Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:3663

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-04-2015
Datum publicatie
03-04-2015
Zaaknummer
C-09-482488 -KG ZA 15-165
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Aanbesteding. Uitleg geschiktheidseisen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAAN 2015/113
Module Aanbesteding 2015/67
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/482488 / KG ZA 15-165

Vonnis in kort geding van 1 april 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] WEGEN B.V.,

gevestigd te Rosmalen,

eiseres,

advocaat mr. D.R. Versteeg te Amsterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(ministerie van Infrastructuur en Milieu),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. J.E. Palm te Den Haag,

waarin zijn tussengekomen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BAM INFRA B.V.,

rechtsopvolger van BAM Wegen B.V.,

gevestigd te Gouda,

advocaat mr. P.F.C. Heemskerk te Utrecht,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B] B.V.,

gevestigd te Horst,

advocaat mr. L. Knoups te Den Haag,

en waarin zich hebben gevoegd aan de zijde van eiseres:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HRGROEP B.V.,

gevestigd te Rijswijk,

advocaat mr. S.M. de Bruijn te Den Haag,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TRAFFIC SERVICE NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Oss,

advocaat mr. S.M. de Bruijn te Den Haag.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als '[A]', 'de Staat', 'BAM', '[B]' en (gevoegde partijen:) 'de Combinatie'.

1 De incidenten

BAM en [B] hebben primair gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen [A] en de Staat en subsidiair zich te mogen voegen aan de zijde van de Staat. De Combinatie heeft gevorderd zich te mogen voegen aan de zijde van [A]. Ter zitting van 13 maart 2015 hebben [A] en de Staat verklaard geen bezwaar te hebben tegen toewijzing van de incidentele vorderingen. BAM en [B] zijn vervolgens toegelaten als tussenkomende partij en de Combinatie als gevoegde partij, aangezien zij aannemelijk hebben gemaakt dat zij daarbij voldoende belang hebben. Voorts is niet gebleken dat de tussenkomst en de voeging in de weg staan aan de vereiste spoed bij dit kort geding en de goede procesorde in het algemeen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 13 maart 2015 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Sedert ruim 40 jaar verzorgt [A] - in opdracht van de ANWB - de plaatsingswerkzaamheden ten behoeve van de 'bewegwijzering' in Nederland

2.2.

Op 29 september 2014 heeft Rijkswaterstaat, een onderdeel van het ministerie van Infrastructuur en Milieu, een Europese openbare aanbestedingsprocedure overeenkomstig het Aanbestedingsreglement Werken 2012 aangekondigd ten behoeve van de Nationale Bewegwijzeringsdienst, met het oog op het sluiten van raamovereenkomsten voor vijf percelen betreffende "het integraal verzorgen van de realisatie van de bewegwijzering, te weten: engineeren, leveren van bewegwijzering, plaatsen van bewegwijzering, verzorgen verkeersmaatregelen en leveren van assetgegevens".

2.3.

Het Inschrijvings- en beoordelingsdocument vermeldt, voor zover van belang:

" 1.3 Motiveringen in het kader van de Aanbestedingswet

(…)

Deze aanbesteding is onderverdeeld in vijf (5) percelen. Per perceel zal met één (1) Opdrachtnemer een raamovereenkomst worden gesloten. De perceelindeling is als volgt:

1. Noord: Groningen, Friesland en Drenthe

2. Oost: Overijssel. Gelderland en Flevoland

3. West 1: Noord-Holland en Utrecht

4. West 2: Zuid-Holland en Zeeland

5. Zuid: Noord-Brabant en Limburg

Aan een inschrijver worden maximaal twee (2) percelen gegund. (…)

(…)

3.3

Geschiktheidseisen

1. Onverminderd het bepaalde in de paragrafen 2.3.5, 2.4.5 en 3.1 t/m 3.2 van dit inschrijvings- en beoordelingsdocument, komt voor de opdrachtverlening uitsluitend in aanmerking de inschrijver die, naar het oordeel van de aanbesteder, voldoet aan elk van de in deze paragraaf gestelde geschiktheidseisen.

2. Met betrekking tot financiële en economische draagkracht worden geen geschiktheidseisen gesteld.

3. Met betrekking tot technische bekwaamheid worden de volgende geschiktheidseisen gesteld:

a. De inschrijver heeft in de periode van vijf jaar voorafgaande aan de uiterste datum voor ontvangst van de inschrijvingen, ten minste één opdracht (project) in de bouwsector (GWW) uitgevoerd met een overeengekomen bedrag (aannemingssom) of gefactureerd bedrag gelijk aan of groter dan 200.000,- euro, exclusief omzetbelasting, waarbij de inschrijver was belast met de dagelijkse organisatie en leiding van de opdracht (het projectmanagement) en de inschrijver jegens de opdrachtgever eindverantwoordelijk was voor de uitvoering van de opdracht.

De opdracht is op een vakkundige en regelmatige wijze uitgevoerd en opgeleverd binnen de overeengekomen termijn (verleend uitstel van oplevering daarin begrepen).

b. De inschrijver heeft in de periode van vijf jaar voorafgaande aan de uiterste datum voor ontvangst van de inschrijvingen, ten minste één opdracht (project) uitgevoerd waarbij het verzorgen van verkeersmaatregelen op autosnelwegen bij integrale opdrachten (design, engineering, uitvoering en verkeersmaatregelen) deel uit maakt.

c. De inschrijver heeft in de periode van vijf jaar voorafgaande aan de uiterste datum voor ontvangst van de inschrijvingen, ten minste één opdracht (project) uitgevoerd waarbij het integraal (engineeren, leveren en plaatsen) verzorgen van bewegwijzering deel uit maakt, die valt binnen de scope van dit contract.

d. De inschrijver heeft in de periode van vijf jaar voorafgaande aan de uiterste datum voor ontvangst van de inschrijvingen, ten minste één opdracht (project) uitgevoerd waarbij het maken van een engineeringsplan voor bewegwijzering deel uit maakt, die valt binnen de scope van dit contract.

4. De inschrijver verstrekt de aanbesteder een volledig ingevulde en ondertekende opgave, conform bijlage I bij dit Inschrijvings- en beoordelingsdocument, van de referentieopdracht(en) waarmee de inschrijver beoogt te voldoen aan de geschiktheidseisen. Indien aanbesteder om nadere informatie verzoekt, dient inschrijver, binnen twee werkdagen na een daartoe ontvangen verzoek de bewijsmiddelen, waaruit blijkt dat de gegevens met betrekking tot de referentieopdracht(en) juist zijn weergegeven, digitaal aan te leveren. De inschrijver kan hiertoe gebruik maken van opdrachtgeversverklaringen en/of accountantsverklaringen.

De aanbesteder is gerechtigd navraag te doen bij de betreffende opdrachtgever, dan wel inzage te verlangen in contractdocumenten betreffende de referentieopdracht(en).

Om aan te tonen dat wordt voldaan aan de in dit lid gestelde geschiktheidseisen is toerekening van technische bekwaamheid op grond van de referentieopdracht(en) of werkzaamheden uitgevoerd door andere ondernemers (in een samenwerkingsverband), door zelfstandige hulppersonen (onderaannemers, leveranciers, etc.) uitsluitend mogelijk overeenkomstig het bepaalde in lid 5.

5. Een inschrijver kan zich, om te voldoen aan de in deze paragraaf genoemde geschiktheidseisen beroepen op de financiële en economische draagkracht en/of technische bekwaamheid van andere natuurlijke of rechtspersonen.

Indien de inschrijver zich beroept op de financiële en economische draagkracht en /of technische bekwaamheid van andere natuurlijke of rechtspersonen dient de inschrijver:

a. de aanbesteder aan te tonen dat hij daadwerkelijk en onherroepelijk kan beschikken over de voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijke middelen van die andere natuurlijke of rechtspersonen; en

b. voor wat betreft de technische bekwaamheid, die andere natuurlijke of rechtspersonen ook daadwerkelijk en onherroepelijk in te zetten bij de uitvoering van de opdracht, voor zover het de onderdelen betreft waarop de technische bekwaamheid betrekking heeft. Indien de opdracht aan de inschrijver wordt verleend is hij tot deze inzet verplicht.

(…)

4.1

Algemeen

De beoordeling van de inschrijvingen en de uiteindelijke opdrachtverlening zal plaatsvinden op grond van het gunningscriterium 'Economisch Meest Voordelige Inschrijving' (EMVI). Om te bepalen welke inschrijving de economisch meest voordelige is, worden de inschrijvingen beoordeeld overeenkomstig de beoordelingsprocedure opgenomen in paragraaf 4.2.

(…)

4.3

Volgorde gunning van percelen

De percelen worden afzonderlijk gegund aan de voor het betreffende perceel economisch meest voordelige inschrijving. Aan een inschrijver wordt maximaal 2 percelen gegund.

De volgorde waarop de percelen gegund worden zal geschieden op volgorde van economisch meest voordelig inschrijving tot de economisch minst voordelige inschrijving, waarbij alle inschrijvingen (ongeacht het perceel) in volgorde worden gezet. Het perceel met de in totaal laagste fictieve inschrijvingssom zal als eerste aan de desbetreffende inschrijver gegund worden, etc.

Indien aan een inschrijver twee percelen zijn gegund, komt deze inschrijver vervolgens niet meer in aanmerking voor gunning van de overige percelen, ook niet als deze de economisch meest voordelige inschrijving heeft gedaan voor (één van) deze percelen. In dat geval komt de eerstvolgende inschrijver met de dan economisch meest voordelige inschrijving voor het betreffende perceel in aanmerking voor gunning.

(…)

Indien voor één of meerdere percelen geen inschrijvingen zijn ontvangen, dan wel dat de voor een perceel economisch meest voordelige inschrijving voor de Opdrachtgever als onaanvaardbaar wordt aangemerkt, kan de Opdrachtgever voor het betreffende perceel of betreffende percelen de procedure vervolgen met de onderhandelingsprocedure met voorafgaande aankondiging."

2.4.

Het bij de aanbestedingsprocedure behorende document "Vraagspecificatie Algemeen (Engineering en Construct)" vermeldt onder meer:

"1.4.2. Relatie Opdrachtgever – Opdrachtnemer

De Overeenkomst beoogt een andere relatie tussen Opdrachtgever en Opdrachtnemer dan bij de voorheen gebruikte contracten. Er is geen sprake meer van fabrikanten die alleen leveren en aannemers die vrijwel uitsluitend uitvoeren, maar van een Opdrachtnemer die de integrale realisatie van bewegwijzerings-projecten verzorgd. (…)

(…)

4.1.

De Scope

De Overeenkomst omvat het integraal uitvoeren van bewegwijzeringsprojecten, met inbegrip van alle voor de realisatie benodigde werkzaamheden."

2.5.

De Nota van Inlichtingen vermeldt onder andere:

" Betreft Inschrijvings- en beoordelingsdocument, paragraaf 3.3, lid 3b t/m 3d

88 Vraag

Uit deze geschiktheidseis maken wij op dat de inschrijver een opdracht uitgevoerd moet hebben, waarbij de inschrijver zelf niet de verkeersmaatregelen verzorgd / uitgevoerd hoeft te hebben, maar bij een combinant dan wel onderaannemer ondergebracht heeft.

a) Is onze redenering correct?

b) Indien onze redenering correct is, geldt deze redenering dan ook voor de geschiktheidseisen als genoemd in lid 3c en lid 3d?

c) Indien onze redenering niet correct is, geldt dit dan ook voor de geschiktheidseisen als genoemd in lid 3c en lid 3d?

Antwoord Vrijgegeven: 21-11-2014

a) Deze redenering is niet correct. Zie beschrijving bij geschiktheidseis 3b. Dit antwoord is ook van toepassing op de geschiktheidseisen 3c en 3d.

b) n.v.t.

c) Ja.

(…)

Betreft Inschrijvings en beoordelingsdocument 3.3

161 Vraag

Kunt u bevestigen dat een aannemer die zelf bij bepaalde uitgevoerde werkzaamheden aan wegen, de engineering van de door hem geleverde en geplaatste bewegwijzeringsobjecten (portalen, VDC’s, wegwijzers) heeft overgelaten aan een producent van bewegwijzeringsobjecten (portalen, VDC’s, wegwijzers), die producent in zijn team moet meenemen bij inschrijving – bijvoorbeeld als benoemde onderaannemer – om zich op die ervaring te kunnen beroepen?

Antwoord Vrijgegeven: 27-11-2014

Nee, dat gaat aanbesteder niet bevestigen.

Betreft Inschrijvings en beoordelingsdocument 3.3 3c

162 Vraag

U vraagt in paragraaf 3.3. (lid 3 sub c) om ervaring met integrale verzorging van bewegwijzering. Dat heeft u uitgewerkt in engineeren, leveren en plaatsen. Kunt u bevestigen dat:

- Engineeren het ontwerpen én dimensioneren van de volledige constructie bestaande uit portaal/VDC én wegwijzer omvat?

- Leveren het aanleveren van een zelf ge-engineerd (en zelf of door een derde geproduceerd) bewegwijzeringsobeject omvat?

- Plaatsen het fysiek neerzetten in het werk van een bewegwijzeringsobject omvat?

Antwoord Vrijgegeven: 27-11-2014

Nee, dat bevestigt aanbesteder niet.

Met de ervaringseis wordt bedoeld dat Inschrijver ervaring heeft met het integraal verzorgen van bewegwijzering.

(…)

Betreft Inschrijvings- en beoordelingsdocument, paragraaf 3.3, lid 3b t/m 3d

166 Vraag

Wij maken uit deze geschiktheidseisen op dat een inschrijver niet zelfstandig een project uitgevoerd hoeft te hebben. Hiermee kan niet worden geborgd dat een inschrijver zelf technisch bekwaam is met deze geschiktheidseisen, anders dan de aantoonbaarheid in referenties. Is onze redenering correct?

Antwoord Vrijgegeven: 27-11-2014

Dat klopt, als maar wordt voldaan aan artikel 3.3. lid 5 van het Inschrijvings- en beoordelingsdocument."

2.6.

Een zevental partijen - onder wie [A], BAM, [B] en de Combinatie - hebben tijdig een inschrijving ingediend. [A] heeft op alle vijf percelen ingeschreven.

2.7.

Bij brief van 19 januari 2015 heeft Rijkswaterstaat het volgende bericht aan [A]:

"Op 16 december 2014 is aanbesteed conform het ARW 2012 de opdracht volgens contract zaaknummer 31098552, betreffende het engineeren, leveren en plaatsen van bewegwijzering, inclusief bijkomende werkzaamheden, voor wegbeheerders binnen Nederland.

De opdracht is verdeeld in 5 percelen. Op elk perceel diende afzonderlijk ingeschreven te worden. U heeft ingeschreven op 5 percelen.

In totaal zijn inschrijvingen ontvangen van 7 partijen. Kortheidshalve verwijs ik u naar het proces-verbaal van Opening van de Inschrijvingen, dat u reeds eerder is toegezonden.

Als gunningcriterium geldt de economisch meest voordelige inschrijving, EMVI. In het Inschrijvings- en beoordelingsdocument zijn de gehanteerde gunningscriteria en de beoordelingsmethodiek weergegeven.

Van de ontvangen inschrijvingen zijn de inschrijvingen van 3 partijen niet in de beoordeling betrokken, omdat die partijen niet in aanmerking komen voor de opdracht. De inschrijvingen van de overige inschrijvers zijn in de beoordeling betrokken.

In de bijlage bij deze brief treft u een overzicht aan van de inschrijvingssommen en de fictieve inschrijvingssommen van die inschrijvers, alsmede een overzicht van uw eigen scores ter zake de gunningscriteria.

Elk perceel wordt afzonderlijk opgedragen. De methode voor gunning van de opdracht voor een bepaald perceel is beschreven In par. 4.3 van het Inschrijvings- en beoordelingsdocument.

Hierbij bericht ik u dat mijn gunningsbeslissing ex ARW 2012, inhoudt dat ik voornemens ben de opdracht, per perceel, te gunnen als volgt:

Perceel 1 (Noord)

Combinatie HR Groep B.V./Traffic Service Nederland B.V. te Rijswijk

Perceel 2 (Oost)

BAM Wegen B.V. te Utrecht

Perceel 3 (West 1)

[B] B.V. te Horst

Perceel 4 (West 2)

[B] B.V. te Horst

Perceel 5 (Zuid)

BAM Wegen B.V. te Utrecht

U komt niet in aanmerking voor de gunning van de opdracht omdat uw inschrijvingen niet de economisch meest voordelige inschrijvingen zijn.

Op basis van de EMVI-beoordeling komen bovengenoemde winnende inschrijvers voor de opdracht in aanmerking. De score op de kwaliteitscriteria staan in bijlage 1. Deze scores in combinatie met de aangeboden prijzen hebben tot gevolg dat de inschrijvingen van bovengenoemde winnende inschrijvers de economisch meest voordelige zijn. Zie hiertoe het in bijlage toegevoegde overzicht. Daarbij vindt u tevens een overzicht van uw eigen scores ter zake de gunningscriteria.

De door u behaalde score(s) op de criteria/het criterium licht ik in bijlage 2 toe."

2.8.

[A] heeft - bij brief van 26 januari 2015 - aan Rijkswaterstaat medegedeeld te betwijfelen of BAM en [B] voldoen aan de geschiktheidseisen.

2.9.

In reactie daarop heeft Rijkswaterstaat op 29 januari 2015 het volgende bericht aan [A]:

"Van alle inschrijvers is gecontroleerd of zij voldoen aan de geschiktheidseisen. Dat is gebeurd aan de hand van de referentieopdrachten die zij bij inschrijving hebben verstrekt. Indien nodig zijn nadere toelichtingen aan de inschrijvers gevraagd. Bij de controle is nagegaan of de ervaring waaraan een geschiktheidseis refereert aan de inschrijver kan worden toegerekend, hetzij doordat het eigen ervaring betreft, hetzij door een beroep op de ervaring van een derde. Dit mede gelet op het bepaalde In par. 3.3, lid 4, laatste alinea, van het Inschrijvings- en beoordelingsdocument.

U stelt in uw brief: "Indien een inschrijver een referentieproject opvoert om aan de geschiktheidseisen te voldoen dient zij zelf de betreffende werkzaamheden/leveranties te hebben uitgevoerd. Mochten de betreffende werkzaamheden/leveranties zijn uitgevoerd door een partner of subcontractor, dan dient deze partner of subcontractor in de onderhavige aanbestedingsprocedure te worden opgevoerd en bekendgemaakt". Dit is onjuist.

De eisen in lid 3.3, sub c en d hebben betrekking op ervaring met uitvoering van een opdracht, waarvan bewegwijzering onderdeel uitmaakt. De Inschrijver dient derhalve (regie) ervaring met de uitvoering van een opdracht te hebben, inschrijver hoeft echter niet het betreffende (operationele) werk zelf te hebben uitgevoerd.

Voor wat betreft de geschiktheidseis in par. 3.3, lid 3, sub d, van het Inschrijvings- en beoordelingsdocument, waaraan u in uw brief refereert, is door de aanbesteder vastgesteld dat de inschrijvers BAM Wegen BV en [B] BV voldoen aan de betreffende eis.

Ik wijs u er op, zoals hiervoor reeds aangegeven, dat de eis niet ziet op het hebben van ervaring met het opstellen van een engineeringsplan voor bewegwijzering. Er wordt ervaring verlangd met uitvoering van een opdracht, waarvan het maken van een engineeringsplan voor bewegwijzering deel uit maakt. Zowel door BAM Wegen B.V. als door [B] B.V., is op basis van referentieopdrachten aangetoond dat aan de eis wordt voldaan. De betreffende engineeringsplannen voldoen, naar het oordeel van de aanbesteder, aan de eisen OE010 en OE020.

BAM Wegen B.V. voldoet eigenstandig aan de eis; hij heeft een opdracht uitgevoerd, waarvan het opstellen van een engineeringsplan voor bewegwijzering deel uit maakt.

[B] B.V. heeft zich voor deze eis beroepen op een derde; die derde heeft een opdracht uitgevoerd waarvan het maken van een engineeringsplan voor bewegwijzering deel uit maakt.

Ter zake zijn door [B] B.V. de vereiste gegevens en verklaringen, conform par. 2.3.1, lid 9 van het Inschrijvings- en beoordelingsdocument, bij de inschrijving gevoegd.

Door de betreffende inschrijvers is, naar oordeel van de aanbesteder, voldoende aangetoond dat zij voldoen aan de geschiktheidseisen.

Er bestaat voor de aanbesteder geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat BAM Wegen B.V. of [B] B.V. hun leveringsverplichtingen conform het contract niet zouden (kunnen) nakomen."

3 Het geschil

3.1.

Na wijziging van eis vordert [A] - zakelijk weergegeven - de Staat op straffe van verbeurte van een dwangsom te gebieden:

primair

I. opnieuw te beoordelen of de inschrijvingen van BAM en [B] voldoen aan de geschiktheidseisen zoals vermeld in § 3.3 lid 3 sub b, c en d van het Inschrijvings- en beoordelingsdocument, in het bijzonder of BAM en [B] een referentieopdracht hebben ingediend waarbij zij - of een derde waarop zij zich overeenkomstig het bepaalde in § 3.3 lid 5 van dat document beroepen - de volgende onderdelen zelf hebben uitgevoerd:

• het verzorgen van verkeersmaatregelen op autosnelwegen bij integrale opdrachten (design, engineering, uitvoering en verkeersmaatregelen),

• het integraal (engineeren, leveren en plaatsen) verzorgen van bewegwijzering binnen de scope van het contract,

• het maken van een engineeringsplan voor bewegwijzering dat valt binnen de scope van het contract;

II. de inschrijvingen van BAM en [B] als ongeldig terzijde te leggen indien:

• blijkt dat BAM en [B] de herbeoordeling niet doorstaan, of

• reeds (direct) duidelijk is voor de voorzieningenrechter dat BAM en [B] de herbeoordeling niet zullen doorstaan;

III. de opdracht - voor zover de Staat deze nog in de markt wil zetten - te gunnen overeenkomstig het bepaalde in § 4.3 van het Inschrijvings- en beoordelingsdocument, dat wil zeggen het gunnen van, na een eventuele ongeldigverklaring, vrijgekomen percelen aan de opvolgende geldige inschrijvers, waarbij het laatste perceel mogelijk via de onderhandelingsprocedure dient te worden gegund;

subsidiair

IV. de aanbestedingsprocedure te beëindigen en over te gaan tot heraanbesteding, met uitnodiging van [A];

een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

Samengevat voert [A] daartoe het volgende aan.

Voor zover de gunningsbeslissing inhoudt dat percelen aan BAM en [B] worden gegund is deze onrechtmatig. Hun inschrijvingen voldoen namelijk niet aan de onder 3.3 lid 3 sub b, c en d vermelde geschiktheidseisen. Ingevolge die eisen dient een inschrijver door middel van de door hem op te geven referenties aan te tonen dat hij zelf de vereiste ervaring heeft voor wat betreft de in die bepalingen opgenomen specifieke werkzaamheden, te weten: (i) het verzorgen van verkeersmaatregelen op autosnelwegen, (ii) het integraal verzorgen van bewegwijzering en (iii) het maken van een engineeringsplan voor bewegwijzering, dan wel dat hij dienaangaande een beroep doet op een derde, die vervolgens ook door hem zal worden ingezet bij de uitvoering van die werkzaamheden. BAM en [B], althans hun inschrijvingen, voldoen daaraan niet. Blijkens de - onder 2.9 - vermelde brief van 29 januari 2015, stelt Rijkswaterstaat zich op het standpunt dat van de inschrijver niet wordt verwacht dat hij de hiervoor vermelde specifieke werkzaamheden zelf heeft uitgevoerd, dan wel dat hij zich beroept op een derde die dat heeft gedaan, maar dat van hem (slechts) wordt verlangd dat hij regie-ervaring heeft ter zake van een project waarvan die werkzaamheden deel uitmaken. Een dergelijke uitleg volgt echter niet uit de aanbestedingsstukken. Dat betekent dat Rijkswaterstaat de inschrijvingen heeft beoordeeld op basis van een onjuiste uitleg van de geschiktheidseisen, zodat tot herbeoordeling van de inschrijvingen moet worden overgegaan. Voor zover moet worden geoordeeld dat Rijkswaterstaat in de brief van 29 januari 2015 een nieuwe uitleg heeft gegeven aan de geschiktheidseisen, zal de opdracht moeten worden heraanbesteed. Dit laatste zal ook het geval behoren te zijn, indien de uitleg van de eisen door Rijkswaterstaat voor juist moet worden gehouden. In dat geval is namelijk sprake van onduidelijke en/of dubbelzinnige eisen.

3.3.

De Staat, BAM en [B] hebben de vorderingen van [A] gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig zal hun verweer hierna worden besproken.

3.4.

De Combinatie heeft verzocht de vorderingen van [A] toe te wijzen.

3.5.

BAM en [B] vorderen - zakelijk weergegeven - de Staat te bevelen het gunningsvoornemen van 19 januari 2015 in stand te laten en over te gaan tot het sluiten van overeenkomsten met hen voor wat betreft de aan hen toegewezen percelen.

3.6.

Verkort weergegeven stellen BAM en [B] daartoe dat de Staat op goede gronden voornemens is de betreffende percelen aan hen te gunnen.

3.7.

Voor zover nodig zullen de standpunten van [A], de Staat en de Combinatie met betrekking tot de vorderingen van BAM en [B] hierna worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

Met betrekking tot de vorderingen van [A]

4.1.

BAM en [B] hebben bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van [A]. Hun bezwaar wordt verworpen. Uitgangspunt is dat [A] - op grond van het bepaalde in artikel 130 lid 1 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering - bevoegd is haar eis te wijzigen. Verder is van belang dat [A] voor wat betreft haar eiswijziging het bepaalde in artikel 11.1 van het "Procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie" in acht heeft genomen. Voorts kan niet worden aangenomen dat de eiswijziging in strijd is met de goede procesorde. Gelet op de samenhang met de oorspronkelijke vordering en de omstandigheid dat BAM en [B] voldoende gelegenheid hebben gehad om zich op de eisverandering voor te bereiden, moet ervan worden uitgegaan dat zij daardoor niet onredelijk in hun verdediging zijn bemoeilijkt. Van een (onredelijke) vertraging van de procedure is evenmin sprake.

4.2.

In de onderhavige procedure staat centraal de interpretatie van de geschiktheidseisen zoals vermeld in paragraaf 3.3, onder 3 sub b tot en met d. Kernvraag is of die eisen moeten worden uitgelegd in die zin dat de inschrijver, dan wel de derde op wiens ervaring een beroep wordt gedaan, de betreffende (operationele) werkzaamheden - in het bijzonder (i) het verzorgen van verkeersmaatregelen op autosnelwegen, (ii) het integraal verzorgen van bewegwijzering en (iii) het maken van een engineeringsplan voor bewegwijzering - in het verleden zelf moet hebben uitgevoerd, zoals [A] en de Combinatie stellen, of in die zin dat de inschrijver c.q. de derde (slechts) 'regie-ervaring' dient te hebben met een opdracht waarvan de betreffende werkzaamheden onderdeel uitmaken, zonder dat die werkzaamheden door haarzelf c.q. de derde, behoeven te zijn verricht, zoals de Staat, BAM en [B] stellen.

4.3.

Vooropgesteld wordt dat aanbestedende diensten (potentiële) inschrijvers op gelijke en niet-discriminerende wijze dienen te behandelen en transparantie in hun handelen moeten betrachten. Het beginsel van gelijke behandeling van de inschrijvers strekt ertoe de ontwikkeling van een gezonde en daadwerkelijke mededinging tussen de inschrijvers te bevorderen en vereist dat alle inschrijvers bij het opstellen van het in hun offertes gedane voorstel dezelfde kansen krijgen. Het transparantiebeginsel strekt, in samenhang daarmee, ertoe te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen en impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure in de aanbestedingsstukken worden geformuleerd op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze opdat, enerzijds, alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en deze op dezelfde manier interpreteren, en, anderzijds, de aanbestedende dienst in staat is om daadwerkelijk na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria die op de betrokken opdracht van toepassing zijn.

4.4.

Blijkens het document "Vraagspecificatie Algemeen" ziet de scope van de aanbesteding op de integrale uitvoering van bewegwijzeringsprojecten, inclusief alle voor de realisatie ervan benodigde werkzaamheden. Uit het document volgt verder dat Rijkswaterstaat door middel van de onderhavige aanbestedingsprocedure een andere relatie voor ogen staat dan bij de tot nu toe gebruikte contracten. Anders dan voorheen is geen sprake meer van fabrikanten die alleen leveren en aannemers die vrijwel uitsluitend uitvoeren, maar van een opdrachtnemer die de integrale realisatie van bewegwijzeringsprojecten verzorgt. Van de winnaar wordt derhalve verwacht dat hij - als enige partij, waaronder begrepen partijen die in combinatie hebben ingeschreven - er voor zorgdraagt dat het gehele project tot een goed einde wordt gebracht, waarvoor hij ook als enige verantwoordelijk is jegens Rijkswaterstaat. Uit een en ander volgt dat Rijkswaterstaat de regierol, die zij kennelijk tot nu toe vervulde bij bewegwijzeringsprojecten, wenst over te dragen aan de winnaars van de onderhavige aanbestedingsprocedure. Tegen deze achtergrond dienen de geschiktheidseisen, zoals geformuleerd in paragraaf 3.3. van het Inschrijvings- en beoordelingsdocument te worden gelezen.

4.5.

Door middel van de onder 3.3 lid 3 sub a vermelde eis dient een inschrijver - aan de hand van een referentie - aan te tonen dat hij in het algemeen beschikt over regie-ervaring ter zake van projecten die zich (qua omvang) laten vergelijken met bewegwijzeringsprojecten. De onder 3.3 lid 3 sub b tot en met d vermelde eisen specificeren de verlangde referenties nader, in die zin dat daaruit moet blijken dat de inschrijver regie-ervaring heeft met projecten waarvan respectievelijk (i) het verzorgen van verkeersmaatregelen op autosnelwegen, (ii) het integraal verzorgen van bewegwijzering en (iii) het maken van een engineeringsplan voor bewegwijzering deel uitmaken. Voor zover de inschrijver zich voor wat betreft de hiervoor bedoelde eisen sub a tot en met d (deels) niet kan beroepen op eigen ervaring, staat het hem vrij om dienaangaande een beroep te doen op de ervaring van een derde, mits daarbij het bepaalde in paragraaf 3.3 leden 4 en 5 in acht wordt genomen.

4.6.

Anders dan [A] en de Combinatie betogen valt in de eisen sub b tot en met d niet te lezen dat van de inschrijver wordt verlangd dat hij, dan wel de derde op wiens ervaring hij zich (mede) beroept, de in die eisen vermelde operationele werkzaamheden zelf heeft verricht. Dat vermelden die eisen ook niet uitdrukkelijk, hetgeen - mede gelet op al het voorgaande - wel had gemoeten indien Rijkswaterstaat zulks voor ogen stond. Een dergelijke 'zelf-eis' geldt - blijkens het Inschrijvings- en beoordelingsdocument - enkel met het oog op de verlangde regie-ervaring, zoals ook aangegeven in de eis sub a.

4.7.

Als behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers hadden [A] en de Combinatie een en ander moeten (kunnen) begrijpen.

4.8.

Mede bezien in het licht van het bovenstaande kunnen antwoorden van Rijkswaterstaat op bepaalde vragen in de Nota van Inlichtingen, zoals vraag 88, niet meebrengen dat de in geschil zijnde geschiktheidseisen, ondanks hun duidelijke strekking, toch anders zouden moeten worden begrepen. Een wijziging van de eis valt daarin ook niet te lezen. Een en ander klemt te meer nu in een nota van inlichtingen weliswaar bepaalde verduidelijkingen kunnen worden aangebracht en inlichtingen kunnen worden verstrekt, maar daarin niet de betekenis kan worden gewijzigd van belangrijke voorwaarden van de opdracht, zoals geformuleerd in het bestek, waarop de belanghebbende marktdeelnemers zich rechtmatig hebben gebaseerd voor hun beslissing om een offerte voor te bereiden of juist van deelneming aan de aanbestedingsprocedure af te zien (zie o.a. Hof van Justitie EU 10 mei 2012, C-368/10). Bovendien volgt uit - onder andere - de antwoorden op de vragen 161, 162 en 166 de juistheid van de hiervoor - onder 4.5 en 4.6 - weergegeven uitleg van de eisen.

4.9.

Verder is van belang dat de Staat gemotiveerd heeft aangevoerd - en op zichzelf onweersproken is gebleven - dat de inschrijvingen van BAM en [B], waaronder begrepen de door hen opgevoerde referenties, zorgvuldig zijn beoordeeld en dat is geconstateerd dat deze - uitgaande van de hiervoor aangegeven uitleg van de geschiktheidseisen uit paragraaf 3.3 onder 3 sub b tot en met d - voldoen: BAM voldoet zelfstandig aan al die eisen, terwijl [B] deels zelfstandig voldoet aan de eisen en deels een beroep doet op een derde. BAM heeft op de zitting zelfs stellig aangevoerd dat zij zelfstandig voldoet aan de drie eisen indien moet worden uitgegaan van de juistheid van de stellingen van [A] en de Combinatie.

4.10.

De slotsom is dat de stellingen die [A] aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd niet voor juist kunnen worden aangenomen. Haar vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.

4.11.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [A] in de procedure tegen de Staat worden veroordeeld in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voor een veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI: NL:HR:2010: BL1116). De Combinatie dient haar eigen kosten te dragen.

Met betrekking tot de vorderingen van BAM en [B]

4.12.

In de stellingen van de Staat ligt besloten dat hij nog steeds voornemens is verdere uitvoering te geven aan de gunningsbeslissing van 19 januari 2015. Bij die stand van zaken hebben BAM en [B] geen belang (meer) bij toewijzing van hun vorderingen. Deze zullen dan ook worden afgewezen.

4.13.

Als de in het ongelijk gestelde partij zullen BAM en [B] in het kader van hun vorderingen worden veroordeeld in de kosten van de Staat. Deze kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat de Staat als gevolg van die vorderingen extra kosten heeft moeten maken. Ondanks de afwijzing moet [A] in haar verhouding tot BAM en [B] worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van BAM en [B] was immers te bewerkstelligen dat de gunningsbeslissing in stand blijft. Dat doel is bereikt. [A] zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van BAM en [B], voor wat betreft BAM - zoals verzocht - te vermeerderen met de wettelijke rente. De door BAM gevorderde nakosten zullen worden afgewezen om de hiervoor onder 4.11 vermelde reden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vorderingen van [A] af;

- wijst de vorderingen van BAM en [B] af;

- veroordeelt BAM en [B] voor wat betreft de door hen ingestelde vorderingen jegens de Staat in de kosten van de Staat, die worden begroot op nihil;

- bepaalt dat de Combinatie haar eigen kosten draagt;

- veroordeelt [A] in de overige proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van de Staat, BAM en [B] telkens begroot op € 1.429,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 613,-- aan griffierecht;

- bepaalt dat [A] de aan de Staat en BAM verschuldigde proceskosten dient te voldoen binnen veertien dagen na het uitspreken van dit vonnis en dat zij - bij gebreke daarvan - daarover de wettelijke rente verschuldigd is;

- verklaart de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde/verzochte.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2015.

jvl