Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:3305

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-02-2015
Datum publicatie
31-03-2015
Zaaknummer
C-09-480605 - KG ZA 15-18
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding; overheidsaansprakelijkheid; executie strafrecht; verrekening (mogelijk dubbel ondergane) gevangenisstraf met ISD-maatregel afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/480605 / KG ZA 15-18

Vonnis in kort geding van 20 februari 2015

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. G.F. Schadd te Arnhem,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M.M.C. van Graafeiland te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘eiser’ en ‘de Staat’.

1 Het procesverloop

Eiser heeft op 7 januari 2015 de voorzieningenrechter verzocht om een datum te bepalen voor dit kort geding. In verband met de vele verhinderdagen opgegeven door de advocaat van eiser en het zittingsrooster van de rechtbank heeft de voorzieningenrechter de zitting bepaald op 20 februari 2015. Vervolgens heeft eiser de Staat op 14 januari 2015 doen dagvaarden om op 20 februari 2015 ter zitting te verschijnen. De zaak is op die datum behandeld en er is diezelfde dag door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 20 februari 2015 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Eiser heeft sinds 2 juli 2003 tot en met heden op grond van verschillende insluittitels meerdere al dan niet aaneengesloten periodes in detentie doorgebracht.

2.2.

Bij vonnis van 31 oktober 2012 is eiser in de zaak met parketnummer 05/701599-12 (hierna ‘Zaak 1’) door de politierechter van de toenmalige Rechtbank Arnhem (thans Rechtbank Gelderland) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met aftrek van voorarrest overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht (Sr). Volgens het “bewijs van ontslag”, afgegeven door de directeur van de Penitentiaire Inrichting ‘de Berg’ te Arnhem is deze straf – die netto 19 dagen bedroeg – (aansluitend aan de door eiser ondergane preventieve hechtenis) ten uitvoer gelegd van 31 oktober 2012 tot 19 november 2012.

2.3.

Bij vonnis van 1 augustus 2013 heeft de rechtbank Gelderland in de zaken met parketnummers 05/701834-12, 05/021234-12, 05/701591-12, 05/720939-12 en 05/721552-12 aan eiser (onder meer) de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opgelegd voor de duur van twee jaar, opnieuw met aftrek van voorarrest overeenkomstig artikel 27 Sr. De tenuitvoerlegging van deze maatregel (hierna ‘de ISD-maatregel’), die staat geboekt onder insluittitel 05-701834-12 (hierna ‘Zaak 2’), is volgens de door de Staat overgelegde registratiekaart uit het verblijfsregistratiesysteem TULP / MIR aangevangen op 16 november 2013 en is de einddatum na aftrek van de ondergane preventieve hechtenis bepaald op 24 februari 2015. Aangezien eiser nadien nog twee dagen hechtenis dient te ondergaan in verband met een aan hem in Zaak 2 opgelegde schadevergoedingsmaatregel, is de datum van zijn invrijheidstelling bepaald op 26 februari 2015.

2.4.

Een door eiser (gedeeltelijk) overgelegde, ongedateerde, registratiekaart (over de periode van 27 november 2012 tot en met 30 augustus 2013) vermeldt dat het strafrestant van 19 dagen behorend bij het parketnummer van Zaak 1 tussen 13 juni en 2 juli 2013 ten uitvoer is gelegd. Volgens deze registratiekaart is eiser van 27 november 2012 tot 10 mei 2012 (preventief) gedetineerd geweest voor Zaak 2, waarna tenuitvoerlegging van andere zaken zou hebben plaatsgevonden.

2.5.

Volgens de door de Staat overgelegde registratiekaart (gedateerd op 13 januari 2015) is het strafrestant behorend bij Zaak 1 ten uitvoer gelegd tussen 14 oktober en 2 november 2013. Deze registratiekaart maakt in het historisch overzicht per parketnummer geen melding van een insluittitel voor de periode van 31 oktober tot 27 november 2014. Volgens het locatieoverzicht opgenomen op diezelfde registratiekaart was eiser tussen 23 oktober en 18 november 2012 gedetineerd in de PI de Berg. Voorts vermeldt deze kaart dat eiser van 27 november 2012 tot 16 augustus 2013 preventief gehecht geweest voor Zaak 2, waarna tenuitvoerlegging van andere zaken (waaronder Zaak 1) zou hebben plaatsgevonden.

3 Het geschil

3.1.

Eiser vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te veroordelen de ingangs- en einddatum van de ISD-maatregel van eiser met 19 dagen te vervroegen.

3.2.

Daartoe stelt eiser het volgende. Het strafrestant behorend bij Zaak 1 is tweemaal ten uitvoer gelegd. De ISD-maatregel is daarom 19 dagen eerder ingegaan dan op de registratiekaart staat vermeld en de begin- en einddatum dienen daarom met 19 dagen te worden vervroegd. Dit geldt temeer, nu eiser thans niet wordt behandeld, zodat de ISD-maatregel feitelijk een gevangenisstraf is. Aangezien de ISD-maatregel van eiser op 24 februari 2015 afloopt, heeft hij een spoedeisend belang bij toewijzing zijn vordering.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Eiser heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – gegeven. Eiser is in zijn vordering ook ontvankelijk, aangezien voor hem geen andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bestaat om zijn vordering aan de rechter voor te leggen. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.

4.2.

In deze procedure ligt ter beoordeling voor of het strafrestant van 19 dagen behorend bij Zaak 1 al dan niet tweemaal ten uitvoer is gelegd en of daarom de begin- en einddatum van aan eiser opgelegde ISD-maatregel met 19 dagen dient te worden vervroegd.

4.3.

Tussen partijen staat vast dat het strafrestant van Zaak 1, aansluitend aan de betreffende veroordeling, tussen 31 oktober en 19 november 2012 ten uitvoer is gelegd. Uit de door partijen overgelegde bescheiden kan niet met zekerheid worden opgemaakt dat dit strafrestant daarna nogmaals ten uitvoer is gelegd. Het door eiser overgelegde deel van zijn registratiekaart maakt immers alleen melding van de door hem gestelde tweede tenuitvoerlegging. Het deel dat betrekking zou moeten hebben op de periode van 31 oktober tot 19 november 2012 is niet overgelegd. Eiser heeft ook geen nader bewijs (zoals een bewijs van ontslag) van die tweede tenuitvoerlegging overgelegd. Dit een en ander laat de mogelijkheid open dat de straf voor Zaak 1 op de door eiser overgelegde kaart onjuist is geregistreerd en/of dat deze kaart nadien nog is gecorrigeerd. De door de Staat volledig overgelegde registratiekaart maakt voor het strafrestant dan weer alleen melding van een tenuitvoerlegging tussen 14 oktober en 2 november 2013, terwijl op die kaart enerzijds geen insluittitel staat vermeld voor de periode van 31 oktober tot 27 november 2014, terwijl het locatieoverzicht van die kaart anderzijds vermeldt dat eiser in die periode wel gedetineerd was in PI de Berg. Dit doet vermoeden dat de straf voor Zaak 1 inderdaad tweemaal ten uitvoer is gelegd. Opvallend is voorts dat de overgelegde registratiekaarten (waarbij in aanmerking moet worden genomen dat de status van de door eiser overgelegde kaart onduidelijk is en de officiële registratiekaart voormelde discrepantie bevat) niet overeengekomen voor wat betreft de tenuitvoerlegging per parketnummer, waaronder begrepen de preventieve hechtenis voor Zaak 2. De voorzieningenrechter acht het opmerkelijk dat geen van partijen voorafgaand aan de behandeling van dit kort geding op dit punt een nader onderzoek heeft ingesteld. Hierbij merkt de voorzieningenrechter op dat van de Staat mag worden verwacht dat hij ervoor instaat dat de detentie per insluittitel op een juiste en verifieerbare wijze staat geregistreerd in het daarvoor bestemde systeem. Zonder bijkomende bescheiden is aan de hand van de overgelegde kaarten niet na te gaan of eiser al dan niet 19 dagen te lang in detentie heeft doorgebracht en daarmee ook niet of de ISD-maatregel op de juiste datum is aangevangen. Gelet op het voorgaande moet er rekening mee worden gehouden dat er, zoals eiser heeft gesteld, inderdaad sprake is van een dubbele tenuitvoerlegging.

4.4.

Wat er verder ook van zij van deze mogelijk dubbele tenuitvoerlegging, de vordering van eiser moet worden afgewezen. De vordering van eiser komt erop neer dat hij wenst dat de 19 dagen detentie die hij (mogelijk) dubbel heeft ondergaan in mindering worden gebracht op de duur van de ISD-maatregel. Daarmee zou feitelijk 19 dagen detentie moeten worden verrekend met de ISD-maatregel. Zoals de Staat terecht heeft betoogd, biedt de wet geen aanknopingspunten voor een dergelijke verrekening. De ISD-maatregel dient immers (met aftrek van de ondergane preventieve hechtenis) geheel ten uitvoer te worden gelegd. De voorzieningenrechter in kort geding komt niet de bevoegdheid toe om deze maatregel te bekorten. De omstandigheid dat de ISD-maatregel in de visie van eiser gelijk te stellen is met detentie, maakt dat niet anders. Het is immers niet de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel die onrechtmatig is, maar de (vermeende) dubbele tenuitvoerlegging van de straf van Zaak 1. De (huidige) wetgeving biedt geen mogelijkheden om deze (mogelijke) onrechtmatigheid op de door eiser voorgestane wijze te redresseren.

4.5.

Slotsom is dat de vordering van eiser moet worden afgewezen. Hij zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4.6.

Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat indien eiser een eerdere datum voor de behandeling van dit kort geding wenselijk achtte, het op zijn weg lag om met de rechtbank in overleg te treden en om, indien nodig, verhinderdagen in te trekken.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.140,-, waarvan € 527,- aan salaris advocaat en € 613,- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2015.

WJ