Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:3453

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-02-2015
Datum publicatie
27-03-2015
Zaaknummer
402007 HA ZA 11-2323
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis in financiële zaak. Hypotheekadvies. Deskundigenbericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/402007 / HA ZA 11-2323

Vonnis van 25 februari 2015

in de zaak van

1 [A],

2. [B],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. R.M. van der Zwan te Den Haag,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE HAAGSE MUSKETIERS B.V.,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

advocaat: voorheen mr. E. de Jongh en mr. A.S. van Randwijck, thans mr. J.M. Visser te Barendrecht.

Partijen zullen hierna [A] c.s. en De Haagse Musketiers genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 1 mei 2013 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de akte uitlaten na tussenvonnis van 29 mei 2013 van de zijde van [A] c.s.;

  • -

    de akte van de zijde van De Haagse Musketiers van 26 juni 2013;

  • -

    de brief van de zijde van [A] c.s. van 19 juni 2013;

  • -

    het tussenvonnis van 21 augustus 2013 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    het deskundigenbericht van 9 december 2013;

  • -

    de urenverantwoording van de deskundige van 24 december 2013;

  • -

    de akte van de zijde van De Haagse Musketiers van 19 februari 2014;

  • -

    de akte uitlaten deskundigenrapport inhoudende verzoek ex art 194 lid 5 Rv, met één productie, van 19 februari 2014 van de zijde van [A] c.s.;

  • -

    het memo van de deskundige van 28 april 2014, waarin hij reageert op de akte van de zijde van De Haagse Musketiers van 19 februari 2014;

  • -

    het memo van de deskundige van 29 april 2014, waarin hij reageert op de akte van de zijde van [A] c.s. van 19 februari 2014;

  • -

    de brief van 3 juni 2014 van de zijde van [A] c.s. met betrekking tot betaling van een aanvullend voorschot aan de deskundige;

  • -

    de brief van 6 juni 2014 van de zijde van [A] c.s., betreffende bezwaar tegen de hoogte van het aan de deskundige betaalde voorschot;

  • -

    de urenverantwoording van de deskundige van 30 juni 2014;

  • -

    de brief van 11 juli 2014 van de zijde van [A] c.s.;

  • -

    de brief van 15 juli 2014 van de zijde van De Haagse Musketiers betreffende bezwaar tegen de hoogte van het aan de deskundige betaalde voorschot;

  • -

    de conclusie na deskundigenrapport van de zijde van [A] c.s.;

  • -

    de antwoordconclusie na deskundigenbericht van de zijde van De Haagse Musketiers.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank blijft bij hetgeen zij in haar tussenvonnissen van 1 mei 2013 en 21 augustus 2013 heeft overwogen en beslist. De rechtbank heeft in die vonnissen geoordeeld dat zij de mogelijkheid dat [A] c.s. schade heeft geleden en/of zal lijden aannemelijk acht. De rechtbank heeft voor de beantwoording van de vraag of [A] c.s. schade heeft geleden en zo ja, welke omvang deze schade heeft, een deskundigenbericht gelast.

2.2.

De deskundige heeft (in concept) gerapporteerd op 9 december 2013 (hierna: het conceptrapport). Partijen hebben hierop schriftelijk gereageerd. De deskundige heeft bij memo’s van 28 en 29 april 2014 geantwoord op de reacties van partijen, waarna partijen akten na deskundigenbericht hebben genomen. De rechtbank zal het conceptrapport en de memo’s van 28 en 29 april 2014 tezamen beschouwen als het deskundigenrapport. [A] c.s. heeft zijn verzoek op de voet van artikel 194, lid 5, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tot het horen van de deskundige ter comparitie niet herhaald in zijn laatste akte. De rechtbank gaat er daarom, mede gelet op het memo van de 29 april 2014, van uit dat daaraan geen behoefte meer bestaat.

2.3.

De Haagse Musketiers heeft betoogd dat de berekeningen van de deskundige zijn gebaseerd op aannames en dat daarom, kort gezegd, niet zeker is of [A] c.s. schade zal lijden. [A] c.s. betoogt eveneens dat de deskundige uitgaat van aannames, maar concludeert dat de schadeberekeningen van de deskundige daarom (mogelijk) niet adequaat zijn.

2.4.

De rechtbank erkent de juistheid van het betoog van partijen dat de deskundige uitgaat van aannames, maar overweegt dat dat inherent is aan de aard van het onderwerp dat in geschil is en dat niet met zekerheid is vast te stellen of [A] c.s. schade zal lijden en zo ja, wat daarvan de omvang is. Zaken als de rentestand, de waarde van huizen en beleggingen in de toekomst valt, zo oordeelt ook de deskundige, niet te voorspellen. Hetzelfde geldt voor de gevolgen van eventuele wijzigende (fiscale) wet- en regelgeving en de toekomst van partijen in deze procedure. De deskundige baseert zijn bevindingen evenwel op zijn kennis, ervaring en intuïtie en gesteld noch gebleken is dat de deskundige daarbij onredelijke of onwaarschijnlijke aannames als vertrekpunt heeft genomen, dat hij van belang zijnde feiten over het hoofd heeft gezien of dat hij zijn kennis en ervaring op onjuiste wijze heeft toegepast. Gelet hierop acht de rechtbank de bevindingen van de deskundige genoegzaam aannemelijk. De rechtbank neemt de bevindingen van de deskundige daarom over en maakt deze tot de hare, tenzij hierna op punten anders wordt overwogen.

2.5.

De rechtbank stelt na lezing van de berichten van de deskundige en de reacties daarop van partijen vast dat door de vraagstelling aan de deskundige en zijn reactie daarop nieuwe geschilpunten naar voren zijn gekomen. Dit heeft ertoe geleid dat de omvang van het debat is verruimd. Gelet hierop en indachtig het bepaalde in artikel 24 Rv acht de rechtbank het van belang allereerst vast te stellen wat thans de omvang van het geschil is waarover zij te oordelen heeft.

2.6.

De rechtbank heeft in het vonnis van 1 mei 2013 geoordeeld dat – zakelijk weergegeven − De Haagse Musketiers is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting om [A] c.s. te waarschuwen dat hij de in laatste zes jaar van de looptijd van zijn hypotheek geen recht meer zou hebben op hypotheekrenteaftrek met hogere maandlasten als gevolg. Volgens de rechtbank behoorde het daarnaast tot de taken van De Haagse Musketiers dat zij [A] c.s. voldoende zou informeren over de gevolgen van het verhogen van de hypotheekschuld tot een bedrag van € 271.000,=. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat onvoldoende duidelijk was welk (fiscaal) nadeel [A] c.s. lijdt van de expiratie van de Maatwerkverzekering in 2036, in vergelijking met de Meegroeiverzekering, die zou expireren in 2030.

2.7.

Als gevolg van de vraagstelling, heeft de deskundige naar voren gebracht dat (mogelijk) sprake is van aanvullende schadeposten met betrekking tot, zakelijk weergegeven, de fiscale aftrekbaarheid van de oversluitkosten en de niet aftrekbaarheid in box 1 van de aanvullende lening (het verschil tussen € 271.000 en € 240.276,62). [A] c.s. heeft hierop, zo begrijpt de rechtbank uit (in het bijzonder) onderdelen 29 en 30 van zijn akte van 19 februari 2014 en onderdelen 30 en 31 van zijn conclusie na deskundigenbericht, de grondslag van zijn vordering met dit punt aangevuld in die zin dat hij ook dit verzuim van De Haagse Musketiers aan zijn vordering tot vergoeding van schade ten grondslag legt. De Haagse Musketiers heeft op deze aanvulling gereageerd, althans kunnen reageren en is aldus niet in haar verdediging geschaad. Het voorgaande betekent dat de rechtbank ook zal oordelen over de hier bedoelde aanvullende schadeposten.

2.8.

Voordat de rechtbank toekomt aan de bespreking van de door [A] c.s. gestelde schadeposten overweegt de rechtbank dat zij in (onderdeel 4.7) van het tussenvonnis van 1 mei 2013 al heeft geoordeeld dat [A] c.s. zijn stelling dat De Haagse Musketiers hem onjuist heeft geadviseerd over het karakter van de Maatwerkverzekering onvoldoende heeft onderbouwd, zodat op dat punt geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming. De rechtbank ziet in hetgeen [A] c.s. in zijn processtukken nadien over dit onderwerp naar voren heeft gebracht geen aanleiding om haar oordeel op dit punt te herzien. [A] c.s. heeft in de processtukken van na 1 mei 2013 zijn eerder ingenomen standpunten herhaald, maar heeft niet toegelicht op grond van welke concrete (nieuwe aan te voeren) feiten en omstandigheden, of uitlatingen van de hypotheekadviseur, hij heeft mogen begrijpen dat hij een spaarhypotheek en geen beleggingshypotheek zou afsluiten met de Postbank/ING.

2.9.

Voorts behoeft de stelling van [A] c.s. dat De Haagse Musketiers niet heeft voldaan aan de eisen van de Wet op het financieel toezicht bespreking. De rechtbank overweegt dat het oversluitadvies van 6 maart 2006 is. Op die datum gold niet de Wet op het financieel toezicht, maar (een gedeelte van) de Wet financiële dienstverlening. In (artikel 30 e.v. van) deze wet is, zakelijk weergegeven, bepaald dat de financieel dienstverlener de informatie dient te verstrekken die de consument redelijkerwijs nodig heeft voor een adequate beoordeling van een financieel product. Uit het hiernavolgende zal blijken dat De Haagse Musketiers aan [A] c.s. bepaalde, voor de beoordeling van de consequenties van het oversluiten relevante informatie heeft onthouden. Hiermee staat naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam vast dat De Haagse Musketiers heeft gehandeld in strijd met de Wet financiële dienstverlening. De omvang van de schade die [A] c.s. heeft geleden als gevolg van de ontoereikende advisering door De Haagse Musketiers zal in het navolgende worden besproken.

2.10.

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6:97 Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de rechter de schade begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Kan de omvang van de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat. Voorts kan op grond van het in artikel 6:105 BW bepaalde begroting van nog niet ingetreden schade bij voorbaat geschieden. Indien de rechtbank een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, brengt artikel 612 Rv mee dat die schade in het vonnis wordt begroot, voor zover dit mogelijk is. Dit geldt ook indien, zoals in de onderhavige zaak, schadevergoeding op te maken bij staat in combinatie met een voorschot daarop gevorderd is (vgl. HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2930).

2.11.

Ten aanzien van de schade en de vergoeding daarvan overweegt de rechtbank ten slotte als volgt.

Boeterente

2.12.

De deskundige onderscheidt in het door De Haagse Musketiers gegeven hypotheekadvies verschillende onderdelen. Eén daarvan is het oversluitadvies. Volgens de deskundige kan het oversluitadvies, gelet op de richtlijnen en de kennis van het moment dat het advies werd verstrekt en gelet op de wens om lagere maandlasten te realiseren, als deugdelijk worden aangemerkt. Volgens de begroting van de deskundige heeft het oversluiten in de eerste rentevaste periode, ook als rekening wordt gehouden met de premie voor de Maatwerkverzekering, een lastenverlichting opgeleverd die zodanig is dat de oversluitkosten in die periode zijn terugverdiend. Daarmee is voldaan aan de, door de deskundige onweersproken gestelde, toetsingsmaatstaf die geldt voor de beoordeling van een oversluitadvies.

2.13.

Dat de oversluitkosten zijn terugverdiend betekent, anders dan [A] c.s. voorstaat, dat de boeterente die het grootste deel van de oversluitkosten vormt niet kan worden aangemerkt als een schadepost.

2.14.

Voor zover De Haagse Musketiers betoogt dat bedoelde lastenverlichting een voordeel betreft dat in mindering strekt op de door [A] c.s. geleden schade, verwerpt de rechtbank deze stelling. De lastenverlichting in de eerste rentevaste periode, is het beoogde gevolg van het (toereikende) oversluitadvies. Schade is ontstaan als gevolg van (andere) ontoereikende onderdelen van het hypotheekadvies, zoals in het navolgende zal worden toegelicht. Voordeel en schade zijn daarom naar het oordeel van de rechtbank niet het gevolg van eenzelfde gebeurtenis, zoals bedoeld in artikel 6:100 BW.

De Haagse Musketiers heeft voorts betoogd dat het door de notaris aan [A] c.s. betaalde bedrag van € 4.949,81 behoort tot de terug te verdienen kosten in de eerste rentevaste periode. De rechtbank verwerpt dit standpunt. Volgens de deskundige betreft het een overschietend deel van de aanvullende lening dat contant aan [A] c.s. is uitgekeerd. Het bedrag verlaagt niet de oversluitkosten en hoort daarom niet thuis in de berekening van het in de terugverdienperiode behaalde voordeel.

Fiscale aftrekbaarheid oversluitkosten

2.15.

Volgens de deskundige moeten, behalve het oversluitadvies, ook het advies ten aanzien van de eenmalige fiscale aftrekbaarheid van de oversluitkosten passend zijn. [A] c.s. stelt dat De Haagse Musketiers hem nimmer deugdelijk heeft geïnformeerd over de aftrekbaarheid van de oversluitkosten. De Haagse Musketiers heeft dit niet uitdrukkelijke weersproken, zodat moet worden uitgegaan van de juistheid van de stelling van [A] c.s. De Haagse Musketiers betoogt weliswaar dat zij [A] c.s. ook voor wat betreft de fiscale informatie volledig en juist heeft geadviseerd, maar dit betoog is zodanig algemeen, dat de rechtbank eraan voorbij gaat.

2.16.

Niet in geschil is dat [A] c.s. de oversluitkosten in zijn aangifte over 2006 niet als aftrekpost heeft opgevoerd en over deze kosten geen belastingrestitutie heeft ontvangen. Daarmee staat genoegzaam vast dat [A] c.s. schade heeft geleden. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat tussen het ontbreken van advies van De Haagse Musketiers op dit punt en het niet opvoeren van de oversluitkosten als aftrekpost een zodanig verband, dat de schade daaraan kan worden toegerekend. De rechtbank is echter van oordeel dat de schade ook kan worden toegerekend aan eigen schuld aan de zijde van [A] c.s. Niet omdat hij, zoals De Haagse Musketiers betoogt, zijn belastingaangifte niet heeft laten verzorgen door De Haagse Musketiers, maar omdat het aan de belastingplichtige is om zich te vergewissen van de (eenmalige) aftrekposten die hij kan opvoeren bij zijn belastingaangifte. Dat [A] c.s. dit klaarblijkelijk heeft nagelaten brengt mee dat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die hem valt toe te rekenen. De rechtbank heeft bij haar oordeel op dit punt in aanmerking genomen dat een algemene ervaringsregel leert dat informatie over aftrekposten, waaronder oversluitkosten, eenvoudig vindbaar is (bijvoorbeeld via de website van de Belastingdienst). De schade zal, gelet op het bepaalde in artikel 6:101 BW in samenhang met het bepaalde in artikel 6:97 BW naar evenredigheid worden verdeeld in die zin dat 50 % ervan moet worden geacht voor rekening van [A] c.s. te komen en 50 % voor rekening van De Haagse Musketiers.

2.17.

Volgens de berekening van de deskundige in zijn conceptrapport (pagina 9) gaat het om een restitutie van € 6.397,=. Dit bedrag ziet echter, zo begrijpt de rechtbank, uitsluitend op de belastingrestitutie over de boeterente en niet ook op de overige oversluitkosten. Volgens zijn berekening in het memo van 29 april 2014 (pagina 3) betreft de belastingrestitutie over alle oversluitkosten (boeterente en overige financieringskosten) een nominaal bedrag van € 7.030,=. De deskundige heeft dit bedrag niet omgezet in de contante waarde en evenmin afgewaardeerd. Met inachtneming van dat laatste schat de rechtbank de door [A] c.s. op dit onderdeel geleden schade op een bedrag van € 3.700,=. Een deel van 50 %, € 1.850,= kan aan het handelen van De Haagse Musketiers worden toegerekend.

Niet-aftrekbaarheid van een deel van de lening

2.18.

Volgens de deskundige had De Haagse Musketiers ook moeten adviseren over de niet aftrekbaarheid van het deel van de lening dat niet de eigenwoningschuld betreft (€ 271.000,= - € 240.277,=). Dit deel van de lening is volgens de deskundige niet aftrekbaar in box 1, maar als een schuld in box 3.

2.19.

[A] c.s. stelt dat De Haagse Musketiers hem niet heeft gewezen op de omstandigheid dat de rente over het deel van de lening dat niet de eigenwoningschuld betreft niet aftrekbaar is. De Haagse Musketiers betwist dit en verwijst daarbij naar berekeningen die zij aan de deskundige ter hand heeft gesteld en die als bijlagen aan het conceptrapport zijn gehecht (en derhalve, anders dan [A] c.s. betoogt, onderdeel vormen van het procesdossier).

Daargelaten of de overzichten door De Haagse Musketiers aan [A] c.s. zijn getoond voorafgaand aan het oversluiten van zijn hypotheek − [A] c.s. heeft verklaard dat de overzichten hem onbekend zijn en de overzichten zijn gedagtekend op 16 april 2012 − is gesteld noch gebleken dat de overzichten zijn toegelicht tijdens de advisering over het oversluiten van de hypotheek. Voor een goed begrip van de overzichten is een toelichting, zo oordeelt ook de deskundige, noodzakelijk. Daarbij komt dat de overzichten volgens het door De Haagse Musketiers niet weersproken oordeel van de deskundige niet adequaat zijn. Gelet op één en ander is de rechtbank van oordeel dat De Haagse Musketiers haar verweer dat zij [A] c.s. op dit punt deugdelijk heeft geïnformeerd onvoldoende heeft onderbouwd, zodat moet worden uitgegaan van de juistheid van de stelling van [A] c.s. dat dit niet is gebeurd. Naar het oordeel van de rechtbank is De Haagse Musketiers op dit punt toerekenbaar tekortgeschoten in haar zorgplicht jegens [A] c.s. en daarmee in beginsel schadeplichtig.

2.20.

Als onweersproken staat evenwel vast dat [A] c.s. in zijn belastingaangiftes sinds 2006 telkens de over de gehele lening van € 271.000,= betaalde rente als aftrekpost heeft opgevoerd. De rechtbank is met De Haagse Musketiers van oordeel dat als gevolg van de onjuiste, maar door de Belastingdienst (vooralsnog) geaccepteerde belastingaangiftes van [A] c.s. onvoldoende vaststaat dat hij ten aanzien van dit punt schade heeft geleden. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat [A] c.s. niet heeft gesteld voornemens te zijn om de onjuiste aangiftes sinds 2006 te herstellen. De mogelijkheid dat de Belastinginspecteur nog kan terugkomen op zijn reeds genomen beslissing om de belastingaangiftes goed te keuren en in de toekomst anders kan oordelen dan in het verleden, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. [A] c.s. heeft evenmin gesteld dat hij de rente over aanvullende lening voortaan niet meer als aftrekpost zal opvoeren bij zijn belastingaangifte. De slotsom is dat [A] c.s. op dit punt onvoldoende heeft gesteld dat hij schade heeft geleden en nog zal lijden, zodat De Haagse Musketiers op dit punt niet gehouden is tot betaling van enige schadevergoeding.

Niet-aftrekbaarheid van hypotheekrente laatste 6 jaar

2.21.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 1 mei 2013 al geoordeeld dat De Haagse Musketiers heeft nagelaten te adviseren dat de hypotheekrente niet meer aftrekbaar is gedurende de laatste jaren van de looptijd van de hypotheek. De Haagse Musketiers is aldus toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen en daarmee schadeplichtig jegens [A] c.s. Volgens de onweersproken mededeling van de deskundige is de hypotheekrente niet aftrekbaar in de periode van 1 januari 2031 tot 6 maart 2036. De deskundige heeft de schade die [A] c.s. op dit punt zal lijden, na omzetting in contante waarde en afwaardering, begroot op € 11.660,=. Partijen hebben tegen de begroting van dit bedrag geen verweer gevoerd, anders dan door te betogen dat de berekening is gebaseerd op diverse onzekere variabelen. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor in onderdeel 2.4. van dit vonnis heeft geoordeeld, wordt dit verweer hier niet nader besproken. De Haagse Musketiers heeft in onderdeel 15 van haar antwoordconclusie na deskundigenbericht nog aangevoerd dat zij [A] c.s. een kortere looptijd van de hypotheek en inbreng van de waarde van de Meegroeiverzekering heeft geadviseerd, maar dat [A] c.s. heeft gekozen voor een looptijd van 30 jaren. De rechtbank zal dit verweer als onvoldoende onderbouwd passeren.

Fiscale gevolgen expiratie Maatwerkverzekering

2.22.

Ten aanzien van de fiscale gevolgen van de expiratie van de Maatwerkverzekering in 2036 geldt volgens de deskundige het volgende. De Maatwerkverzekering is een Kapitaalverzekering Eigen Woning (KEW). In deze KEW wordt vermogen opgebouwd om (in 2036) de hypothecaire geldlening in box 3 te kunnen aflossen. Fiscaal is een KEW-uitkering vrijgesteld als de geldlening vanwege het overschrijden van de maximale termijn van 30 jaren renteaftrek naar box 3 is verplaatst. Het hypotheekadvies heeft daarom geen financieel nadeel tot gevolg met betrekking tot de expiratie van de Maatwerkverzekering in 2036, voor zover de KEW-uitkering ziet op aflossing van de eigenwoningschuld. Voor zover (meer dan) het geprognosticeerde vermogen, € 271.000,=, wordt opgebouwd, de deskundige acht dit onzeker, zal het rentebestanddeel van het deel van de uitkering dat ziet op de aanvullende lening wel worden belast. Naar het oordeel van de rechtbank staat genoegzaam vast dat De Haagse Musketiers [A] c.s. op dit onderdeel niet, althans onvoldoende heeft geadviseerd. Uit de enkele stelling van De Haagse Musketiers dat zij [A] c.s. volledig en juist heeft geadviseerd, ook voor wat betreft de fiscale informatie, blijkt in onvoldoende mate dat van het tegendeel sprake is. Of [A] c.s. op dit punt schade zal lijden en zo ja, hoeveel, is volgens de deskundige ongewis, door onzekerheid over de opbouw van kapitaal in de Maatwerkverzekering.

2.23.

Niettemin moet naar het oordeel van de rechtbank ook bij de begroting van deze schadepost zoveel als mogelijk worden uitgegaan van de aannames die aan het hypotheekadvies ten grondslag lagen en van ongewijzigde variabelen en derhalve ook van de veronderstelling dat het geprognosticeerde kapitaal wordt behaald binnen de Maatwerkverzekering. Volgens de deskundige betekent dit dat een deel van het rentebestanddeel van € 16.664,18 zal worden belast, hetgeen een financiële derving van € 6.999,= oplevert. De schade die dit voor [A] c.s. meebrengt schat de rechtbank op een bedrag van € 3.675,=.

2.24.

Of [A] c.s. nadeel heeft geleden of zal lijden van de beëindigen van de Meegroeiverzekering en het afsluiten van de Maatwerkverzekering valt naar het onweersproken oordeel van de deskundige op dit punt niet vast te stellen. Deze omstandigheid komt voor rekening van [A] c.s., op wie de bewijslast en daarmee het bewijsrisico rust.

Overige schadeposten en verweren

2.25.

[A] c.s. heeft gesteld dat hij schade zal lijden nu het geprognosticeerde eindkapitaal niet zal worden bereikt. De rechtbank is met de deskundige van oordeel dat, als al schade wordt geleden, dit niet het gevolg is van (ondeugdelijkheid van) het advies van De Haagse Musketiers, maar inherent is aan het beleggingskarakter van de Maatwerkverzekering waarmee [A] c.s., zo heeft de rechtbank in onderdeel 4.7. van het tussenvonnis van 1 mei 2013 overwogen, bekend was, althans had kunnen zijn gelet op de door De Haagse Musketiers hierover verstrekte informatie. Voor zover op dit punt schade zou (zijn) ontstaan, komt deze niet voor rekening van De Haagse Musketiers.

2.26.

Volgens De Haagse Musketiers strekt in mindering op de schade het door de notaris aan [A] c.s. uitgekeerde bedrag van € 7.659,84. Het bedrag betreft het

saldo van de retourprovisie van € 2.710,= en het overschot van de aanvullende lening. De rechtbank overweegt, met de deskundige, dat over dit bedrag gedurende 30 jaar (niet aftrekbare) rente is verschuldigd. Het bedrag dient voorts aan het einde van de looptijd van de hypotheek te worden afbetaald, het betreft immers een in contanten uitgekeerd deel van de lening. Eén en ander is door De Haagse Musketiers niet gemotiveerd weersproken. De slotsom is dan ook dat het aan [A] c.s. uitgekeerde bedrag niet in mindering strekt op de door De Haagse Musketiers te vergoeden schade.

2.27.

De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of [A] c.s. schadebeperkende maatregelen had kunnen nemen. De deskundige heeft onweersproken naar voren gebracht dat het verhogen van de premie van de Maatwerkverzekering door gewijzigde wetgeving sinds 1 april 2013 niet meer mogelijk is. Vast staat dat de mogelijkheid van premieverhoging door [A] c.s. niet is onderzocht vóór die datum. Alhoewel De Haagse Musketiers heeft aangeboden om op haar kosten een hersteladvies uit te (laten) brengen, heeft [A] c.s. van dit aanbod geen gebruik gemaakt. Of verhoging van de premie per saldo tot schadebeperking geleid zou hebben, blijkt noch uit het deskundigenbericht noch uit het door partijen gestelde. De enkele omstandigheid dat [A] c.s. niet is ingegaan op het aanbod van De Haagse Musketiers om (door een derde) te laten onderzoeken of er maatregelen mogelijk waren die de schade zouden beperken, brengt nog geen eigen schuld aan de zijde van [A] c.s. met zich. Immers, partijen waren toen al in een procedure bij de rechtbank verwikkeld geraakt, en op dat moment staat het ieder van partijen vrij om al dan niet in te gaan op een schikkingsaanbod van de wederpartij.

2.28.

Ten aanzien van de mogelijkheid tot sparen in box 3 heeft de deskundige onweersproken naar voren gebracht dat dit, ook als er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat [A] c.s. daarmee in 2006 was begonnen, meer kost dan de schade die ontstaat door het ontbreken van renteaftrek in de laatste periode van de looptijd van de hypotheek. Dit betekent dat zelf vermogen opbouwen in box 3 niet kan worden gezien als een schadebeperkende maatregel.

2.29.

Of overigens schadebeperkende maatregelen mogelijk zijn blijkt niet uit rapport van de deskundige. Hij stelt slechts een deugdelijk hersteladvies te kunnen geven nadat de financiële positie, de wensen, de doelstellingen en de risicobereidheid van [A] c.s. is geïnventariseerd. Deze gegevens ontbreken in het dossier. Dit betekent dat in deze procedure niet is gebleken van overige mogelijke schadebeperkende maatregelen waarmee bij de begroting van de schadeomvang rekening moet worden gehouden.

Slotsom

2.30.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat De Haagse Musketiers naar het oordeel van de rechtbank gehouden is tot vergoeding van schade tot een bedrag van € 17.185,=, bestaande uit een bedrag van € 1.850,= en € 11.660 en € 3.675. De rechtbank zal De Haagse Musketiers veroordelen tot betaling van dit bedrag aan [A] c.s.

Overig

2.31.

De door [A] c.s. gevraagde provisionele vordering zal worden afgewezen. Nu de rechtbank thans een eindvonnis wijst, heeft hij daarbij geen belang meer. De rechtbank zal, zoals gevorderd, voor recht verklaren dat de (rechtsvoorganger van) De Haagse Musketiers toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de met [A] c.s. gesloten overeenkomst en uit dien hoofde gehouden is de schade die hij daardoor heeft geleden en nog zal lijden te vergoeden. Bij de gevorderde benoeming van een deskundige ter begroting van de schade althans verwijzing naar de schadestaatprocedure, heeft [A] c.s. ook geen belang meer nu de rechtbank de schade op basis van het deskundigenbericht zelf heeft geschat.

2.32.

[A] c.s. heeft tot slot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten gevorderd, waartegen De Haagse Musketiers verweer heeft gevoerd. Deze kosten zullen worden afgewezen nu [A] c.s. naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende heeft onderbouwd dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt.

2.33.

De rechtbank zal De Haagse Musketiers als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten, waaronder begrepen de kosten van de deskundige. Beide partijen hebben bezwaar gemaakt tegen de omvang van het door de deskundige gedeclareerde loon. Volgens [A] c.s. is declaratie van de deskundige, € 125,= per uur maal 48,5 uren, onredelijk hoog. Hij verzoekt de declaratie te matigen tot een bedrag van € 3.718,25 inclusief BTW (€ 125,= x 25 uren). Ook De Haagse Musketiers vindt de declaratie van de deskundige onredelijk hoog en verzoekt de rechtbank de declaratie te matigen. De rechtbank overweegt dat de deskundige, volgens zijn specificaties, 32,5 uren heeft besteed ten behoeve van en aan het conceptrapport, 7 uren aan het memo van 28 april 2014 en 9 uren aan het memo van 29 april 2014. Gelet op het aantal aan de deskundige voorgelegde vragen en de omvang en inhoud van het conceptrapport, de reacties van partijen daarop en de omvang en inhoud van de memo’s van 28 en 29 april 2014, alsmede de complexiteit van de materie, komen de urenspecificaties en daarmee het door de deskundige gedeclareerde bedrag de rechtbank niet onredelijk voor. De rechtbank zal het definitieve deskundigensalaris daarom begroten op een bedrag van € 7.335,62, het bedrag dat reeds als voorschot aan de deskundige is voldaan.

2.34.

[A] c.s. heeft aan de deskundige een voorschot van € 2.500,= voldaan. Een aanvullend voorschot van € 2.415,62 is voorlopig voor rekening van De Haagse Musketiers gebracht. Een tweede aanvullend voorschot van € 2.420,= is voorlopig voor rekening van [A] c.s. gebracht. Nu De Haagse Musketiers het aanvullende voorschot van € 2.415,62 aan de deskundige heeft voldaan, strekt dit bedrag in mindering op de proceskostenveroordeling waarvan het deskundigensalaris van € 7.335,62 onderdeel vormt.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

verklaart voor recht dat de (rechtsvoorganger van) De Haagse Musketiers toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de met [A] c.s. gesloten overeenkomst en uit dien hoofde gehouden is de schade die hij daardoor heeft geleden en nog zal lijden te vergoeden;

3.2.

veroordeelt De Haagse Musketiers tot betaling van een bedrag van € 17.185,=;

3.3.

veroordeelt De Haagse Musketiers in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [A] c.s. vastgesteld op € 876,31 aan verschotten, € 1.808,= aan salaris gemachtigde (tarief II, 4 punten) en € 4.920,= aan (voorgeschoten) deskundigensalaris;

3.4.

verklaart de onder 3.2. en 3.3. genoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. van Cleef-Metsaars en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.1

1 type: 1820 coll:1903