Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:3438

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-02-2015
Datum publicatie
03-06-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 5850
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000 9.9
Wet studiefinanciering 2000 1.5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/5850

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2015 in de zaak tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde mr. M. van Duijn)

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft tegen het hierna onder 4 te noemen besluit bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij beslissing van 28 mei 2014 het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2015.

Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde].

Overwegingen

Feiten

1. Verweerder heeft de aan eiseres voor de periode 1 januari 2012 tot en met september 2013 toegekende studiefinanciering herzien naar de norm van thuiswonende studerende (de herziening).

2. De aanleiding voor de herziening was een rapport dat is opgemaakt van een huisbezoek op 19 september 2013 op het adres waarop eiseres in de Gemeentelijke basisadministratie (GBA-adres) stond ingeschreven en waarbij de hoofbewoner heeft verklaard dat eiseres sinds 1 september 2013 daar niet meer woonde.

3. Bij uitspraak van 11 december 2014, procedurenummer 14/2698 (ECLI:NL: RBDHA:2014:15229) heeft de rechtbank het beroep tegen de herziening ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat vast staat dat eiseres op het moment van controle in september 2013 niet woonachtig was op haar GBA-adres en dat eiseres er tevens niet in was geslaagd (onomstotelijk) bewijs te leveren dat zij in de periode van 1 januari 2012 tot en met september 2013 aldaar wel woonachtig was. De rechtbank verwijst naar en acht hier ingelast al hetgeen met betrekking tot de herziening in voornoemde uitspraak is overwogen.

4. Bij besluit van 28 februari 2014 heeft verweerder aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 2.020,74, zijnde 50% van de te veel toegekend studiefinanciering over de periode januari 2012 tot en met september 2013.

Geschil
5. In geschil is of verweerder terecht en tot het juiste bedrag de boete heeft opgelegd.

Niet in geschil is dat eiseres op 19 september 2013 niet woonachtig was op het GBA-adres.

Eiseres stelt dat zij kort voor het huisbezoek haar laatste spullen had verhuisd en dat zij haar adres op dat moment nog niet had gewijzigd. Dat was ook niet vereist omdat de gemeente Den Haag haar inwoners vijf dagen gunt voor het doorgeven van een verhuizing. Nu zij tot half september 2013 op het GBA-adres woonachtig was, is de boete ten onrechte dan wel op een te hoog bedrag vastgesteld. Eiseres kan hooguit worden verweten dat zij haar adreswijziging niet eerder heeft doorgegeven aan de gemeente.

6. Verweerder stelt dat de boete terecht en naar een juist bedrag is opgelegd. Verweerder verwijst naar de onder 3. vermelde uitspraak van deze rechtbank en stelt dat eiseres niet het bewijs heeft geleverd waaruit onomstotelijk blijkt dat zij in de periode januari 2012 tot en met september 2013 wel woonde op het GBA-adres.

Beoordeling van het geschil

7. In artikel 9.9, eerste lid, van de Wsf 2000 is bepaald dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd indien de studerende het normbedrag voor een uitwonende studerende toegekend heeft gekregen, maar niet heeft voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000. Het bedrag van de boete bedraagt ten hoogste 50 procent van het bedrag dat van de studerende in verband daarmee wordt teruggevorderd bij een herziening.

8. Artikel 1.5 van de Wsf 2000 luidt met ingang van 1 januari 2012 en voor zover hier van belang:

“Voor het normbedrag voor een uitwonende studerende komt in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven, en

b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat of staan ingeschreven.”

9. De bewijslast dat eiseres het beboete feit, te weten het niet voldoen aan de in artikel 1.5 van de Wsf 2000 neergelegde voorwaarden voor toekenning van een uitwonendenbeurs, heeft begaan, rust op verweerder. Dat betekent dat verweerder moet aantonen dat eiseres niet woont op haar GBA-adres. Nu eiseres in haar pleitnota heeft erkend dat zij op het moment van de controle niet op het GBA-adres woonachtig was, behoeft verweerder daarvoor verder geen bewijs bij de brengen. Gezien het bepaalde in artikel 9.9, eerste lid, van de Wsf 2000 heeft verweerder daarom in beginsel een boete van 50% van het bedrag waarmee de beurs wordt herzien, als passend kunnen aanmerken (vgl. Centrale Raad van Beroep, 2 april 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1090). Wel dient echter te worden beoordeeld of de omstandigheden van het geval ertoe nopen een lagere boete op te leggen.

10. De hoogte van de boete is gebaseerd op het herzieningsbedrag dat wordt bepaald door de lengte van de periode waarover als gevolg van de wettelijke fictie van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 wordt herzien. Verweerder heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden geoordeeld dat eiseres ook vóór september 2013 niet voldeed aan de eisen van artikel 1.5 van de Wsf 2000. Dat neemt echter niet weg dat het feit dat eiseres op het moment van de controle niet woonachtig was op het GBA-adres, heeft te gelden als een bewijsvermoeden op grond waarvan in redelijkheid van eiseres kan worden gevergd dat zij feiten en omstandigheden aandraagt om dat bewijsvermoeden te ontzenuwen. De enkele stelling van eiseres dat zij tot half september 2013 wel op het GBA-adres woonachtig was, is daarvoor op zichzelf onvoldoende. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan de boete zou moeten worden gematigd zijn verder niet gebleken.

11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

12. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.C. Stroebel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

26 februari 2015.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.