Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:3320

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-03-2015
Datum publicatie
24-03-2015
Zaaknummer
AWB 14/8120 14/15862 14/19982
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:3328, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uit het rapport van het iMMO blijkt dat er ten tijde van de asielgehoren beperkingen waren die zeker geïnterfereerd hebben met een compleet, coherent en consistent asielrelaas.

Dat verweerder tijdens de asielgehoren rekening heeft gehouden met eisers klachten dat hij slecht slaapt, regelmatig nachtmerries heeft en last heeft van herbelevingen, blijkt niet. Daarenboven blijkt uit het rapport van het iMMO dat eiser psychiatrische symptomen heeft die passen bij het mengbeeld van PTSS en een depressieve stoornis. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder, in het licht van de op dit moment bekende informatie, eiser niet langer heeft kunnen tegenwerpen dat hij onvoldoende heeft verklaard om – met name – zijn nationaliteit en herkomst uit Soedan aannemelijk te maken. Bij haar oordeel neemt de rechtbank ook in aanmerking de jonge leeftijd van eiser ten tijde van de asielgehoren en de verklaringen die hij heeft gegeven voor het ontbreken van kennis over Soedan. Het had dan ook op verweerders weg gelegen om naar aanleiding van het rapport van het iMMO ofwel aanvullend medisch onderzoek te verrichten om de conclusies van het iMMO te weerleggen, ofwel eiser in de gelegenheid te stellen om middels een aanvullend gehoor, waarin uitgebreider werd doorgevraagd over zijn gestelde identiteit, Soedanese nationaliteit en herkomst en het ontbreken van kennis over Soedan, deze elementen nader te onderbouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/8120 (beroep asiel)

AWB 14/15862 (voorlopige voorziening)

AWB 14/19982 (beroep artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000)

[V-Nr.]

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 12 maart 2015 in de zaken tussen

[eiser],

[geboortedatum], van gestelde Soedanese nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna te noemen: eiser

(gemachtigde: mr. P.Th. van Alkemade),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn).

Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2014 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 17 februari 2014 om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Op 3 april 2014 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen en geregistreerd onder nummer AWB 14/8120. Bij brief van 4 juli 2014 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op dit beroep is beslist. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer
AWB 14/15862.

Bij besluit van 3 juli 2014 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 2 april 2014 tot toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 26 augustus 2014 ongegrond verklaard. Op 29 augustus 2014 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen en geregistreerd onder nummer AWB 14/19982.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.F. van der Lubbe. Tevens waren aanwezig P. Cuijpers, tolk Engels, en[naam], eisers voogd van Nidos. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Bij beslissing van 15 december 2014 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 29 januari 2015. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.B. van Steijn. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen


Ten aanzien van het beroep dat is geregistreerd onder AWB 14/8120

1. Eiser heeft - zakelijk en samengevat weergegeven - ter onderbouwing van zijn asielaanvraag het volgende verklaard. Eiser is geboren in Soedan en is toen hij drie jaar oud was met zijn ouders naar Ghana gegaan, waar hij is opgegroeid. Zijn ouders zijn aldaar overleden. Hij weet sinds zijn twaalfde dat hij homoseksueel is. Zijn problemen in Ghana zijn begonnen nadat de lokale gemeenschap in maart 2012 achter zijn seksuele geaardheid kwam. Mensen die zeiden dat ze familieleden van zijn vader waren, hebben eiser eind maart 2012 vanuit Ghana naar (vermoedelijk) Soedan gebracht waar zij hem hebben achtergelaten bij een onbekende man. Deze onbekende man heeft eiser opgesloten en fysiek, geestelijk en seksueel mishandeld. Eiser is na anderhalf jaar ontsnapt. Toen is eisers reis begonnen. Hij is in november 2013 in Hamburg aangekomen en in februari 2014 op weg naar Brussel aangehouden bij de Nederlandse grens. Vervolgens heeft hij asiel aangevraagd.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen op de gronden van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser toerekenbaar ongedocumenteerd is inzake zijn identiteit, nationaliteit en reisroute. Er is geen indicatief bewijs van een deel van de reis overgelegd, noch heeft eiser gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen omtrent de reisroute afgelegd. Eiser heeft weliswaar een buskaart overgelegd van de reis van Hamburg naar Brussel, maar de reis vanaf zijn land van vertrek en zijn verblijfsperiode van drie maanden in Duitsland zijn niet met documenten onderbouwd. Hetgeen eiser heeft weten te verklaren over zijn verblijf in Hamburg acht verweerder, gelet op de duur van zijn verblijf aldaar, te mager. Nu de omstandigheid van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 op eiser van toepassing is, zal van eisers verklaringen positieve overtuigingskracht moeten uitgaan om de daarin gestelde feiten alsnog geloofwaardig te achten. Verweerder acht in dit verband de door eiser gestelde identiteit, Soedanese nationaliteit en herkomst niet aannemelijk. Eiser heeft geen informatie verschaft die bij inwoners van Soedan als algemeen bekend mag worden verondersteld. Omdat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt, kan verweerder het asielrelaas niet toetsen aan de situatie in het land van herkomst en laat hij de bespreking daarvan achterwege.

3.1

Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

3.2

Op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

3.3

Volgens paragraaf C2/6.2.3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000, voor zover hier van belang, heeft de vreemdeling aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van documenten niet aan hem is toe te rekenen als aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:

• de verklaringen van de vreemdeling over zijn identiteit, nationaliteit, reisroute en asielrelaas en over het ontbreken van de documenten zijn consistent, geloofwaardig, gedetailleerd en verifieerbaar;

• deze verklaringen komen overeen met hetgeen overigens bekend is met betrekking tot de identiteit, nationaliteit, reisroute en het asielrelaas van de vreemdeling.

3.4

De rechtbank stelt vast dat eiser geen documenten betreffende zijn identiteit en nationaliteit heeft overgelegd. Voor de vraag of dat aan eiser toerekenbaar is, zijn volgens het beleid van verweerder eisers eigen verklaringen over onder meer zijn identiteit en nationaliteit van belang. De rechtbank stelt voorts vast dat eiser ook weinig heeft kunnen verklaren over Soedan en de Soedanese cultuur. Eiser spreekt bovendien geen Arabisch. Eisers eigen verklaring hiervoor is dat hij nog te jong was toen hij Soedan verliet, dat zijn moeder is overleden toen hij nog heel jong was en dat zijn vader hem niets over Soedan heeft verteld, dat zijn vader met hem in Ghana geen Arabisch sprak en dat hij de laatste periode in (vermoedelijk) Soedan onafgebroken is vastgehouden. Met betrekking tot zijn reis heeft eiser slechts het buskaartje van Hamburg naar Brussel overgelegd. Over zijn reis heeft hij verklaard dat hij niet weet vanuit welke plaats hij is vertrokken, dat hij vanuit een haven in eenentwintig dagen als verstekeling in een container naar Hamburg is gereisd en dat hij ongeveer drie maanden in Hamburg is gebleven in de buurt van het station. Daar stond een witte tent die Lampedusa werd genoemd en waar werd gedemonstreerd. Eiser kreeg daar voedsel en kleding.

3.5

Eiser heeft in beroep een op hem betrekking hebbend rapport van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (iMMO) van 17 oktober 2014 overgelegd en naar de inhoud daarvan verwezen. De rechtbank begrijpt de beroepsgrond van eiser zo, dat hij onder verwijzing naar het rapport van het iMMO betoogt dat verweerder hem niet heeft kunnen tegenwerpen dat zijn verklaringen onvoldoende zijn om zijn nationaliteit en herkomst uit Soedan aannemelijk te achten.

3.6

De rechtbank zal het rapport van het iMMO met toepassing van artikel 83 van de Vw 2000 bij haar oordeel betrekken.

3.7

Uit het rapport van het iMMO blijkt, voor zover van belang, het volgende.

Pagina 5: “Samenvattend is er sprake van slecht slapen, nachtmerries met herbelevingen, chronische somberheid, de behoefte aan sociale isolatie en angst voor de toekomst. Betrokkene ervaart een grote psychische lijdensdruk”.

(…)

Pagina’s 5, 6, 7 en 8: “Eiser heeft littekens op zijn wangen en knieën, gebitsproblemen, obstipatie en rectale pijn, pijnklachten aan beide onderbenen en voeten en is gediagnostiseerd met hepatitis B”.

(…)

Pagina 8: “In het GCA-dossier (d.d. 27 maart 2014) staat al vermeld dat betrokkene tranquillizers krijgt. In Nederland wordt dit niet snel voorgeschreven aan jongeren. (…) Het feit dat betrokkene dit kreeg is een aanwijzing voor de ernst van zijn psychische klachten en zijn grote lijdensdruk”.

(…)

Pagina 9: “De psychiatrische symptomen die passen bij het mengbeeld van een PTSS en een depressieve stoornis, zijn naar aard en inhoud (herbelevingen, vermijding) typerend voor de traumatische gebeurtenissen zoals betrokkene heeft verteld”.

(…)

Pagina 11: “In het Advies Horen en Beslissen van Medifirst d.d. 03-03-2014 wordt melding gemaakt van medische beperkingen. Betrokkene kan emotioneel raken waardoor concentratie kan verminderen, betrokkene heeft moeite met het weergeven van data. In het onderliggend onderzoeksformulier meldt betrokkene dat hij slecht slaapt, regelmatig nachtmerries heeft en last heeft van herbelevingen. Op basis van het advies kan gesteld worden dat er ten tijde van de asielgehoren beperkingen waren die zeker geïnterfereerd hebben met een compleet, coherent en consistent asielrelaas”.

3.8

In reactie op dit rapport stelt verweerder zich op het standpunt dat de rapporteur van het iMMO zijn conclusie, dat er tijdens de asielgehoren bij eiser psychische problematiek speelde die ten tijde van de gehoren zeker interfereerde met het doen van een compleet, coherent en consistent asielrelaas, heeft gebaseerd op het advies van Medifirst van 3 maart 2014, dat ten tijde van de asielgehoren al bij verweerder bekend was. Het rapport van iMMO is op dit punt derhalve volgens verweerder niet nieuw en verweerder heeft hier bij de gehoren ook al rekening mee gehouden.

3.9

In het Advies Horen en Beslissen van Medifirst van 3 maart 2014 staat, voor zover relevant, het volgende.

Pagina 2: “Betrokkene kan emotioneel raken tijdens het vertellen van [zijn] asielrelaas, waardoor zijn concentratie kan verminderen. Regelmatig pauzeren kan helpen. Betrokkene heeft moeite met het weergeven van data”.

3.10

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt. Blijkens de hiervoor van pagina 11 van het rapport van het iMMO geciteerde passage heeft het iMMO zijn conclusie niet alleen gebaseerd op het advies van Medifirst, maar ook op het onderliggend onderzoeksformulier. Hierin staan de medische klachten kennelijk uitgebreider beschreven dan in het advies zelf. Dat verweerder tijdens de asielgehoren rekening heeft gehouden met eisers klachten dat hij slecht slaapt, regelmatig nachtmerries heeft en last heeft van herbelevingen, blijkt niet. Daarenboven blijkt uit het rapport van het iMMO dat eiser psychiatrische symptomen heeft die passen bij het mengbeeld van PTSS en een depressieve stoornis. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder, in het licht van de op dit moment bekende informatie, eiser niet langer heeft kunnen tegenwerpen dat hij onvoldoende heeft verklaard om – met name – zijn nationaliteit en herkomst uit Soedan aannemelijk te maken. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking de jonge leeftijd van eiser ten tijde van de asielgehoren en de verklaringen die hij heeft gegeven voor het ontbreken van kennis over Soedan. Het had dan ook op verweerders weg gelegen om naar aanleiding van het rapport van het iMMO ofwel aanvullend medisch onderzoek te verrichten om de conclusies van het iMMO te weerleggen, ofwel eiser in de gelegenheid te stellen om middels een aanvullend gehoor, waarin uitgebreider werd doorgevraagd over zijn gestelde identiteit, Soedanese nationaliteit en herkomst en het ontbreken van kennis over Soedan, deze elementen nader te onderbouwen. Nu verweerder dit niet heeft gedaan, is de rechtbank van oordeel dat hij zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het ontbreken van documenten aan eiser toe te rekenen is. Dit betekent dat verweerder aan eiser niet artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 heeft kunnen tegenwerpen. De beroepsgrond treft doel.

4.
Hieruit volgt dat verweerder ten onrechte de geloofwaardigheid van het asielrelaas slechts heeft onderzocht binnen het toetsingskader van de positieve overtuigingskracht. Dit betekent dat het besluit van 2 april 2014 is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het besluit van 2 april 2014. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om zelf tot finale geschilbeslechting te komen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

5. De rechtbank geeft verweerder, mede met het oog op een finale geschilbeslechting, in overweging bij het nieuw te nemen besluit te betrekken het besluit van verweerder van 12 december 2014, WBV 2014/36 en de openbare werkinstructie 2014/10 van 1 januari 2015 van het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Vast staat dat beide regelingen bekend zijn gemaakt na het bestreden besluit. De rechtbank is van oordeel dat de beide regelingen wijzigingen inhouden van bestaand beleid en relevant kunnen zijn voor het nieuw te nemen besluit. Ter onderbouwing van dit oordeel verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van 30 januari 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:940).

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

6. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep beslist.

Ten aanzien van het beroep dat is geregistreerd onder AWB 14/19982

7.1

Verweerder heeft zich in het besluit van 3 juli 2014 op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om eiser ambtshalve uitstel van vertrek als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000 te verlenen, omdat uit het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 2 juli 2014 is gebleken dat bij het uitblijven van behandeling geen medische noodsituatie op korte termijn zal ontstaan en dat eiser in staat is te reizen.

7.2

De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij zijn beroep tegen dit besluit. Nu in het beroep dat is geregistreerd onder nummer AWB 14/8120 het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag is vernietigd en verweerder opnieuw op de asielaanvraag moet beslissen, heeft eiser immers wederom rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Artikel 64 van de Vw 2000 strekt ertoe de uitzetting en de vertrekplicht op te schorten, maar van vertrek of uitzetting is op dit moment geen sprake meer. Dat betekent dat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van de toepasselijkheid van artikel 64 van de Vw 2000, omdat hij daardoor niet in een betere verblijfspositie kan komen. Op grond van het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 augustus 2014 niet-ontvankelijk.

7.3

In het kader van de finale geschilbeslechting geeft de rechtbank verweerder het volgende in overweging. Indien in de nieuwe besluitvorming na de gegrondverklaring van het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wederom de vraag aan de orde komt of op eiser artikel 64 van de Vw 2000 van toepassing is, lijkt het de rechtbank aangewezen bij de beantwoording van die vraag niet alleen mee te wegen dat bij eiser blijkens het BMA-advies hepatitis B is vastgesteld, maar ook de bevindingen van het iMMO te betrekken, waaronder de vaststelling dat bij eiser sprake is van PTSS en een depressieve stoornis.

Ten aanzien van het beroep dat is geregistreerd onder AWB 14/8120 en het verzoek om een voorlopige voorziening

8.1

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in de zaken geregistreerd onder AWB 14/8120 en AWB 14/15862. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.470,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 9 december 2014, met een waarde per punt van € 490,-, en een wegingsfactor 1).

8.2

Ten aanzien van de door eiser gevorderde overige kosten in verband met het medisch onderzoek door het iMMO overweegt de rechtbank als volgt. Blijkens de door eiser overgelegde factuur van 1 mei 2014 bedragen de kosten voor het iMMO-onderzoek en het rapport € 2.359,50 inclusief BTW (€ 1.950,- exclusief BTW). Deze kosten komen op grond van artikel 1, onderdeel b, van het Besluit voor vergoeding in aanmerking, aangezien het iMMO-onderzoek aangemerkt dient te worden als door een deskundige uitgebracht verslag. Nu het doen opmaken van het iMMO-rapport redelijk was en het iMMO-rapport aanleiding heeft gegeven tot gegrondverklaring van het beroep, zal de rechtbank de kosten van dit medisch onderzoek aanmerken als proceskosten in de zin van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb.

8.3

De rechtbank is voorts van oordeel dat het gehele bedrag van de factuur van het iMMO voor vergoeding in aanmerking komt, en overweegt in dat verband als volgt. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit, in samenhang met artikel 8:36, tweede lid, van de Awb, is het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde van overeenkomstige toepassing. De rechtbank stelt vast dat voor het opstellen van een iMMO-rapport in het Besluit tarieven in strafzaken geen speciaal tarief is bepaald. Ingevolge artikel 6 van laatstgenoemd Besluit geldt dan een uurtarief van ten hoogste € 116,09 per uur. Gelet op de door eiser overgelegde factuur zou met het opstellen van het iMMO-rapport (1.950 : 116,09 =) ongeveer 16 uren zijn gemoeid. Vergeleken met de voor vergoeding in aanmerking komende uren die voor geneeskundigen en psychologen voor het opstellen van milieu, mono-, dubbel- en tripelrapportages zijn vastgesteld in het Besluit tarieven in strafzaken en gelet op werkzaamheden die gemoeid zijn met het opstellen van een iMMO-rapport zoals die blijken uit de ‘Leeswijzer bij iMMO rapportage’ komt de hoogte van de door eiser overgelegde factuur de rechtbank geenszins onredelijk voor.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 14/8120,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 14/19982,

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 14/15862,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/voorzieningenrechter,

in de zaken geregistreerd onder nummers: AWB 14/8120 en AWB 14/15862,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.829,50 (zegge: drieduizend achthonderd negenentwintig euro en vijftig cent).

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, voorzitter, en mrs. M.C. Eggink en D. Bode, rechters, in aanwezigheid van mr. M.M. van Duren, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2015.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: MvD

Coll.: JvB

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s‑Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.