Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:3551

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-02-2015
Datum publicatie
25-06-2015
Zaaknummer
C-09-453295 HA ZA 13-1197
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Nietigheid testament? Vordering op grond van artikel 3:34 BW afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0241
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/453295 / HA ZA 13-1197

Vonnis van 11 februari 2015

in de zaak van

[notaris],

notaris te Den Haag, in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van

[erflaatster],

wonende te [woonplaats ],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. A. van Staden ten Brink te Den Haag,

tegen

[A] ,

wonende te [woonplaats ],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. A.C. Kool te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [notaris] (q.q.) en [A] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 17 oktober 2013;

  • -

    de akte overlegging producties met producties 1 tot en met 14;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 22;

  • -

    het tussenvonnis van 5 maart 2014 waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    het buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte proces-verbaal van de op

12 december 2014 gehouden comparitie van partijen, waarin onder meer melding

wordt gemaakt van de ontvangst van de conclusie van antwoord in reconventie met

producties 15 tot en met 21 van de zijde van [notaris] q.q. en van de ontvangst van

producties 23 tot en met 25 van de zijde van [A];

- de naar aanleiding van de inhoud van genoemd proces-verbaal namens partijen

gezonden faxberichten, te weten de faxberichten van 23 december 2014 en

9 januari 2015 van de zijde van [notaris] q.q. en het faxbericht van 8 januari 2015

van de zijde van [A].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Deze zaak betreft de nalatenschap van mevrouw [erflaatster] (hierna ook: erflaatster), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] in [geboorteland] en overleden te Den Haag op 1 januari 2013.

2.2.

Erflaatster heeft bij een door [notaris] verleden (aanvulling/herroeping van haar) uiterste wilsbeschikking van 20 december 2005 (hierna: het testament van 20 december 2005) [A] - destijds al vele jaren haar onderbuurman - tot executeur van de nalatenschap benoemd en hem een bedrag gelegateerd gelijk aan twintig procent van haar nalatenschap.

2.3.

In het voorjaar van 2007 heeft erflaatster laten verzoeken om belastingadviseur [belastingadviseur] (hierna: [belastingadviseur]) tot bewindvoerder over haar goederen te benoemen en mevrouw [B] (hierna: [B]) tot haar mentor. In de begeleidende brief van [belastingadviseur] aan de kantonrechter van 8 maart 2007 is onder meer het navolgende opgenomen:

“Begin deze week ben ik door mevrouw [B] geïnformeerd over de huidige kwetsbare situatie van mevrouw [erflaatster] welke ik hieronder uiteen heb gezet.

Mevrouw [erflaatster] is negentig jaar en verblijft momenteel in een verpleeghuis. Zij heeft geen naaste familie.

Naast haar appartement, gelegen aan de [adres] te [woonplaats ], waar ze tot 2005 woonde, heeft zij een vermogen van rond de 1 miljoen euro.

Door een gebroken heup, opgelopen in september 2005, is ze, na 6 maanden verblijf in het Bronovoziekenhuis, in een verpleeghuis terecht gekomen. Ze is nu uitgerevalideerd en huurt vanaf 5 maart 2007 een kamer in een verzorgingstehuis waar ze één dezer dagen heen zal verhuizen. Ze zal gezien haar lichamelijke gesteldheid niet meer terugkeren naar haar appartement.

Mevrouw [erflaatster] heeft na haar opname in het Bronovoziekenhuis de heer [A], die al dertig jaar haar benedenbuurman is, een bancaire volmacht gegeven om voor haar bankzaken te zorgen. De heer [A] heeft dit, naar ik begrijp van mevrouw [B], met zorg gedaan en heeft daarnaast mevrouw [erflaatster] haast wekelijks bezocht.

Sinds een jaar is mevrouw [B] ook betrokken bij de verzorging van mevrouw [erflaatster]. Zij bemoeit zich enkel met de persoonlijke zorg van mevrouw [erflaatster] en niet met haar vermogen.

[…]

Onlangs is mevrouw [erflaatster] door derden benaderd, waaronder mensen uit haar verleden en enkele leden van de Vereniging van Eigenaren [Marlot III] behorend bij haar appartement, die zich over haar en haar vermogen willen ontfermen. De leden van de VvE zijn onder andere de heren [C] en [D]. Deze mensen zijn haar niet dan wel slecht bekend en mevrouw [B] heeft een sterk vermoeden dat deze heren uit zijn op het vermogen van mevrouw [erflaatster] […]

De heren [C] en [D] hebben de heer [A] tegenover mevrouw [erflaatster] dusdanig zwart gemaakt dat mevrouw [erflaatster] op 23 februari een brief heeft ondertekend waarin zij de volmacht aan de heer [A] intrekt […] De vertrouwensrelatie tussen mevrouw [erflaatster] en de heer [A] heeft een dusdanige deuk opgelopen dat deze tot op heden wederzijds nog niet hersteld is.

[…]

Aangezien mevrouw [erflaatster] in een verzorgings- en financieel vacuüm terecht is gekomen, verzoek ik u het verzoek van mevrouw [erflaatster] om haar onder bewind te stellen en het mentorschap zo snel mogelijk vast te stellen […]”.

2.4.

Bij beschikking van 21 maart 2007 heeft de kantonrechter een bewind ingesteld over alle goederen van erflaatster en [belastingadviseur] tot bewindvoerder benoemd.

Bij afzonderlijke beschikking van dezelfde datum heeft de kantonrechter een mentorschap ten behoeve van erflaatster ingesteld en [B] tot mentor benoemd.

2.5.

Op 29 maart 2007 is erflaatster verhuisd naar het verzorgingstehuis Aelbrecht van Beijeren te Den Haag (hierna: het verzorgingstehuis). Eind maart/begin april 2007 is [notaris] door [belastingadviseur] benaderd met de mededeling dat en in welke zin erflaatster haar uiterste wilsbeschikking wilde laten wijzigen. Op 3 april 2007 heeft een medewerker van [notaris] het concept van de aanvulling/herroeping daarvan aan [belastingadviseur] gemaild. In een reactie daarop heeft [belastingadviseur] diezelfde dag per e-mail enkele niet inhoudelijke wijzigingen voorgesteld, medegedeeld dat het concept overigens volstaat en dat hij erflaatster die middag uitleg daarover zou geven.

2.6.

Erflaatster heeft bij een door [notaris] verleden (aanvulling/herroeping van haar) uiterste wilsbeschikking van 4 april 2007 (hierna: het testament van 4 april 2007) de benoeming van [A] tot executeur van de nalatenschap herroepen en [notaris] (en [belastingadviseur]) tot executeur(s) benoemd onder toekenning van loon, alsmede het legaat aan [A] herroepen. In verband met het verlijden van laatstgenoemd testament heeft een gesprek van ongeveer een uur plaatsgevonden tussen [notaris] en erflaatster in het verzorgingstehuis. Als tolk heeft tijdens dat gesprek opgetreden mevrouw J.A. Kolijn, beëdigd tolk/vertaler Frans-Nederlands.

2.7.

Op 20 juni 2007 heeft advocaat mr. H.J. Brinkman namens erflaatster hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 21 maart 2007 van de kantonrechter.

Het beroepschrift bevat onder meer het navolgende:

“Het verzoek tot onderbewindstelling is destijds ingediend vanuit een noodsituatie. Deze noodsituatie bestond eruit dat [erflaatster] in zodanige woonomstandigheden verkeerde dat derden vrijelijk toegang hadden tot haar (financiële) administratie. Zoals ook uit de procedure in eerste aanleg is gebleken, hebben derden zich inderdaad toegang verschaft tot de woning van [erflaatster]. Zij hebben zich vervolgens de financiële administratie toegeëigend en kenbaar gemaakt dat zij voortaan haar vermogen zullen beheren. Bovendien is [erflaatster] door hen misleid, zodat zij in de veronderstelling verkeerde dat de door haar afgegeven volmachten in goede handen terechtkwamen. Dat [erflaatster] volmachten heeft afgegeven doet overigens niet af aan het feit dat zij zeer wel in staat is om haar wil te bepalen. Zo heeft zij schriftelijk te kennen gegeven dat zij wenst dat haar vermogen niet langer meer door de heer [belastingadviseur] wordt behartigd […] [Erflaatster] legt […] een brief van de heer [belastingadviseur] over waarin hij verklaart dat hij zich aan het oordeel van uw gerechtshof refereert […]”.

2.8.

Ten behoeve van het onder 2.7 bedoelde hoger beroep heeft [B] een op 12 augustus 2007 gedateerde, schriftelijke verklaring opgesteld, waarin zij onder meer het navolgende heeft opgenomen:

“Sinds anderhalf jaar bezoek ik mevrouw [erflaatster] wekelijks. Mevrouw is slechtziend en rolstoelgebonden. Voor het overige is zij geestelijk én lichamelijk in een uitstekende conditie. Mevrouw is geboren Française, heeft ook de Franse nationaliteit en spreekt nauwelijks Nederlands. Zij was ruim 40 jaar in diplomatieke dienst bij de Franse Ambassade, de meeste jaren in Nederland. De Nederlandse taal heeft zij in dat beschermde wereldje maar mondjesmaat opgepakt [...] Mevrouw manifesteert zich tijdens bezoekjes buitenshuis als de volleerde diplomate, uiterst charmant en altijd zeer correct. Inmiddels hebben wij elkaar leren waarderen [...] Ze is beslist een lastige 'tante', die zeer expliciet weet wat ze wil en vooral wat ze niet wil [...]

Helaas is door enkele lieden [...] misbruik gemaakt van haar situatie [...] Men heeft haar een handtekening ontfutseld onder een financiële machtiging [...] Na overleg met mevrouws accountmanager van ABN AMRO en een jurist leek de beste manier om mevrouw te beschermen tegen dergelijke kwaadwillende lieden om bewindvoering en mentorschap aan te vragen. Mevrouw is op mijn advies akkoord gegaan en heeft zelf de aanvraag gedaan.

Ik wil benadrukken dat er geen sprake was en is van een geestelijke en/of lichamelijke gesteldheid die bewindvoerderschap noodzakelijk maakten, slechts externe gebeurtenissen noopten daartoe. Er is destijds dan ook geen medische verklaring bijgevoegd [...]

Helaas heb ik moeten constateren dat er erg veel is misgegaan sinds de instelling van het bewind en voornamelijk door de opvattingen die [belastingadviseur] heeft ten aanzien van de bewindvoering. Hij rekt de grenzen van de functie op en gaat er zelfs overheen [...]

Mevrouw [erflaatster] [...] kwam [onlangs] tot de slotsom dat zij in het geheel geen bewindvoerder nodig heeft [...] Ik ben het met haar eens. Mevrouw leeft hetzelfde leven dat zij bijvoorbeeld tien jaar geleden leefde toen zij als 81-jarige ook al bejaard genoemd mocht worden [...] Aangezien het bewindvoerderschap nog geen drie maanden te voren was ingesteld, is gekozen voor een beroepsprocedure bij het Hof tegen de beschikking. Daartoe heeft mevrouw [erflaatster] een schriftelijke verklaring afgegeven, alhoewel het schrijven vanwege haar slechtziendheid een grote belasting was."

2.9.

Het onder 2.7 bedoelde hoger beroep is op 5 september 2007 ingetrokken.

Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft erflaatster op die grond bij beschikking van 19 september 2007 niet-ontvankelijk in haar hoger beroep verklaard.

Het bewind over de goederen van erflaatster is tot haar overlijden in stand gebleven. Na 24 april 2008 is de organisatie Capital Support [belastingadviseur] opgevolgd als bewindvoerder.

2.10.

Na het overlijden van erflaatster is namens [A] met de advocaat van [notaris] gecorrespondeerd. Namens [A] is verzocht om inlichtingen over de wijze van totstandkoming van het testament van 4 april 2007 en is meermalen het voornemen geuit een beroep te doen op nietigheid van dit testament. [notaris] heeft zich in deze correspondentie onder meer beroepen op zijn geheimhoudingsplicht.

2.11.

Op 27 januari 2014 heeft [A] bij de Kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag een klacht ingediend tegen [notaris], onder meer inhoudende dat [notaris] ten tijde van het passeren van (de aanvulling/herroeping van) het testament van

4 april 2007 onvoldoende had onderzocht of erflaatster wilsbekwaam was.

De Kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag heeft deze klacht bij beslissing van 5 november 2014 ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing is hoger beroep ingesteld.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[notaris] q.q. vordert dat de rechtbank bij zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. voor recht zal verklaren dat [A] geen executeur is van de nalatenschap;

II. voor recht zal verklaren dat [A] geen legataris is in de nalatenschap;

III. [A] zal veroordelen tot betaling van € 2.544,55 en € 904;

IV. [A] zal veroordelen in de (na)kosten van dit geding met rente.

3.2.

[notaris] q.q. legt aan zijn vorderingen samengevat het navolgende ten grondslag.

Nu erflaatster bij testament van 4 april 2007 zowel het executeurschap van [A] als het aan hem toegekende legaat heeft herroepen, kan [A] geen rechten ontlenen aan de inhoud van het testament van 20 december 2005. Nu [A] zich bij dat laatste niet wenst neer te leggen, hebben de erfgenamen - die [notaris] q.q. op grond van artikel 4:145 BW in deze procedure vertegenwoordigt - belang bij de gevorderde verklaringen voor recht. De erfgenamen wensen, mede gezien hun hoge leeftijd, dat zo spoedig mogelijk tot de afwikkeling van de nalatenschap zal worden overgegaan. De volharding van [A] is onrechtmatig jegens de nalatenschap. [notaris] q.q. vordert op grond van onrechtmatige daad en artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) € 2.544,55 aan kosten van door hem ingewonnen juridisch advies en € 904 aan buitengerechtelijke incassokosten.

3.3.

[A] voert gemotiveerd verweer.

in reconventie

3.4.

[A] vordert dat de rechtbank bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. voor recht zal verklaren dat het testament van 4 april 2007 nietig is;

II. voor recht zal verklaren dat [A] executeur is in de nalatenschap;

III. voor recht zal verklaren dat [A] legataris is in de nalatenschap;

IV. [notaris] q.q. zal veroordelen tot afgifte van alle goederen en zaken van de nalatenschap aan [A] op straffe van verbeurte van een dwangsom;

V. [notaris] q.q. zal veroordelen tot (terug)betaling op de rekening van de nalatenschap van het aan hem uitgekeerde executeursloon, alsmede van alle door [notaris] q.q. ten laste van de nalatenschap uitgekeerde bedragen en ten bate van de nalatenschap ontvangen bedragen;

VI. [notaris] q.q. zal veroordelen tot betaling aan [A] van een bedrag van € 8.078,85 aan buitengerechtelijke kosten;

VII. [notaris] q.q. zal veroordelen in de (na)kosten van dit geding.

3.5.

[A] legt aan zijn vorderingen samengevat het navolgende ten grondslag.

[A] stelt dat het testament van 4 april 2007 nietig is als bedoeld in artikel 3:34, tweede lid, BW, aangezien een met de in dat testament neergelegde verklaringen overeenstemmende wil ontbreekt. [A] stelt dat erflaatster de verklaringen in het testament van 4 april 2007 heeft gedaan onder invloed van een geestelijke stoornis.

3.6.

[notaris] q.q. voert gemotiveerd verweer.

in conventie en in reconventie

3.7.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

Inleidende overwegingen

4.1.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of het testament van 4 april 2007 nietig is. De rechtbank stelt in dat verband voorop dat erflaatster op 4 april 2007 handelingsbekwaam was en derhalve bekwaam tot het maken, aanvullen en wijzigen van haar uiterste wilsbeschikking. De enkele omstandigheid dat een bewind was ingesteld over al haar goederen en een bewindvoerder en een mentor waren benoemd, deed aan haar bekwaamheid om een uiterste wilsbeschikking te maken niet af. Erflaatster was immers niet wegens een geestelijke stoornis onder curatele gesteld (vgl. artikel 4:55 BW in samenhang met artikel 3:32 BW).

4.2.

Het voorgaande laat echter onverlet dat het testament van 4 april 2007 ingevolge het tweede lid van artikel 3:34 BW nietig zou kunnen zijn. De eerste volzin van het eerste lid van genoemd artikel luidt: “Heeft iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord, iets verklaard, dan wordt een met de verklaring overeenstemmende wil geacht te ontbreken, indien de stoornis een redelijke waardering der bij de handeling betrokken belangen belette, of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan.” Tussen partijen is in geschil of de met de in het testament van 4 april 2007 neergelegde verklaring overeenstemmende wil van erflaatster geacht moet worden te hebben ontbroken op de grond dat de verklaring onder invloed van een geestelijke stoornis is gedaan. De rechtbank benadrukt dat - anders dan in de onder 2.11 bedoelde klachtprocedure - in deze zaak niet ter beoordeling staat de wijze waarop [notaris] zijn taak als notaris heeft uitgevoerd.

Bewijslast

4.3.

Ingevolge de in artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) opgenomen hoofdregel van bewijslastverdeling rust op [A] - die zich immers op de rechtsgevolgen van de door hem gestelde nietigheid beroept - de bewijslast ten aanzien van de door hem gestelde geestelijke stoornis van erflaatster ten tijde van het passeren van het testament van 4 april 2007. Dit brengt met zich dat [A] op grond van zijn onlosmakelijk aan de bewijslast verbonden stelplicht voldoende feiten en omstandigheden dient aan te voeren (en, bij voldoende betwisting, dus dient te bewijzen) die (kunnen) leiden tot de vaststelling van de gestelde stoornis. Bovendien brengen de op [A] rustende stelplicht en bewijslast met zich dat hij voldoende feiten en omstandigheden dient aan te voeren en zo nodig te bewijzen die (kunnen) leiden tot het oordeel dat de stoornis erflaatster een redelijke waardering van de betrokken belangen belette of dat de verklaring die heeft geleid tot het passeren van het testament van 4 april 2007 onder invloed van die stoornis is gedaan. Bij de beoordeling kunnen ook van belang zijn feiten en omstandigheden die zijn voorafgegaan aan of zijn gevolgd op het passeren van het testament van 4 april 2007. Ten slotte zijn eventuele verklaringen van medisch deskundigen van bijzonder belang bij de beoordeling.

Stellingen [A]

4.4.

[A] heeft ter onderbouwing van zijn beroep op nietigheid het navolgende aangevoerd:

a) Erflaatster heeft enige tijd voor het passeren van het testament van 4 april 2007 zo maar een schriftelijke stuk ondertekend waarbij zij onder meer de bancaire volmacht aan [A] introk, terwijl dit stuk haar was overhandigd door de haar (vrijwel) onbekende heren [C] en [D]. Dit leidde tot de inschatting van mr. Van Scherpenzeel - een door [A] geconsulteerde advocate - dat erflaatster “niet compos mentis” was;

b) Onder meer het onder a) weergegevene heeft ertoe geleid dat kort vóór het passeren van het testament van 4 april 2007 de goederen van erflaatster onder bewind zijn gesteld en een bewindvoerder en een mentor zijn benoemd;

c) Ten tijde van het passeren van het testament van 4 april 2007 was erflaatster eenzaam, bang, vrijwel doof en blind, weigerde zij haar diabetes-medicijnen te nemen, nam haar vermogen om Nederlands te spreken sterk af en leed zij in toenemende mate aan geheugenverlies. [A] wijst in verband met dit laatste op:

- de inhoud van door hem als producties 24 en 25 in het geding gebrachte

schriftelijke verklaringen van [B];

- een direct na het passeren van het testament van 20 december 2005 door

[notaris] aan [A] gedane mededeling, luidende dat het wat betreft de

geestelijke vermogens van erflaatster “op het randje” was geweest, terwijl

enige tijd daarvoor een kandidaat-notaris bij erflaatster onverrichter zake

was vertrokken omdat erflaatster - zo begreep [A] van deze

kandidaat-notaris - “te verward” was;

d) De met het testament van 4 april 2007 doorgevoerde wijzigingen zijn ingrijpend van aard.

Weging stellingen [A]

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat de door [A] aangevoerde feiten en omstandigheden, in het licht van de gemotiveerde betwisting door [notaris] q.q., een onvoldoende substantiëring vormen voor de door hem gestelde geestelijke stoornis bij erflaatster ten tijde van het passeren van het testament van 4 april 2007, en de door hem gestelde beslissende invloed van deze stoornis op de inhoud van dit testament. Dit heeft tot gevolg dat, anders dan namens [A] is bepleit, van een omkering van de bewijslast of van voorshandse aannemelijkheid van de stellingen van [A] geen sprake kan zijn. Eveneens heeft dit tot gevolg dat het toelaten van [A] tot het leveren van nader bewijs achterwege zal blijven. De rechtbank overweegt ten aanzien van deze beslissingen als volgt.

4.6.

Een belangrijke pijler onder de stellingen van [A] - met name ten aanzien van het gestelde geheugenverlies - wordt gevormd door de schriftelijke verklaring van [B] luidende dat erflaatster reeds ten tijde van het passeren van het testament van 4 april 2007 evident dementerende was (productie 24, eerste pagina, onderaan). De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat deze verklaring geen steun vindt in enige door een medicus gestelde (verwante) diagnose. Nog ervan afgezien dat [B] geen medische achtergrond heeft, constateert de rechtbank met [notaris] q.q. voorts dat haar zojuist aangehaalde verklaring in scherp contrast staat met de op 12 augustus 2007 door haar opgestelde, onder 2.8 aangehaalde schriftelijke verklaring. In laatstgenoemde verklaring is namelijk opgenomen:

Ik wil benadrukken dat er geen sprake was en is van een geestelijke en/of lichamelijke gesteldheid die bewindvoerderschap noodzakelijk maakten, slechts externe gebeurtenissen noopten daartoe” en “[Erflaatster] is beslist een lastige 'tante', die zeer expliciet weet wat ze wil en vooral wat ze niet wil”. Gezien de inhoud van de zojuist aangehaalde verklaring, moet het ervoor worden gehouden dat de onderbewindstelling niet is verzocht op grond van een geestelijke stoornis zoals dementie, zoals ook blijkt uit de onder 2.3 aangehaalde, door [A] onvoldoende betwiste passages uit de brief van [belastingadviseur] en uit het onder 2.7 aangehaalde hoger beroepsschrift van mr. Brinkman.

4.7.

Dat [B] in haar verklaring van 12 augustus 2007 de mentale gesteldheid van erflaatster tegen beter weten in (te) rooskleurig zou hebben voorgesteld, zoals [A] betoogt, acht de rechtbank niet aannemelijk. Volgens [A] was het op grond van die verklaring door het hof laten beëindigen van de onderbewindstelling de eenvoudigste en elegantste wijze om van [belastingadviseur] als bewindvoerder af te komen. Echter, in de schriftelijke verklaring van 12 augustus 2007 wordt met zoveel woorden betoogd dat [belastingadviseur] zijn taak niet goed uitvoerde. Niet valt in te zien waarom een (laagdrempeliger) gang naar de kantonrechter voor ontslag als bedoeld in artikel 1:448, eerste lid en onder e., BW niet meer in de rede lag, zeker nu betoogd wordt dat voortzetting van het bewind gezien de gestelde geestelijke stoornis van erflaatster noodzakelijk was en nu het, getuige de inhoud van het hoger beroepsschrift van mr. Brinkman (vgl. 2.7, laatste zin), nog maar zeer de vraag is of [belastingadviseur] zich zou verzetten tegen beëindiging van zijn taak.

4.8.

Gezien de hoge leeftijd van erflaatster mag aangenomen worden dat haar geheugen haar bij tijd en wijle in de steek liet. Dit gegeven rechtvaardigt op zichzelf niet de gevolgtrekking dat sprake was van een geestelijke stoornis. Nu bovendien noch [B], noch [A] zelf een medische achtergrond hebben, kan aan hun inschattingen van de medische toestand van erflaatster geen doorslaggevend gewicht worden toegekend. Dit laatste geldt ook [notaris] q.q. en zijn kandidaat-notaris, waarvan [notaris] q.q. overigens betwist dat deze zich in de door [A] gestelde zin (vgl. 4.4 onder c, tweede gedachtestreepje) over de mentale gesteldheid van erflaatster hebben uitgelaten.

4.9.

De stelling van [A] dat een geestelijke stoornis (mede) kan worden afgeleid uit het afnemend vermogen van erflaatster om Nederlands te spreken overtuigt de rechtbank niet, nu [B] in haar verklaring van 12 augustus 2007 heeft opgenomen: “Mevrouw is geboren Française, heeft ook de Franse nationaliteit en spreekt nauwelijks Nederlands. Zij was ruim 40 jaar in diplomatieke dienst bij de Franse Ambassade, de meeste jaren in Nederland. De Nederlandse taal heeft zij in dat beschermde wereldje maar mondjesmaat opgepakt”. Aan een beperkt vermogen van erflaatster tot het spreken van de Nederlandse taal kan dan ook niet veel gewicht worden gehecht.

4.10.

De overige in 4.4 onder c genoemde gestelde verschijnselen (eenzaamheid en angstigheid, slecht zien en slecht horen, het weigeren van diabetes-medicijnen) duiden niet, althans onvoldoende, op de aanwezigheid van een geestelijke stoornis.

4.11.

Dat, zoals uit de stellingen van [A] en de latere verklaringen van [B] kan worden opgemaakt, gekozen is voor een (verzoek tot) onderbewindstelling op situationele gronden in plaats van een ondercuratelestelling op grond van geestelijke stoornis, omdat onderbewindstelling op kortere termijn

- want zonder medische verklaring - gerealiseerd kon worden, terwijl de gevolgen niet wezenlijk leken te verschillen, acht de rechtbank niet een onwaarschijnlijke gang van zaken. Echter, uit deze gang van zaken volgt niet zonder meer dat sprake was van een geestelijke stoornis; dat is destijds nu juist niet onderzocht en dus ook niet gediagnostiseerd.

4.12.

[A] betoogt voorts dat de omstandigheid dat erflaatster de aan hem verstrekte volmacht heeft ingetrokken op verzoek van de haar (vrijwel) niet bekende heren [C] en [D] die zich zouden hebben voorgedaan als bestuursleden van de VvE Marlot III, wijst op een geestelijke stoornis bij erflaatster, ook omdat erflaatster tegelijkertijd toestemming heeft gegeven enkele haarzelf betreffende (financiële) documenten en enkele goederen (tijdelijk) door deze VvE te laten beheren. Ook deze omstandigheid acht de rechtbank van onvoldoende gewicht. Daarbij weegt mee dat uit de schriftelijke verklaringen van [B] valt op te maken dat erflaatster vanwege haar werkzaamheden in de Franse diplomatieke dienst zeer gevoelig is geraakt voor gezagsverhoudingen, zich uitende in een bovenmatig respect voor hogergeplaatsten (productie 24, pagina 6). Inderdaad valt niet uit te sluiten dat deze persoonlijkheidskarakteristiek van invloed is geweest op het besluit van erflaatster tijdelijk haar documenten en goederen aan deze (leden van de) VvE toe te vertrouwen. Voorts zijn er sterke aanwijzingen voor dat erflaatster heeft ingestemd met het intrekken van de bancaire volmacht aan [A] omdat de heren [C] en [D] het kennelijk door hen gekoesterde wantrouwen jegens [A] op haar hebben overgedragen. Steun hiervoor vindt de rechtbank in de onder 2.3 aangehaalde brief van [belastingadviseur] en dan met name in de (door [A] niet, althans onvoldoende betwiste) passage luidende: “De heren [C] en [D] hebben de heer [A] tegenover mevrouw [erflaatster] […] zwart gemaakt […] De vertrouwensrelatie tussen mevrouw [erflaatster] en de heer [A] heeft een dusdanige deuk opgelopen dat deze tot op heden wederzijds nog niet hersteld is”. Daarvoor geldt dat deze kennelijke beïnvloeding van erflaatster door [C] en [D] op zichzelf niet op een geestelijke stoornis bij erflaatster wijst. Ook als het wantrouwen jegens [A] onterecht was - waarvan de rechtbank op grond van het tussen partijen gewisselde overigens uitgaat - duidt bedoelde ondertekening door erflaatster in onvoldoende mate op enige geestelijke stoornis, nu noemenswaardig nadeel voor erflaatster daaraan redelijkerwijs niet was te voorzien. De (leden van de) VvE konden op grond van de door erflaatster ondertekende verklaring immers niet beschikken over het vermogen van erflaatster.

4.13.

Voorts pleit in dit verband tegen een geestelijke stoornis dat de bij testament van

4 april 2007 doorgevoerde wijzigingen –- neerkomende op het schrappen van [A] uit het testament van erflaatster - een logisch gevolg zijn van het hiervoor bedoelde (waarschijnlijk onterechte) wantrouwen van erflaatster jegens [A].

De wijziging is weliswaar ingrijpend (overigens met name voor [A] zelf), maar wijst dus niet op een geestelijke stoornis. Anders dan [A] betoogt, is op zich niet onlogisch dat bij genoemd testament (ook) [belastingadviseur] werd benoemd tot executeur; de door [A] in dit verband benadrukte vertrouwensbreuk tussen erflaatster en [belastingadviseur] dateert namelijk van ruim na het verlijden van dit testament.

Slotsom met betrekking tot het testament van 4 april 2007

4.14.

De rechtbank komt gezien het voorgaande tot de slotsom dat niet kan worden uitgegaan van een geestelijke stoornis bij erflaatster ten tijde van het verlijden van het testament van 4 april 2007 en dus evenmin van enige invloed van een dergelijke stoornis op de inhoud van dat testament. Nietigheid van het testament van 4 april 2007 is dan ook niet aan de orde.

4.15.

Bij de rechtbank is - resumerend - het beeld ontstaan dat alle betrokkenen (waaronder [A], [B], de heren [C] en [D], [notaris] q.q. en [belastingadviseur]) zich, al dan niet vanuit hun professie, het lot van erflaatster oprecht hebben aangetrokken. Dit lijkt echter gepaard gegaan te zijn met een bijzonder sterk onderling wantrouwen. Zo vertrouwen [C] en [D] [A] kennelijk niet en vice versa, vertrouwen [A] en [B] [notaris] en [belastingadviseur] kennelijk niet en lijkt het erop dat [notaris] q.q. [A] niet vertrouwt (in verband met de wijze van gebruik van zijn bancaire volmacht) en [B] evenmin (welk wantrouwen wellicht heeft meegewogen in zijn, in de onder 2.11 bedoelde klachtprocedure aan de orde gestelde beslissing [B] niet te betrekken bij het aan erflaatster verlenen van inzage in het testament van 4 april 2007). Dat erflaatster zich kennelijk - waarschijnlijk ten onrechte - heeft laten meevoeren in het wantrouwen van [C] en [D] jegens [A] is onfortuinlijk voor [A], maar dergelijk wantrouwen duidt niet (voldoende) op een geestelijke stoornis bij erflaatster.

4.16.

Nu de reconventionele vorderingen alle gegrond zijn op nietigheid van het testament van 4 april 2007, zullen deze vorderingen worden afgewezen. De in conventie gevorderde verklaringen voor recht - gegrond op de geldigheid van het testament van 4 april 2007 - zal de rechtbank toewijzen.

Gevorderde kosten van juridisch advies

4.17.

De rechtbank verwerpt het betoog van [notaris] q.q. dat [A] onrechtmatig heeft gehandeld door in correspondentie om nadere informatie te verzoeken aangaande het verlijden van het testament van 4 april 2007 en in deze procedure nietigheid van dit testament te bepleiten. De gevorderde € 2.544,55 aan juridisch advies kan dan ook niet op grond van onrechtmatigheid worden toegewezen. Nu deze kosten naar het oordeel van de rechtbank vallen onder de kosten waarvoor op grond van de artikelen 237 tot en met 240 Rv aan [notaris] q.q. een (proceskosten)vergoeding zal worden toegekend, zal het gevorderde bedrag van € 2.544,55 worden afgewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.18.

Uit de overgelegde, omvangrijke correspondentie tussen partijen blijkt genoegzaam dat [notaris] q.q. (buitengerechtelijke) kosten heeft moeten maken die niet vallen onder de kosten waarvoor op grond van de artikelen 237 tot en met 240 Rv een (proceskosten)vergoeding aan [notaris] q.q. zal worden toegekend. De hoogte van het ter zake gevorderde bedrag, € 904, is in lijn met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en worden geacht redelijk te zijn. Het gevorderde bedrag is daarom toewijsbaar, alsook de niet bestreden wettelijke rente daarover vanaf datum dagvaarding.

Proceskosten

4.19.

[A] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding tot op heden in conventie en in reconventie aan de zijde van [notaris] q.q. gevallen. De rechtbank begroot deze kosten op € 2.050,34 (€ 1.130 aan salaris advocaat (2,5 punt tegen tarief II van € 452 per punt), € 78,34 aan kosten dagvaarding en € 842 aan griffierecht). [A] zal eveneens worden veroordeeld in de gevorderde nakosten van dit geding. De over deze (na)kosten gevorderde rente zal worden toegewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat [A] geen executeur is in de nalatenschap van erflaatster en dat [A] geen legataris is in deze nalatenschap;

5.2.

veroordeelt [A] tot betaling van € 904, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.3.

wijst, behoudens de hieronder opgenomen kostenveroordelingen, het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

5.4.

wijst het gevorderde af;

in conventie en in reconventie

5.5.

veroordeelt [A] in de kosten van dit geding tot op heden aan de zijde van [notaris] q.q. gevallen en begroot op € 2.050,34, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf tien dagen na 11 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.6.

veroordeelt [A] in de nakosten van dit geding, begroot op € 131 zonder en

€ 199 met betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf heden tot aan de dag der algehele voldoening;

5.7.

verklaart de onder 5.2, 5.5 en 5.6 opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2015.