachte mee dat hij niet eerder in aanraking is gekomen met politie en/of justitie en dat hij evenmin na de "geslaagde" overval nog met politie en/of justitie in aanraking is gekomen.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 25 november 2014. Kort samengevat kan gesteld worden dat er geen zorgen zijn omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij woont inmiddels zelfstandig (samen met de medeverdachte [medeverdachte 1] ) en volgt een HBO-opleiding.

Er is geen sprake van recidiverisico.

Geadviseerd wordt dan ook om aan de verdachte een werkstraf op te leggen.

De rechtbank onderschrijft het advies van de Raad voor de Kinderbescherming en houdt hiermee rekening in de strafoplegging.

De rechtbank komt alles afwegend tot het volgende oordeel.

Allereerst merkt de rechtbank op dat het bij minderjarigen - ook bij first offenders - gebruikelijk is dat verdachten van gewapende overvallen na aanhouding een zekere tijd in voorlopige hechtenis doorbrengen. Het gegeven dat de verdenking voor dit feit pas in 2013 op de verdachte is gevallen maakt dat de vrijheidsbeneming in dit geval uiterst beperkt is geweest.

Het tijdsverloop, het blanco strafblad, de positieve rapportage en het door verdachte getoonde berouw maken echter dat de rechtbank thans afziet van het opleggen van een onvoorwaardelijke detentie.

De rechtbank zal óók afzien van het opleggen van een voorwaardelijke detentiestraf.

Hoewel dit gelet op de ernst van het delict alleszins redelijk zou zijn, is de rechtbank van oordeel dat door het tijdsverloop en vanwege het ontbreken van een strafblad dit geen strafrechtelijk doel meer dient. Het opleggen bij dit vonnis van een voorwaardelijke detentie zal immers in de praktijk met zich brengen dat de verdachte tot april 2017, per saldo bijna zeven jaren na het plegen van het strafbare feit, aan een proeftijd gebonden zal zijn.

De rechtbank zal hiermee een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie geëist, aangezien zij meer dan de officier van justitie rekening houdt met voornoemde omstandigheden.

De rechtbank acht dan ook de door de officier van justitie gevorderde werkstraf van 150 uur passend en geboden.

Verklaring Omtrent het Gedrag

Wellicht ten overvloede overweegt de rechtbank, zoals verzocht door de verdediging, nog het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank zou het onwenselijk zijn als de onderhavige schuldigverklaring tot gevolg zou hebben dat in de toekomst de afgifte van een VOG aan de verdachte wordt geweigerd.

Het onderhavige feit dateert van bijna vijf jaar geleden en de verdachte was destijds een minderjarige van zestien jaar oud. Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij voor het plegen van het feit, noch daarna in aanraking is gekomen met politie en/of justitie. Voorts blijkt uit het raadsrapport dat er geen sprake is van risico op het plegen van nieuwe strafbare feiten.

Naar het oordeel van de rechtbank zou het weigeren van de afgifte van een VOG aan de verdachte op grond van – uitsluitend – de onderhavige strafzaak strijdig zijn met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en artikel 3 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 1] heeft zich ten aanzien van parketnummer 09/837200-14 als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 804,98.

De vordering tot schadevergoeding bestaat uit materiële schade voor een bedrag groot

€ 4,98, bestaande uit de post ‘reiskosten’ en uit immateriële schade voor een bedrag groot

€ 800,-.

7.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsman is de vordering betwist. Hij heeft daartoe gesteld dat er teveel vragen zijn omtrent de geleden materiële schade en het smartengeld, en dat het in behandeling nemen van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De raadsman heeft dan ook verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, dan wel deze af te wijzen.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De vordering is, hoewel door of namens de verdachte betwist, voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Daarnaast is uit het onderzoek ter terechtzitting vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank acht dit deel van de vordering tot een bedrag van € 4,98 dan ook toewijsbaar.

Immateriële schade

De rechtbank acht voorts dit deel van de vordering als vergoeding van de immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar.

Totaal toegewezen

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 804,98.

De rechtbank zal daarbij bepalen dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van de betaalde bedragen.

kostenveroordeling

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 804,98, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

36f, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem bij dagvaarding ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN EN VERGEZELD VAN BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 150 (honderd en vijftig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 75 (vijf en zeventig) DAGEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe tot een bedrag van € 804,98 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1] , een bedrag van € 804,98;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 804,98, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling, noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 11 dagen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij doet vervallen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededaders

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededaders opgelegde, betalingsverplichting aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C. Koekman, kinderrechter, voorzitter,

mr. M. Kramer, kinderrechter,

en mr. J.A.H.M. Janssen, kinderrechter-plv.,

in tegenwoordigheid van R. van Ast-Natadiningrat, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 april 2015.

Mr. Janssen is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.